Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:5897

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
09-11-2017
Zaaknummer
01/993312-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor poging tot uitvoer van 24 kilogram cocaïne naar Spanje en het voorhanden hebben van kleinere hoeveelheden cocaïne en Xtc-pillen. De verweren gericht tegen de inzet van burgerinfiltranten, pseudokoop en schending van het talloncriterium worden verworpen. Verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 40 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/993312-16

Datum uitspraak: 8 november 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 september 2016, 12 december 2016, 9 maart 2017, 4 april 2017, 29 juni 2017 en 24 en 25 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 augustus 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzittingen van 15 september 2016 en 9 maart 2017 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 03 juni 2016 te Baarle-Nassau en/of Berkel-Enschot en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

buiten het grondgebied van Nederland als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet heeft gebracht,

ongeveer 24 kilogram (in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende) cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 mei 2016 tot en met 03 juni 2016 te Baarle-Nassau en/of Berkel-Enschot en/of Breda en/of elders in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf,

om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 24 kilogram cocaïne, in

elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I,

hebbende hij en/of zijn mededader(s):

- met undercover-agent A-2236 en/of undercover-agent A-2235 besprekingen gevoerd en/of afspraken gemaakt over de verkoop en/of aflevering van een hoeveelheid cocaïne met als bestemming Spanje (in elk geval het buitenland), en/of

- op 3 juni 2016 ongeveer 24 kilogram (in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende) cocaïne aan undercover-agent A-2236 en/of undercover-agent A-2235 getoond, en/of

- op 3 juni 2016 undercover-agent A-2236 en/of undercover-agent A-2235 de gelegenheid geboden de getoonde cocaïne ter plekke te testen (welke ook ter plekke door undercover-agent A-2236 en/of undercover-agent A-2235 werd getest), en/of

- ( vervolgens) aangegeven dat nadat undercover-agent A-2236 en/of undercover-agent A-2235 het geld, dat zich op een andere locatie bevond, voor de aankoop van de partij zou laten zien en/of overdragen, de cocaïne ten uitvoer naar Spanje (in elk geval het buitenland) aan undercover-agent A-2236 en/of undercover-agent A-2235 zou worden overgedragen, en/of

- is/zijn verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s) met undercover-agent A-2235 in de auto gestapt en richting de locatie waar het geld voor de aankoop van de partij cocaïne zich (zou) bevind(t)(en)/bevond gereden, en/of

- hebbende hij verdachte en/of zijn mededader(s) undercover-agent A-2236 de opdracht gegeven de chauffeur de auto met bergplaats de garage in te laten rijden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op 03 juni 2016 te Baarle-Nassau en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

heeft verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd en/of verstrekt en/of aanwezig gehad,

- ongeveer 24 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

hij op of omstreeks 20 mei 2016 te Baarle-Nassau en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

aanwezig heeft gehad,

ongeveer 3 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne en/of 10 tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,

zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

EN/OF

hij op of omstreeks 20 mei 2016 te Baarle-Nassau en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

heeft afgeleverd en/of verstrekt 0,10 gram cocaïne en/of 0,30 gram cocaïne en/of 0,10 gram cocaïne en/of 10 tabletten bevattende MDMA,

in elk geval (telkens) een of meer hoeveelhe(i)den van een materiaal bevattende cocaïne en/of een of meer hoeveelhe(i)den van een materiaal bevattende MDMA,

zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

De geldigheid van de dagvaarding.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is en dat de dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

1. Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

2. Het standpunt van de verdediging.

Namens meerdere verdachten is op uiteenlopende, hierna verkort weer te geven, gronden aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Voor zover de raadslieden een dergelijk verweer c.q. de daartoe aangevoerde gronden niet in hun eigen zaak hebben voorgedragen, hebben zij zich aangesloten bij hetgeen namens de medeverdachten ter zake is aangevoerd. De rechtbank beschouwt dit verweer en de daartoe aangevoerde gronden derhalve als te zijn gedaan in alle zaken en zal deze daarom dan ook in alle zaken bespreken en beoordelen, behoudens voor zover uit de betreffende grond zelf blijkt dat deze uitsluitend betrekking kan hebben op de zaak waarin de grond is aangevoerd. Voor zover onvoldoende blijkt dat de verdediging zich bij bepaalde gronden in de zaken van de medeverdachten heeft aangesloten, dragen de overwegingen en beslissingen van de rechtbank een ambtshalve karakter. Hetgeen dienaangaande door de verschillende raadslieden naar voren is gebracht, laat zich in zakelijke bewoordingen als volgt samenvatten: de verdediging is op ontoelaatbare wijze tekortgedaan in haar mogelijkheid het bewijs en de bewijsvergaring te controleren en aan te vechten. Daarmee is er doelbewust en/of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachten tekort gedaan aan hun recht op een eerlijk proces respectievelijk is er sprake van vormverzuimen die het wettelijke systeem waarop de strafrechtspleging is gestoeld in de kern hebben geraakt. De normschending heeft betrekking op verschillende aspecten, te weten:

  • -

    onjuiste en leugenachtige voorlichting van de Nederlandse autoriteiten in een rechtshulpverzoek door de Spaanse autoriteiten en het daardoor op basis van onjuiste startinformatie toepassen van ingrijpende bijzondere opsporingsbevoegdheden;

  • -

    inzet van een (criminele) burgerinfiltrant zonder een daartoe strekkend bevel;

  • -

    bedreiging en sturing van een (criminele) burger(infiltrant);

  • -

    infiltratie door buitenlandse opsporingsambtenaren zonder een daartoe strekkend bevel en het hierdoor zonder wettelijke basis optreden van buitenlandse opsporingsambtenaren op Nederlands grondgebied;

  • -

    het niet of onvoldoende voorlichten van de betreffende buitenlandse opsporingsambtenaren aangaande het Tallon-criterium ter voorkoming van uitlokking;

  • -

    het afgeven van een bevel pseudokoop zonder een daarvoor benodigd redelijk vermoeden van schuld en verder het onrechtmatig gebruik maken van het bevel nu het traject veel omvattender was dan de grenzen van dat betreffende bevel pseudokoop.

3. Het oordeel van de rechtbank. 1

3.1

Beoordelingskader

De rechtbank stelt voorop dat de toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan in het voorbereidend onderzoek, waaronder begrepen normschendingen bij de opsporing. Indien sprake is van een dergelijk – niet voor herstel vatbaar – vormverzuim, maar de rechtsgevolgen ervan niet uit de wet blijken, dan zal de rechter moeten beoordelen of aan dat verzuim een rechtsgevolg verbonden moet worden en zo ja, welk rechtsgevolg. Daarbij dient hij rekening te houden met de in 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van de schending en het door de schending veroorzaakte nadeel, waaronder te begrijpen de eventuele schade die verdachte in zijn verdediging heeft opgelopen. Hierbij moet worden aangetekend dat geen sprake is van een voor de toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking te nemen nadeel indien de verdachte niet getroffen is in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen (Schutznorm). Verder is van belang vast te stellen dat schending van vormvoorschriften in het voorbereidend onderzoek niet in alle gevallen tot voordeel van verdachte moet leiden; de rechter kan volstaan met de feitelijke constatering dat vormvoorschriften zijn verzuimd. Indien de rechter meent dat daarmee echter niet kan worden volstaan, dan heeft hij de mogelijkheid om aan het vormverzuim een van de drie in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde rechtsgevolgen te verbinden: strafvermindering, bewijsuitsluiting dan wel

niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Het belang van verdachte dat het strafbare feit niet wordt ontdekt vormt rechtens geen beschermenswaardig belang, zodat de overtreding van een vormvoorschrift dat verdachte in dat belang raakt in beginsel zonder gevolg zal kunnen blijven.

