Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:596

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
10-02-2017
Zaaknummer
C/01/243634 / HA ZA 12-193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Schade aan naftaleiding. De rechtbank acht bewezen dat causaal verband tussen de graafwerkzaamheden en de schade aan de leiding aanwezig is. Het verweer dat de (mede) als eisers optredende verzekeraars niet bevoegd zijn de schadevordering in te stellen wordt verworpen. Het eigen-schuld-verweer wordt ten dele gehonoreerd (20% eigen schuld aangenomen bij de eigenaar van de leiding). De zaak wordt verwezen naar de rol voor reactie van eisers op het alsnog gevoerde verjaringsverweer en voortzetting van het debat over de hoogte van de schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 8 februari 2017

in de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer: C/01/243634 / HA ZA 12-193 van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PETROCHEMICAL PIPELINE SERVICES B.V.,

gevestigd te Urmond, (gemeente Stein)

2. de vennootschap naar vreemd recht

QBE INSURANCE GROUP LIMITED, in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van Syndicate 0386 at Lloyd’s te Londen (Verenigd Koninkrijk),

gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

3. de vennootschap naar vreemd recht

AEGIS, in hoedanigheid van vertegenwoordiger van Syndicate 1225 at Lloyd’s te Londen (Verenigd Koninkrijk), gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

4. de vennootschap naar vreemd recht

QBE INSURANCE GROUP LIMITED,

kantoorhoudende te Sydney (Australië),

5. de vennootschap naar vreemd recht

CATLIN GROUP LIMITED,

gevestigd te Hamilton (Bermuda),

6. de vennootschap naar vreemd recht

BRIT INSURANCE LIMITED,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

eiseressen,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M. Boumante te Eindhoven,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. E.J.M. Stals te Weert,

3 [gedaagde sub 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. E.J.M. Stals te Weert,

en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer C/01/254168 / HA ZA 12-900 van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 3],

wonende te Maarheeze, gemeente Cranendonck,

eisers,

advocaat mr. E.J.M. Stals te Weert,

tegen

[gedaagde sub 1] ,

wonende te Nederweert,

gedaagde,

advocaat mr. M. Boumante te Eindhoven.

en in de vrijwaringszaak met zaaknummer C/01/254236 / HA ZA 12-910

[gedaagde sub 1] ,

wonende te Nederweert,

gedaagde,

advocaat mr. M. Boumante te Eindhoven.

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. E.J.M. Stals te Weert,

Eisers zullen hierna gezamenlijk “PPS c.s.” worden genoemd. Eisers sub 2 t/m 6, zullen “de als eisers optredende verzekeraars” worden genoemd. De afzonderlijke partijen worden genoemd bij hun (verkorte) namen. Gedaagden zullen “ [gedaagde sub 1] ”, “ [gedaagde sub 2] ” en “ [gedaagde sub 3] ” worden genoemd.

1 De procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 maart 2014 en de daarin genoemde stukken

  • -

    de akte uitlaten van PPS c.s.

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 21 oktober 2014 en de daarin genoemde stukken

  • -

    de akte uitlaten van PPS c.s.

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 3 maart 2015

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 16 juni 2015

  • -

    de akte uitlaten/rectificatie tevens conclusie na enquête, van PPS c.s., met producties

  • -

    de conclusie na enquête van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , met producties

  • -

    de antwoordakte uitlaten/rectificatie tevens antwoordconclusie na enquête, van [gedaagde sub 1] , met producties

1.2.

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2 De procedure in de vrijwaringszaken

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 maart 2014 en de daarin genoemde stukken.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De verdere beoordeling

in de hoofdzaak

bewijswaardering

3.1.

In het tussenvonnis is PPS c.s. in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de groeven in de leiding zijn veroorzaakt door de door [gedaagde sub 1] uitgevoerde werkzaamheden.

3.2.

De getuigen hebben – kort samen gevat – het volgende verklaard.

De heer [naam 1] , werkzaam bij PPS, is volgens zijn verklaring op 10 februari 2007 door de meldkamer van PPS en later de brandweer op de hoogte gebracht van de lekkage. Hij verklaart dat hij gemeten heeft waar de leiding zich bevond en de loop van de leiding gemarkeerd heeft. Er zat een scheur in de bovenzijde van de leiding. Hij heeft het lek gezien in de groenstrook op een plek waar graafsporen waren. Op die locatie was de grond geroerd en was de groenstrook bijna geheel weg. De kracht waarmee de nafta uit de leiding gespoten is, zou volgens [naam 1] niet voldoende zijn geweest om al het gras ter plekke te verwijderen.

