Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6173

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
01/997002-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in zijn hoedanigheid van directeur (feitelijk leidinggever) van twee bedrijven verspreid over een lange periode op verschillende manieren de milieuwetgeving overtreden. Daarnaast heeft verdachte, samen met de rechtspersonen die hij bestuurde, gehandeld in strijd met een bevel van de officier van justitie betreffende de uitstroom van digestaat door die uitstroom niet tegen te gaan.

De rechtbank veroordeelt verdachte voor deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2017/284 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JM 2018/10 met annotatie van S. Pieters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/997002-15

Datum uitspraak: 28 november 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

wonende te [adres verdachte]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting op 16 mei 2017 en 14 november 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 januari 2017. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 16 mei 2017 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

dat [bedrijfsnaam] op of omstreeks 4 oktober 2014, te Nistelrode in de gemeente Bernheze, in een inrichting aan de [adres bedrijf] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een voorschrift van de omgevingsvergunning van 1 maart 2006, welk voorschrift betrekking had op: activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de WABO, te weten het oprichten, veranderen of veranderen van de werking en/of het in werking hebben van de inrichting,

immers werd in strijd met voorschrift 3.1.2 toen vanuit die inrichting bedrijfsafvalwater in een openbaar riool gebracht waardoor de doelmatige werking van het riool een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk of de bij dit riool of zuiveringstechnische werk behorende apparatuur werd belemmerd, de verwerking werd belemmerd van slib en/of de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater niet (zoveel mogelijk) werden beperkt, hebbende hij tot dat feit opdracht gegeven en/of feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[bedrijfsnaam] op of omstreeks 4 oktober 2014 te Nistelrode in de gemeente Bernheze, al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het veranderen en/of veranderen van de werking, van een inrichting aan de [adres bedrijf] , zijnde een inrichting als bedoeld in Onderdeel C, Categorie 28.1 en/of 7.4 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, in elk geval als bedoeld in bijlage I van dat besluit en/of het - na veranderingen te hebben aangebracht of de werking te hebben veranderd - in werking hebben van die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking, bestaande die veranderingen en/of die veranderde werking uit het niet uitsluitend lozen van afvalwater van huishoudelijk aard, maar tevens van proceswater, op het openbaar riool hebbende hij tot dat feit opdracht gegeven en/of feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging;

2.

[bedrijfsnaam] in of omstreeks de periode van 4 maart tot en met 1 oktober 2014 te Nistelrode in de gemeente Bernheze, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het veranderen en/of veranderen van de werking, van een inrichting aan de [adres bedrijf] , zijnde een inrichting als bedoeld in Onderdeel C, Categorie 28.1 en/of 7.4 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, in elk geval als bedoeld in bijlage I van dat besluit en/of het - na veranderingen te hebben aangebracht of de werking te hebben veranderd - in werking hebben van die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking, bestaande die veranderingen en/of die veranderde werking uit de aanleg en/of het in werking hebben van een bassin voor opslag van digestaat en/of percolaat en/of ander (afval)water hebbende hij tot dat/die feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedragingen;

3.

dat [bedrijfsnaam] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 september tot en met 12 september 2014 te Nistelrode in de gemeente Bernheze, op een perceel gelegen aan de [adres bedrijf] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op of in de bodem handelingen heeft verricht, te weten het aanleggen van een opslagbassin en/of vervolgens het opslaan van digestaat en of percolaat en/of overige verontreinigende stoffen (zonder voldoende bodembeschermende maatregelen), althans zodanig dat deze vanuit het bassin op de bodem (daarbuiten) terecht konden komen, althans zijn uitgestroomd en/of vervolgens deze aldaar gelaten, terwijl zij wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en al dan niet opzettelijk niet aan haar/hun verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar/hen konden worden gevergd teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, deze en/of de directe gevolgen daarvan te beperken en/of zoveel mogelijk ongedaan te maken, hebbende hij opdracht gegeven tot dat/die feit(en) en/of feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);

4.

[bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam 2] . op of omstreeks 31 maart 2015, te Nistelrode, gemeente Bernheze, op of aan een perceel [adres bedrijf] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk stoffen, te weten verontreinigd terreinwater en/of afvalwater, heeft gebracht in een perceelsloot, zijnde een oppervlaktewaterlichaam, terwijl:

a. een daartoe strekkende vergunning niet was verleend door Onze Minister dan wel het bestuur van het betrokken waterschap en

b. daarvoor geen vrijstelling was verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en

c. artikel 6.3 van de Waterwet niet van toepassing was,

hebbende hij tot dat/die feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijk leiding gegegeven aan die verboden gedraging(en);

5.

[bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam 2] . op of omstreeks 2 december 2015 te Nistelrode, gemeente Bernheze, als degene die een inrichting, als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, dreef, waarin zich een voorval, als bedoeld in artikel 17.1 van voornoemde wet voordeed of had voorgedaan, te weten een overstroming en/of een lekkage van digestaat en/of percolaat of een andere verontreinigende stof vanuit een (bio)vergister en/of een silo en/of een bak, op de onbeschermde bodem van het terrein en/of de daaraan grenzende percelen tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, dat voorval niet zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd was een vergunning krachtens artikel 8.1 van voornoemde wet voor een inrichting te verlenen, dan wel ingevolge artikel 8.41, tweede lid, onder a van voornoemde wet, het orgaan was waaraan de melding werd gericht, dan wel, in andere gevallen, aan burgemeester en wethouders, heeft gemeld, hebbende hij opdracht gegeven tot dat feit en/of feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging;

6. dat [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam 2] . op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 december 2015 tot en met 17 december 2015 en/of op of omstreeks 28 december 2015 te Nistelrode in de gemeente Bernheze, op een perceel gelegen aan de [adres bedrijf] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op of in de bodem handelingen heeft verricht, te weten het (doen) uitstromen van digestaat en/of percolaat en/of overige verontreinigende stoffen vanuit een silo en/of biovergister over de (onbeschermde) bodem en vervolgens deze aldaar gelaten, terwijl zij wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en al dan niet opzettelijk niet aan haar/hun verplichting(en) heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar/hen konden worden gevergd teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, deze en/of de directe gevolgen daarvan te beperken en/of zoveel mogelijk ongedaan te maken, hebbende hij opdracht gegeven tot dat feit en/of feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);

7. hij in of omstreeks de periode van 4 december tot en met 17 december 2015 te Nistelrode, gemeente Bernheze, - nadat aan verdachte vanwege de Officier van Justitie van het Functioneel Parket, in deze handelend in het arrondissement Oost-Brabant, ingevolge artikel 28 van de Wet op de economische delicten, als voorlopige maatregel was bevolen zich te onthouden van het doen of laten - (verder) uitstromen of afvloeien van digestaat op of in de bodem en - uitstromen en afvloeien over het terrein of aangrenzende perce(e)l(en) en/of opeervlaktewater(en) van afvalstoffen, digestaat en/of andere schadelijke en/of verontreinigende stoffen

en welke voorlopige maatregel verdachte op 4 december 2015 in persoon was betekend - meermalen, in elk geval eenmaal, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) opzettelijk heeft gehandeld, en/of opzettelijk heeft nagelaten in strijd met die voorlopige maatregel, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) toen daar opzettelijk percolaat en/of digestaat en/of overige verontreinigende stoffen vanuit een silo en/of een biovergister over de bodem laten uitstromen en/of laten afvloeien over het terrein en/of aangrenzende perce(e)l(en).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het ter zitting bij pleidooi herhaalde verzoek om schorsing van het onderzoek teneinde het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen de barcodes van de onderzochte monsters te overleggen wordt afgewezen. De noodzaak daartoe is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank verwijst daarvoor naar de ter zitting gegeven motivering van het eerste op de zitting gedane verzoek.

Bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft, op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden, geconcludeerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Van hetgeen onder 1. is ten laste gelegd kan de primaire variant bewezen worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Zakelijk weergegeven is daartoe onder meer het navolgende aangevoerd.

Met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde feit kan op grond van het dossier niet worden nagegaan op welke wijze de monsterneming heeft plaatsgevonden en welke routing de monsters hebben afgelegd. Aldus kan niet worden vastgesteld dat de lozing nadelige gevolgen heeft gehad voor de werking van het riool of dat hierdoor de kwaliteit van het oppervlaktewater is aangetast. Daar komt bij dat verdachte van de heer [betrokkene 1] van de gemeente Bernheze toestemming had gekregen om op het riool te lozen.

Ter zake van het onder 2. ten laste gelegde feit kan aan de hand van de verrichte monsternemingen niet worden vastgesteld dat de in het bassin opgeslagen substantie digestaat dan wel percolaat dan wel ander afvalwater betreft.

Ten aanzien van feit 3 kan er, gelet op de conclusies in het rapport van de [naam omgevingsdienst 3] d.d. 28 januari 2015, niet worden vastgesteld dat er sprake is van verontreiniging.

Met betrekking tot de onder 5. en 6. ten laste gelegde feiten kunnen de resultaten van de op 16 en 17 december 2015 genomen monsters, gelet op de daaraan klevende gebreken, niet voor het bewijs worden gebruikt. Immers ontbreekt het overdrachtsformulier en is er in het dossier geen barcoderegistratie terug te vinden. Als gevolg hiervan kan er niets worden vastgesteld omtrent de mogelijke vervuiling.

Verder heeft de provinciale overheid het verdachte verboden om de motoren van de vergister aan te zetten en de installatie te voeden. Daarmee is verdachte de enige hem ter beschikking staande mogelijkheid ontnomen om het proces van uitstroom uit de vergister te laten stoppen. Een en ander dient te leiden tot vrijspraak van de feiten 5, 6 en 7.

