Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6076

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
01/845127-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor opzettelijke brandstichting met te duchten levensgevaar voor een ander, vernieling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met bijzondere voorwaarden, waaronder een ambulante behandeling en verplicht reclasseringscontact.

De vordering van de benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845127-17

Datum uitspraak: 17 november 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

wonende te [adres 1] ,

thans gedetineerd te: Vught PPC.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 juni 2017, 22 augustus 2017 en 3 november 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 mei 2017.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. hij op of omstreeks 05 maart 2017 in de gemeente Velp, gemeente Grave,, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, opzettelijk brand heeft gesticht, hebbende hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk door middel van (open) vuur te maken/stichten in de keuken en/of op/onder het bed en/of vervolgens dit (open) vuur in aanraking gebracht met (wc)papier in elk geval brandbare stoffen, ten gevolge waarvan een of meer kamer(s) (nr 4) van een gebouw genaamd [naam] , in elk geval (in een of meer kamers van) een pand, gelegen aan de [adres 2] , geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan levensgevaar voor een ander of anderen, te weten voor medebewoner(s) van voornoemd pand en/of omwonenden en/of beveiliging en/of brandweer en/of politie en/of terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor naastgelegen kamer(s) en/of panden te duchten was;

2. hij op of omstreeks 05 maart 2017 te Velp, gemeente Grave, opzettelijk en wederrechtelijk een goed, te weten een of meer ruit(en) en/of inboedel, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] en/of een of meer (onbekend gebleven) bewoners van het gebouw [naam]

heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3. hij op of omstreeks 05 maart 2017 te Velp, gemeente Grave, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend een hoeveelheid goederen (waaronder potten en/of pannen en/of deksels en/of een magnetron en/of een of meer messen) in de richting van die [slachtoffer] heeft gegooid en/of vervolgens met een mes en/of keukenbijl in elk geval een hard en/of scherp en/of puntig voorwerp (dreigend) in de richting van die [slachtoffer] heeft gewezen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverwegingen.

Feit 1

De raadsman heeft verzocht verdachte van het tenlastegelegde onder 1 vrij te spreken. De raadsman heeft aangevoerd dat brandstichting niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, omdat het in brand steken van enkele spullen op een bed op zichzelf niet gevaarzettend is. Verdachte heeft geen brandbare stoffen of brandversnellers gebruikt en de brand is aanvankelijk minimaal geweest. Het gevaar is ontstaan door het niet bestrijden van de brand en wellicht doordat verdachte de werkzaamheden van de brandweer heeft belemmerd, maar dat is niet tenlastegelegd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Brandstichten is iets in brand steken, dat daartoe niet bestemd is. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij alle papieren bij elkaar heeft geraapt en ook zijn kleding en telefoontoestel; alles wat hij bezat. Verdachte heeft verder verklaard dat hij daar een hoop van heeft gemaakt op zijn bed, dat hij die heeft aangestoken en dat hij zag dat het flink brandde. Dat was ook zijn bedoeling, want hij wilde dat zijn lichaam zou verbranden zodra hij zelfmoord had gepleegd. Gelet op deze feiten en omstandigheden was er zonder meer sprake van brandstichting als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank verwerpt het verweer.

De raadsman heeft subsidiair verzocht verdachte vrij te spreken van het deel van de tenlastelegging inhoudende dat levensgevaar voor een ander te duchten was. Daarvoor zou onvoldoende wettig en overtuigend bewijs zijn.

De rechtbank overweegt als volgt.

Om in rechte levensgevaar als vaststaand te kunnen aannemen is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben gerelateerd dat uit het pand flinke vlammen kwamen, boven het dak uit. Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben gerelateerd dat zij boven het pand brand en rookontwikkeling zagen. Getuige [getuige 1] , beveiliger, heeft verklaard dat er rook in de hal was, dat het een uitslaande brand was en dat hij en zijn collega een 40-tal personen uit het pand hebben geëvacueerd. Getuige [getuige 2] , beveiliger, heeft verklaard dat hij samen met zijn collega het gebouw heeft geëvacueerd, dat zij alle units zijn afgegaan, de personen naar buiten hebben gestuurd en dat dit er zeker meer waren dan 30. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij twee of drie maanden in het betreffende pand woonde. De rechtbank acht gelet op vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van levensgevaar voor anderen, namelijk voor de medebewoners, en ook dat dit voor verdachte voorzienbaar was. De rechtbank verwerpt ook dit verweer.

