Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:6011

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
01/865137-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag door steken met een mes in boven- en onderlichaam van echtgenote (voorwaardelijk opzet).

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met bijzondere voorwaarden, waaronder een ambulante behandeling.

De rechtbank legt geen TBS-maatregel op.

De vordering vh OM was: gevangenisstraf van 3 jaren en TBS met dwangverpleging.

Verweren noodweerexces en putatief noodweerexces worden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865137-16

Datum uitspraak: 09 november 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,

laatst bekende woonadres: [adres] ,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 januari 2017, 21 maart 2017, 15 juni 2017, 10 augustus 2017, 28 september 2017 en 26 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 december 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 oktober 2016 te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (in het boven- en/of onderlichaam) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Verdachte wordt verdacht van poging tot doodslag, gepleegd op of omstreeks 1 oktober 2016 te Berlicum, gemeente Sint Michielsgestel door het slachtoffer, zijn toenmalige echtgenote [slachtoffer] , meermalen met een mes in het boven- en/of onderlichaam te steken.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.

Van opzet tot doden in strikte zin is geen sprake. Verdachte is uit zichzelf gestopt, hetgeen je niet doet als je iemand wil doden. Ook is er geen sprake van voorwaardelijk opzet op een poging tot doodslag omdat er niet gesproken kan worden van een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood.

Subsidiair heeft de raadsman een beroep op noodweerexces dan wel putatief noodweerexces gedaan omdat het slachtoffer als eerste zou hebben gestoken. Meer subsidiair is de raadsman van mening dat verdachte heeft gehandeld uit psychische overmacht. Verdachte dient, aldus de raadsman, bij een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank. 1

De bewijsmiddelen.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 september 2017 2 , onder meer inhoudende:

Het klopt dat wij op 1 oktober 2016 in de woning te Berlicum de tafel aan het dekken waren. Ik heb haar gestoken. Ik weet het gewoon niet of ik vaker heb gestoken. Het zou kunnen dat ik haar die verwondingen heb toegebracht. Wij waren met zijn tweeën in de woning.

Een proces-verbaal verhoor aangeefster [slachtoffer] e.v. [verdachte] , wonende te [geboorteplaats] d.d. 20 oktober 2016 3 , onder meer inhoudende:

‘En toen pakte ik die bordjes en in ene keer stak hij dat mes hier.

(verbalisant: Mevr. [verdachte] wijst hierbij op haar borst/buikstreek.)

In een keer stond hij achter mij.

(Verbalisant: Mevr. [verdachte] loopt mee naar de keuken en toont de plek waar zij heeft gestaan.) Haar man stond ineens achter haar en stak het mes erin.

(Verbalisant: Mevrouw [verdachte] geeft aan dat ze vanuit de keuken naar de eetkamertafel loopt en haar man eveneens naar de eetkamertafel maar dan aan de zijde van de hal/uitgang.)

Ik zeg [verdachte] bel toch alstublieft 112. Ik denk naar buiten kan ik niet, ik denk ik kan hier heen, ik denk want deze deur die kan op slot. (Verbalisant: mevrouw [verdachte] wijst hierbij op de (haar) slaapkamer.) En ik liep hierheen, maar ja hij liep ook en hij duwde de deur open dus hier in deze hoek toen heeft hij heel de tijd gestoken en toen kon ik kruipen naar de telefoon weet je wel (…) nou toen heb ik 112 gebeld Toen ben ik gevallen, toen lag ik voor dat bed. Toen kon ik ook niet meer opstaan, toen ben ik ... omgevallen. Waarom omgevallen; dat weet ik niet. Door al die steken denk ik. Het was een en al bloed.

De telefoon, die heeft hij op de grond gegooid. En toen riep ik heel hard: Mama help” en of hij daar een beetje van schrok dat weet ik niet ik denk dat hij toen terug is gegaan naar de keuken en zelf de mensen van de ambulance heeft binnen gelaten.

(…) ik heb hem helemaal niks gedaan, als hij ergens verwondingen heeft dan heeft hij

het zelf gedaan want dat heb ik niet gedaan.

(Verbalisant: Toen u naar de slaapkamer liep en de slaapkamer in wilde lopen toen liep hij achter u aan)

Toen .... (onverstaanbaar) ... en toen heeft hij mij overal gestoken, tot hier mijn benen, overal. Overal en hier bij mijn maag natuurlijk, daar heeft hij ook gestoken, want daar zat een gaatje in en dat hebben ze dicht gemaakt. Hij heeft mij ook overal gestoken, maar het eerste was hier, net zo hier ..hij wou mij hier toch echt wel raken.

