Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:5778

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-11-2017
Datum publicatie
13-11-2017
Zaaknummer
17_1864
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AZC stedelijke ontwikkeling

Er is afgeweken ten behoeve van een AZC voor 250 asielzoekers met toepassing van artikel 4, negende lid bijlage II BOR. Het AZC wordt ondergebracht in een bestaan dpand in een stedelijke omgeving met veel kantoren en woningen of wooncomplexen en twee grote ontsluitingswegen. Tot slot zijn de milieugevolgen van het project beperkt. De rechtbank concludeert dat sprake is van een beperkte wijziging van gebruik zonder milieugevolgen van enige betekenis. Het project is daarom géén stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit Milieueffectrapportage.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2017-0221
AR 2017/5976
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 17/1864 en SHE 17/1866

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 november 2017 in de zaak tussen

Stichting Kantoren Parkweg Maastricht II, te Maastricht, eiseres 1,

(gemachtigde: mr. S.J.H.G.M. Schils),

[eiser] , te [woonplaats] , eiser 2,

(gemachtigde: mr. M. van Hoorne),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder,

(gemachtigden: mr. R.A.H. Vlecken, mr. M.C. van Doornik, M.M.C. Schmidt en

ing. J.J.H.L. Segers).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

LEA Immobilienvermittlungs GmbH (vergunninghoudster), te Maastricht,

(gemachtigde: mr. H.H.B. Lamers) en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (het COA), te Rijswijk,

(gemachtigden: S. Zwiers, W. Tardjopawiro en J. Zeebregts).

VVE Parkresidentie Maastricht, (de derde-partij)

(gemachtigde: G.A.M. Wouw).

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor een periode van vijf jaar voor de vestiging van een tijdelijke dependance van Asielzoekerscentrum (AZC) Maastricht aan de [adres] in Maastricht.

Bij besluit van 19 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van – onder andere - eisers deels gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard en het bestreden besluit in gewijzigde vorm, en onder aanvulling van de motivering zoals verwoord in de beslissing op bezwaar, in stand gelaten.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep van eiseres 1 is geregistreerd onder zaaknummer SHE 17/1864 en dat van eiser 2 onder SHE 17/1866. Daarnaast heeft een groep omwonenden beroep ingesteld, geregistreerd onder nummer SHE 17/1613, en heeft de derde-partij beroep ingesteld, geregistreerd onder nummer SHE 17/1976. Tevens hebben eisers, de groep omwonenden en de derde-partij de voorzieningenrechter afzonderlijk verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 29 juni 2017 heeft de voorzieningenrechter de verzoeken om voorlopige voorziening van de groep omwonenden afgewezen. Bij mondelinge uitspraak van 14 juli 2017 heeft de voorzieningenrechter de verzoeken van eiseres 1 en eiser 2 om een voorlopige voorziening toegewezen in die zin dat aan het voortgezet gebruik van het pand [adres] als AZC de volgende voorwaarden worden gesteld tot en met 5 september 2017:

 op de toegangsweg aan de achterzijde van het perceel [adres] naar de openbare weg mag niet worden gefietst, maar wel worden gelopen;

 in het pand [adres] mogen maximaal 130 asielzoekers worden gehuisvest.


Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Verweerder heeft omstreeks 1 september 2017 besluiten genomen tot aanvulling van het bestreden besluit. Het betreffen afzonderlijk gedateerde en gelijkluidende besluiten waarmee een aanvullend voorschrift is verbonden aan het bestreden besluit inhoudende dat maximaal 250 asielzoekers in het pand [adres] mogen worden gevestigd. Deze besluiten worden verder aangeduid als het herstelbesluit.

Naar aanleiding van een verzoek van eiseres 1 is de behandeling ter zitting verplaatst naar 3 oktober 2017 en is de voorlopige voorziening die is getroffen in de uitspraak van 29 juni 2017 verlengd tot die datum.