Ten aanzien van het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie verdient het navolgende aantekening. Niet-ontvankelijkverklaring komt, als een aan schending van een vormvoorschrift in het voorbereidend onderzoek te verbinden rechtsgevolg, in slechts zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde. Dit kan aan de orde zijn in geval sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekortgedaan. Voorts is een dergelijke sanctie mogelijk indien – ook zonder dat de belangen van de verdachte als hiervoor bedoeld zijn geschonden – sprake is van een handelwijze van de officier van justitie die in strijd is met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt, zoals de bevoegdheidsverdeling tussen het Openbaar Ministerie en de onafhankelijke rechter zoals die in het wettelijk systeem ten aanzien van vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is vervat.

De rechtbank zal thans overgaan tot een beoordeling van de afzonderlijke gronden/aspecten, zoals hierboven weergegeven.

3.2

Beoordeling

3.2.1.

Ten aanzien van de start van het onderzoek

3.2.1.1 Algemeen

Aan de start van het onderzoek en de daarop ingezette bijzondere opsporingsmiddelen liggen een drietal rechtshulpverzoeken van de Spaanse autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten ten grondslag. Uit deze rechtshulpverzoeken staat onder meer beschreven dat “ [verdachte] ”, geïdentificeerd als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1965, in februari 2016 aan undercoveragent met codenaam “Tajo” de mogelijkheid heeft geboden om vanuit Nederland verdovende middelen Spanje binnen te brengen. “ [verdachte] ” heeft aangeboden om met “Tajo” naar Nederland te reizen en hem voor te stellen aan zijn kompanen ten behoeve van de overbrenging van cocaïne van Nederland naar Spanje. In het rechtshulpverzoek wordt vermeld dat de onderzochte “ [verdachte] ” vele malen aan de undercoveragenten “Tajo” en “Duero” heeft verklaard dat zijn kompanen zich in de Nederlandse gemeente Breda bevinden. Van zijn kompanen zou de eigenaar van de drugs van Marokkaanse oorsprong en de baas van het transport van Afghaanse afkomst zijn. “ [verdachte] ” heeft als tussenpersoon de taak klanten te zoeken. “ [verdachte] ” heeft aan de Spaanse undercoveragenten “Tajo” en “Duero” de mogelijkheid geboden om een afspraak te maken op de werkplaats waar de onderhandelingen plaatsvinden. Op deze werkplaats bevinden zich, aldus het rechtshulpverzoek, volgens “ [verdachte] ” de monsters van de cocaïne die zij aan de undercoveragenten kunnen leveren. Omdat “ [verdachte] ” erop blijft aandringen dat “Tajo” en “Duero” hem vergezellen naar Nederland om aan hen de leden van de organisatie voor te stellen en tot levering van een hoeveelheid cocaïne over te gaan, is aan de Nederlandse autoriteiten verzocht het handelen van de Spaanse undercoveragenten met de codes “Tajo” en “Duero” op Nederlands grondgebied te autoriseren.2

Vanaf [geboortedatum] 2016 is er door de Nederlandse autoriteiten uitvoering gegeven aan het rechtshulpverzoek naar aanleiding van het vermoeden dat op Nederlands grondgebied door de verdachte [verdachte] en later de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] strafbare feiten werden gepleegd in het kader van de Opiumwet. Door de Spaanse autoriteiten werd op 24 mei 2016 toestemming gegeven de gegevens die zijn verkregen in het Spaanse onderzoek te gebruiken in het Nederlandse opsporingsonderzoek.3 Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen in het onderzoek 26DeStrubben werd het uiteindelijke onderzoek 26Tienbaan opgestart. Het doel van het onderzoek was het middels een bevel pseudokoop/dienstverlening een eenmalige pseudokoop van een hoeveelheid cocaïne te verwezenlijken.4

3.2.1.2 Vertrouwensbeginsel

Zoals hiervoor onder 3.2.1.1 is vermeld, is door de Spaanse autoriteiten in het kader van een drietal rechtshulpverzoeken verzocht om medewerking te verlenen aan een opsporingsonderzoek tegen verdachte [verdachte] en zijn Nederlandse handlangers. Voorts is toestemming gegeven om ten behoeve van de Nederlandse strafrechtelijke procedure alle gegevens te gebruiken die werden verkregen tijdens het Spaanse onderzoek dat werd uitgevoerd door het Speciaal Narcotica Parket in Spanje. Op grond van het vertrouwensbeginsel mochten de Nederlandse autoriteiten uitgaan van de juistheid van de in het rechtshulpverzoek genoemde feiten en omstandigheden. Het is naar vaste rechtspraak niet aan de Nederlandse autoriteiten te twijfelen aan de rechtmatigheid van de wijze waarop deze informatie door de Spaanse autoriteiten is verkregen, tenzij er concrete aanwijzingen liggen voor het tegendeel.

3.2.2

Ten aanzien van de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen

Door de raadslieden van de verdachten wordt aan de hand van de verklaringen van verdachte [verdachte] betoogd dat verdachte [verdachte] door de Spaanse undercoveragenten is ingezet als (criminele) burgerinfiltrant, dat hij is gestuurd en dat hij onder bedreiging heeft meegewerkt aan het leggen van de contacten met de verdachten in Nederland om een partij cocaïne te verhandelen. Verdachte [verdachte] zou van meet af aan op de hoogte zijn geweest van de status van “Tajo” (hierna ook ‘Angel’ genoemd) en “Duero” als undercoveragenten. Door de raadslieden worden aan de verklaringen van verdachte [verdachte] diverse verweren verbonden die raken aan de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek in Nederland en het optreden van de Spaanse undercoveragenten op Nederlands grondgebied.

3.2.2.1 Bedreiging en sturing en inzet van een (criminele) burger(infiltrant)

De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaringen van verdachte [verdachte] dat hij op de hoogte was van de status van ‘Angel’ als undercoveragent en dat hij door de Spaanse undercoveragenten is bedreigd en onder druk is gezet om tot een cocaïnedeal te komen.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van verdachte [verdachte] niet consistent, onsamenhangend en niet-gedetailleerd zijn. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verdachte [verdachte] heeft in het verhoor bij de politie – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij wist dat ‘Angel’ een politieagent was, dat ‘Angel’ verdachte [verdachte] heeft bedreigd en daarbij zelfs tweemaal een pistool op zijn hoofd heeft gezet en dat ‘Angel’ hem naar Nederland heeft gestuurd om een slachtoffer te zoeken zodat ‘Angel’ hogerop kon komen. Verdachte [verdachte] moest ‘Angel’ volgens zijn verklaring bij de politie een persoon leveren die hem drugs kon verkopen.5

In zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft verdachte [verdachte] – zakelijk weergegeven – verklaard dat ‘Angel’ bij één van hun ontmoetingen zag dat verdachte [verdachte] een nieuwe auto had en dat ‘Angel’ vervolgens de autopapieren heeft bekeken en daarin zag dat verdachte [verdachte] deze auto in Nederland van een Afghaan (de rechtbank begrijpt: verdachte [medeverdachte 3] ) had gekocht. Toen hij op de autopapieren een Afghaanse naam zag staan, legde ‘Angel’ een verband tussen de Afghaan en de Taliban. ‘Angel’ zei dat de Afghaan van de Taliban was en een terrorist was. ‘Angel’ en “Duero” zijn vervolgens naar Nederland gereisd om dit uit te zoeken. Later in het verhoor verklaart verdachte [verdachte] als hem wordt voorgehouden dat hij bij de politie heeft verklaard dat hij ‘iets’ moest leveren en dat dat drugs was, dat deze verklaring niet klopt. Het konden drugs zijn of wapens of vrouwen, aldus verdachte [verdachte] bij de rechter-commissaris.6

Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat ‘Angel’ naar aanleiding van de kentekenpapieren wilde weten wie de Afghaan was. [verdachte] heeft op zitting verklaard dat hij niet weet wat daarvoor de reden was. [verdachte] moest mensen zoeken die “dingen konden leveren”.7

[verdachte] heeft dus telkens wisselende verklaringen afgelegd over waartoe hij door ‘Angel’ gedwongen zou zijn en wat ‘Angel’ nu precies van hem wilde. Ook op andere punten (te weten de wetenschap van zijn echtgenote van de bedreigingen en het in contact brengen van “Tajo” en “Duero” met verdachte [medeverdachte 2] ) heeft verdachte bij de rechter-commissaris een andere verklaring afgelegd dan bij de politie.

Op de terechtzitting heeft [verdachte] op bepaalde punten (te weten de door hem te verrichten tegenprestatie in ruil voor de assistentie van “Tajo” bij het verkrijgen van een verblijfsvergunning en het moment waarop hij wist dat verdachte [medeverdachte 2] en de broers [medeverdachte 3] drugs wilden verkopen aan ‘Angel’ en “Duero”) eveneens een andere verklaring afgelegd dan bij de politie.

De verklaring van [verdachte] vindt ook geen ondersteuning in het procesdossier.

[verdachte] heeft weliswaar in het eerste verhoor bij de politie al verklaard dat de kopers Spaanse undercoveragenten waren, maar de rechtbank is van oordeel dat verdachte [verdachte] ook kan hebben beredeneerd dat het niet anders kon dan dat hij en zijn medeverdachten zijn aangehouden omdat deze kopers (met wie zij per slot van rekening voor de eerste maal zaken deden) undercoveragenten waren. De rechtbank merkt in dit verband op dat verdachte [medeverdachte 1] in zijn eerste verhoor bij de politie heeft verklaard dat hij, nu hij erover nadenkt, denkt dat hij “erin is geluisd” en dat hij niet weet of ‘Angel’, met wie verdachte

[medeverdachte 1] op de parkeerplaats bij het hotel is aangehouden, een politieagent is.8 [verdachte] kan naar het oordeel van de rechtbank tot dezelfde conclusie zijn gekomen als [medeverdachte 1] .

Dat [verdachte] de naam ‘Angel’ noemt is, anders dan de verdediging betoogt, ook geen ondersteuning voor de verklaring van [verdachte] dat hij wist dat de kopers Spaanse undercoveragenten waren. Beide Spaanse undercoveragenten hebben in hun getuigenverhoor bij de rechter-commissaris namelijk verklaard dat “Tajo” in zijn contacten met verdachte [verdachte] en de andere verdachten de naam ‘Angel’ gebruikte, dit wordt ook bevestigd door de taps van de telefoongesprekken tussen [verdachte] en “Tajo”.9

De wetenschap van verdachte [verdachte] dat “Tajo” en “Duero” in Spanje gebruikmaakten van een witte Maserati en een zwarte Bentley biedt ook geen ondersteuning aan de verklaring van verdachte [verdachte] dat hij wist dat de kopers undercoveragenten waren. Het geeft slechts aan dat deze undercoveragenten in het traject in Spanje gebruik maakten van deze voertuigen, maar het onderbouwt niet de verklaring van verdachte dat hij toen al wist dat het om undercoveragenten ging. Naar het oordeel van de rechtbank zou het gebruik van dit soort voertuigen eerder van het tegendeel getuigen. Immers, waarom zouden deze dure voertuigen worden ingezet – welke bedoeld zijn om een criminele levensstijl voor te wenden – als deze personen zich jegens verdachte [verdachte] hadden bekendgemaakt als agenten en hem in die hoedanigheid bedreigden of, volgens een andere verklaring van verdachte [verdachte] , hem zouden helpen met een verblijfsvergunning. Evenmin vormt het enkele gegeven dat “Tajo” en “Duero” mogelijk over een wapen beschikten niet de bevestiging van de juistheid van de verklaring van verdachte [verdachte] dat ‘Angel’ hem met een pistool heeft bedreigd.

[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat ‘Angel’ en “Duero” hem hadden gewaarschuwd dat hij op 3 juni 2016 niet bij de verkoop van de drugs aanwezig moest zijn. Naar het oordeel van de rechtbank geeft het door de verdediging aangehaalde tapgesprek van 2 juni 2016 waarin wordt gesproken over het ‘opsplitsen’ van de aanwezige personen op het moment van de totstandkoming van de deal op 3 juni 2016 geen ondersteuning voor deze verklaring en wijst het dus ook niet op wetenschap bij [verdachte] van de werkelijke hoedanigheid van “Tajo” en “Duero”. De rechtbank leest in de uitwerking van dit tapgesprek niets meer dan het plan (dat op 3 juni 2016 ook daadwerkelijk is uitgevoerd) dat een deel van verdachten samen met één van de kopers in de garage zou blijven en een deel van de verdachten met de andere koper naar een andere locatie zou gaan om het geld in ontvangst te nemen waarna de drugs in de garage zouden worden overgedragen aan de kopers.10

Door de verdediging zijn ook vraagtekens geplaatst bij de verklaring van ‘Angel’ bij de rechter-commissaris dat [verdachte] bij een bepaalde ontmoeting 30-40 kilo cocaïne in zijn kofferbak had liggen. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het zeer opmerkelijk is dat ‘Angel’ verdachte [verdachte] , gelet op deze forse hoeveelheid, toen niet heeft aangehouden, dat het de vraag is of ‘Angel’ zich op dat moment niet kenbaar heeft gemaakt als undercoveragent en het bezit van deze forse hoeveelheid drugs en de mogelijke strafrechtelijke gevolgen daarvan niet heeft ingezet als middel om [verdachte] te dwingen als (criminele) burgerinfiltrant te opereren. De rechtbank stelt ten eerste vast dat door de verdediging niet is gevraagd aan “Tajo” waarom hij [verdachte] op dat moment niet heeft aangehouden. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verdachte [verdachte] op geen enkel moment zelf verklaard dat hij hiermee onder druk is gezet. Tot slot biedt het procesdossier ook geen andere onderbouwing voor deze door de verdediging geopperde gang van zaken.