(Verbalisant: mevrouw [verdachte] wijst hierbij op haar hartstreek.)

(Verbalisant: En dan eh.. hij gooit die telefoon op de grond.) Ja. Dat zie ik hem nog doen.

Hij gooide die telefoon van mijn kastje af.

(…) Hij is begonnen en ik heb geen mes in mijn handen gehad, ik heb het hooguit af willen pakken.’

Proces-verbaal verhoor [slachtoffer] bij de rechter-commissaris op 16 mei 2017 4 , onder meer inhoudende:

Op 1 oktober ging mijn man zomaar uit het niets mij met een mes steken. Hij stond in de keuken achter mij en stak mij opeens in mijn hartstreek. Nadat mijn man mij met dat mes had gestoken, heb ik de bordjes die ik in mijn hand had laten vallen en ben de keuken uitgelopen naar de tafel in de woonkamer. Ik zag dat mijn kleren rood verkleurden en had door dat ik aan het bloeden was. Ik riep naar mijn man: ‘ [verdachte] , bel de politie, ik sta dood te bloeden en jij zit dadelijk in de gevangenis en ik wil mijn kleinkind nog kunnen zien’. Mijn man zei terug: ‘ik bel niets’. Over de tafel heen heb ik geprobeerd het mes bij hem af te pakken, daarbij heb ik mij toen lelijk aan mijn hand opgehaald. Toen dat niet lukte, dacht ik nu moet ik vluchten en ben ik naar de slaapkamer gegaan. Mijn man heeft daar nog vele keren mij gestoken met hetzelfde mes. Ik heb toen kunnen kruipen naar de telefoon die op het nachtkastje stond en heb 112 gebeld. Volgens mij heb ik twee keer gezegd dat ik met een mes was gestoken met vermelding van het adres [adres] . Ik merkte dat mijn man terug de slaapkamer in kwam en hij heeft toen de telefoon op de grond gegooid. Ik lag inmiddels ook op de grond en weet nog dat ik heb geroepen ‘mama, help’. Ik weet niet waarom ik dat heb geroepen. Mijn man is weggegaan, de politie is gekomen. Ze kwamen naar de slaapkamer waar ik op de grond lag.

Mijn man liegt als hij zegt dat ik begonnen ben. Naast mijn man en mijzelf zijn er geen andere personen op 1 oktober in onze woning geweest en ik heb me niet zelf gestoken.

Een formulier medische informatie d.d. 12 oktober 2016 betreffende [slachtoffer] , opgemaakt door de arts M.E.B. Morsink 5 , onder meer inhoudende:

Medische informatie betreffende [slachtoffer] , datum onderzoek 1 oktober 2016. Omschrijving letsel 7 tal wonden, (2 bij 1 cm) leidend tot maagperforatie, wond buikspier R en wonden buikwand. Ernstig uitwendig bloedverlies. Patiënte is geopereerd in de buik om te kijken wat exacte letsels waren.

Een verslag forensisch geneeskundig onderzoek door het NFI d.d. 10 februari 2017 betreffende [slachtoffer] , opgemaakt door de arts B.F.L. Oude Grotebevelsborg 6 , onder meer inhoudende:

De huidklieving rechts naast het midden, aan de onderzijde van de borstkas in de regio van de maag had een wondkanaal van tenminste 9 cm, en liep naar rechts en iets voetwaarts. Gezien de geringe afmetingen van de huidwond en lengte van het wondkanaal kan dit letsel worden aangemerkt als een steekwond.

Van de huidklieving links op de borstkas, enkele centimeters onder de linkerborst, kon geen duidelijk wondkanaal worden waargenomen. Gezien de geringe afmetingen van de huidwond en aanwezigheid van een bloeding in de diepere structuren is wonddiepte waarschijnlijk groter dan de lengte, zodat ook dit letsel kan worden aangemerkt als een steekwond.

De huidklieving enkele centimeters middenwaarts en voetwaarts van de huidklieving op de linkerborst had een wondkanaal van tenminste ca. 3 centimeter, naar achteren, iets naar voetwaarts en iets naar rechts, mogelijk tot in de buikholte. Gezien de geringe afmetingen van de huidwond en de lengte van het wondkanaal tot in de maag kan dit letsel worden aangemerkt als een steekwond.