De derde-partij en de groep omwonenden en de derde-partij hebben hun beroepen ingetrokken. Desgevraagd is de derde-partij als zodanig aangemerkt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2017. Eiseres 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Eiser 2 is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voor vergunninghoudster is verschenen [persoon] alsmede de gemachtigde. Het COA heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Om te voorzien in de landelijke behoefte aan (extra) opvanglocaties heeft de gemeenteraad van Maastricht in september 2015 aan verweerder gevraagd te onderzoeken of er binnen de gemeente vastgoed beschikbaar is dat geschikt kan worden gemaakt voor de opvang van asielzoekers en daarover in contact te treden met het COA. De gemeente en het COA hebben vervolgens twee locaties geselecteerd, waaronder het pand aan [adres] (verder: de projectlocatie). Vergunninghoudster is eigenaresse van de projectlocatie. Op 22 augustus 2016 heeft zij een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en afwijken van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en artikel 2.12, eerste lid onder a sub 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aangevraagd voor de vestiging van een dependance op de projectlocatie voor een periode van maximaal vijf jaar.

1.2

De huisvesting van asielzoekers zal plaatsvinden op de begane grond en de eerste en tweede verdieping van het gebouw, dat uit zes bouwlagen bestaat. Op de derde verdieping wordt een kantoorruimte voor het COA gerealiseerd. Op de vierde verdieping is een technische ruimte voorzien. Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend met een geldigheidsduur tot 30 november 2021.

1.3

Eiseres 1 is eigenaar van een kantoorpand aan de achterzijde van de projectlocatie. Zij is ook eigenaar van het pad dat loopt van de achterzijde van de projectlocatie naar de openbare weg. Aan dit pad ligt ook de parkeerplaats van het kantoorpand van eiseres 1. Ten behoeve van het perceel van de projectlocatie en ten laste van het perceel van eiseres 1 is in 1980 een erfdienstbaarheid gevestigd om te komen en te gaan over het pad. Eiser 2 woont aan de [straat] aan de achterzijde van de projectlocatie. De derde-partij is gevestigd in een pand aan de voorzijde van de projectlocatie.


2. De rechtbank merkt het herstelbesluit aan als een besluit als bedoeld in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers hebben geen aanvullende gronden tegen dit besluit naar voren gebracht. De beroepen van eiseres 1 en eiser 2 zijn van rechtswege gericht tegen het herstelbesluit. Immers, nu eiseres 1 en eiser 2 zich verzetten tegen de komst van een AZC verzetten zij zich ook tegen de komst van een AZC met maximaal 250 asielzoekers.

3.1

Eiseres 1 stelt dat de verkeersveiligheid van de toegangsweg in het geding is. De toegangsweg is vier meter breed en met name bij het rijden van de toegangsweg naar de [straat] is er totaal geen zicht op het verkeer dat vanaf het voetpad om de hoek de toegangsweg wenst te betreden. Ook bij het bereiken van de parkeerplaats van het kantoorgebouw van eiseres 1 kunnen gevaarlijke situaties ontstaan. Ook eiser 2 kan zich niet verenigen met de keuze om de uitgang van het AZC aan de achterzijde onder te brengen. Dit is vlak bij zijn woning. Verkeer dat de [straat] wil oprijden vanuit het pad kan vanaf de [straat] nauwelijks op tijd worden gezien.

3.2

Verweerder is, onder verwijzing naar een advies van het Team Mobiliteit van de gemeente Maastricht, van mening dat het pad voldoende breed is om als ontsluiting te dienen. Ook is het risico op een aanrijding tussen een gebruiker van het pad en een automobilist die de parkeerplaats verlaat gering. Door het open hek van de parkeerplaats is voldoende zicht. Ook de aansluiting van het pad op de openbare weg is voldoende veilig. Ook hier is voldoende zicht. De toegepaste maatregelen (een witte streep om een voetgangerszone te markeren en een fietsverbod) zijn niet noodzakelijk.

