Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6138

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-11-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
17_3003
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“De burgemeester van de gemeente Bergeijk heeft onlangs de huurwoning van een man uit Bergeijk voor drie maanden gesloten. De voorzieningenrechter heeft deze beslissing echter geschorst. De burgemeester mag de woning in beginsel sluiten, omdat in de woning een grote hoeveelheid harddrugs is aangetroffen. De man in kwestie is echter een sociaal zwakke(re), kwetsbare man met verschillende lichamelijke en psychische klachten. De rechter vindt dat de burgemeester zich hiervan onvoldoende rekenschap heeft gegeven bij zijn beslissing om de woning te sluiten. De sluiting van de woning is daarom voorlopig van de baan.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/3003

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 november 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. P.J.A. van de Laar),

en

de burgemeester van de gemeente Bergeijk, verweerder

(gemachtigden: mr. G.M. van den Boom en B.J.G.M. Follon).

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2017 (het besluit) heeft verweerder besloten de woning aan [adres] (de woning) op grond van artikel 13b van de Opiumwet met ingang van 7 november 2017 voor een periode van drie maanden te sluiten.

Verzoeker heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het besluit wordt geschorst tot twee weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar.

De rechtbank heeft voorafgaand aan het plannen van de zitting contact opgenomen met verweerder en gevraagd of hij bereid is te wachten met sluiting van de woning totdat op het verzoek om een voorlopige voorziening is besloten. Verweerder heeft zich hiertoe bereid verklaard. Ter zitting heeft verweerder dit herhaald.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2017. Verzoeker is naar de zitting gekomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Overwegingen

Achtergrond

1. De woning van verzoeker is een huurwoning. Op 13 oktober 2017 heeft de politie een bestuurlijke rapportage opgemaakt. In die rapportage is, voor zover van belang, vermeld dat bij een politiecontrole op 12 oktober 2017 in de woning in totaal 372 gram harddrugs, te weten amfetamine, is aangetroffen.

Naar aanleiding van de bevindingen van de politie heeft verweerder bij brief van 17 oktober 2017 aan verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt de woning voor drie maanden te sluiten. Hierop heeft verzoeker op 20 oktober 2017 zijn zienswijze gegeven.

De inhoud van het besluit

2. Verweerder is van mening dat hij, gelet op de hoeveelheid harddrugs die in de woning is aangetroffen, bevoegd is om grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet tot sluiting van de woning over te gaan. Bij een hoeveelheid van 372 gram harddrugs mag ervan worden uitgegaan dat sprake is van een handelsvoorraad en ligt het op de weg van verzoeker om aannemelijk te maken dat hiervan geen sprake is. Verzoeker is hier niet in geslaagd. Door verzoeker is niet aannemelijk gemaakt dat de aangetroffen harddrugs (uitsluitend) voor hem zelf zijn bedoeld, voor medicinaal gebruik. Wat betreft de opgelegde maatregel is verweerder van mening dat alleen al de grote hoeveelheid aangetroffen harddrugs een sluiting van de woning voor een periode van drie maanden rechtvaardigt. Van bijzondere omstandigheden op basis waarvan moet worden afgezien van sluiting van de woning is volgens verweerder geen sprake.

Het standpunt van verzoeker

3.1

Verzoeker is primair van mening dat verweerder niet bevoegd is om handhavend op te treden op basis van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Subsidiair, indien aangenomen wordt dat verweerder wel bevoegd is, is verzoeker van mening dat op humanitaire gronden moet worden afgezien van sluiting van de woning.

3.2

Op wat verzoeker op deze punten nog meer heeft aangevoerd, zal hierna – voor zover nodig – nader worden ingegaan.

De beoordeling van het verzoek tot schorsing van het besluit

4.1

Het gaat hier om een verzoek om een voorlopige voorziening. Uitgangspunt van de wet is dat het maken van bezwaar de werking van een besluit niet opschort (artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daartoe is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. In dat artikel is verwoord dat als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De verzoeker moet dus goede redenen hebben die maken dat hij de beslissing op zijn bezwaarschrift niet kan afwachten en een uitzondering op de hoofdregel dat het bezwaar de uitvoering van het besluit niet schorst, rechtvaardigen. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de beslissing op bezwaar. De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die in een later stadium in een eventuele bodemprocedure over de zaak beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.