Het oordeel van de rechtbank.

Vrijspraakoverweging t.a.v. feit 4.

Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat op 31 maart 2015 werkzaamheden zijn verricht op het perceel van [bedrijfsnaam 2] . waarbij dat perceel is geëgaliseerd. Deze werkzaamheden zijn uitgevoerd door kraanmachinist [betrokkene 2] , die was ingehuurd door de firma [bedrijfsnaam 3] . Bij deze werkzaamheden heeft [betrokkene 2] sleuven gegraven teneinde het op het perceel aanwezige (volgens verbalisanten sterk verontreinigde) water te laten wegstromen in een naastgelegen sloot. Hoewel verdachte mogelijk is tekortgeschoten in de detaillering van de door hem aan [betrokkene 3] gegeven opdracht, is de rechtbank van oordeel dat het onder de gegeven omstandigheden te ver voert om te concluderen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de verboden gedraging. De rechtbank slaat hierbij in het bijzonder acht op de verklaring van [betrokkene 2] dat hij de sleuven geheel op eigen initiatief heeft gegraven en de verklaring van [betrokkene 3] dat daarvoor geen opdracht door verdachte was verstrekt. Nu voorwaardelijk opzet niet kan worden bewezen, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 4. ten laste gelegde feit.

Bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis zijn de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen als bewijsbijlage (pagina’s 18 tot en met 27) bij dit vonnis gevoegd. Deze bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Bijzondere bewijsoverwegingen.

M.b.t.. de monsternemingen:

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de verkregen onderzoeksresultaten niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd omdat de wijze van monsterneming en de verdere ‘routing’ van de monsters onvoldoende duidelijk uit het dossier volgt en niet-controleerbaar is, overweegt de rechtbank het navolgende. De rechtbank is van oordeel dat de plaats, tijd en wijze van monsterneming telkens voldoende duidelijk uit het dossier blijken. Datzelfde geldt ten aanzien van de uit de betreffende bemonsteringen verkregen onderzoeksresultaten (voor zover deze voor het bewijs worden gebezigd). Naar het oordeel van de rechtbank is de gang van zaken rond de bemonstering en het aan de monsters verrichtte onderzoek steeds op voldoende inzichtelijke en controleerbare wijze in het procesdossier weergegeven. De omstandigheid dat in het procesdossier de door de verdediging genoemde overdrachtsformulier en barcoderegistratie niet zijn vermeld, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.

M.b.t. het onder 1. ten laste gelegde:

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het navolgende vast. Verbalisant [verbalisant 1] heeft op 4 oktober 2014 geconstateerd dat er vanuit een op het bedrijfsterrein van [bedrijfsnaam] aanwezige container met een dompelpomp afvalwater werd geloosd op het openbaar riool. Door de verbalisant werd daarbij, zowel in de container als benedenstrooms in het riool, een sterke ammoniaklucht geroken. Procestechnoloog [technoloog] heeft de analyseresultaten van de monsterneming van 4 oktober 2014 bestudeerd en heeft verklaard dat het zeer geconcentreerd afvalwater betreft, waarvan de gehalten stikstof en chemisch zuurstofverbruik bijzonder hoog zijn. Bij dergelijke hoge ammoniumwaarden is de rioolwaterzuiveringsinstallatie (verder: RWZI) niet in staat om het ammonium volledig af te breken, zodat een gedeelte ervan via het effluent in de [naam waterloop] zal terechtkomen, aldus [naam procestechnoloog] Verder heeft [technoloog] nog verklaard dat uit de online-analyse van [naam rioolwaterzuiveringsinstallatie 2] blijkt dat het ammoniumgehalte in de periode van 18 september 2014 tot en met 5 oktober 2014 met pieken enorm hoog is geweest en vervolgens na 5 oktober 2014 (de rechtbank begrijpt: na de controle van verbalisant [verbalisant 1] ) is gezakt tot de waarden die normaal zijn voor de RWZI. De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande dat [bedrijfsnaam] op 4 oktober 2014 (en in daaraan voorafgaande periode) sterk verontreinigd afvalwater heeft geloosd op het riool en dat deze lozing gevolgen heeft gehad voor [naam rioolwaterzuiveringsinstallatie 2] . [naam rioolwaterzuiveringsinstallatie 2] betreft een zuiveringstechnisch werk dat onder meer tot doel heeft te voorkomen dat oppervlaktewater wordt verontreinigd. Door de lozing heeft [bedrijfsnaam] de werking van dat zuiveringstechnisch werk belemmerd en heeft het de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater in de [naam waterloop] niet (zoveel mogelijk) beperkt. Hiermee heeft [bedrijfsnaam] gehandeld in strijd met een voorschrift van de omgevingsvergunning.