De huidklieving aan links zijwaarts op de linkerborstkas, enkele centimeters onder de linkerborst had een wondkanaal van tenminste ca. 1,6 centimeter, en liep naar rechts en rugwaarts. Gezien de geringe afmetingen van de huidwond en lengte van het wondkanaal kan ook dit letsel worden aangemerkt als een steekwond.

De huidklieving rechts aan de buik had een wondkanaal van tenminste ca. 6 centimeter, en liep achterwaarts en voetwaarts. Indien de huidwond tot in de buikholte reikte, kan dit letsel worden aangemerkt als een steekwond.

De huidklieving aan de linkeronderbuik, ongeveer in het verlengde van de twee huidperforaties ter hoogte van de linkervoorzijde van het linkerbovenbeen had een aangrenzend wondkanaal van tenminste ca. 6 centimeter met een richting naar rechts, rugwaarts en iets voetwaarts. Gezien de geringe afmetingen van de huidwond en lengte van het wondkanaal kan dit letsel worden aangemerkt als een steekwond.

In het onderhavige geval was er een perforatie van de maag die dankzij operatief ingrijpen retrospectief niet als levensbedreigend is aan te merken. Indien er niet tijdig chirurgische behandeling zou hebben plaatsgevonden, had door lekkage van maaginhoud in de (oorspronkelijk steriele) buikholte, levensbedreigende infectie van de buikholte kunnen ontstaan.

De lijnvormige huidklievingen aan de rechterhand berusten op oppervlakkige en diepere snijwonden, opgeleverd door zich snijden met en/of aan een of meerdere scherprandige voorwerpen. Gezien de locatie aan de buigzijde en de rangschikking dwars en schuin ten opzichte van de lengteas van de vingers kunnen deze verwondingen goed passen bij pogingen een scherprandig voorwerp vast te grijpen, zoals in het kader van afweer.

Proces-verbaal bevindingen7 onder meer inhoudende:

Op 1 oktober 2016 omstreeks 00.05 uur kregen wij de melding om te rijden naar het adres [adres] te Berlicum, gemeente St. Michielsgestel. Meldster had aangegeven dat er met een mes was gestoken. Wij betraden de woning. In de woonkamer troffen wij diverse verse rode vloeibare druppels op de grond. Wij liepen in de woonkamer rechtdoor een slaapkamer binnen. In de slaapkamer lag aan de voor ons linkerzijde een vrouw op de grond. Wij hoorden haar zeggen: ‘ik ben neergestoken door mijn man.’ Wij hoorden haar zeggen: ‘Mijn man heeft de telefoon omgegooid.’

Proces-verbaal bevindingen m.b.t. 112-melding 8 , onder meer inhoudende:

Op 1 oktober 2016 te 00.04 uur werd melding door meldster ( [slachtoffer] ) gedaan. Dit gesprek is woordelijk uitgewerkt.

Meldster geeft aan: “Ik ben met een mes gestoken. Bijna dood. [adres] ”.

Als haar door de centralist wordt gevraagd wie zij wil spreken: politie, ambulance of bandweer, antwoordt meldster: “Euh… politie brandweer en ziekenauto. Euh, mes gestoken.”

Vervolgens vraagt de centralist wie zij wil spreken en dan antwoordt meldster: “Ambulance”. De centralist zegt nog: “Blijf..” en vervolgens wordt de verbinding verbroken.

Omdat de verbinding was verbroken belde de centralist tussen 00.05 uur en 00.11 uur vijf keer naar het genoemde telefoonnummer. Hierbij hoorde de centralist de ingesprektoon.

Proces-verbaal sporenonderzoek9 onder meer inhoudende:

Op 1 oktober 2016 te 01.00 uur is forensisch onderzoek gedaan in de woning te Berlicum, naar aanleiding van een steekincident, slachtoffer [slachtoffer] .

Wij zagen aan de buitenzijde van de slaapkamerdeur, aan de zijde van de woonkamer, bloedsporen. Spoor 10, bloedmonster op buitenzijde deur slaapkamer SIN AAJA0026NL (besmeurde slaapkamerdeur).