Feit 3

De raadsman heeft verzocht verdachte van het tenlastegelegde onder 3 vrij te spreken. De raadsman heeft aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte gericht voorwerpen heeft gegooid naar personen, zodat geen sprake is van een bedreiging. Verdachte zou geen personen hebben gezien, maar enkel bewegende lichtjes.

De rechtbank overweegt als volgt.

[slachtoffer] , brandweercommandant, heeft verklaard dat hij zag dat verdachte vanaf de 2e etage een voorwerp uit het ingeslagen raam naar beneden, in zijn richting, gooide, en dat dit voorwerp, een armatuur, op de straat uiteen spatte. [slachtoffer] heeft verder verklaard dat door verdachte allerlei voorwerpen, waaronder messen, naar beneden werden gegooid, gericht naar hem en andere hulpverleners ter plaatse. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij zich hierdoor bedreigd voelde. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij voorwerpen heeft gegooid in de richting van de mensen met een camera en daarmee wilde voorkomen dat zij iets opnamen. Verdachte heeft verder verklaard dat hij alles binnen zijn bereik heeft gepakt om naar de mensen te gooien, waaronder een mes. De rechtbank acht daarmee komen vast te staan dat verdachte doelbewust voorwerpen naar personen gooide, om hen af te schrikken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte dan ook op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op bedreiging van mensen, waaronder [slachtoffer] . Hij heeft met zijn handelwijze willens en wetens de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zich bedreigd zou voelen op de koop toegenomen. De rechtbank verwerpt het verweer.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. op 05 maart 2017 te Velp, gemeente Grave, opzettelijk brand heeft gesticht, hebbende hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk open vuur gemaakt in de keuken en op het bed, ten gevolge waarvan kamers van een gebouw genaamd [naam] , gelegen aan [adres 2] , geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan levensgevaar voor anderen, te weten voor medebewoners van voornoemd pand, en gemeen gevaar voor goederen, te weten voor naastgelegen kamers, te duchten was;

2. op 05 maart 2017 te Velp, gemeente Grave, opzettelijk en wederrechtelijk goederen, te weten ruiten en inboedel, toebehorende aan [benadeelde partij] en/of een of meer onbekend gebleven bewoners van het gebouw [naam] , heeft vernield en/of beschadigd;

3. op 05 maart 2017 te Velp, gemeente Grave, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend een hoeveelheid goederen (waaronder messen) in de richting van die [slachtoffer] gegooid.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

T.a.v. feit 1, 2 en 3: een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarde van een reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt het volgen van een behandeling bij I-psy of een andere instelling.

T.a.v. de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] :

Gehele toewijzing van de vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in zijn kamer in het [benadeelde partij] waar hij verbleef. Verdachte heeft door zijn handelen de levens van medebewoners in gevaar gebracht en daarnaast is forse materiële schade ontstaan aan het pand en de inboedel. Verder heeft verdachte ruiten van het pand vernield door deze in te slaan en de inboedel vernield/beschadigd. Ten slotte heeft verdachte een brandweercommandant bedreigd door goederen in zijn richting te gooien. Dit zijn ernstige feiten. Verdachte heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de mogelijk zeer ernstige gevolgen van zijn handelen voor anderen. Een brandstichting veroorzaakt bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening met de omstandigheid dat uit de omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebrachte rapporten, te weten een rapport opgemaakt door H.L.C. Morre, psychiater, d.d. 17 oktober 2017 en een rapport opgemaakt door drs. B.I. Meuwese, GZ-psycholoog, d.d. 16 oktober 2017, blijkt, dat de door verdachte gepleegde strafbare feiten slechts in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend.

De rechtbank houdt in strafmatigende zin ook rekening met de omstandigheid dat verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd in een poging zichzelf van het leven te beroven en dat met name het eerste feit een wanhoopsdaad betrof.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de inhoud van genoemd psychiatrisch rapport opgemaakt door H.L.C. Morre. Dit rapport houdt – onder meer – het volgende in:

Betrokkene lijdt aan een depressieve stoornis met vitale kenmerken die kortelings, ongeveer sinds de zomer van 2017, gedeeltelijk in remissie is gegaan.

