Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6041

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
C/01/320052 / HA ZA 17-261
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

IPR. De rechtbank is o.g.v. art. 8 onder 1 EEX-Vo II bevoegd t.a.v. de Belgische gedaagde, ook indien gezamenlijke behandeling met de vordering tegen de Nederlandse gedaagde door een faillissement niet meer mogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/320052 / HA ZA 17-261

Vonnis van 15 november 2017

in de zaak van

MR.CHRISTIAAN FREDERICUS HENRICUS DONNERS,

kantoorhoudende te Nijmegen,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WRM B.V., gevestigd te Wijchen,

hierna te noemen de curator,

eiser,

advocaat mr. A.M.T. Weersink te Nijmegen,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen [gedaagde sub 1] ,

gedaagde,

advocaat mr. C.J. Driesse te Vianen,

2 [gedaagde sub 2] ,

wonende te [woonplaats] , België,

hierna te noemen [gedaagde sub 2] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

APVODO BEHEER B.V.,

gevestigd te Oegstgeest,

hierna te noemen Apvodo,

gedaagden,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de stukken van betekening van de dagvaarding aan [gedaagde sub 2] in België

  • -

    het tegen [gedaagde sub 2] en Apvodo verleende verstek

  • -

    de schorsing van de procedure ten aanzien van de in staat van faillissement verklaarde [gedaagde sub 1] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald ten aanzien van tegen [gedaagde sub 2] en Apvodo.

2 De beoordeling

2.1.

[gedaagde sub 2] woont in [woonplaats] , België. Omdat [gedaagde sub 2] niet is verschenen, moet de rechtbank op grond van artikel 28 lid 2 van de EU-Verordening Nr. 1215/2012 (hierna EEX-Vo II) ambtshalve controleren of de dagvaarding tijdig aan [gedaagde sub 2] ter beschikking is gesteld. Dat is het geval. De dagvaarding tegen 19 april 2017 is op 23 maart 2017 door een Belgische deurwaarder aan [gedaagde sub 2] betekend.

2.2.

Op grond van artikel 28 lid 1 EEX-Vo II moet de rechtbank ook ambtshalve haar bevoegdheid controleren. De curator baseert de bevoegdheid van de rechtbank op de omstandigheid dat [gedaagde sub 1] in dit arrondissement woont.

2.3.

Op grond van artikel 8 aanhef en onder 1 EEX-Vo II kan een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, ook worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een medeverweerder, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.

2.4.

De curator vordert dat de drie gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van het tekort in het faillissement van WRM B.V., primair op grond van art. 2:248 Burgerlijk Wetboek (hierna BW) en subsidiair op grond van art. 6:162 BW. De curator acht Apvodo op grond van art. 2:248 lid 2 BW aansprakelijk voor het tekort omdat zij ten tijde van het faillissement bestuurder was van WRM B.V. en niet heeft voldaan aan de administratieplicht van art. 2:10 BW. Volgens de curator rust de aansprakelijkheid op grond van art. 2:11 BW ook op [gedaagde sub 2] , omdat hij (middellijk) bestuurder is van Apvodo. [gedaagde sub 1] wordt door de curator op grond van art. 2:248 lid 6 BW aansprakelijk geacht omdat hij tot kort voor het faillissement bestuurder is geweest van WRM B.V. Daarmee zijn de vorderingen tegen de drie gedaagden zo nauw met elkaar verbonden dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting. De rechtbank is daarom bevoegd ook van de vorderingen tegen [gedaagde sub 2] kennis te nemen.

2.5.

Omdat de procedure ten aanzien van [gedaagde sub 1] is geschorst vanwege het inmiddels uitgesproken faillissement van [gedaagde sub 1] , is de gezamenlijke behandeling van de vorderingen tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op dit moment feitelijk niet mogelijk. Dat heeft echter geen gevolgen voor de internationale rechtsmacht van de rechtbank (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 juli 2006, ECLI:EU:C:2006:471). Van misbruik van recht kan in deze zaak geen sprake zijn, omdat [gedaagde sub 1] pas in de loop van deze procedure failliet is verklaard.