Door verdachte is onder meer aangevoerd dat het vanaf zijn perceel geloosde afvalwater niet kan hebben geleid tot de verhoogde waarden zoals die door de RWZI zijn gemeld. De rechtbank verwerpt dit verweer nu het onvoldoende is onderbouwd, temeer nu verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij niet weet wat de samenstelling is van het afvalwater dat vanaf zijn bedrijf op het riool werd geloosd.

Het verweer van verdachte dat hij van ambtenaar [betrokkene 1] van de gemeente Bernheze toestemming had gekregen voor het (in deze omvang en in deze samenstelling) lozen van afvalwater op het riool acht de rechtbank niet aannemelijk. [naam ambtenaar] heeft nadrukkelijk kenbaar gemaakt - per e-mail op pagina 457 van het procesdossier alsook tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris - dat verdachte bij het lozen van afvalwater diende te voldoen aan alle daarvoor geldende normen. Dit verweer wordt daarom eveneens verworpen.

Concluderend - en in aanmerking genomen hetgeen hieronder omtrent het feitelijk leidinggeven wordt overwogen - komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, met dien verstande dat naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden bewezen dat als gevolg van de lozing de verwerking van slib werd belemmerd. Verdachte zal daarom ten aanzien van dit gedeelte van de tenlastelegging partieel worden vrijgesproken.

M.b.t. het onder 2. ten laste gelegde:

Aan de hand van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verbalisant [verbalisant 2] op 4 maart 2014 heeft geconstateerd dat op het terrein van [bedrijfsnaam] een niet-vergund opslagbassin was gesitueerd. Gesteld noch gebleken is dat het betreffende bassin aan [bedrijfsnaam] was vergund, waarbij wordt opgemerkt dat verdachte ter terechtzitting zelf heeft verklaard dat de vergunningverlening nog niet had plaatsgevonden.

Het verweer van de raadsman dat de inhoud van het bassin niet kan worden vastgesteld wordt door de rechtbank verworpen, nu verdachte immers ter zitting zelf heeft verklaard dat de inhoud van dit bassin bestond uit (voorgezuiverd) afvalwater.

Gelet op het voorgaande - en in aanmerking genomen hetgeen hieronder omtrent het feitelijk leidinggeven zal worden overwogen - komt de rechtbank dan ook tot een bewezenverklaring van het onder 2. ten laste gelegde feit

M.b.t. het onder 3. ten laste gelegde:

Voor zover door de raadsman is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat door het uit het bassin getreden water de bodem kon worden verontreinigd, overweegt de rechtbank het navolgende. Zoals hierboven bij feit 2 reeds is opgemerkt, heeft verdachte ter zitting verklaard dat de inhoud van dit bassin bestond uit (voorgezuiverd) afvalwater. Blijkens het rapport van [rapporteur] van de [naam omgevingsdienst 1] zijn er monsters genomen van het afvalwater uit het bassin, welke monsters vervolgens nader zijn onderzocht. Geconcludeerd wordt dat op basis van de gemeten gehalten aan chroom, dit water een potentiële bron van verontreiniging voor het grondwater kan vormen. Voorts heeft verbalisant [verbalisant 3] waargenomen dat de op het talud aanwezige vegetatie bruin verkleurd was rondom de plek waar het afvalwater door het talud heen stroomde. Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat het in het bassin aanwezige afvalwater de potentie had om de bodem te verontreinigen of aan te tasten.

Ten laste is gelegd dat [bedrijfsnaam] artikel 13 van de Wet bodembescherming heeft overtreden. Dit betreft een zorgplichtbepaling, bestaande uit het nemen van preventieve maatregelen om verontreiniging of aantasting van de bodem te voorkomen indien verdachte weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de bodem zou kunnen worden verontreinigd. Voorts geldt ingevolge dat artikel de plicht voor verdachte om, als er al sprake is van verontreiniging, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van verdachte gevergd kunnen worden om de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Het gaat derhalve om een dubbele zorgplicht. Uit het complex van bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende van het uitblijven van het treffen van maatregelen door [bedrijfsnaam] om te voorkomen dat de bodem kon worden verontreinigd of aangetast. Nadat voor de eerste keer op 9 september 2014 was geconstateerd dat verontreinigd afvalwater over en/of door het talud op de bodem was gebracht, heeft [bedrijfsnaam] , na verzoeken daartoe van verbalisant [verbalisant 3] geen maatregelen getroffen om uitstroom ter plaatse van de vermoede lekkage uit het bassin te voorkomen en de gevolgen daarvan ongedaan te maken of zoveel mogelijk te beperken. De stelling van verdachte ter zitting dat alleen in het bassin terechtgekomen regenwater over het talud is gestroomd en er dus geen afvalwater over het talud is gestroomd, is niet onderbouwd en acht de rechtbank ook niet aannemelijk. Verbalisant [verbalisant 3] heeft immers op 11 september 2014 waargenomen dat het peil in het bassin was gezakt tot onder de rand, terwijl er nog immer uitstroom plaatsvond. Bovendien wist verdachte zelf niet de samenstelling van het afvalwater, zoals door hem verklaard ter zitting. [bedrijfsnaam] heeft na het voorval op 9 september 2014 geen maatregelen genomen om bodemverontreiniging te voorkomen. Aldus is - minst genomen - welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door het handelen c.q. nalaten van [bedrijfsnaam] de bodem zou kunnen worden verontreinigd.