“Tajo” (‘Angel’/A-2235) en “Duero” (A-2236) zijn op 27 januari 2017 en 6 februari 2017 nader gehoord bij de rechter-commissaris. Afzonderlijk van elkaar verklaren zij zich nooit kenbaar te hebben gemaakt aan [verdachte] als politieman en [verdachte] niet te hebben bedreigd of te hebben gezien dat hij werd bedreigd, noch verblijfsdocumenten voor hem te hebben geregeld of hem te hebben gedwongen naar Nederland af te reizen.11

Verdachte [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat zijn echtgenote wist van de bedreigingen door ‘Angel’. De echtgenote van [verdachte] , mevrouw [getuige] , heeft bij de rechter-commissaris verklaard niet op de hoogte te zijn van de beweerdelijke bedreigingen en dat zij ‘Angel’ alleen maar kent als een zakenpartner van haar man.12 [verdachte] heeft bij de politie ook verklaard dat hij aan ‘Angel’ is voorgesteld door een derde die vertelde dat hij een politieagent kende die hem kon helpen met zijn verblijfsvergunning. Bij de

rechter-commissaris heeft [verdachte] verklaard dat zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning driemaal is afgewezen. Getuige [getuige] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij niet weet of [verdachte] ooit problemen heeft gehad met zijn verblijfsvergunning. De verklaring van getuige [getuige] geeft derhalve ook geen bevestiging van de verklaring van verdachte [verdachte] .

Bij de politie heeft [verdachte] voorts – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij de Spaanse undercoveragenten in contact heeft gebracht met verdachte [medeverdachte 2] omdat verdachte [medeverdachte 2] de enige was die hij in Nederland kende, Nederland bekend staat om drugs en verdachte [medeverdachte 2] weleens marihuana rookt. [verdachte] heeft verklaard dat hij tegen verdachte [medeverdachte 2] heeft gezegd dat hij iemand kende die veel geld had en verdovende middelen wilde hebben en dat hij een dag voordat hij werd aangehouden wist dat verdachte [medeverdachte 2] drugs kon leveren.13

Deze verklaring komt er in wezen op neer dat het puur toeval was dat verdachte [medeverdachte 2] samen met de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] onderdeel uitmaakte van een groep die in staat was om vele kilo’s cocaïne te leveren.

Dit rijmt niet met de informatie uit de hiervoor reeds aangehaalde rechtshulpverzoeken waarin staat dat [verdachte] de Spaanse undercoveragenten heeft medegedeeld dat de eigenaar van de drugs een uit Marokko afkomstige man is die al jaren zakenpartner en vriend is van [verdachte] , een man van Afghaanse afkomst verantwoordelijk zou zijn voor het veilig vervoer van de drugs en dat verdachte [verdachte] belast was met de verkoopactiviteiten van deze drugs.14 Informatie die, gelet op de latere gebeurtenissen waarbij verdachte [medeverdachte 1] , geboren in Kabul (Afghanistan), op de locatie waar het geld zou worden overgedragen wordt aangehouden en de met [verdachte] bevriende verdachte met Marokkaanse achternaam [medeverdachte 2] wordt aangehouden in de garage waar 24 pakketten cocaïne blijken te liggen, juist blijkt te zijn geweest.

Ten aanzien van de (toevallige) ontmoeting van [verdachte] en de undercoveragenten op 16 februari 2016 in [plaats] (Spanje), de woonplaats van verdachte [verdachte] , heeft de verdediging er in dit verband op gewezen dat deze ontmoeting niet toevallig kan zijn geweest. Wat daar ook van zij, deze omstandigheid geeft naar het oordeel van de rechtbank geen ondersteuning aan de versie van [verdachte] dat hij wist dat “Tajo” en “Duero” Spaanse undercoveragenten waren. Mocht er ten aanzien van deze al dan niet toevallige ontmoeting al een onregelmatigheid hebben plaatsgevonden in Spanje, dan houdt dit niet in dat deze omstandigheid consequenties zou moeten hebben voor het traject dat is gevolgd in Nederland. De aangevoerde omstandigheid dat zij op 16 februari 2016 voor zijn komen rijden in een zwarte Bentley en bij andere bijeenkomsten met [verdachte] gebruik is gemaakt van een witte Maserati is juist kenmerkend voor undercoveroperaties, zoals hiervoor is overwogen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verklaring van [verdachte] dat hij reeds vóór de inval op 3 juni 2016 wist dat het om Spaanse undercoveragenten ging geen stand kan houden. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer dat sprake is geweest van de inzet van een (criminele) burgerinfiltrant. Van de door de verdediging opgeworpen ‘sterke aanwijzingen’ dat [verdachte] op Nederlands grondgebied op onrechtmatige wijze is ingezet bij opsporingsactiviteiten, is de rechtbank in zijn geheel niet gebleken. Zoals eerder overwogen, acht de rechtbank de verklaringen van [verdachte] niet consistent, onsamenhangend en niet gedetailleerd. De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij zich ervan bewust was onderwerp te zijn van een Spaans undercovertraject en te zijn bedreigd. Om die reden wordt de lezing van de raadslieden verworpen en zal de rechtbank geen gevolg geven aan de door de (overige) raadslieden opgeworpen onderzoekswensen die nopen tot verstrekking van de verslaglegging van de in Spanje gevoerde/opgenomen gesprekken tussen de undercoveragenten en verdachte [verdachte] .

3.2.2.2 De uitvoering van het bevel pseudokoop

Ten aanzien van het verweer dat er sprake is geweest van infiltratie door buitenlandse opsporingsambtenaren en dat er, nu er geen bevel infiltratie is verleend, sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, overweegt de rechtbank als volgt.

De undercoveroperatie was gericht op het eenmalig sluiten van een cocaïnedeal, waarbij de undercoveragenten niet hebben deelgenomen aan het verband waarbinnen de strafbare feiten werden gepleegd. In het kader van deze voorgenomen drugsaankoop hebben er een aantal ontmoetingen plaatsgevonden alwaar de Spaanse undercoveragenten door [verdachte] zijn geïntroduceerd bij de andere verdachten, de Spaanse undercoveragenten het vertrouwen hebben gewonnen van de verdachten, er afspraken zijn gemaakt over de verkoop en levering van drugs en er voorafgaand aan deze verkoop en levering door de verdachten (kennelijk om op hun beurt het vertrouwen te winnen van deze undercoveragenten) een aantal pakketten cocaïne aan de undercoveragenten zijn getoond en monsters aan hen zijn verstrekt waarna er uiteindelijk overeenstemming is bereikt over de verkoop van cocaïne aan de undercoveragenten. De rechtbank is van oordeel dat de ontmoetingen in het kader van de pseudokoop en de door de undercoveragenten uitgevoerde handelingen vallen binnen de kaders van de bevelen pseudokoop en voldoen aan de wettelijke vereisten.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er sprake was van voldoende verdenking voor de bevelen pseudokoop. Het eerste bevel pseudokoop is op 19 mei 2016 verleend ten aanzien van verdachte [verdachte] . Op dat moment bestond tegen hem op grond van de informatie uit de rechtshulpverzoeken een voldoende concrete verdenking.15 De informatie uit het rechtshulpverzoek is namelijk concreet (personalia verdachte [verdachte] , werkplaats in de gemeente Breda waar handel wordt gedreven, leden van de organisatie van Marokkaanse en Afghaanse afkomst), gecontroleerd en geactualiseerd (op 11 mei 2016, 20 mei 2016 en 24 mei 2016 wordt het rechtshulpverzoek van 26 april 2016 aangevuld).