Onder de keukentafel zagen wij twee messen liggen. Een kleinere, type vleesmes, met een totale lengte van circa 23 cm van het merk Victorinox. Het tweede mes was eveneens een type vleesmes met een totale lengte van circa 27 cm.

Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 16 december 2016 met zaaknummer 2016.10.14.137 (aanvraag 003 t/m 005), onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident in Berlicum op 1 oktober 2016, onder meer inhoudende:

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek.

AAJA0026NL#01, een bemonstering (bloed; buitenzijde slaapkamerdeur)

RABJ2119NL (een referentiemonster wangslijmvlies van verdachte [verdachte] )

Resultaten, interpretatie en conclusie.

Van de aangeleverde referentiemonsters van verdachte is een DNA-profiel verkregen, die zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

AAJA0026NL#01, bloed/celmateriaal kan afkomstig zijn van: DNA-profiel van een man verdachte [verdachte] , matchkans DNA-profiel kleiner dan 1 op 1 miljard.

Bewijsoverweging.

De destijds 69-jarige verdachte heeft bekend dat hij de destijds 66-jarige aangeefster met wie hij toen gehuwd was, heeft gestoken. Hij heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat aangeefster is begonnen hem te steken en dat hij aangeefster in reactie daarop heeft gestoken terwijl zij in de keuken stonden. Verdachte ontkent het slachtoffer naar de slaapkamer te zijn gevolgd en haar daar nog te hebben gestoken.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte niet aannemelijk en ongeloofwaardig en zal uitgaan van de lezing van gebeurtenissen zoals verwoord in de verklaringen van aangeefster. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Aangeefster heeft telkens verklaard dat verdachte haar zonder aanleiding in de keuken plotseling één keer heeft gestoken, waarna hij haar naar de slaapkamer heeft achtervolgd, alwaar hij haar nog diverse malen heeft gestoken. Zij heeft geprobeerd het mes van haar man af te pakken, waarbij zij haar hand heeft opengehaald. Toen zij 112 belde, heeft verdachte de telefoon op de grond gegooid.

Dit scenario vindt steun in de navolgende bewijsmiddelen. Aangeefster is door de politie gewond op de grond aangetroffen in de slaapkamer van de woning. Zij verklaarde op dat moment meteen dat verdachte haar had neergestoken en dat hij de telefoon had omgegooid. Dit strookt ook met de bevindingen met betrekking tot de 112-melding, waaruit blijkt dat de centralist van de alarmcentrale heeft verklaard dat de verbinding met aangeefster plotsklaps werd verbroken en dat het niet lukte meldster daarna terug te bellen. In het bloed op de buitenzijde van de slaapkamerdeur is in het onderzoeksmateriaal DNA aangetroffen dat overeenkomt met het DNA van verdachte.

Uit de medische verklaring en het forensisch geneeskundig onderzoek blijkt dat aangeefster door de aanvallen diverse steekwonden in de buik- en borststreek heeft opgelopen. Ook blijkt dat zij oppervlakkige en diepere snijwonden aan haar rechterhand heeft, die naar de inschatting van de deskundige goed kunnen passen bij pogingen een scherprandig voorwerp vast te grijpen. Hetgeen het slachtoffer heeft verklaard over het steken door verdachte en haar poging het mes af te pakken, past bij de verwondingen die bij haar zijn geconstateerd.

De rechtbank moet beoordelen of bewezen kan worden dat verdachte het voornemen had bij aangeefster dodelijk letsel te veroorzaken en of de gedragingen van verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op het veroorzaken van de dood van aangeefster. De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting in combinatie met zijn gedragingen, zoals weergegeven in de verklaringen van aangeefster, kan worden afgeleid dat verdachte zich minst genomen willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangeefster ten gevolge van zijn gedragingen zou komen te overlijden. Met een mes diverse malen steken in de borst- en buikstreek brengt naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel met zich mee. Dat blijkt in dit geval ook uit het rapport van dokter Oude Grotebevelsborg, die verklaart dat de perforatie van de maag chirurgisch ingrijpen noodzakelijk maakte teneinde een mogelijk levensbedreigende infectie van de buikholte te voorkomen. De gedragingen van verdachte zijn naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het veroorzaken van dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dodelijk letsel aan het slachtoffer zou worden toegebracht.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