2.6.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet de rechtbank ook ambtshalve beoordelen welk recht van toepassing is op de vorderingen van de curator. In het midden kan blijven of op een vordering die is gebaseerd op art. 2:248 BW (in samenhang met art. 2:11 BW) het recht moet worden toegepast dat wordt aangewezen door de hier nog toepasselijke - Verordening (EG) 1346/2000 (hierna de Insolventieverordening) dan wel het recht dat voortvloeit uit de gemeenschappelijke regels van het burgerlijk recht en het handelsrecht. In beide gevallen is Nederlands recht van toepassing. Op grond van artikel 4 van de Insolventieverordening worden de gevolgen van een insolventieprocedure beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend. Het faillissement van WRM B.V. is in Nederland uitgesproken. Op grond van artikel 1 lid 2 onder f van Verordening (EG) Nr. 593/2008 (Rome I) moet het recht dat van toepassing is op de persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder voor de verbintenissen van de vennootschap, worden bepaald aan de hand van de nationale regels van internationaal privaatrecht. Op grond van art. 10:119 aanhef en sub d BW beheerst het op een corporatie toepasselijke recht de aansprakelijkheid van bestuurders jegens de corporatie, waarop de curator zijn vorderingen primair baseert. WRM B.V. is een Nederlandse vennootschap. Voor de subsidiaire grondslag van onrechtmatig handelen is op grond van artikel 4 van de Verordening (EG) nr. 864/2007 (Rome II) het recht van toepassing van het land waar de schade zich voordoet. De gestelde schade het tekort in het faillissement van WRM B.V. - heeft zich voorgedaan in Nederland.

2.7.

De vordering te verklaren voor recht dat [gedaagde sub 2] en Apvodo zich schuldig hebben gemaakt aan onbehoorlijk bestuur en dat dit onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement van WRM B.V., komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen. De primaire vordering tot betaling van het door de curator geschatte minimale tekort van € 320.000, is niet toewijsbaar omdat [gedaagde sub 2] en Apvodo alleen in het definitieve tekort kunnen worden veroordeeld. De subsidiaire vorderingen tot betaling van het nader bij staat op te maken tekort en van een voorschot van € 300.000,, kunnen wel worden toegewezen als niet onrechtmatig of ongegrond. Omdat gelet op de aard van de aansprakelijkheid over het definitieve tekort geen wettelijke rente verschuldigd zal zijn, zal de rechtbank ook over het voorschot geen wettelijke rente toewijzen.

2.8.

[gedaagde sub 2] en Apvodo zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:

- dagvaarding € 301,91

- overige explootkosten 0,00

- griffierecht 1.545,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 2.000,00 (1,0 punt × tarief € 2.000,00)

Totaal € 3.846,91

Daarvan zal tweederde ofwel € 2.564,61 worden toegerekend aan de vorderingen tegen [gedaagde sub 2] en Apvodo.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde sub 2] en Apvodo zich schuldig hebben gemaakt aan onbehoorlijk bestuur en dat dit onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement van WRM B.V.,

3.2.

veroordeelt [gedaagde sub 2] en Apvodo hoofdelijk tot betaling aan de curator van het faillissementstekort in het faillissement van WRM B.V., nader op te maken bij staat,

3.3.

veroordeelt [gedaagde sub 2] en Apvodo om bij wijze van voorschot op het faillissementstekort aan de curator te betalen een bedrag van € 300.000,00 (driehonderdduizend euro),

3.4.

veroordeelt [gedaagde sub 2] en Apvodo hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 2.564,61,

3.5.

veroordeelt [gedaagde sub 2] en Apvodo hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde sub 2] en Apvodo niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat,

3.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Bik en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2017.