Concluderend - en in aanmerking genomen hetgeen hieronder omtrent het feitelijk leidinggeven wordt overwogen - komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 3. ten laste gelegde feit.

M.b.t. het onder 5. en 6. ten laste gelegde:

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er in de periode van 2 december 2015 tot en met 17 december 2015 en op 28 december 2015, digestaat is gestroomd uit een op het perceel aan de [adres bedrijf] te Nistelrode aanwezige biovergister. Dit digestaat is - al dan niet via een onder het uitstroompunt geplaatste bak - op de onbeschermde bodem terechtgekomen en is tevens op het aangrenzende bosperceel gestroomd. Een en ander is door de verdediging in zoverre niet betwist.

Voor wat betreft het verweer van de raadsman aangaande de betrouwbaarheid van de resultaten van de op 16 en 17 december 2015 genomen monsters, verwijst de rechtbank naar hetgeen daarover hierboven reeds is overwogen. In aanvulling daarop overweegt de rechtbank dat buiten discussie staat dat de uit de vergister gestroomde substantie digestaat betrof. Daarvan mag worden aangenomen dat het, wanneer het in dergelijke hoeveelheden en op ongecontroleerde wijze over de onbeschermde bodem uitstroomt, verontreinigende en schadelijke gevolgen zal hebben.

Voor zover door de verdediging is aangevoerd dat het verdachte was verboden om de motoren van de vergister aan te zetten c.q. om de vergister te voeden teneinde de uitstroom van digestaat tegen te gaan, overweegt de rechtbank het volgende. Bij aanvullend proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] d.d. 1 juni 2017 zijn een aantal documenten gevoegd, waaruit blijkt van handhavend optreden door de [naam omgevingsdienst 2] met betrekking tot twee biogasmotoren binnen de inrichting. Het handhavend optreden was gericht op het voldoen aan de geldende veiligheidsvoorschriften en de verplichting tot keuren van de motoren. Daarbij is erop gewezen dat de motoren niet in werking mochten zijn wanneer deze niet waren gekeurd. Uit een brief van de [naam omgevingsdienst 2] gedateerd 19 november 2015 (pagina 173) volgt dat verdachte op dat moment is geïnformeerd dat de [naam dienst] “niet [zal] overgaan tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, strekkende tot het buiten gebruik stellen van de biogasmotor”. Wat er verder ook zij van het door verdachte gestelde conflict van met elkaar strijdige plichten, is de rechtbank van oordeel dat vanaf 19 november 2015 verdachte niet (langer) voor de keuze was gesteld om de motor buiten gebruik te stellen. Nu het verweer feitelijke grondslag mist, wordt het door de rechtbank verworpen. De bewering van verdachte dat hij deze aan hem gerichte brief niet heeft gelezen is een omstandigheid die bij hem ligt en voor zijn risico dient te blijven.

Onder 6. is ten laste gelegd dat [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam 2] . artikel 13 van de Wet bodembescherming hebben overtreden. Hier geldt een dubbele zorgplicht (zoals hierboven bij feit 3 reeds omschreven). Uit het complex van bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende van het uitblijven van het treffen van maatregelen door [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam 2] . om te voorkomen dat de bodem kon worden verontreinigd of aangetast. Nadat voor de eerste keer op 2 december 2015 was geconstateerd dat er digestaat uit de vergister stroomde, zijn er door [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam 2] . geen adequate maatregelen getroffen om de gevolgen daarvan ongedaan te maken of zoveel mogelijk te beperken. Weliswaar zijn op enig moment dammen opgeworpen op het terrein van de inrichting, maar naar het oordeel van de rechtbank is hiermee - mede gelet op de omvang van de verontreiniging en de omstandigheid dat het digestaat naar het naastgelegen bosperceel is doorgestroomd - niet aan de op de rechtspersonen rustende inspanningsverplichting voldaan. Gedurende de gehele periode zijn er door [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam 2] . onvoldoende maatregelen genomen om bodemverontreiniging te voorkomen en daarmee is - minst genomen - welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door het handelen c.q. nalaten de bodem kon worden verontreinigd.