op of omstreeks 01 oktober 2016 te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen met een mes in het boven- en onderlichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft subsidiair een beroep gedaan op de schulduitsluitingsgrond noodweerexces dan wel putatief noodweerexces. Verdachte moest zich verdedigen tegen aangeefster. Naast het feit dat hij schrok en in de war raakte van haar aanval met een mes, had zijn reactie ook te maken met de jarenlange spanningen waaronder hij leefde. Daardoor kon de hevige gemoedstoestand ontstaan, waarbij verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is van psychische overmacht door de jarenlange psychische druk en dreiging. Verdachte stond zodanig onder spanning, dat er maar weinig hoefde te gebeuren voor een impulsdoorbraak.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat er geen sprake is van noodweerexces, putatief noodweerexces of psychische overmacht, zodat de verweren van de raadsman tot ontslag van alle rechtsvervolging moeten worden afgewezen.

Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte.

Het beroep op noodweerexces dan wel putatief noodweerexces.

Van noodweerexces kan sprake zijn, indien de gedragingen van verdachte aangemerkt kunnen worden als een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, die het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging, die is veroorzaakt door een daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Indien verdachte in de verontschuldigbare veronderstelling verkeerde dat sprake was van een wederrechtelijke aanranding, kan onder de hiervoor genoemde voorwaarden sprake zijn van putatief noodweerexces.

Het beroep op noodweerexces dan wel putatief noodweerexces.

De rechtbank stelt voorop dat van noodweerexces sprake kan zijn, indien de gedragingen van verdachte aangemerkt kunnen worden als een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, die het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging, die is veroorzaakt door een daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Indien verdachte in de verontschuldigbare veronderstelling verkeerde dat sprake was van een wederrechtelijke aanranding, kan onder de hiervoor genoemde voorwaarden sprake zijn van putatief noodweerexces.

De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het beroep op noodweerexces dan wel putatief noodweerexces ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden. Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij in de keuken met de rug naar aangeefster toestond en dat hij een steek in zijn arm voelde en dat het in eerste instantie geen pijn deed. Het gebeurde in een fractie en hij dacht twee keer te zijn gestoken.10 Nadien heeft hij bij de politie opnieuw verklaard dat hij eigenlijk geen pijn voelde, dat hij geen mes bij haar heeft gezien, maar wel voelde dat hij gestoken werd. Op enig moment zegt hij: “Ik heb wel gezien dat er in mijn arm werd gestoken. Voor hetzelfde geld was het mijn nek geweest.” De verbalisant houdt hem dan voor: “U zei net dat u het niet gezien had.”, waarop verdachte vervolgens antwoordt: “Nee, ik was bezig met de vaatwasser.”11
Eerst ter zitting verklaart hij dat hij wel het lemmet een mes heeft gezien. Desgevraagd heeft verdachte op zitting op geen enkele wijze kunnen uitleggen waarom hij van mening was dat hij werd gestoken en over de wijze waarop dat zou zijn gebeurd. Bij de enkele stelling dat hij gestoken is, is het gebleven. Gelet hierop en de wisselende verklaringen over wat hij al dan niet heeft waargenomen is naar het oordeel van de rechtbank de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden zodat het beroep op noodweerexces en putatief noodweerexces zal worden verworpen.

Het beroep op psychische overmacht.

Van psychische overmacht kan sprake zijn indien de verdachte aan een van buiten komende drang is blootgesteld, waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon en hoefde te bieden. In de door de verdediging aangevoerde omstandigheden – de gestelde jarenlange psychische druk waaraan verdachte door de relatie met aangeefster bloot heeft gestaan en het claimende gedrag van aangeefster – ziet de rechtbank geen omstandigheden die maken dat verdachte aan een zodanige psychische druk werd blootgesteld dat hij geen enkele keuzevrijheid had op het moment dat hij tot het bewezen verklaarde is overgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het onderzoek ter zitting hoogstens worden geconcludeerd dat het slachtoffer zich bij tijd en wijle claimend kon opstellen jegens onder andere verdachte. De rechtbank verwerpt derhalve het beroep op psychische overmacht, omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

  • -

    een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege;

  • -

    een gevangenisstraf van drie jaren met aftrek van het voorarrest.

Indien de rechtbank de vordering van de officier van justitie niet volgt met betrekking tot het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging dan eist de officier van justitie subsidiair een gevangenisstraf van zes jaren met aftrek van het voorarrest.