4.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat hij de beslissing op bezwaar niet kan afwachten, omdat verweerder zijn woning wil sluiten. Er is daarom sprake van ‘onverwijlde spoed’ in de zin van artikel 8:81 van de Awb.

4.3

Uit de politierapportage blijkt dat op 12 oktober 2017 in de woning van verzoeker 372 gram harddrugs lag. Verzoeker bestrijdt dit niet anders dan door te stellen dat het misschien om een iets kleinere hoeveelheid ging. Duidelijk is dat in de woning een zodanige hoeveelheid harddrugs is aangetroffen dat verweerder in beginsel heeft mogen aannemen dat het hier om een handelsvoorraad gaat. Dit betekent dat het op de weg van verzoeker ligt om het tegendeel aannemelijk te maken (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3057). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verzoeker hier niet in geslaagd. Verzoeker stelt weliswaar dat hij de harddrugs in huis heeft voor uitsluitend eigen (medicinaal) gebruik, maar hij heeft die stelling niet onderbouwd. Het moet er derhalve voor gehouden worden dat de in de woning aangetroffen hoeveelheid harddrugs een handelsvoorraad betreft. Verweerder is dus bevoegd om hiertegen handhavend op te treden.

4.4

Verweerder hanteert bij de uitoefening van zijn handhavingsbevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet het “Damoclesbeleid gemeente Bergeijk (Handhavingsbeleid op artikel 13b Opiumwet)”. In dit beleid is – kort samengevat – aangegeven dat een woning voor een periode van drie maanden wordt gesloten als in die woning voor de eerste keer een voorraad harddrugs van meer dan 0,5 gram wordt aangetroffen. Vaststaat dat in de woning niet eerder een niet toegestane hoeveelheid harddrugs is aangetroffen. De door verweerder opgelegde maatregel is derhalve in overeenstemming met het door verweerder gevoerde beleid.

4.5

Het besluit heeft, hoewel het als zodanig niet is gericht op verzoeker maar op de woning (“de loop er uit krijgen”), nadelige gevolgen voor verzoeker. Het besluit, indien geëffectueerd, heeft immers tot gevolg dat verzoeker drie maanden lang niet in zijn woning kan verblijven en vervangende woonruimte moet zien te vinden om te voorkomen dat hij gedurende die periode dakloos is. Verweerder dient een belangenafweging te maken en in dat kader te bezien of de sluiting van de woning evenredig is in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Er kan immers sprake zijn van omstandigheden die nopen tot een lichtere maatregel of zelfs tot het afzien van een maatregel.

4.6

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de belangen van verzoeker niet voldoende betrokken bij de afweging of sluiting van de woning in dit geval proportioneel is. Hierbij neemt de voorzieningenrechter het volgende in aanmerking.

4.7

Verzoeker heeft op of omstreeks 31 augustus 2000 een verkeersongeval gehad, waarbij hij onder meer vrij ernstig hersentrauma (verschuiving van de hersenmassa, hersenbloeding, bloeduitstorting) heeft opgelopen. In verband hiermee is hij opgenomen op de afdeling Intensive Care van het Sint Joseph ziekenhuis te Veldhoven. Na drie dagen is verzoeker overgeplaatst naar de verpleegafdeling. Uiteindelijk is hij op 20 september 2000 ontslagen uit het ziekenhuis. De voorzieningenrechter verwijst naar de brief van 26 september 2000 van neuroloog J.A.P. Hiel. Verzoeker heeft verder naar voren gebracht dat hij nadien (na zijn ontslag uit het ziekenhuis) door tal van medici zonder resultaat is behandeld voor pijnklachten en heeft leren leven met veel pijn. Om de pijn te bestrijden neemt verzoeker medicijnen, zoals diazepam, thiamine en clopixol. Deze medicijnen maken verzoeker echter sloom, erg slaperig en futloos. Het gebruik van amfetamine geeft nog enige fut en energie, aldus verzoeker. Verweerder heeft deze uiteenzetting niet weersproken. Verder blijkt uit de brief van 20 november 2015 van GGZ-arts M.L. Swartelé dat verzoeker sinds 2005 wordt behandeld door de GGZ (Eindhoven en De Kempen). De GGZ heeft bij verzoeker als diagnose gesteld dat hij verschillende stoornissen heeft.