Naar aanleiding van de ontmoetingen op 20 en 21 mei 2016 is er op 25 mei 2016 een tweede bevel afgegeven dat naast verdachte [verdachte] gericht was op de verdachten [medeverdachte 1] en

[medeverdachte 2] .16 Nu bij deze ontmoeting door voornoemde verdachten is gesproken over de levering van drugs, er pakketten cocaïne zijn getoond en van deze pakketten monsters zijn verstrekt waarvan uit NFI-onderzoek bleek dat zij cocaïne bevatten, is de rechtbank van oordeel dat er op dat moment ook ten aanzien van verdachte [medeverdachte 2] en verdachte [medeverdachte 1] een voldoende concrete verdenking bestond.

De Spaanse opsporingsambtenaren A-2235 (Tajo), A-2236 (Duero) en A-2237 zijn voorts in Spanje opgeleid tot pseudokopers en zijn als zodanig door het team Werken Onder Dekmantel van de Dienst Landelijke Operationele Samenwerking van de Landelijke Eenheid ingeschreven bij het team en gedurende het onderzoek ingezet in deze hoedanigheid.17 Daarmee is het optreden van de Spaanse undercoveragenten op Nederlands grondgebied gelegitimeerd.

De rechtbank verwerpt op grond van het voorgaande het verweer dat er sprake is geweest van een infiltratietraject.

3.2.3

Talloncriterium

De Spaanse opsporingsambtenaren die deel uitmaakte van het WOD-team zijn erop gewezen dat zij bij de tenuitvoerlegging van het bevel de verdachten niet mogen brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht. Daarmee is voldaan aan voorlichting omtrent het Tallon-criterium. Overigens is de rechtbank uit niets gebleken dat [verdachte] is uitgelokt tot het plegen van de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht. De rechtbank merkt daarbij op dat de Spaanse opsporingsambtenaren uit hoofde van hun functie ook bekend mogen worden verondersteld met de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, inhoudende dat opsporingsambtenaren verdachten niet mogen brengen tot andere strafbare feiten dan waarop hun opzet reeds tevoren was gericht.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat uit de startinformatie naar voren komt dat verdachte [verdachte] in Spanje reeds in verband werd gebracht met omvangrijke internationale drugshandel en dat [verdachte] eerder tot 7 jaar gevangenisstraf ter zake drugshandel is veroordeeld. Onder die omstandigheden zal niet snel kunnen worden aangenomen dat er sprake is geweest van ontoelaatbare uitlokking, nu kennelijk de opzet van [verdachte] reeds tevoren was gericht op de (internationale) handel in harddrugs.

3.3

Conclusie rechtbank: het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Gelet op al het hiervoor overwogene wordt het door de verdediging gedane beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie op de daartoe aangevoerde gronden, zowel op zichzelf beschouwd als cumulatief en in onderling verband en samenhang bezien, verworpen.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken van gronden voor schorsing der vervolging.

Vrijspraak.

Ten aanzien van feit 1 primair: voltooid verlengde uitvoer

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde, te weten het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van 24 kilogram cocaïne. In artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet is immers bepaald dat onder het buiten het grondgebied van Nederland brengen is begrepen het ten vervoer aanbieden.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft geconcludeerd tot vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank verstaat onder ‘het ten vervoer aanbieden van drugs’ de overdracht van de feitelijke beschikkingsmacht over de drugs. De tas met 24 kilogram cocaïne is nadat de politie is binnengetreden aangetroffen in de spuitruimte van de garage. Deze tas was op dat moment nog niet overhandigd aan de Spaanse undercoveragenten en zij hadden dus nog niet de feitelijke beschikkingsmacht over de drugs verkregen. De drugs zouden namelijk pas worden overgedragen op het moment dat de koopsom zou zijn betaald. Verdachten waren weliswaar bereid om na de betaling de drugs aan de Spaanse undercoveragenten over te dragen, maar doordat de politie vóórdat deze betaling kon plaatsvinden heeft ingegrepen, is het zover niet gekomen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er geen sprake is van het ten vervoer aanbieden en spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair: poging tot uitvoer cocaïne 3 juni 2016 en feit 2: aanwezig hebben/verstrekking harddrugs 20 mei 2016.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van feit 1 subsidiair op het standpunt gesteld dat de handelingen van verdachten erop zijn gericht om de cocaïne te leveren en te vervoeren naar het buitenland. Er is een begin van uitvoering en daarmee sprake van een poging tot het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van 24 kilogram cocaïne. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot het tezamen en in vereniging voorhanden hebben van 3 kilogram cocaïne en de levering van MDMA-pillen en cocaïne.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft op de in de pleitnota vermelde gronden vrijspraak bepleit van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde. Namens verdachte is door de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking nu verdachte niet kon communiceren met zijn medeverdachten.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsuitsluiting

In aanmerking nemend hetgeen de rechtbank bij de bespreking in het kader van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van enig vormverzuim, zodat zij ook in de zin van bewijsuitsluiting/strafvermindering hieraan geen consequenties zal verbinden. De rechtbank is van oordeel dat de undercoveragenten betrouwbaar zijn in hun waarneming en bevindingen en de wijze waarop zij die hebben geverbaliseerd. Bovendien is de rechtbank uit niets gebleken dat de betrouwbaarheid van de undercoveragenten in twijfel zou dienen te worden getrokken. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de undercoveragenten aan het bewijs van het ten laste gelegde kunnen bijdragen en dat verdachte daardoor niet in zijn belangen is geschaad.

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert haar oordeel over de feitelijke gang van zaken op het navolgende.

Op 20 mei 2016 omstreeks 14.00 uur vond er in het [naam 1] hotel, gevestigd aan de [adres 2] te Breda, een ontmoeting plaats tussen de Spaanse undercoveragenten “Tajo” (A-2235), “Duero” (A-2236), [verdachte] en twee onbekende mannen (naar later bleek [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]18). Deze ontmoeting werd geobserveerd door het observatieteam. Een van de twee onbekende mannen stelde zich voor als “de Afghaan” (rechtbank: verdachte [medeverdachte 1] ), de andere man was een man van Arabische afkomst, mogelijk een Marokkaan (rechtbank: verdachte [medeverdachte 2] ). Tijdens de ontmoeting werd er hoofdzakelijk gesproken met “de Afghaan” over de handel in cocaïne vanuit Brazilië naar Europa en werd er door [verdachte] aan “Tajo” en “Duero” voorgesteld om naar het adres van autogarage “ [naam 2] ” aan de [adres 3] te Baarle-Nassau te gaan (uit nader onderzoek bleek dat [medeverdachte 3] eigenaar is van dit bedrijf19). Door het observatieteam werd gezien dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in een Audi A6 met het kenteken [kenteken] vertrok (deze auto bleek later op naam te staan van [medeverdachte 3]20). “Tajo” en Duero” reden in hun eigen voertuig naar de genoemde locatie. In de garage aan de [adres 3] te Baarle-Nassau was ook een persoon aanwezig die “de broer van de Afghaan” (rechtbank: [medeverdachte 3] ) werd genoemd. In het bijzijn van voornoemde personen werden er drie blokken van elk ongeveer één kilo getoond met de logo’s “Skoda” “AA” en “Bedce”. De Spaanse undercoveragenten mochten elk pakket openen en daar een monster van nemen. Ook kregen zij (omgerekend vanaf 11 stukjes) 9 pillen en een gebroken pil mee met als opdruk “Tesla”. De drie monsters en de pillen werden door “Tajo” en “Duero” overgedragen aan het begeleidingsteam van de Nederlandse politie en aangeboden aan de recherche.21 De drie monsters wit poeder van 0,10 gram, 0,30 gram, 0,10 gram en de (10) pillen kregen respectievelijk als SIN-nummer AACN8885NL, AACN8886NL, AACN8887NL en AACN8888NL.22 Door het NFI werden de monsters wit poeder en de pillen onderzocht en werd vastgesteld dat het om middelen bevattende cocaïne en MDMA ging.23