De officier van justitie komt in zijn eis tot de conclusie dat sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Ter onderbouwing van zijn eis de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen, heeft de officier van justitie onder meer het volgende aangevoerd. Een waanstoornis van het jaloerse type is gevaarlijk. Het PBC kan geen inschatting van het recidiverisico geven omdat verdachte geen inzicht geeft in zijn handelen. Gelet op het ziektebeeld en de jurisprudentie ter zake is, aldus de officier van justitie, aannemelijk dat er sprake is van herhalingsgevaar. Op basis van het ziektebeeld en het ten laste gelegde feit zijn er flinke zorgen over het recidivegevaar richting het slachtoffer. Daarbij komt ook nog het risico dat de jaloerse waan ten aanzien van het slachtoffer zicht richt op een ander bij een nieuwe relatie van verdachte. Van enig ziektebesef is bij verdachte geen sprake. Er moet een behandeling plaatsvinden. Omdat de stoornis van verdachte zich moeilijk laat behandelen en verdachte heeft aangetoond voor behandeling niet open te staan, biedt behandeling in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling onvoldoende garanties voor een uiteindelijk slagende behandeling van verdachte.

Aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen is in deze zaak voldaan. Bij verdachte bestond ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en het betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

De deskundigen vinden behandeling nodig, verdachte vindt dat niet nodig. Zijn ter zitting uitgesproken bereidheid tot meewerken staat in schril contrast met zijn standpunt tot nu toe.

Recidive is mogelijk en gelet daarop is ook voldaan aan de voorwaarde dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van een tbs-maatregel eist.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft verzocht bij een veroordeling een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen. Er is geen sprake van een ziekelijke jaloersheid. De veronderstelde waan heeft slechts indirect een rol gespeeld, doordat de spanningen in huis jarenlang zijn opgelopen. De relatie met zijn ex-echtgenote is inmiddels voorbij en de echtscheiding is officieel ingeschreven. Een gedwongen behandeling zou alleen aan de orde zijn als het vast zou staan dat de waan een rol heeft gespeeld bij het feit en het bovendien iets uit zou halen. Daarvan is in deze geen sprake.

Het oordeel van de rechtbank.

Kan het bewezen verklaarde aan verdachte worden toegerekend?

De rechtbank stelt vast dat de gedragsdeskundigen dhr. H.T.J. Boerboom, psychiater, en mw. J. Hamel, psycholoog, van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum in de door hen uitgebrachte onderzoeksrapportage d.d. 29 mei 2017 hebben geconcludeerd dat psychiatrisch gezien sprake is van een waanstoornis, jaloerse type, doorlopend (dus niet episodisch). Uit de feitelijke beschrijving van de waanstoornis door de PBC-rapporteurs blijkt dat de waanstoornis erin bestaat dat verdachte denkt dat zijn ex-vrouw seksverslaafd is. Verdachte hoorde haar ’s nachts thuiskomen, zag klanten van haar voor de ramen staan en dacht dat zij met willekeurige mannen uit Middelrode en daarbuiten naar bed ging.

Voorts hebben zij geconcludeerd dat drie factoren van invloed zijn geweest op het bewezen verklaarde, te weten: de vermijdende coping en het beperkte contact met zijn negatieve gevoelens, het claimende gedrag van zijn ex-partner en de geconstateerde waanstoornis. Onduidelijk is of en zo ja, in welke mate de waanstoornis als zodanig in het bewezen verklaarde heeft doorgewerkt. Om die reden is in de rapportage geen uitspraak gedaan over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Ter terechtzitting is deze conclusie door de gedragsdeskundigen nader toegelicht. Zij hebben beiden ter terechtzitting aangegeven waarom zij de mate van invloed van elk van de voornoemde drie factoren op het bewezen verklaarde niet kunnen specificeren.

De deskundige J. Hamel heeft verklaard dat zij niet kan aangeven in welke mate het claimende gedrag van zijn ex-partner van invloed is geweest op het bewezenverklaarde, omdat geen inzicht is verkregen in de relationele dynamiek tussen verdachte en zijn ex-partner. In aanvulling op het onderzoeksrapport heeft zij verklaard dat bij verdachte sprake is van afgesplitste agressie. Verdachte heeft de boosheid van waaruit hij het bewezen verklaarde heeft gepleegd niet gevoeld. Zij heeft voorts verklaard dat het lastig voorstelbaar is dat de waanstoornis geen rol heeft gespeeld ten tijde van het ten laste gelegde.