Onder 5. is ten laste gelegd dat [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam 2] . al dan niet opzettelijk hebben nagelaten een ongewoon voorval, als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet Milieubeheer, aan het bevoegde bestuursorgaan te melden. Door de verdediging is betwist dat het hier een ongewoon voorval betrof. De rechtbank overweegt in dit verband dat op het terrein van de inrichting een biovergistingsinstallatie in werking was en dat op 2 december 2015 is geconstateerd dat uit deze installatie vloeistof, te weten digestaat stroomde waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of dreigden te ontstaan, onder meer door uitstroom van het digestaat vanaf de inrichting naar het naastgelegen bosperceel. Dit is een gebeurtenis die afwijkt van de normale bedrijfsvoering binnen de inrichting en derhalve betreft het een ongewoon voorval. Het verweer wordt aldus verworpen.

Door verdachte is verder aangevoerd dat hij persoonlijk niet op de hoogte was van het voorval. De rechtbank volgt deze bewering evenmin, nu uit het procesdossier volgt dat [naam medewerker] , zijnde een medewerker van [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam 2] ., ten tijde van het ongewoon voorval op het bedrijfsterrein aanwezig was, onder leiding stond van verdachte en in zijn opdracht werkzaamheden verrichtte. Het is aan verdachte als directeur om de werkzaamheden binnen de inrichting zo te organiseren dat hij door zijn personeel ter plaatse op de hoogte wordt gehouden van ongewone voorvallen. Bovendien is verdachte door verbalisanten telefonisch van het ongewoon voorval op de hoogte is gesteld. Uit dat gesprek bleek voorts dat verdachte op de hoogte was van het uitstromen van digestaat. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat er onder de lekkende vergistingsinstallatie een bak was geplaatst, waaruit de rechtbank opmaakt dat het voorval - te weten het uitstromen van digestaat vanuit de vergister - door medewerkers van het bedrijf reeds was gezien.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het voorgaande in aanmerking nemenede, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de onder 5. en 6. ten laste gelegde feiten zoals na te melden.

M.b.t. het onder 7. ten laste gelegde:

Onder 7. is aan verdachte ten laste gelegd dat hij, al dan niet tezamen en vereniging met anderen, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een voorlopige maatregel van de officier van justitie (ex artikel 28 van de Wet op de economische delicten). Voor zover door de verdediging is aangevoerd dat het verdachte was verboden om de motoren van de vergister aan te zetten c.q. om de vergister te voeden en dat hij dus het onomkeerbare proces van de uitstroom van digestaat niet kon verhelpen, overweegt de rechtbank conform hierboven bij feit 6 reeds vermeld. In aanvulling daarop is de rechtbank van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten, ter voorkoming van de verdere uitstroom van het digestaat over het terrein en de aangrenzende percelen, wel degelijk méér maatregelen hadden kunnen en moeten nemen. Zo had het uitgestroomde digestaat adequater kunnen worden opgevangen en afgevoerd en hadden er (extra) dammen en/of dijken kunnen worden aangelegd.

Concluderend acht de rechtbank ook het onder 7. ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

M.b.t. het feitelijk leidinggeven:

Onder 1. primair, 2., 3., 5. en 6. is ten laste gelegd dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam 2] . Om tot een bewezenverklaring van feitelijk leiding geven te komen, dient allereerst vast komen te staan dat er sprake is van een of meer strafbare gedragingen die zijn begaan door een rechtspersoon.

Voor de beantwoording van de vraag of een strafbare gedraging is begaan door een rechtspersoon, is beslissend of de gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Blijkens vaste jurisprudentie is dat in het bijzonder het geval wanneer de gedragingen binnen de sfeer van de rechtspersoon hebben plaatsgevonden. De rechtbank overweegt in dit verband allereerst dat de voormelde ten laste gelegde feiten zich richten tot eenieder, dus ook tot rechtspersonen. Dit brengt mee dat de rechtspersonen [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam 2] . zijn aan te merken als geadresseerde van de overtreden norm. Beide rechtspersonen zijn bedrijven die zich bezighouden met het produceren van (bio)energie met gebruikmaking van meststoffen. Daarmee passen de verboden gedragingen steeds binnen de normale bedrijfsvoering en taakuitoefening van de beide rechtspersonen. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de verboden gedragingen hebben plaatsgevonden binnen de sfeer van de rechtsperso(o)n(en), waardoor de verboden gedragingen redelijkerwijs aan de betreffende rechtspersoon kunnen worden toegerekend. De ten laste gelegde feiten zijn begaan door de rechtspers(o)n(en).

Vervolgens dient te worden beoordeeld of verdachte als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte directeur en enig bestuurder van [bedrijfsnaam 2] . is en dat [bedrijfsnaam 2] . eigenaar is van [bedrijfsnaam] Verdachte is exclusief bevoegd om namens [bedrijfsnaam] en [bedrijfsnaam 2] . beslissingen te nemen en opdrachten te vertrekken. Bovendien volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte steeds minst genomen op de hoogte is geweest van de betreffende verboden gedragingen. Voor zover deze verboden gedragingen niet reeds het gevolg zijn van actief handelen van verdachte zelf, heeft hij in ieder geval - hoewel hij daartoe vanuit zijn zowel formele als feitelijke functie als leidinggevende bevoegd en gehouden was - niet ingegrepen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen die zijn begaan door de genoemde rechtspersonen, als bedoeld in artikel 51, tweede lid onder 2 van het Wetboek van Strafrecht.