Op 21 mei 2016 vond er opnieuw een ontmoeting plaats tussen “Tajo” en “Duero”, [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en de [medeverdachte 2] op het adres [adres 3] te Baarle-Nassau. Tijdens deze ontmoeting vertelde “de Afghaan” dat hij van het logo “Skoda” nog maar zes kilo had en liet een tekstbestand zien op zijn BlackBerry waarin stond “12 AA”, “17 Bedce”. Vervolgens vertelde [medeverdachte 1] dat hij van de kwaliteit die hij gisteren had laten zien dus maar 35 kilo voorhanden had. Door [medeverdachte 1] werd vervolgens een blok getoond met daarop het logo “Peugeot” waarvan hij zei dat van deze kwaliteit ook nog een lading ging komen.24

Op woensdag 1 juni 2016 omstreeks 13.00 uur vond er een ontmoeting tussen de Spaanse undercoveragenten, [verdachte] , [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 1] plaats bij restaurant “ [naam 3] ” in Baarle-Nassau waarbij er werd afgesproken dat de levering van de partij cocaïne aanstaande vrijdag 3 juni 2016 zou kunnen plaatsvinden. Door [verdachte] werd aan [medeverdachte 2] gevraagd of hij de 65 kilo had klaarstaan waarop bevestigend werd geantwoord. Door [medeverdachte 1] werd gezegd dat zijn broer aanstaande vrijdag in de garage zou blijven om alles te bewaken en de drugs konden worden geleverd in de oven van de garage.25

Op vrijdag 3 juni 2016 omstreeks 12.15 uur begaven de twee Spaanse undercoveragenten zich naar de garage “ [naam 2] ” aan de [adres 3] te Baarle-Nassau. In de garage troffen zij “ [verdachte] ” ( [verdachte] ), “de Afghaan” ( [medeverdachte 1] ), “de broer van de Afghaan” ( [medeverdachte 3] ) en “de Lange” ( [medeverdachte 2] ). Door de Spaanse undercovers werd gezien dat er een donkergetinte man met een tatoeage in zijn nek de trap af liep. A-2236 zag toen hij naar het toilet ging dat “de broer van de Afghaan” en de donkergetinte man samen bezig waren met en in een donkere tas/koffer. Na terugkomst van het toilet zag hij dat “de broer van de Afghaan” en de donkergetinte man nog steeds bezig waren met de tas. A-2236 zag vervolgens dat deze (sport)tas door “de broer van de Afghaan” naar de spuiterij werd gebracht. Aan A-2235 werd in de tussentijd door “de Afghaan” gevraagd waar het geld voor de cocaïne zich bevond waarop A-2235 antwoordde dat het geld klaar stond bij een hotel in Berkel-Enschot. Er werd afgesproken dat A-2235 en “de Afghaan” naar het hotel gingen waar het geld zich bevond. Door “de Afghaan” werd medegedeeld dat hij momenteel in het bezit was van ongeveer 25 kilogram cocaïne en dat de rest van het totaal van 65 kilogram cocaïne dat klaarstond voor transport naar Spanje een half uur tot een uur later kwam. Er werd vanuit het kantoor naar beneden gegaan waar in de spuitruimte een donkere sporttas met pakketten drugs op tafel werd gelegd. Hierbij waren A-2235, A-2236, “de Afghaan”, “de broer van de Afghaan”, “de Lange” en “ [verdachte] ” aanwezig. Aan A-2235 en A-2236 werd de cocaïne getoond en aan hen werd de mogelijkheid geboden een aantal pakketten uit te zoeken en te testen. Door A-2235 werd een willekeurig pakket gekozen waarna door A-2236 een monster werd genomen dat door A-2236 indicatief werd getest. De test reageerde positief op de aanwezigheid van cocaïne. Vervolgens zijn “de Afghaan” en A-2235 naar de locatie gereden waar het geld zich bevond om het geld te gaan halen en de transactie te voltooien. A-2236 bleef in de garage achter met “ [verdachte] ”, “de broer van de Afghaan” en “de Lange”. Tegen A-2236 werd gezegd A-2237 te bellen zodat hij met de auto kwam om de verdovende middelen met als bestemming Spanje in te laden. Na aankomst van A-2237 kreeg A-2236 de opdracht van “ [verdachte] ” om de chauffeur (A-2237) van de auto met bergplaats de garage in te laten rijden. Bij aankomst op de locatie waar het (toon)geld zich zou bevinden, hotel “ [naam 4] ” te Berkel-Enschot, werd overgaan tot aanhouding van “de Afghaan” (en A-2235) en werd tegelijkertijd op de locatie [adres 3] te Baarle-Nassau overgegaan tot aanhouding van “ [verdachte] ”, “de Lange”, “de broer van de Afghaan” (en AA-2236 en A-2237).26

Tijdens de doorzoeking op 3 juni 2016 van de loods aan de [adres 4] te Baarle-Nassau waar het bedrijf “ [naam 2] ” was gevestigd, werd in de spuitcabine een zwarte sporttas met 24 pakketten wit poeder aangetroffen en in beslag genomen. De 24 langwerpige, in plastic gewikkelde blokken werden indicatief getest en reageerden positief op de aanwezigheid van cocaïne.27 De inhoud van de aangetroffen pakketten (cocaïne) bleek na weging een nettogewicht te hebben van circa 23,88 kilogram. Van zes pakketten werden monsters genomen die werden voorzien van SIN AAEJ2248NL, AAEJ2249NL, AAEJ2250NL, AAEJ2251NL, AAEJ2252NL en AAEJ2253NL.28 Door het NFI werden de monsters getest en werd vastgesteld dat de bemonsteringen cocaïne bevatten.29

Nadere bewijsoverweging

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen bewezen kan worden verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot het tenlastegelegde het volgende af.