De deskundige Boerboom heeft – in aanvulling op het onderzoeksrapport – verklaard dat hij het meest waarschijnlijk acht dat de afgesplitste agressie in combinatie met de waanstoornis, de vermijdende coping en het claimende gedrag van aangeefster tot een plotselinge impulsdoorbraak bij verdachte heeft geleid. Dat is naar zijn zeggen een heel waarschijnlijke hypothese, die echter niet geverifieerd kon worden in de gesprekken met verdachte. Indien deze hypothese wel bewijsbaar zou zijn, dan zou er naar de mening van deskundige Boerboom sprake zijn van verminderde of sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank constateert dat verdachte zijn ex-vrouw plotseling, zonder duidelijke aanleiding, met een mes heeft gestoken. Daarna is hij haar gevolgd naar de slaapkamer, alwaar hij haar vervolgens nog vele steekwonden heeft toegebracht. Toen hem door het slachtoffer werd gevraagd 112 te bellen, heeft hij dit stoïcijns geweigerd. Verdachte heeft in het verleden niet eerder gewelddadige delicten gepleegd. Ook is niet gebleken dat verdachte zich tijdens het langdurige huwelijk met het slachtoffer gewelddadig heeft gedragen in de relatie.

Op basis van de onderzoeksrapportage van het Pieter Baan Centrum betreffende de persoon van verdachte en de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting van de deskundigen bestaan er naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanwijzingen dat de door de deskundigen genoemde factoren de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde in bepaalde mate hebben beïnvloed. Op basis daarvan concludeert de rechtbank dat het bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Is het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling geïndiceerd?

De rechtbank staat vervolgens voor de vraag of de door de officier van justitie gevorderde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging noodzakelijk is.

Als uitgangspunt geldt dat de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling moet eisen. De rechtbank zal moeten beoordelen of de mate van recidivegevaar in dit specifieke geval van dien aard is dat oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging geboden is.

De rechtbank stelt voorop dat de gedragsdeskundigen in hun rapport geen conclusie hebben getrokken aangaande de mate van recidivegevaar. Evenmin bevat de onderzoeksrapportage een expliciete waarschuwing voor recidivegevaar.

Ter terechtzitting hebben de gedragsdeskundigen verklaard dat in algemene zin niet valt uit te sluiten dat verdachte wederom geweld zal uitoefenen tegen zijn (ex)-partner, maar zij hebben geen concrete mededelingen gedaan over de mate van recidivegevaar in de onderhavige zaak. Deskundige Hamel heeft ter aanvulling nog verklaard dat hoe meer sprake is van agressief gedrag in de voorgeschiedenis, hoe groter de kans op recidive is.

De rechtbank heeft hiervoor al geconstateerd dat niet is gebleken dat verdachte in het verleden gewelddadig is geweest.

Deskundige Boerboom heeft ter aanvulling verklaard dat de recidivekans niet groot lijkt, gelet op de wijze waarop verdachte zich tijdens de observatieperiode heeft gepresenteerd. Bij het aannemen van de door hem genoemde hypothese zou hij een ambulante behandeling adviseren.

Op basis van het voorgaande kan de rechtbank niet concluderen dat er ten aanzien van de verdachte een zodanig recidiverisico is, dat dit een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege noodzakelijk maakt. Daarom zal de rechtbank niet overgaan tot het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling.

De strafoplegging

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In het nadeel van verdachte

De ten tijde van het tenlastegelegde 69-jarige verdachte heeft zijn toenmalige 66-jarige echtgenote in de echtelijke woning onverwachts meerdere malen met een mes gestoken, waarbij hij het slachtoffer na haar in de keuken te hebben gestoken achterna is gelopen en in de slaapkamer van de woning het slachtoffer nogmaals meerdere malen heeft gestoken. Het slachtoffer heeft door deze messteken meerdere steekwonden opgelopen, waardoor medisch ingrijpen noodzakelijk is geweest. Het slachtoffer heeft verdachte gevraagd het noodnummer 112 te bellen, hetgeen verdachte heeft geweigerd. Het slachtoffer heeft vervolgens zelf 112 gebeld waarbij ze heeft aangegeven dat ze gestoken was door haar man, waar ze zich bevond en dat ze een ambulance nodig had. Daarna heeft verdachte ervoor gezorgd dat de verbinding werd verbroken. Dat de medische gevolgen van het letsel uiteindelijk gering zijn gebleven, is niet aan verdachte te danken. Het letsel was zodanig dat het ook veel slechter had kunnen aflopen. Verdachte heeft door zijn gedragingen welbewust een zeer groot en levensbedreigend gevaar voor zijn toenmalige echtgenote in het leven geroepen. Verdachte heeft door zijn handelen een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar lichamelijke integriteit aangetast.