[naam 1] heeft verder verklaard dat de tekst op het inspectierapport (productie 18) “bomen gerooid voor ziekte leiding > 2m langs boom, eigenaar niet thuis voor gesprek wordt vervolgd” door [naam 2] is geschreven en dat de afstand tussen de boom en de leiding voor hem, [naam 1] , op basis van dit rapport vaststaat.

3.3.

De heer [naam 3] , eveneens werkzaam bij PPS, is volgens zijn verklaring later diezelfde avond op de locatie gearriveerd. Hij verklaart stellig dat de lekkage zich in de groenstrook bevond en dat [naam 1] hem al die avond of de volgende dag meedeelde dat op de plek van de lekkage de aarde omgewoeld was. Hij heeft gezien dat er op de bovenzijde van de leiding krassen zaten en dat de leiding aan de bovenzijde was opengebarsten. Over de afstand van de bomen tot de leiding heeft deze getuige verklaard dat hij niet kan beoordelen of de bomen op minder dan 2 meter van de leiding stonden

3.4.

De heer [naam 4] , werkzaam voor PPS, is volgens zijn verklaring na [naam 1] en [naam 3] gearriveerd. Hij verklaart dat er dikke wortels zijn verwijderd bij het afgraven van de leiding en ook hij geeft op de foto aan dat de plaats van de lekkage in de groenstrook is gelegen. Hij heeft gezien dat de leiding was opengescheurd aan de bovenkant.

3.5.

De heer [naam 5] , werkzaam bij PPS, verklaart dat hij op de desbetreffende avond gebeld is door [naam 1] . [naam 5] verklaart dat hij met locatieapparatuur de leiding heeft uitgezet en piketten heeft neergezet boven het hart van de leiding. Omtrent de locatie van het lekgeraakte stuk van de leiding heeft deze getuige geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Deze getuige heeft volgens zijn verklaring ter plaatse vanaf het maaiveld uitgemeten hoe diep de leiding lag en de uitkomst daarvan was dat de bovenkant van de leiding op 67 centimeter diepte lag. Hij verklaart verder dat hij regelmatig heeft gezien dat aannemers boomstronken verwijderen met een graafbak met tanden er aan en dat het voorkomt dat er na het verwijderen van een boomstronk nogmaals wordt gegraven om de resterende wortels er uit te trekken en dat dan niet meer vanaf het maaiveld wordt gegraven, maar -gezien vanaf het maaiveld- vanaf een dieper niveau.

3.6.

In tegenverhoor is [gedaagde sub 1] gehoord. Hij verklaart dat een kastanjeboom doorgaans oppervlakkig wortelt. Hij kon de stobben er in één keer gemakkelijk uithalen door de drietand achter de stam zo’n 30 à 40 centimeter de grond in te drijven en de stobben er dan – met de wortels – uit de grond te trekken. Hij heeft geen graafwerkzaamheden verricht op twee meter afstand van een stobbe. Het was volgens zijn verklaring in dit geval niet nodig om nog na te graven om achtergebleven wortels te verwijderen.

3.7.

De rechtbank stelt voorop dat op basis van het inspectierapport (productie 18 van PPS c.s.) en de verklaring van [naam 1] moet worden aangenomen dat de bomen op een afstand van minstens 2 meter van de leiding stonden. Dat uitgangspunt wordt door partijen ook niet bestreden. Verder geldt dat technisch bewijs dat [gedaagde sub 1] bij het uitvoeren van de werkzaamheden de leiding geraakt heeft ontbreekt. Het materiaal op zijn drietand was niet afkomstig van het beschermingsmateriaal van de leiding en een vergelijking tussen de drietand en de groeven op de leiding leverde evenmin direct bewijs op dat de beschadigingen zijn veroorzaakt door de drietand van PPS c.s.. Op basis van de getuigenverklaring van [naam 1] staat verder vast dat de bovenkant van de leiding op 67 cm diepte lag. De tanden van de drietand waarmee [gedaagde sub 1] de werkzaamheden verrichtte waren niet langer dan 60 cm. Niettemin acht de rechtbank het bewijs geleverd dat de groeven in de leiding zijn veroorzaakt door de door [gedaagde sub 1] uitgevoerde werkzaamheden. De rechtbank grondt die beslissing op het navolgende:

a. uit de getuigenverklaringen van [naam 1] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] blijkt dat de beschadigingen van de leiding aan de bovenzijde daarvan zaten en dus kennelijk van bovenaf zijn veroorzaakt;

b. de drietand is niet technisch uitgesloten als oorzaak van de beschadiging. Het NFI heeft in zijn rapport van 11 juli 2007 aangegeven dat er sprake is van globale overeenkomsten tussen sporen op de leiding en proefsporen gemaakt met de drietand, maar dat niet kan worden vastgesteld of de kras- en indruksporen op de leiding zijn veroorzaakt met de tanden van de drietand;