Behoudens [verdachte] , doen alle verdachten een beroep op hun zwijgrecht of ontkennen zij hun betrokkenheid bij het ten laste gelegde. Verdachten stellen niet aanwezig te zijn geweest of ontkennen te hebben geweten waar de gesprekken over gingen en ze zeggen nooit drugs te hebben gezien tijdens deze ontmoetingen. De rechtbank stelt vast dat alle vier de verdachten betrokken waren bij de levering van de verdovende middelen op 20 mei 2016 en 3 juni 2016 en acht de verklaringen van verdachten dat zij niet wisten waar de gesprekken over gingen volstrekt ongeloofwaardig. [verdachte] heeft de potentiële afnemers in contact gebracht met zijn medeverdachten en onderhield al ruim voor de eerste ontmoeting op 20 mei 2016 contact met de Spaanse undercoveragenten om uiteindelijk tot een drugsdeal in Nederland te komen. [medeverdachte 2] pakte op 20 mei 2016 drie pakketten cocaïne uit een tas en werd door [verdachte] om toestemming gevraagd de Spaanse undercoveragenten een monster te laten nemen aan de andere zijde van een van de pakketten. Voornoemde pakketten werden op 20 mei 2016 door [medeverdachte 1] op een tafel gelegd en tijdens de gesprekken over het aanbod van andere verdovende middelen stelde hij dat hij op korte termijn 50.000 pillen XTC kon leveren.30 De ontmoetingen van 20 mei 2016 en 3 juni 2016 waarbij er drugs is getoond en te koop is aangeboden, hebben plaatsgevonden in het garagebedrijf van [medeverdachte 3] . Op 3 juni 2016 heeft [medeverdachte 3] zich bezig gehouden met de sporttas waarin de cocaïne door de politie is aangetroffen, zei [medeverdachte 2] dat de Spaanse undercoveragenten de drugs konden testen, stapte [medeverdachte 1] met een van de Spaanse undercoveragenten in de auto om het geld op te halen om de deal rond te maken en gaf [verdachte] opdracht de auto waarin de cocaïne zou worden vervoerd de garage in te laten rijden.31

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat door iedere verdachte een wezenlijke bijdrage is geleverd aan de totstandkoming van de (pseudo)koop. De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Wetenschap bestemming buitenland

Voor bewezenverklaring van “buiten het grondgebied van Nederland brengen” in de zin van artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet moet uit het dossier blijken dat de verdachte over concrete aanwijzingen kon beschikken dat de gedragingen van hem en zijn mededaders in direct verband zouden staan met grensoverschrijdend vervoer van de door hen te leveren drugs.

De rechtbank stelt vast dat verdachten er wetenschap van hadden dat zij zaken deden met Spaanse kopers. Uit het rechtshulpverzoek blijkt dat [verdachte] de mogelijkheid bood om vanuit Nederland verdovende middelen Spanje binnen te brengen en erop aandrong kennis te maken met zijn Nederlandse kompanen.32 De auto met bergplaats waar de drugs in zouden worden vervoerd, was voorzien van een Spaans kenteken.33 Uit de verslagen van de Spaanse undercoveragenten blijkt dat door [medeverdachte 1] op 3 juni 2016 werd bevestigd dat er in totaal 65 kilogram cocaïne klaarstond voor transport naar Spanje.34 Door [verdachte] werd in het bijzijn van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] tegen een van de Spaanse undercoveragenten gezegd dat zij bij de grens goed voor de Franse politie moesten oppassen mochten er controles worden uitgevoerd.35 De rechtbank stelt vast dat daarmee voor de verdachten kenbaar was dat de door hen te leveren drugs naar het buitenland zouden worden vervoerd. Dat deze uitvoer in werkelijkheid niet is gerealiseerd doet daaraan niet af. Bepalend voor het antwoord op de vraag of sprake er is van het “buiten het grondgebied van Nederland brengen” van de cocaïne is het opzet daarop bij de verdachten.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het opzet van verdachten gericht is geweest op de uitvoer van de aan de Spaanse undercoveragenten te leveren cocaïne naar het buitenland.

De rechtbank acht hetgeen onder feit 1 subsidiair en onder feit 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1. (subsidiair)

op tijdstippen in de periode van 20 mei 2016 tot en met 03 juni 2016 in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, ongeveer 24 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I,

hebbende hij en/of zijn mededaders:

- met undercover-agent A-2236 en undercover-agent A-2235 besprekingen gevoerd en afspraken gemaakt over de verkoop en aflevering van een hoeveelheid cocaïne met als bestemming Spanje (in elk geval het buitenland), en

- op 3 juni 2016 ongeveer 24 kilogram cocaïne aan undercover-agent A-2236 en undercover-agent A-2235 getoond, en

- op 3 juni 2016 undercover-agent A-2236 en undercover-agent A-2235 de gelegenheid geboden de getoonde cocaïne ter plekke te testen (welke ook ter plekke door undercover-agent A-2236 en undercover-agent A-2235 werd getest), en

- vervolgens aangegeven dat nadat undercover-agent A-2235 het geld, dat zich op een andere locatie bevond, voor de aankoop van de partij zou overdragen, de cocaïne ter uitvoer naar Spanje (in elk geval het buitenland) aan undercover-agent A-2236 zou worden overgedragen, en

- is één van zijn mededaders met undercover-agent A-2235 in de auto gestapt en richting de locatie waar het geld voor de aankoop van de partij cocaïne zich zou bevinden gereden, en

- hebbende hij verdachte undercover-agent A-2236 de opdracht gegeven de chauffeur de auto met bergplaats de garage in te laten rijden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

op 20 mei 2016 te Baarle-Nassau, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

aanwezig heeft gehad, ongeveer 3 kilogram cocaïne en 10 tabletten bevattende MDMA,

zijnde cocaïne en MDMA telkens een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I

EN

op 20 mei 2016 te Baarle-Nassau, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

heeft verstrekt 0,10 gram cocaïne en 0,30 gram cocaïne en 0,10 gram cocaïne en 10 tabletten bevattende MDMA, zijnde cocaïne en MDMA telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 54 maanden met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft – in het geval van een veroordeling – verzocht de hoogte van de op te leggen straf te verlagen in verband met de begane vormverzuimen en het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

De rechtbank heeft, zoals eerder overwogen, geconstateerd dat er geen sprake is van een vormverzuim, zodat zij evenmin aanleiding ziet tot strafvermindering.

De rechtbank heeft bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Strafverzwarende omstandigheden

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot uitvoer van 24 kilogram cocaïne met als (vermoedelijke) bestemming Spanje. Om de deal tot stand te laten komen, heeft verdachte twee weken eerder 3 kilogram cocaïne en 10 pillen met als bestanddeel MDMA voorhanden gehad en heeft hij deze pillen en drie monsters cocaïne aan de undercoveragenten verstrekt.

Een hoeveelheid van 24 kilo cocaïne kan slechts bestemd zijn voor de verdere verspreiding en grootschalige handel in cocaïne. Het gebruik van cocaïne is schadelijk voor de gezondheid van de gebruikers daarvan. Cocaïnegebruik kan ook leiden tot een verslaving die het leven van de verslaafde ontwricht en die bekostigd wordt door het plegen van diefstallen en andere vermogensdelicten welke zeer belastend zijn voor de samenleving.

Het vereist ook een bepaalde mate van professionaliteit en organisatie om te kunnen beschikken over dergelijke grote hoeveelheden harddrugs en om een voorraad daarvan te kunnen voorfinancieren. Met de verkoop van dergelijke grote hoeveelheden harddrugs worden ook grote winsten behaald. De met deze drugshandel verworven illegale winsten zullen ook moeten worden witgewassen wat weer andere misdrijven en ondermijning van de Nederlandse samenleving met zich kan brengen.

Strafmatigende omstandigheden

Verdachte is blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie in Nederland niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. De veroordeling in Spanje voor een soortgelijk feit is inmiddels meer dan vijf jaar geleden, zodat de rechtbank volstaat met een constatering hiervan.