Ondergetekende adviseert het rechtscollege om betrokkene de hem tenlastegelegde feiten alle verminderd toe te rekenen. Betrokkene was niet volkomen stuurloos. Hij kon naar mijn stellige overtuiging nog eniger mate sturing geven aan zijn gedragingen. Hij had ook kunnen afzien van de poging tot strangulatie en van de brandstichting.

Ik ben van mening dat er bij betrokkene op een driepuntschaal (hoog-matig-laag) een lage kans op delictrecidive bestaat op voorwaarde dat betrokkene niet opnieuw depressief decompenseert. Mocht dit wel het geval zijn dan stijgt de kans op delictrecidive op de middellange en de lange termijn naar matig.

Wat betreft het juridisch kader gaan mijn gedachten uit naar een (deels) voorwaardelijke straf waarbij de voorwaarde wordt gesteld dat betrokkene zich dient te gedragen naar de aanwijzingen hem door of namens de reclassering gegeven, ook als dit betreft een behandeling binnen i-psy of een andere, passend geachte instelling.

Verder houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met de inhoud van genoemd psychologisch rapport opgemaakt door drs. B.I. Meuwese. Dit rapport houdt – onder meer – het volgende in:

Betrokkene is lijdende aan een depressieve stoornis, gedeeltelijk in remissie. Ten tijde van het tenlastegelegde was er bij betrokkene sprake van een depressieve stoornis, ernstig van aard (toen niet in remissie). De depressieve stoornis heeft de gedragskeuzes van betrokkene beïnvloed ten tijde van het tenlastegelegde.

Gezien de beperkte controle op zijn gedrag, gedachten en gevoelens ten tijde van het tenlastegelegde, wordt er geadviseerd om het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.

Het recidive risico op vernieling, bedreiging en brandstichting wordt op korte termijn als laag ingeschat en op middellange en lange termijn als matig ingeschat.

[…]De behandeling zou zich moeten richten op verdere afname van de depressieve klachten en begeleiding meer op zijn huidige situatie en de onduidelijkheid ervan. […]Dit zou kunnen in het kader van een (deels) voorwaardelijke vrijheidsstraf, met als algemene voorwaarde een verplichte medewerking aan reclasseringstoezicht en als bijzondere voorwaarde een verplichting zich onder behandeling te stellen van een ambulante forensische instelling.

De rechtbank houdt ook rekening met het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 31 mei 2017. De reclassering adviseert aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en een behandelverplichting bij i-Psy of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal daarop in mindering worden gebracht. De rechtbank zal de straf voor een gedeelte, te weten 8 maanden, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals geadviseerd door de gedragsdeskundigen en de reclassering.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Gelet op vorenstaande wijst de rechtbank de verzoeken van de raadsman tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte af.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] .Het meest verstrekkende verweer van de raadsman houdt in dat onvoldoende kan worden vastgesteld dat sprake is van een causaal verband tussen de diverse schadeposten enerzijds en het tenlastegelegde anderzijds en dat voor de beoordeling van de vordering de benoeming van een deskundige nodig is, zodat deze beoordeling een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. De rechtbank is het eens met de raadsman.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57, 157, 285, 350.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart het tenlastegelegde onder 1, 2 en 3 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert de misdrijven:

T.a.v. feit 1:opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is enopzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten isT.a.v. feit 2:opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en/of beschadigen, meermalen gepleegdT.a.v. feit 3:bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:Gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;

- zich binnen 48 uur na het onherroepelijk zijn van het vonnis meldt bij Reclassering Nederland via telefoonnummer 088-8041504. Hierna moet de veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- meewerkt aan een intake bij i-Psy of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering. Betrokkene dient zich te houden aan de adviezen en afspraken die hieruit voortvloeien, ook wanneer dit het volgen van een behandeling inhoudt. Hierbij houdt de veroordeelde zich aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar worden gegeven.

Reclassering Nederland, Regio Zuid, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, wordt opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

T.a.v. feit 1, feit 2: Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.C.P.M. Valckx, voorzitter,

mr. R. van den Munckhof en mr. T.J. Roest Crollius, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H. Pol-Wildeman, griffier,

en is uitgesproken op 17 november 2017.

mr. T.J. Roest Crollius is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.