c. de rechtbank heeft in het tussenvonnis vastgesteld dat niet aannemelijk is dat de groeven op de leiding zijn veroorzaakt door werkzaamheden die voor 2006 zijn uitgevoerd, omdat die beschadigingen zouden zijn ontdekt tijdens de in 2006 uitgevoerde inspectie(s). Dit brengt mee dat de beschadigingen hoogstwaarschijnlijk zijn veroorzaakt tussen het moment van die inspectie(s) en het optreden van de lekkage op 10 februari 2007;

d. de lekkages zijn opgetreden een week nadat [gedaagde sub 1] de werkzaamheden op het perceel van [gedaagde sub 2] heeft uitgevoerd. Dat de lekkages pas toen zijn opgetreden is alleszins verklaarbaar uit de omstandigheid dat de pijpleiding op 10 februari 2007 onder hogere druk werd gezet dan in de week daarvoor;

e. er zijn geen alternatieve oorzaken naar voren gekomen die de beschadiging van de leiding in die periode kunnen verklaren. Er blijkt niet van grondwerkzaamheden waarbij de leiding zou kunnen zijn geraakt. De aangevoerde alternatieve oorzaak van het ploegen van het maisveld waarbij de ondergronder van de ploeg de beschadigingen kan hebben veroorzaakt

– ter ondersteuning waarvan overigens geen technische details zijn verschaft – kan thans redelijkerwijs worden uitgesloten, omdat uit de getuigenverklaringen van [naam 3] , [naam 4] en [naam 1] blijkt dat de plek waar de leiding was beschadigd niet op de akker zelf maar op de groenstrook daarnaast lag. Onaannemelijk is dat aldaar werd (diep)geploegd.

f. Omtrent de wijze van graven en de diepte is slechts de verklaring van [gedaagde sub 1] beschikbaar. Weliswaar verklaart [gedaagde sub 1] dat hij de stobben in één keer uit de grond heeft getrokken en niet heeft nagegraven, maar PPS c.s. wijst er terecht op dat [gedaagde sub 3] ter comparitie heeft verklaard dat het voor de bewerking van de grond nodig was alle wortels te verwijderen en dat [gedaagde sub 1] zei dat het werken met de drietand het meest geschikt was als [gedaagde sub 3] de grond nog wilde bewerken. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank weinig voor de hand dat met het verwijderen van de boomstobben telkens ook alle te verwijderen wortels meekwamen.

3.8.

Alles afwegende acht de rechtbank met een redelijke mate van zekerheid komen vast te staan dat [gedaagde sub 1] bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden de beschadigingen aan de bovenkant van de leiding heeft veroorzaakt die later tot de calamiteit hebben geleid.

3.9.

Dit brengt mee dat [gedaagde sub 1] (in beginsel) jegens PPS aansprakelijk is voor de schade die PPS heeft geleden. Datzelfde geldt voor [gedaagde sub 2] (zie r.o. 3.27 en verder hierna voor de beslissing op het verzoek om terug te komen op die bindende eindbeslissing). Zoals in het tussenvonnis is beslist (r.o. 4.4.) zal de vordering op [gedaagde sub 3] worden afgewezen, omdat hij in privé niet aansprakelijk is.

ontvankelijkheid

3.10.

In het tussenvonnis is overwogen dat eisers in de gelegenheid zullen worden gesteld om te reageren op het verweer van gedaagden dat uit de overgelegde verzekeringsovereenkomst niet duidelijk wordt of de eisers sub 2 tot en met 6 inderdaad alle de verzekeraars van PPS zijn en voorts dat uit het door PPS overgelegde betalingsoverzicht niet blijkt welke bedragen door welke verzekeraar zijn uitgekeerd aan PPS, zodat evenmin duidelijk is welke verzekeraars in de rechten van PPS zijn gesubrogeerd en voor welke bedragen. Ook bleek uit de overgelegde polis niet dat PPS een eigen risico heeft van $ 250.000,- terzake deze schade.

3.11.

PPS c.s. heeft zich hierover uitgelaten bij haar conclusie na enquête. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] verzoeken de rechtbank dit punt van de conclusie buiten beschouwing te laten en [gedaagde sub 1] wil zich het recht voorbehouden om in een later stadium uitvoeriger te reageren. De rechtbank is van oordeel dat gedaagden inhoudelijk hebben kunnen reageren op de stellingen van eisers en dat ook hebben gedaan, zodat de rechtbank op deze punten nu zal beslissen.

ontvankelijkheid PPS

3.12.

[gedaagde sub 1] voert als verweer dat “Self Insured Retention” betekent dat er geen sprake is van eigen risico aan de zijde van PPS, maar dat PPS slechts gehouden zou zijn om door de verzekeraars gemaakte kosten te vergoeden en dat PPS die bedragen nog niet heeft betaald.