3.3

De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 14 juli 2017 de voorwaarde gesteld dat op de toegangsweg aan de achterzijde van de projectlocatie naar de openbare weg niet mag worden gefietst, maar wel mag worden gelopen. Deze voorwaarde is gesteld uit oogpunt van verkeersveiligheid. De rechtbank ziet in het advies van het Team Mobiliteit geen reden voor een ander oordeel. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het pad bezien vanaf de openbare weg naar beneden loopt. Personen die het pad gebruiken via de voetgangerszone hebben voldoende zicht op de parkeerplaats en gebruikers van de parkeerplaats hebben voldoende zicht op de voetgangerszone. Dit is anders voor fietsers die met hogere snelheid van de openbare weg naar de projectlocatie toe rijden. Dit risico is door eiseres 1 wel benoemd maar door het Team Mobiliteit onvoldoende betrokken in de advisering. De rechtbank zal daarom de voorwaarde van de voorzieningenrechter als voorschrift aan het primaire besluit verbinden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het fietsverbod over het algemeen wordt nageleefd en dat tot op heden geen ongelukken zijn gebeurd. De rechtbank is verder van oordeel dat de aansluiting van het pad op de openbare weg en het gebruik van het pad over de gemarkeerde zone wel voldoende veilig zijn. Dit wordt onderstreept door het Team Mobiliteit en de rechtbank ziet op dit onderdeel geen reden voor twijfel aan de juistheid van het advies. De veiligheid wordt mede geborgd door het gebruik van de gemarkeerde zone als voetpad waarin het Team Mobiliteit wel een toegevoegde waarde ziet. De rechtbank is van oordeel dat bij het nemen van het primaire besluit verweerder de risico’s voor de verkeersveiligheid (met uitzondering van het fietsen op het pad) voldoende in kaart heeft gebracht. De beroepsgronden van eiseres 1 en eiser 2 slagen deels.

4.1

Eiser 2 bepleit een verplaatsing van de uitgang van het AZC naar de voorzijde van het pand. Deze is volgens hem veel beter geschikt dan de achterzijde.

4.2

Verweerder merkt op dat hij zich heeft laten leiden door de aanvraag waarbinnen de uitgang van het AZC aan de achterkant plaatsvindt.

4.3

Volgens het COA is er geen ruimte is voor fietsenrekken voor alle asielzoekers aan de voorzijde van het pand.

4.4

De derde-partij stelt zich juist te kunnen vinden in de uitgang aan de achterzijde zodat de hinder voor haar leden zoveel mogelijk beperkt blijft.

4.5

In de ruimtelijke onderbouwing is uitdrukkelijk opgenomen dat de hoofdentree aan de voorzijde bedoeld is voor bezoekers van het pand en personeel en het pad aan de achterzijde dient als in- en uitgang voor de asielzoekers. In het midden kan blijven of in het bestreden besluit met de verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing voldoende is geborgd wie nu precies langs de voorzijde van het pand naar binnen mag. De ruimtelijke onderbouwing is hier niet bepaald duidelijk in. Dit raakt echter slechts de belangen van de derde-partij en de groep omwonenden die beroep hadden ingesteld. Zij hebben echter hun beroepen ingetrokken. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt wel duidelijk dat asielzoekers alleen langs de achterzijde het pand in- en uit mogen. Het beroep van eiser 2 richt zich uitsluitend tegen het gebruik van de achterzijde. Verweerder dient te beslissen op de aanvraag en kan niet zomaar een alternatief opleggen. De rechtbank is van oordeel dat eiser 2 onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn alternatief leidt tot een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren. Immers, de overlast die eiser 2 stelt te ondervinden wordt in zijn alternatief verplaatst naar de voorzijde. In dat geval worden de derde-partij en haar leden hier mee geconfronteerd. In deze omstandigheden heeft verweerder geen aanleiding hoeven te zien om op grond van deze reden de vergunning te weigeren.