De strafmodaliteit

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding, en ter beveiliging van de maatschappij, een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden afwegend, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 40 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden is. De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie. De rechtbank houdt ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde bezit en de verstrekking van drugs rekening met de samenloopregeling.

Gelet op de op te leggen straf, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte niet opheffen. De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren en de recidivegrond onverkort gelden. Op het moment van het uitspreken van dit vonnis is de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte van rechtswege beëindigd en herleeft de voorlopige hechtenis.

Het ter terechtzitting van 24 oktober 2017 door de verdediging gedane verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt mitsdien afgewezen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 45, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het onder feit 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:poging tot medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2,aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod. Ten aanzien van feit 2:medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef enonder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, in eendaadsesamenloop begaan met medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een inartikel 2, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalengepleegd.Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 2: Gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het

Wetboek van Strafrecht

Wijst af het verzoek tot opheffing van het (tot op de dag van de uitspraak

geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J.A. Donkersloot, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. R.J. Bokhorst, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,

en is uitgesproken op 8 november 2017.

1 Tenzij anders vermeld, wordt verwezen naar de paginanummers uit het proces-verbaal van de politie Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Recherche, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, onderzoek 26Tienbaan/LERCF15008, gesloten op 2 augustus 2016. Het proces-verbaal bestaat uit: - Algemeen dossier map 1/2 en map 2/2, aantal doorgenummerde bladzijden: 573 - Zaaksdossier Verdovende middelen BR19A, aantal doorgenummerde bladzijden: 420 - Zaaksdossier Verdovende middelen/WWM SI14B, aantal doorgenummerde bladzijden: 103 - Persoonsdossiers verdachte [verdachte] , verdachte [medeverdachte 1] , verdachte [medeverdachte 2] , verdachte [medeverdachte 3] en verdachte [medeverdachte 4] - 1e, 2e, 3e en 4e aanvulling einddossier.

2 Verzoek tot internationale rechtshulp Fiscalia Especial Antidroga, d.d. 26 april 2016, p. 38-41 (algemeen dossier map 1)

3 Correspondentie Fiscalia Especial Antidroga, d.d. 24 mei 2016, p. 252 (algemeen dossier map 1)

4 Proces-verbaal aanvraag bevel pseudokoop verbalisant [verbalisant 1] , d.d. 27 mei 2017, p. 34-37 (algemeen dossier map 1)

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , d.d. 4 juni 2016, p. 326-334 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

6 Proces-verbaal verhoor van getuige [verdachte] , d.d. 26 januari 2017 (r-c map)

7 Proces-verbaal van de terechtzitting van 24 oktober 2017.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , d.d. 4 juni 2016, p. 349-352 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

9 Proces-verbaal van bevindingen (relevante tapgesprekken) verbalisant [verbalisant 2] , d.d. 22 juli 2016, p. 144-153 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

10 Proces-verbaal van bevindingen (relevante tapgesprekken) verbalisant [verbalisant 2] , d.d. 18 juli 2016, p. 293-303 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

11 Proces-verbaal verhoor van getuige A-2235 bij de rechter-commissaris, d.d. 27 januari 2017 / Proces-verbaal verhoor van getuige A-2236 bij de rechter-commissaris, d.d. 6 februari 2017 (r-c map)

12 Proces-verbaal verhoor van getuige [getuige] , d.d. 26 januari 2017 (r-c map)

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , d.d. 4 juni 2016, p. 326-334 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

14 Verzoek tot internationale rechtshulp Fiscalia Especial Antidroga, d.d. 11 mei 2016, p. 43-46 (algemeen dossier map 1)

15 Bevel pseudokoop en/of -dienstverlening (art. 126i Sv), afgegeven door officier van justitie mr. J. Patist op [geboortedatum] 2016, p. 27-28 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

16 Bevel pseudokoop en/of -dienstverlening (art. 126i Sv), afgegeven door officier van justitie mr. J. Lont op 25 mei 2016 en schriftelijk bevestigd op 30 mei 2017, p. 29-30 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

17 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 3] , d.d. 10 juni 2016, p. 31-32 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

18 Proces-verbaal observeren 20 mei 2016 verbalisant [verbalisant 4] , d.d. 26 mei 2016, p. 121-126 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A) / Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 5] , d.d. 24 mei 2016, p. 135-142 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

19 Uittreksel KvK [naam 2] , d.d. 20 mei 2016, p. 129 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

20 Uitdraai RDW kenteken [kenteken] , d.d. 2 juni 2016, p. 131 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

21 Proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2235 en A-2236 verbalisant B-2574, d.d. 21 mei 2016, p. 33-41 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

22 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , d.d. 23 mei 2016, p. 155-158 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A) / Aanvullend proces-verbaal van bevindingen onderzoek monsters cocaïne en MDMA verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 8] , d.d. 27 januari 2017.

23 NFI-spoedrapport identificatie van drugs en precursoren, zaaknummer 2016.05.23.160 (aanvraag 001), opgemaakt door ing. A.B.M. van Esch-de Bruin, d.d. 24 mei 2016, p. 160-161 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

24 Proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2235 en A-2236 verbalisant B-2574, d.d. 22 mei 2016, p. 42-49 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

25 Proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2235 en A-2236 inzet dinsdag 31 mei en woensdag 1 juni 2016 verbalisant B-2574, d.d. 1 juni 2016, p. 62-65 en p. 101-103 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

26 Proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2235 inzet donderdag 2 en 3 juni 2016 verbalisant B-2574, d.d. 3 juni 2016, p. 66-73 en p. 106-111 / Proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2236 inzet vrijdag 3 juni 2016 verbalisant B-2574, d.d. 3 juni 2016, p. 74-80 en p. 112-116 / Proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2237 verbalisant B-2574, d.d. 3 juni 2016, p. 81-83 en p. 117-119 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

27 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming verbalisant [verbalisant 9] , d.d. 9 juni 2016, p. 176-175 / Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 5] , d.d. 5 juni 2016, p. 193-195 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

28 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 10] , d.d. 26 augustus 2016, p. 439 (1e aanvulling einddossier)

29 NFI-rapport identificatie van drugs en precursoren, zaaknummer 2016.06.30.058 (aanvraag 004), opgemaakt door ing. P.H. Wallinga, d.d. 14 juli 2016, p. 262-263 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

30 Proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2235 en A-2236 verbalisant B-2574, d.d. 21 mei 2016, p. 33-41 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

31 Proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2236 inzet vrijdag 3 juni 2016 verbalisant B-2574, d.d. 3 juni 2016, p. 74-80 en p. 112-116 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

32 Verzoek tot internationale rechtshulp Fiscalia Especial Antidroga, d.d. 26 april 2016, p. 38-41 (algemeen dossier map 1)

33 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 11] , d.d. 3 juni 2016, p. 169-170 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)

34 Proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2235 inzet donderdag 2 en 3 juni 2016 verbalisant B-2574, d.d. 3 juni 2016, p. 66-73 en p. 106-111

35 Proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2236 inzet vrijdag 3 juni 2016 verbalisant B-2574, d.d. 3 juni 2016, p. 74-80 en p. 112-116 (zaaksdossier verdovende middelen BR19A)