3.13.

De rechtbank oordeelt als volgt. De relevante bepaling in de verzekeringsovereenkomst houdt in:

USD 250.000 (100%) any one occurrence Self Insured Retention in respect of Sabic Europe BV.

Er wordt weliswaar gestreden over de precieze betekenis van deze bepaling, maar naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat van de totale schade uiteindelijk $ 250.000 voor rekening van PPS is gekomen of gebracht. Dat volgt alleen al uit een vergelijking van de schadevaststelling door Cunningham Linsey en het volgens prod. 24 van PPS c.s. aan PPS uitgekeerde bedrag. Zodoende is PPS ontvankelijk in haar vorderingen.

Ontvankelijkheid de als eisers optredende verzekeraars

3.14.

[gedaagde sub 2] voert aan dat QBE Insurance Group Limited (pro sé en voor Syndicate 286) en Catlin Group Limited niet vorderingsgerechtigd zijn en er geen sprake is van lastgeving. [gedaagde sub 1] voert aan dat QBE Insurance Group Limited en Catlin Group Limited niet ontvankelijk zijn.

3.15.

De rechtbank overweegt als volgt. Als verzekeraars zijn in de dagvaarding als eisende partijen genoemd:

1: QBE Insurance Group Limited, als vertegenwoordiger van Syndicate 0386

2: Aegis als vertegenwoordiger van Syndicate 1225

3 QBE Insurance Group Limited

4 Catlin Group Limited

5 Brit Insurance Limited

3.16.

Op de polis staan als verzekeraars vermeld:

1: “DAC 386”

2: QBE Insurance (Europe) Limited

3: “Aegis AES 1225”

4: Catlin Insurance Company (UK) Limited

5: Brit Insurance Limited

3.17.

PPS c.s. beroept zich op een door haar in het geding gebracht stuk dat namens QBE Underwriting Limited, QBE Insurance (Europe) Limited en Catlin Insurance Company (UK) Limited getekend is (op 9 september 2015) en waarin staat:

“- that not all of the names of the parties listed as claimants in the […] summons correspond to the names of the parties listed in the attached insurance policy;

- that PPS and insurers have (had) the intention that the parties listed as claimants in the summons would claim both the insured and the uninsured interests of PPS and insurers;

- that parties wish to confirm/record that intention in this document.

IN THAT FRAMWORK, THE NOT IN THE WRIT OF SUMMONS MENTIONED INSURERES INVOLVED:

[…] QBE UNDERWRITING LIMITED

[…] QBE INSURANCE (EUROPE) LIMITED

[…] CATLIN INSURANCE COMPANY (UK) LIMITED

GIVE MANDATE AND POWER OF ATTORNEY TO:

The parties as mentioned in the writ of summons […] to represent them in the dispute as described in the summons […].

3.18.

PPS c.s. stelt onder verwijzing naar de polis en de verzekeringsovereenkomst dat de volledige naam van het Syndicate 386 is: “D.A. Constable Syndicate 386”, afgekort tot DAC 386. Zij heeft dat deugdelijk onderbouwd onder punt 4 t/m 6 van de conclusie na enquête. Gezien de door PPS c.s. gegeven toelichting is de enkele betwisting bij gebrek aan wetenschap van een en ander door [gedaagde sub 1] niet afdoende, zodat van de juistheid van de stelling van PPC c.s. op dit punt wordt uitgegaan. Niet betwist is dat QBE Underwriting Limited de vertegenwoordiger is van Syndicate 386. De rechtbank is van oordeel dat uit het door PPS c.s. overgelegde stuk voldoende blijkt dat QBE Underwriting Limited de eisende partijen (waaronder QBE Insurance Group Limited) gemachtigd heeft om haar vordering op eigen naam te innen.

Dat Aegis vorderingsgerechtigd is (als vertegenwoordiger van Syndicate 1225) is niet betwist.

Voor QBE Insurance (Europe) Limited en Catlin Insurance Company (UK) Limited geldt dat de rechtbank van oordeel is dat uit het door PPS c.s. overgelegde stuk voldoende blijkt dat zij de eisende partijen (waaronder QBE Insurance Group Limited en Catlin Group Limited) gemachtigd hebben om hun vorderingen op eigen naam te innen.

De rechtbank is van oordeel dat niet vereist is dat in de dagvaarding wordt vermeldt dat partijen optreden als vertegenwoordigers van bij name genoemde rechtspersonen (ECLI:NL:HR:2010:BK4995).

Brit Insurance Limited ten slotte staat op de polis als verzekeraar en treedt op als eisende partij.