5.1

Eiseres 1 voert aan dat nu als gevolg van de komst van het AZC haar pad veel intensiever wordt gebruikt, sprake is van een verzwaring van de op het pad rustende erfdienstbaarheid. Dat is volgens eiseres 1 een evidente private belemmering die verlening van de omgevingsvergunning voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan in de weg staat. Volgens eiseres 1 staat buiten kijf dat sprake is van een verzwaring van de erfdienstbaarheid omdat het feitelijke gebruik veel intensiever is dan voorheen, toen het pand werd gebruikt als kantoorpand of leeg stond. Het gebruik vindt bovendien op meerdere momenten plaats. Deze beroepsgrond wordt onderschreven door eiser 2.

5.2

Verweerder stelt vast dat er geen beperkende voorwaarden aan de erfdienstbaarheid zijn verbonden. Binnen de geldende bestemming van het pand is een ruim gebruik mogelijk, ook ten behoeve van wonen, bedrijven en maatschappelijke functies.

5.3

Vergunninghoudster stelt dat in het verleden 20 tot 30 auto’s parkeerden aan de achterzijde en dat deze auto’s allemaal over het pad reden. Het gebruik van het pand als AZC is daarom minder intensief dan destijds het geval was.

5.4

De rechtbank is van oordeel dat eiseres 1 onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een evidente verzwaring van de erfdienstbaarheid. De rechtbank ziet geen voorwaarden aan de erfdienstbaarheid in de akte waarmee deze is gevestigd. Het moet er daarom voor worden gehouden dat het gebruik van het pad op ieder moment was toegelaten. Van een verzwaring van de erfdienstbaarheid zou slechts sprake kunnen zijn, indien de omstandigheden drastisch zijn gewijzigd ten opzichte van de omstandigheden in 1981. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder ter zitting onweersproken heeft aangegeven dat ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid een zeer globaal bestemmingsplan van toepassing was en dat binnen het geldende bestemmingsplan ook meerdere functies met een intensief gebruik mogelijk zijn. Onder deze omstandigheden ligt het op de weg van eiseres 1 om aannemelijk te maken dat de omstandigheden drastisch zijn gewijzigd, maar daar is eiseres 1 niet in geslaagd. In de enkele opmerking van eiser 2 dat er vroeger nagenoeg geen verkeer over het pad reed, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Voor zover eiser 2 dit als aparte beroepsgrond heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat hij zich beroept op een norm die niet strekt tot bescherming van zijn belangen en, gelet op artikel 6:89a van de Awb niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Van een belemmering van de erfdienstbaarheid, laat staan een evidente belemmering, is geen sprake. Deze beroepsgrond faalt.

6.1

Eiseres 1 merkt op dat nut en noodzaak voor de komst van het AZC niet zijn aangetoond. Zij vraagt zich af waarom het AZC niet in een ander pand kan worden ondergebracht. Bovendien is volgens eiseres1 sprake van een afnemende stroom van asielzoekers en zij ziet dan ook niet in waarom de kennis en kunde van Maastrichtse medewerkers van het COA behouden zou moeten blijven. Eiseres 1 wijst erop dat kinderen van asielzoekers ook naar een andere school kunnen gaan, indien zij op een andere locatie worden opgevangen.

6.2

Verweerder merkt op dat er wel behoefte is aan een opvanglocatie. en baseert zich daarbij op gegevens van het COA over instroom van asielzoekers. Verweerder stelt verder dat zij een verplichting tot opvang van asielzoekers heeft. Het landelijke coördinerend overleg tussen overheden en het COA acht het AZC op deze locatie noodzakelijk. Dat inmiddels andere AZC’s worden gesloten doet daaraan volgens verweerder niets af omdat . Daarnaast geldt voor de locatie aan de [straat] dat deze tevens dient om te voorzien in de behoefte door het sluiten van het AZC in Limmel. Er zijn volgens verweerder geen alternatieven.