De GGZ schrijft de stoornissen toe aan NAH, wat staat voor “Niet Aangeboren Hersenletsel”. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat de door de GGZ gediagnosticeerde stoornissen verband houden met het door verzoeker in 2000 opgelopen hersenletsel, zoals dat toen is vastgesteld door neuroloog Hiel. In de brief van Swartelé is verder aangegeven dat verzoeker verslaafd is (afhankelijkheid van verschillende middelen) en dat hij korte tijd geleden een intakegesprek heeft gehad bij Novadic, een instelling voor verslavingszorg. Ter zitting is duidelijk geworden dat verzoeker vanaf januari 2018 gedurende negen weken in een interne setting behandeld zal worden door de GGZ (de voorzieningenrechter neemt aan bij Novadic) voor zijn verslaving. Ter zitting heeft verzoekers gemachtigde verder aangegeven dat meer informatie over de gezondheidssituatie van verzoeker beschikbaar is en dat hij die informatie heeft opgevraagd, maar dat die informatie op deze korte termijn nog niet in geding gebracht kan worden.

4.8

Bij de beoordeling van verzoekers gezondheidssituatie betrekt de voorzieningenrechter ook de indruk die zij van verzoeker op de zitting heeft gekregen. Verzoeker leek ‘afwezig’, al bij binnenkomst van de zittingszaal en gedurende de gehele behandeling van de zaak. Het leek er op dat hij vragen van de voorzieningenrechter niet begreep, terwijl het vrij eenvoudige vragen waren, over bijvoorbeeld zijn actuele feitelijke situatie. Bovendien duurde het steeds, bij elke vraag, een poosje voordat verzoeker daadwerkelijk antwoordde op de vraag en dit kostte hem zichtbaar moeite. Verzoeker was moeilijk verstaanbaar en had moeite met formuleren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevestigt de indruk die verzoeker ter zitting heeft gemaakt het beeld over verzoeker zoals dat naar voren komt uit de brieven van neuroloog Hiel en

GGZ-arts Swartelé en wat verzoekers gemachtigde over verzoekers gezondheidssituatie heeft verteld. Kortom, verzoeker is een sociaal zwakke(re), kwetsbare man.

4.9

Daar komt bij dat verzoeker heeft gesteld dat het hem niet is gelukt om vervangende woonruimte te vinden. Die stelling heeft verzoeker op de zitting nader toegelicht, in die zin dat hij contact heeft gezocht met zijn huisarts en de GGZ met de vraag of zij hierin iets voor hem kunnen betekenen. Dit heeft niets opgeleverd. Wel zal verzoeker een intern behandeltraject bij de GGZ volgen, maar dit start pas in januari 2018. Verzoeker heeft gesteld dat hij verder geen vangnet heeft (familie, vrienden) waarop hij gedurende de sluiting van zijn woning kan terugvallen en onderdak kan krijgen. Zijn ex-echtgenote en zijn 80-jarige moeder hebben gezegd dat zij hem niet in huis willen nemen.

4.10

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal verweerder zich bij de nog te nemen beslissing op bezwaar uitdrukkelijk rekenschap moeten geven van de hiervoor vermelde omstandigheden en als verweerder van mening blijft dat sluiting van de woning, gelet op de omstandigheden van het geval, proportioneel is, zal verweerder kenbaar moeten motiveren hoe hij die omstandigheden heeft gewogen.

4.11

Op de zitting heeft verweerder gesteld dat van een schorsing van het besluit, met als gevolg dat de woning open blijft, een verkeerd signaal uitgaat. De voorzieningenrechter vindt de belangen van verzoeker bij schorsing van het bestreden besluit echter zwaarder wegen dan een eventueel signaal dat van schorsing van het bestreden besluit zou kunnen uitgaan. Van belang hierbij is dat iedere zaak moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. De omstandigheden van dit geval rechtvaardigen naar het oordeel van de voorzieningenrechter schorsing van het bestreden besluit tot twee weken nadat is beslist op het bezwaar van verzoeker.

4.12

Verweerder moet als de in het ongelijk gestelde partij het griffierecht aan verzoeker vergoeden en wordt veroordeeld in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Die kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 990,– (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 495,– en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het besluit tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeker;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 168,– vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 990,– te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski - Kelders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.