De conclusie is dat alle als eisers optredende verzekeraars ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

betaling en subrogatie

3.19.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten dat de als eisers optredende verzekeraars gesubrogeerd zijn in de rechten van PPS. PPS c.s. stelt dat de op de polis genoemde verzekeraars ieder voor hun aandeel als vermeld op de polis in de schade van PPS hebben bijgedragen.

3.20.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het overgelegde stuk van [naam 6] blijkt dat een bedrag van € 2.070.136,00 is betaald aan PPS. Een en ander is door gedaagden niet gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank ervan uit zal gaan dat dit bedrag door de op de polis genoemde verzekeraars is betaald aan PPS.

3.21.

PPS c.s. verwijst naar artikel 9 van de polisvoorwaarden dat inhoudt dat de verzekerde op verzoek de verzekeraar(s) “shall […] assign and subrogate […] at the time of payment […] all their rights and claims”. [gedaagde sub 1] voert aan dat [gedaagde sub 1] niet gesteld noch aangetoond heeft dat het toepasselijke recht een basis biedt voor de gestelde subrogatie.

3.22.

De rechtbank begrijpt dat [gedaagde sub 1] enkel de rechtsgeldigheid van de gestelde subrogatie betwist. Of er sprake is geweest van subrogatie (van rechtswege of bewerkstelligd door een rechtshandeling) moet worden vastgesteld aan de hand van het op de verzekeringsovereenkomst toepasselijke recht. Nu [gedaagde sub 1] echter niet meer stelt dan dat niet is aangetoond dat het toepasselijke recht een basis biedt voor subrogatie, zonder te stellen welk recht van toepassing zou zijn en zonder te stellen dat naar dat recht subrogatie onmogelijk is, acht de rechtbank die betwisting onvoldoende onderbouwd. De rechtbank neemt daarom aan dat de op de polis genoemde verzekeraars gesubrogeerd zijn in de vorderingsrechten van PPS. Zoals overwogen in r.o. 3.18. innen de als eisers optredende verzekeraars die vordering in eigen naam.

verjaring

3.23.

[gedaagde sub 1] voert aan dat de lastgeving (zie onder 3.17) geen terugwerkende kracht heeft. Dat wil zeggen dat de gepretendeerde vordering van Catlin Insurance Company (UK) Limited op [gedaagde sub 1] verjaard is. [gedaagde sub 2] c.s. beroept zich eveneens op verjaring. Zij stelt dat de vorderingen van QBE Underwriting Limited, QBE Insurance (Europe) Limited en Catlin Insurance Company (UK) Limited zijn verjaard. De brieven van 10 april 2015 hebben de verjaring van de vordering niet gestuit. Omdat het schadeveroorzakende voorval plaatsvond in 2007, is de vordering in de tussentijd verjaard, aldus gedaagden.

3.24.

De rechtbank stelt voorop dat de verjaring van de vorderingen is gestuit bij brief van 15 april 2010 namens PPS – dat destijds de naam Sabic voerde – “alsmede […] haar verzekeraars”. [gedaagde sub 1] betwist de ontvangst van deze brief niet en ook [gedaagde sub 2] heeft die brief ontvangen. Daarmee is de verjaring van de vorderingen gestuit en is een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen.

3.25.

In de brief van 10 april 2015 die door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is ontvangen, staat het volgende:

“Aangezien aansprakelijkheid tot op heden nog niet is erkend en vastgesteld, laat ik u hierdoor namens PPS en haar verzekeraars, te weten QBE Insurance Group Ltd mede namens haar dochtervennootschap QBE Insurance (Europe) Ltd als vertegenwoordiger van Syndicate 0386, Aegis als vertegenwoordiger van Syndicate 1225, QBE Insurance Group Ltd mede namens haar dochtervennootschap QBE Insurance Group Ltd, Catlin Group Ltd mede namens haar dochtervennootschap Catlin Insurance Company Ltd en Brit Insurance Ltd, weten dat zij onverkort hun aanspraken op vergoeding van de schade, voortvloeiend uit het evenement van 10 februari 2007 handhaven.

3.26.

Het verweer van [gedaagde sub 1] is dat niet is vast komen te staan dat Catlin Group reeds in april 2015 bevoegd was om – namens Catlin Insurance Company (UK) Limited of voor zichzelf – de vordering te innen en zodoende de verjaring van de vordering kon stuiten. [gedaagde sub 2] voert dat zelfde verweer ook ten aanzien van QBE Insurance Group Limited. De rechtbank begrijpt dat het verjaringsverweer ook ziet op de vraag of op 9 februari 2012 uitgebrachte dagvaarding, destijds, door of namens de gerechtigde (in de zin van artikel 3:316 BW) is uitgebracht. De verjaringsverweren zijn gevoerd bij antwoordconclusie na enquête, zodat PPS c.s. nog in de gelegenheid moet worden gesteld te reageren. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen. In beginsel zal daarmee het debat op dit punt beëindigd zijn en zal de rechtbank op dit punt kunnen beslissen.

terugkomen op bindende eindbeslissing

3.27.