M.b.t. het medeplegen:

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting het onder 1. primair, 2. en 3. ten laste gelegde medeplegen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat verdachte hiervan in zoverre wordt vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat

1. primair

[bedrijfsnaam] op 4 oktober 2014 te Nistelrode in de gemeente Bernheze, in een inrichting aan de [adres bedrijf] opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een voorschrift van de omgevingsvergunning van 1 maart 2006, welk voorschrift betrekking had op: activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de WABO, te weten het oprichten, veranderen of veranderen van de werking en/of het in werking hebben van de inrichting,

immers werd in strijd met voorschrift 3.1.2 toen vanuit die inrichting bedrijfsafvalwater in een openbaar riool gebracht waardoor de doelmatige werking van een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk werd belemmerd en de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater niet (zoveel mogelijk) werden beperkt, hebbende hij feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging;

2.

[bedrijfsnaam] in de periode van 4 maart tot en met 1 oktober 2014 te Nistelrode in de gemeente Bernheze opzettelijk zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het veranderen en/of veranderen van de werking van een inrichting aan de [adres bedrijf] , zijnde een inrichting als bedoeld in Onderdeel C, Categorie 28.1 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht en het - na veranderingen te hebben aangebracht of de werking te hebben veranderd - in werking hebben van die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking, bestaande die veranderingen en/of die veranderde werking uit de aanleg en/of het in werking hebben van een bassin voor opslag van afvalwater hebbende hij feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedragingen;

3.

[bedrijfsnaam] in de periode van 9 september tot en met 12 september 2014 te Nistelrode in de gemeente Bernheze op een perceel gelegen aan de [adres bedrijf] op de bodem handelingen heeft verricht, te weten het opslaan van verontreinigende stoffen, zodanig dat deze vanuit het bassin op de bodem daarbuiten terecht konden komen en vervolgens deze aldaar gelaten, terwijl zij redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en opzettelijk niet aan haar verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, deze en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken, hebbende hij feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedragingen;

5.

[bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam 2] . op 2 december 2015 te Nistelrode, gemeente Bernheze, als degene die een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer dreef, waarin zich een voorval als bedoeld in artikel 17.1 van voornoemde wet voordeed of had voorgedaan, te weten een overstroming en/of een lekkage van digestaat of een andere verontreinigende stof vanuit een biovergister en een bak op de onbeschermde bodem van het terrein en/of de daaraan grenzende percelen, tezamen en in vereniging opzettelijk, dat voorval niet zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd was een vergunning krachtens artikel 8.1 van voornoemde wet voor een inrichting te verlenen, dan wel ingevolge artikel 8.41, tweede lid, onder a van voornoemde wet, het orgaan was waaraan de melding werd gericht, dan wel, in andere gevallen, aan burgemeester en wethouders, heeft gemeld, hebbende hij feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging;

6. [bedrijfsnaam] en [bedrijfsnaam 2] . in de periode van 2 december 2015 tot en met 17 december 2015 en op 28 december 2015 te Nistelrode in de gemeente Bernheze op een perceel gelegen aan de [adres bedrijf] tezamen en in vereniging op de bodem handelingen hebben verricht, te weten het (doen) uitstromen van digestaat of overige verontreinigende stoffen vanuit een biovergister over de onbeschermde bodem en vervolgens deze aldaar gelaten, terwijl zij wisten dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en opzettelijk niet aan hun verplichting hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hen konden worden gevergd teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, deze en/of de directe gevolgen daarvan te beperken en/of zoveel mogelijk ongedaan te maken, hebbende hij feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedragingen;

7. hij in de periode van 4 december tot en met 17 december 2015 te Nistelrode, gemeente Bernheze, - nadat aan verdachte vanwege de Officier van Justitie van het Functioneel Parket, in deze handelend in het arrondissement Oost-Brabant, ingevolge artikel 28 van de Wet op de economische delicten, als voorlopige maatregel was bevolen zich te onthouden van het doen of laten - (verder) uitstromen of afvloeien van digestaat op of in de bodem en - uitstromen en afvloeien over het terrein of aangrenzende perce(e)l(en) en/of oppervlaktewater(en) van afvalstoffen, digestaat en/of andere schadelijke en/of verontreinigende stoffen