Het geweld moet een grote indruk op het slachtoffer hebben gemaakt. Zij is meermalen gestoken door haar echtgenoot met wie zij sinds 1964 een relatie had, met wie zij kinderen en kleinkinderen had gekregen en die haar die nacht, toen zij in hun gezamenlijke woning bezig was met het klaarmaken van de ontbijttafel voor de volgende ochtend, opeens met een mes aanviel. Uit de slachtofferverklaring van mevrouw [slachtoffer] , voorgelezen op de zitting, blijkt ook dat zij het gevoel heeft dat de doodsangst die verdachte haar heeft bezorgd bij haar voor altijd zal blijven bestaan.

Verdachte lijkt het laakbare van zijn handelen niet in te zien en heeft op zitting geen spijt betoond.

In het voordeel van verdachte

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de oudere leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van het feit, terwijl uit een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat hij niet eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld. De rechtbank heeft voorts, zoals hiervoor reeds overwogen, vastgesteld dat het bewezen verklaarde feit verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

De strafmodaliteit

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank acht gelet op de ernst van het bewezen verklaarde een vrijheidsbeneming van langere duur op zijn plaats.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte van één jaar voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Verdachte dient zich onder meer te houden aan het toezicht van de reclassering en de meldplicht, waarbij verdachte zich tevens ambulant moet laten behandelen. Met betrekking tot deze ambulante behandeling denkt de rechtbank in het bijzonder aan cognitieve gedragstherapie en een sociaal psychiatrische benadering, waarbij de focus op coping, relatiedynamiek en ondersteuning komt te liggen, zoals door het Pieter Baan Centrum is geadviseerd.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met behulp van welke het feit is begaan en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van het feit mede aan verdachte toebehoorden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 33, 33a, 45, 287.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

poging tot doodslagverklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen.

Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27Wetboek van Strafrecht waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering; - dat veroordeelde zich (uiterlijk) op de derde dag na zijn invrijheidsstelling zal melden bij de Reclassering Nederland, Eekbrouwersweg 6 te 's-Hertogenbosch (telefoonnummer: 088 80 41504) en zich daarna gedurende een door die reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

- dat veroordeelde zich ambulant zal laten behandelen voor zijn problematiek, voor zover de reclassering dit nodig acht, waarbij de rechtbank in het bijzonder denkt aan cognitieve gedragstherapie en een sociaal psychiatrische benadering, waarbij de focus op coping, relatiedynamiek en ondersteuning komt te liggen.

De Reclassering Nederland, Regio Zuid, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te ’s-Hertogenbosch wordt opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen, te weten: 1 mes Victorinox uitbeenmes en 1 Inox vleesmes.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J. Bokhorst, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. A.C. Palmboom, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl en mr. R. Klaar, griffiers,

en is uitgesproken op 9 november 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, districtelijke recherche ‘s-Hertogenbosch, dossiernummer 2016218979, aantal pagina’s: 1 tot en met 379. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

2 Verklaring verdachte ter terechtzitting.

3 Proces-verbaal verhoor [slachtoffer] , pag. 166-178.

4 Proces-verbaal verhoor [slachtoffer] bij de rechter-commissaris op 16 mei 2017, pag. 2-4.

5 Medische verklaring d.d. 12 oktober 2016, pag. 199.

6 NFI-rapport betreffende forensisch geneeskundig onderzoek d.d. 10 februari 2017, pag. 219 en pag. 223-224.

7 Proces-verbaal bevindingen, pag. 100.

8 Proces-verbaal bevindingen, pag. 102-103.

9 Proces-verbaal sporenonderzoek, pag. 259-261.

10 Het proces-verbaal verhoor van verdachte d.d. 1 oktober 2017, op p. 70 van het dossier.

11 Het proces-verbaal verhoor van verdachte d.d. 3 oktober 2017, op p. 79 van het dossier.