[gedaagde sub 2] verzoekt de rechtbank om terug te komen op de bindende eindbeslissing over haar aansprakelijkheid.

3.28.

In het tussenvonnis is overwogen en beslist:

4.6. De rechtbank oordeelt dat op grond van het uittreksel uit het kadaster vaststaat dat op het perceel van [gedaagde sub 2] waarop de lekkage is opgetreden, een zakelijk recht rust ten behoeve van PPS. Nu dit feit kenbaar was uit het kadaster kan aan PPS niet worden tegengeworpen dat dit niet duidelijk was vermeld in de akte waarbij [gedaagde sub 2] de eigendom van het perceel heeft verworven. PPS is niet gehouden de opvolgend eigenaars te informeren over de ligging van de leiding en het bestaan van het zakelijk recht omdat zij ervan uit mag gaan dat die opvolgend eigenaars daarvan middels raadpleging van de registers op het hoogte zijn. Daarmee staat vast dat [gedaagde sub 2] is gebonden aan de Algemene Bepalingen. Door in strijd met die Algemene Bepalingen aan [gedaagde sub 1] opdracht te geven de stobben te verwijderen, zonder PPS daarover vooraf te informeren, is [gedaagde sub 2] aansprakelijk voor de schade die PPS als gevolg daarvan heeft geleden.

3.29.

De rechtbank heeft op dit punt uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist dat [gedaagde sub 2] aansprakelijk is en aldus een eindbeslissing gegeven. Voor een dergelijke beslissing geldt de regel dat daarvan in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen. Dit kan anders zijn indien de beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, dan wel de eisen van een goede procesorde om een andere reden meebrengen dat de rechtbank zijn eindbeslissing heroverweegt. Volgens [gedaagde sub 2] is dat het geval met betrekking tot de beslissing dat [gedaagde sub 2] in strijd heeft gehandeld met de Algemene Bepalingen.

3.30.

[gedaagde sub 2] voert aan dat tussen PPS en [gedaagde sub 2] geen strookbreedte is overeengekomen. Bovendien stonden de bomen buiten die strook, namelijk op een afstand van meer dan twee meter, zodat de opdracht om de stobben te verwijderen niet in strijd was met de Algemene Bepalingen.

3.31.

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel II lid 3 van de Algemene Bepalingen luidt:

“3. De eigenaar zal zich onthouden van elke handeling, waardoor het met behulp van het werk te verrichten transport kan worden belet of belemmerd, dan wel waardoor gevaar kan ontstaan voor personen of goederen;

Hij zal in het bijzonder binnen de in artikel 3 van de overeenkomst genoemde strook grond geen bouwwerken oprichten, gesloten wegdek aanbrengen, ontgrondingen verrichten, rioleringen, andere leidingen of kabels aanleggen, voorwerpen indrijven, dan wel diepwortelend geboomte planten of niet agrarische goederen opslaan, zonder schriftelijke toestemming van D.S.M., die nimmer op onredelijke gronden zal weigeren toestemming te verlenen. Eigenaar zal ook aan derden geen uitdrukkelijke noch stilzwijgende toestemming

tot één of meer der genoemde handelingen verlenen.”

Ongeacht waar de bomen stonden ten opzichte van de leiding en ongeacht de vraag of [gedaagde sub 2] partij is bij de overeenkomst waarin de breedte van de strook is gedefinieerd, geldt op grond van de eerste volzin, dat de eigenaar – [gedaagde sub 2] – zich dient te onthouden van elke handeling waardoor het transport met de leiding kan worden belemmerd. Nu bewezen is dat als gevolg van door [gedaagde sub 2] opgedragen werkzaamheden de leiding is beschadigd, (zie onder 3.8) is daarmee ook dat gebod door [gedaagde sub 2] overtreden. De vraag of een strookbreedte van twee meter overeengekomen is, is daardoor niet van belang voor de beslissing. Er is geen reden om terug te komen op de bindende eindbeslissing.

hoogte van de schade

3.32.

De hoogte van de schade is in het tussenvonnis nog niet vastgesteld. Wel is overwogen dat de schade – zoals [gedaagde sub 2] terecht opmerkt – in het kader van de verzekeringsovereenkomst door Cunningham is vastgesteld op € 2.257.014,-. Bij de vaststelling van de schade is de verzekeraar van [gedaagde sub 1] betrokken geweest. [gedaagde sub 1] voert geen verweer tegen de hoogte van de schade.

