Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:583

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
01/860240-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dodelijk ongeval op de A50.

Vrijspraak art. 6 WVW'94.

Bewezenverklaring art. 5 WVW'94.

Momentane onoplettendheid.

Toepassing van artikel 9a Sr.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2017/15

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860240-16

Datum uitspraak: 08 februari 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

wonende te [adresgegevens] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 december 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 17 februari 2016 te Nistelrode, gemeente Bernheze, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, A50 (thv hectometer paal 129.0),

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

heeft gereden op die A50, terwijl op de vóór hem gelegen rijbaan/uitvoegstrook/afrit van die A50 zich langzaam rijdende of stilstaande voertuigen bevonden (een zogenaamde file) en/of

niet, althans onvoldoende acht heeft geslagen op de vóór hem gelegen rijba(a)n(en) en/of het zich vóór hem bevindende verkeer op die rijba(a)n(en) en/of

de snelheid van de door hem bestuurde vrachtwagen niet zodanig heeft aangepast dat hij in staat was om die vrachtwagen tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg/rijba(a)n(en) kon over zien en deze vrij was en/of

met onverminderde, althans met (te) hoge snelheid op voornoemde file is ingereden en/of

(vervolgens) tegen één of meer zich in die file bevindende voertuigen is gereden/gebotst en (aldus) die voertuigen waar verdachte met zijn vrachtauto mee in aanrijding/botsing is gekomen, tegen in aanrijrijding/botsing zijn gekomen met zich dáárvoor bevindende voertuigen (een zogenaamde "kettingbotsing") en/of

zich aldus zodanig heeft gedragen dat een aan zijn, verdachtes schuld te wijten verkeersongeval(len) heeft/hebben plaatsgevonden, waardoor een ander

(genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood en/of een ander/en (genaamd [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] )

zwaar lichamelijk letsel (te weten 13 gebroken ribben en/of 2 gebroken ruggenwervels en/of breuk in heup en/of breuk in bekken ( [slachtoffer 2] ) en/of 2 gebroken ribben en/of gekneusde bekken ( [slachtoffer 3] )) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdeljke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 februari 2016 te Nistelrode, gemeente Bernheze, als bestuurder van een voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, A50 thv hectometer paal 129.0,

heeft gereden op die A50, terwijl op de vóór hem gelegen rijbaan/uitvoegstrook/afrit van die A50 zich langzaam rijdende of stilstaande voertuigen bevonden (een zogenaamde file) en/of

niet, althans onvoldoende acht heeft geslagen op de vóór hem gelegen rijba(a)n(en) en/of het zich vóór hem bevindende verkeer op die rijba(a)n(en) en/of

de snelheid van de door hem bestuurde vrachtwagen niet zodanig heeft aangepast dat hij in staat was om die vrachtwagen tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg/rijba(a)n(en) kon over zien en deze vrij was en/of

met onverminderde, althans met (te) hoge snelheid op voornoemde file is ingereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte is op 17 februari 2016, rijdende in een vrachtwagen op de A50, ter hoogte van hectometerpaal 129.0, de afslag richting Oss opgegaan terwijl hij onvoldoende acht heeft geslagen op de plotselinge ontstane file op de zich vóór hem gelegen afslag. Verdachte heeft zijn snelheid niet geminderd en is tegen de zich direct voor hem bevindende auto gebotst. Ten gevolge hiervan is een kettingbotsing ontstaan waarbij in totaal zeven voertuigen werden betrokken. De bestuurder van één van de voertuigen, [slachtoffer 1] , is als gevolg van deze kettingbotsing komen te overlijden. Onder meer twee andere inzittenden van bij de botsing betrokken voertuigen, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , liepen behoorlijk lichamelijk letsel op.

Verdachte heeft ter zitting - kortgezegd - verklaard dat hij op het moment van de aanrijding/botsing in gedachten verzonken was en kennelijk niet heeft opgelet.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het rijgedrag van verdachte zodanig is geweest dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. In de tenlastelegging is deze schuld uitgedrukt met het verwijt dat verdachte “zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam” heeft gehandeld. Er moet sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Een lichtere vorm van schuld is onvoldoende. Niet elk tekortschieten, niet elke verkeersovertreding is voldoende voor het aannemen van schuld. Bij het vaststellen van onvoorzichtigheid gaat het om de vraag of de verdachte objectief gezien een ernstige fout heeft gemaakt dan wel of zijn rijgedrag aanmerkelijk onder de maat is gebleven van wat van een bestuurder van een motorvoertuig wordt geëist.

Bij deze beoordeling komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van de even bedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Gelet op de aard en de ernst van de door verdachte gemaakte verkeersfout en op de overige omstandigheden van het geval is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat verdachte ‘aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam’ heeft gereden en dus evenmin dat hij aanmerkelijke schuld heeft gehad aan het verkeersongeval in de zin van de Wegenverkeerswet.