en welke voorlopige maatregel verdachte op 4 december 2015 in persoon was betekend - tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft gehandeld in strijd met die voorlopige maatregel, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen daar opzettelijk digestaat en/of overige verontreinigende stoffen vanuit een biovergister over de bodem laten uitstromen en laten afvloeien over het terrein en aangrenzende percelen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen zij bewezen acht, gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit en heeft zich niet uitgelaten over de strafoplegging.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in zijn hoedanigheid van directeur (feitelijk leidinggever) van twee bedrijven verspreid over een lange periode en op verschillende manieren de milieuwetgeving overtreden. Op 4 oktober 2014 heeft het bedrijf van verdachte bedrijfsafvalwater op het openbaar riool geloosd, waardoor onder meer de werking van het aan dat riool verbonden zuiveringstechnisch werk werd belemmerd. Ten gevolge daarvan werden in het oppervlaktewater waarop dat riool via het zuiveringstechnisch werk uitkwam, onder meer verhoogde waarden ammonium gemeten. Dat is nadelig voor flora en fauna. Van maart tot en met september 2014 heeft het bedrijf van verdachte een bassin voor de opslag van afvalwater aanwezig gehad zonder te beschikken over de daartoe vereiste vergunning. Toen er in de maand september 2014 afvalwater uit dit bassin stroomde, heeft verdachte zijn bedrijf onvoldoende maatregelen laten treffen om te voorkomen dat hierdoor de bodem zou worden verontreinigd of aangetast. Vervolgens heeft verdachte op 2 december 2015, toen er binnen zijn bedrijf uit een mestvergistingsinstallatie grote hoeveelheden digestaat stroomden, nagelaten dit voorval bij de bevoegde autoriteiten te melden. De uitstroom van digestaat vanuit de mestvergister heeft vervolgens dagen voortgeduurd, waarbij door het bedrijf van verdachte andermaal onvoldoende maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat hierdoor de bodem zou worden verontreinigd of aangetast. Tot slot heeft verdachte, samen met de rechtspersonen die hij bestuurde, gehandeld in strijd met een bevel van de officier van justitie betreffende de uitstroom van het digestaat door die uitstroom niet tegen te gaan.

Uit het bewezen verklaarde handelen van verdachte blijkt van een groot gebrek aan respect voor het milieu en de (gezondheids-)belangen van omwonenden. Daarnaast geven de bewezenverklaarde gedragingen - met name gelet op de structurele aard ervan - blijk van een groot gebrek aan respect voor geldende regelgeving en voor de aanwijzingen van autoriteiten. De biovergistingsinstallatie is over een lange periode intensief gecontroleerd door instanties. Daarbij zijn frequent overtredingen van voor de inrichting geldende milieuregels vastgesteld. Verdachte komt bij dit alles naar voren als iemand die, overtuigd van het eigen gelijk, doorlopend dergelijke constateringen en conclusies betwist en zich confronterend opstelt. Daarbij legt verdachte bij voortduring de verantwoordelijkheid bij controlerende of beslissingsbevoegde instanties onder het ontkennen van de eigen verantwoordelijkheid voor handelingen die leiden tot ongewenste gevolgen voor met name het milieu.

Het voorgaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat er, in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw soortgelijke en andersoortige strafbare feiten te plegen.

Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. Dat verdachte van het onder 4. ten laste gelegde feit wordt vrijgesproken maakt dat, gelet op de relatieve zwaarte van dat feit, niet anders. De gevorderde straf is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de door de benadeelde partij opgevoerde schade onvoldoende is onderbouwd en nader onderzoek op dat punt een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is verzocht om de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu de verdediging de vordering niet kan duiden. Daarbij is uitdrukkelijk opgemerkt dat de door benadeelde partij gestelde schade door de verdediging wordt betwist.

Beoordeling. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat niet eenvoudig is vast te stellen of en in hoeverre de door de benadeelde partij gestelde schade rechtstreeks door het bewezen verklaard feit is toegebracht. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat die behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 14a, 14b, 14c, 47, 51, 57, 63 en 91 van het Wetboek van strafrecht;

1a, 2, 6 en 33 van de Wet op de economische delicten;

2.1

en 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

17.2

van de Wet milieubeheer en 13 van de Wet bodembescherming.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- spreekt verdachte vrij van het onder 4. ten laste gelegde;

- verklaart het onder 1. primair, 2., 3., 5., 6. en 7. ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1 primair:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 aanhef en onder a. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

t.a.v. feit 2:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder e. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

t.a.v. feit 3:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

t.a.v. feit 5:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 17.2 eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

t.a.v. feit 6:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

t.a.v. feit 7:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een voorlopige maatregel, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

- legt op de volgende straf:

t.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3, feit 5, feit 6 en feit 7:

Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij]

- verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 2] in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. M.E.L. Hendriks, leden,

in tegenwoordigheid van mr. P. Susijn, griffier,

en is uitgesproken op 28 november 2017.

BIJLAGE MET BEWIJSMIDDELEN 1

[bewijsbijlage]

[bewijsbijlage]

[bewijsbijlage]

[bewijsbijlage]

[bewijsbijlage]

[bewijsbijlage]

1