3.33.

[gedaagde sub 2] voert wel verweer met betrekking tot de schade.

3.34.

De rechtbank stelt allereerst vast dat [gedaagde sub 2] niet heeft bestreden dat zij is uitgenodigd deel te nemen aan besprekingen betreffende de schadevaststelling. Niets had er aan in de weg gestaan dat [gedaagde sub 2] zich lopende die schadevaststelling informeerde en zo veel mogelijk invloed uitoefende op de vaststelling van de (hoogte van) de schade. Bij conclusie na enquête heeft PPS c.s. de diverse schadeposten op een rijtje gezet en die toegelicht. De daartegenover algemeen geformuleerde verweren dat de schadevaststelling niet onafhankelijk is geschied en in een onjuist beoordelingskader is gesteld, kunnen [gedaagde sub 2] , mede gelet op de door PPS c.s. gegeven toelichting op de diverse schadeposten en de in het geding gebrachte stukken, niet baten. Het verweer is in het licht van de onderbouwing van de schadevordering niet concreet genoeg. Het verweer van [gedaagde sub 2] dat onduidelijk is op welke grondslag PPS c.s. kennelijk schade geleden door derden wenst te verhalen op [gedaagde sub 2] gaat niet op. Het gaat immers blijkens de door PPS c.s. gegeven toelichting om schade die derden hebben geleden doordat er nafta uit de leiding van PPS is gestroomd. Dat PPS aansprakelijk is voor door derden als gevolg van de calamiteit geleden schade, ligt (gelet op artikel 6:174 BW) voor de hand. De zodoende op PPS c.s. ontstane vorderingen van derden, vormen voor PPS schade die PPS c.s. – in beginsel – kan verhalen op partijen die aansprakelijk zijn voor de beschadiging van de leiding.

Naast het algemene verweer heeft [gedaagde sub 2] een aantal concrete posten bestreden. De rechtbank is van oordeel dat gelet op dit verweer de schadeposten provisionele andere kosten en de kosten van drie vaststellingsovereenkomsten alsmede de kosten van de belangenbehartiger [belangenbehartiger] nadere onderbouwing vergen. PPS c.s. wordt in de gelegenheid gesteld die posten nader toe te lichten, daarbij aandacht te besteden aan de causaliteit met de leidingbreuk en die toelichting zo veel mogelijk met bescheiden te onderbouwen. De zaak wordt daarvoor naar de rol verwezen. [gedaagde sub 2] mag daarop vervolgens reageren op de rol van zes weken later. Omdat de hoogte van de schade tussen PPS c.s. en [gedaagde sub 1] niet in geschil is, zal [gedaagde sub 1] ook niet in de gelegenheid worden gesteld om op dit punt een antwoordakte te nemen.

eigen schuld

3.35.

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] beroepen zich ook op eigen schuld aan de zijde van PPS. [gedaagde sub 2] stelt dat PPS op de hoogte was van de kap van de bomen en het rooien van de stobben, maar desondanks de druk in de leiding heeft verhoogd naar 64 barg, zonder contact op te nemen met [gedaagde sub 2] of [gedaagde sub 3] . De verhoging van de druk heeft de schade veroorzaakt, aldus [gedaagde sub 2] . De rechtbank begrijpt uit hetgeen zijdens [gedaagde sub 1] ter comparitie is opgemerkt, dat hij zich bij deze stellingen aansluit.

3.36.