Uit de verklaring van verdachte volgt dat er sprake is geweest van een moment van onoplettendheid. Verdachte heeft de vóór hem plots ontstane file immers niet (tijdig) gezien omdat hij in gedachten verzonken was en niet goed heeft opgelet. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat dit langer is geweest dan een enkel moment. Een dergelijke momentane onoplettendheid is niet zonder meer als aanmerkelijke schuld in de zin van de Wegenverkeerswet te kwalificeren. Daartoe zijn bijkomende omstandigheden vereist, die in deze zaak niet zijn komen vast te staan.

Ook het feit dat verdachte voor het nemen van de afslag op de ‘automatische piloot’ heeft gereden, zoals hij zelf heeft verklaard, vormt niet een dergelijke bijkomende omstandigheid. Het enkele gegeven dat iemand op de ‘automatische piloot’ rijdt, wil niet zeggen dat dit rijden ook onvoorzichtig is.

Nu er geen, voor het misdrijf van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 benodigde, schuld is te bewijzen zal verdachte van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

subsidiair:

op 17 februari 2016 te Nistelrode, gemeente Bernheze,

als bestuurder van een voertuig (vrachtauto),

daarmee rijdende op de weg, A50 ter hoogte van hectometer paal 129.0,

terwijl op de vóór hem gelegen rijbaan/uitvoegstrook/afrit van die A50 zich langzaam rijdende of stilstaande voertuigen bevonden (een zogenaamde file),

onvoldoende acht heeft geslagen op de vóór hem gelegen rijbaan en het zich vóór hem bevindende verkeer op die rijbaan

en de snelheid van de door hem bestuurde vrachtwagen niet zodanig heeft aangepast dat hij in staat was om die vrachtwagen tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg/rijbaan kon over zien

en

met onverminderde snelheid op voornoemde file is ingereden,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en vordert dat aan verdachte daarvoor een taakstraf voor de duur van 180 uur subsidiair 90 dagen hechtenis wordt opgelegd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte is met zijn vrachtwagen afgeslagen op de snelweg zonder daarbij een zich vóór hem plots ontstane file op te merken en zonder daarvoor tijdig af te remmen.

Verdachte is achter op de zich vóór hem bevindende auto gereden waarna een kettingbotsing volgde, waarbij in totaal zeven voertuigen betrokken waren.

Als gevolg van de door verdachtes onoplettendheid ontstane botsingen is de heer [slachtoffer 1] komen te overlijden en zijn de heren [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaargewond geraakt. Door dit ongeval is enorm veel leed aan anderen toegebracht.

Strafoplegging dient niet alleen met inachtneming van de, in dit geval desastreuze, gevolgen van de gemaakte verkeersfout te geschieden, maar ook en vooral in verhouding te blijven met de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van verdachte.

In deze zaak acht de rechtbank niet bewezen dat de verkeersfout een misdrijf oplevert en moet er in de strafmaat rekening mee worden gehouden dat een verkeersfout in de vorm van niet meer dan een overtreding is gemaakt. De rechtbank wijst er daarbij op dat de maximale straf voor de bewezenverklaarde overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 hechtenis voor de duur van twee maanden of een geldboete van € 4.100 bedraagt.

De rechtbank houdt verder rekening met diens blanco strafblad en diens persoonlijke omstandigheden zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij haar oordeel laten meewegen dat de reclassering heeft laten weten dat zij geen enkele meerwaarde ziet in het uitbrengen van een rapport omtrent de persoon van verdachte, omdat hij zijn leven in alle opzichten goed op orde heeft.

Verdachte is verder vrijwel direct na het ongeval in contact getreden met de nabestaanden en de overige slachtoffers en heeft ook daarna contact met hen onderhouden. Verdachte voelt zich uiterst betrokken bij hen. Ook heeft verdachte naar aanleiding van het ongeval een nieuwe vrachtwagen gekocht die is uitgerust met een signaleringssysteem voor stilstaand verkeer en andere extra veiligheidsvoorzieningen. Mede hieruit blijkt dat verdachte zeer doordrongen is van de door hem gemaakt fout.

Ter terechtzitting is de rechtbank er voorts van overtuigd geraakt dat het overlijden van het slachtoffer en het leed van de nabestaanden en de gewonden verdachte erg hebben aangegrepen.

Al met al is bij de rechtbank een beeld ontstaan van een verdachte waarover, behoudens de bewezenverklaarde verkeersovertreding, niets negatiefs valt op te merken. Zijn gedrag richting de nabestaanden en de slachtoffers mag voorbeeldig heten. De impact van het ongeval op verdachte is voorts, zo is duidelijk, al groot geweest.

Alles afwegende ziet de rechtbank daarom in dit geval niet in welk doel nog gediend is met de oplegging van enige straf of maatregel aan verdachte. Verdachte zal daarom wel schuldig worden verklaard, maar er zal geen straf of maatregel worden opgelegd.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9a

Wegenverkeerswet 1994 art. 5, 177

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert de overtreding:

subsidiair Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank verklaart verdachte hiervoor schuldig zonder oplegging van straf of maatregel.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.M. Klinkenbijl, voorzitter,

mr. T. van de Woestijne en mr. C.A. Mandemakers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,

en is uitgesproken op 8 februari 2017.