De rechtbank overweegt als volgt. PPS hecht – terecht – veel belang aan de veiligheid van haar leiding. Zij voert technische controles uit naar de staat van de leiding en vliegt regelmatig met een helikopter over het traject van de leiding om (potentiële) problemen te identificeren. Op 25 januari 2007 heeft PPS geconstateerd dat de bomen op het perceel – ook in de directe nabijheid van de leiding – waren gekapt. Een medewerker van PPS ( [naam 2] ) heeft vervolgens op 26 januari 2007 een bezoek gebracht aan het perceel, maar is er niet in geslaagd om [gedaagde sub 3] te spreken. Wel heeft hij met een blauw piketpaaltje de leiding gemarkeerd. Op 1 en 2 februari 2007 heeft [naam 2] nogmaals het perceel bezocht. [naam 2] had erop bedacht moeten zijn dat na de kap van de bomen er ook (mogelijk) graafwerkzaamheden zouden plaatsvinden. In dat licht bezien is de rechtbank van oordeel dat van PPS meer verwacht had mogen worden, nadat het eerste bezoek niet tot een gesprek met de eigenaar van het perceel had geleid. Zo zijn (bijvoorbeeld) geen contact gegevens achtergelaten (anders dan op het piketpaaltje) en is (bijvoorbeeld) ook geen onderzoek gedaan in het kadaster om de eigenaar op een andere wijze te benaderen. De rechtbank acht aannemelijk dat als [naam 2] [gedaagde sub 3] gesproken had, de noodzaak van een klic-melding zou zijn besproken en dat bij het verrichten van de werkzaamheden de ligging van de leiding zou zijn gemarkeerd, zodat bij de werkzaamheden de leiding niet zou zijn geraakt. Daar komt bij – zoals [gedaagde sub 2] onweersproken stelt – dat PPS ook na 3 februari 2007, maar vóór 10 februari 2007 op de hoogte was van het feit dat de stobben daadwerkelijk waren verwijderd, maar daarin geen aanleiding heeft gezien om na te gaan of bij die werkzaamheden de leiding (mogelijk) was beschadigd. Als PPS van de beschadiging had geweten, voordat de druk werd verhoogd, had een groot gedeelte van de financiële schade voorkomen kunnen worden. Zodoende is de rechtbank van oordeel dat PPS voor de verwijdering van de stobben onvoldoende voortvarend is opgetreden om te voorkomen dat de leiding zou worden beschadigd en na de verwijdering van de stobben ten onrechte geen nader onderzoek heeft gedaan of de leiding – mogelijk – beschadigd was. In de verhouding tussen PPS c.s. en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] levert dat eigen schuld op in de zin van artikel 6:101 BW. Dat laat onverlet dat de schade is veroorzaakt door de werkzaamheden die [gedaagde sub 1] verrichtte in opdracht van [gedaagde sub 2] en dat die schade door [gedaagde sub 1] makkelijk voorkomen had kunnen worden. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat gelet op de mate waarin de schade aan beide partijen is toe te rekenen, 20% van de schade voor rekening van PPS c.s. dient te blijven. Een billijkheidscorrectie hierop is niet aan de orde. Dat wil zeggen dat – voor zover de schadevorderingen niet zijn verjaard (zie onder 3.23 en verder) – van de uiteindelijk toewijsbare schadevergoedingen, 80% toewijsbaar is.

openstellen hoger beroep

3.37.

[gedaagde sub 2] verzoekt de rechtbank om – indien de rechtbank het bewijs geleverd acht of niet terugkomt op haar bindende eindbeslissing – tussentijds hoger beroep open te stellen van een eventueel tussenvonnis.

3.38.

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de vaststelling van de aansprakelijkheid uiteraard doorwerkt in de verdere behandeling van de zaak, verwacht de rechtbank dat na de aktewisseling in beginsel eindvonnis gewezen kan worden. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om geen tussentijds hoger beroep open te stellen tegen dit tussenvonnis.

in de vrijwaringszaken 12-900 en 12-910

3.39.

Zoals al in het tussenvonnis is overwogen zal [gedaagde sub 1] worden toegelaten te bewijzen dat [gedaagde sub 2] voorafgaand aan de werkzaamheden desgevraagd heeft medegedeeld dat er geen leidingen op het perceel aanwezig waren.

3.40.

De rechtbank zal nu die aangekondigde bewijsopdrachten geven. De rechtbank overweegt dat in hoofdzaak na de aktewisseling in beginsel eindvonnis gewezen zal kunnen worden, zodat de hoofdzaak en de vrijwaringen mogelijk uit elkaar zouden kunnen gaan lopen. Indien partijen in de vrijwaringen de uitkomst in de hoofdzaak willen afwachten kunnen zij op de rol eenstemmig om aanhouding verzoeken. Indien partijen niet eenstemmig om uitstel verzoeken, kan [gedaagde sub 1] op de rol zich uitlaten of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel.

3.41.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

4.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 maart 2017 voor het nemen van een akte door PPS c.s. over hetgeen is vermeld onder r.o. 3.26 en 3.34, waarna [gedaagde sub 2] op de rol van zes weken daarna een antwoordakte kan nemen met betrekking tot de hoogte van de schade,

4.2.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in de zaken in vrijwaring

4.3.

draagt [gedaagde sub 1] op te bewijzen dat [gedaagde sub 2] voorafgaand aan de werkzaamheden desgevraagd heeft medegedeeld dat er geen leidingen op het perceel aanwezig waren,

4.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 februari 2017 voor uitlating aanhouden of doorprocederen door beide partijen en voor uitlating door [gedaagde sub 1] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

4.5.

bepaalt dat [gedaagde sub 1] , indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

4.6.

bepaalt dat [gedaagde sub 1] , indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op dinsdagen en woensdagen in de maanden april tot en met augustus 2017 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

4.7.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr J.A. Bik in het paleis van justitie te 's-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8,

4.8.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

4.9.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Bik, mr. J.K.B. van Daalen en mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2017.