6.3

De noodzaak voor de vestiging van een AZC op de projectlocatie is een belang dat moet worden meegenomen in de belangenafweging die moet worden gemaakt ten behoeve van het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, als het gaat om instroomcijfers en behoefte, mag laten leiden door het landelijke coördinerende overleg tussen overheden en het COA. Dit overleg is in het leven geroepen om tot een goede spreiding van asielzoekers over Nederland te komen. Verweerder hoeft zich niet te vergewissen van de juistheid van de bevindingen van dit overleg. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder de behoefte aan een AZC binnen Maastricht, die mede is ontstaan door het gevolg van de sluiting van de andere locatie in Limmel, als een gegeven mocht beschouwen. De rechtbank is overigens wel van oordeel dat de noodzaak objectief begrensd zou moeten zijn tot een specifiek aantal asielzoekers. Dat aantal stond niet in het primaire besluit. Hierin wordt echter wel voorzien in het herstelbesluit. Dan resteert wel de vraag of het AZC nu juist op de projectlocatie zou moeten komen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dient te beslissen op de aanvraag, zoals bij hem is ingediend. Indien een bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Eiseres 1 heeft niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zich hier voordoet. Deze beroepsgrond tegen het bestreden besluit slaagt deels. De beroepsgrond tegen het herstelbesluit faalt.

7.1

Eiser 2 vreest dat de parkeerplaats aan de achterzijde van het AZC alsmede de [straat] bij het pad vanaf het AZC gaat dienen als hangplek. De hangplek kan drugsdealers aantrekken en de daarmee samenhangende hinder en criminaliteit zullen toenemen. Een AZC geeft ook een gevoel van onveiligheid en verweerder had vergunninghoudster moeten verplichten tot het opstellen van een veiligheidsplan, extra verlichting en camerabewaking.

7.2

Verweerder is niet bekend met de toename van criminaliteit in de omgeving. Ook extra patrouilles van de politie hebben niets opgeleverd. Het hele terrein van het AZC wordt met camera’s geobserveerd en er is personeel van het COA aanwezig. Als sprake is van een toename van criminaliteit, dan kan extra politie worden ingezet.

7.3

Het COA heeft benadrukt baat te hebben bij een goede band met de omgeving. Ondanks meerdere uitnodigingen heeft eiser 2 volgens het COA ervoor gekozen geen gesprek met het COA hierover aan te gaan. Het COA is bereid om telefoonnummers te verstrekken die eiser 2 dag en nacht kan bellen als hij overlast ervaart.

7.4

De rechtbank is van oordeel dat eiser 2 op dit moment onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de komst van een AZC met een toegang aan de achterzijde leidt tot meer criminaliteit. Bovendien heeft verweerder er blijk van gegeven dat klachten hierover serieus worden genomen en is verweerder bereid tot extra inzet van politie indien dat nodig mocht zijn. Verweerder heeft in de vrees van eiser 2 geen aanleiding hoeven zien om de vergunning te weigeren of de ingang van het pand naar de voorzijde te doen verplaatsen. De door eiser 2 gestelde hinder van personen op de binnenplaats wordt hierna in r.o. 8.1 e.v. besproken. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat het COA bij AZC’s maatregelen treft om overlast in de buurt te voorkomen. Niet is gebleken dat het COA in dit geval dit niet heeft gedaan. Integendeel, ook in dit geval is een informatiebijeenkomst gehouden en is gebleken dat het COA gebruikelijke maatregelen (telefoonnummers voor klachten en inzet personeel) heeft getroffen. Deze maatregelen vormen geen garantie dat er helemaal niets zal gebeuren. Mogelijke risico’s voor overlast en onveiligheid worden hierdoor wel voldoende beperkt. Deze beroepsgrond slaagt niet.

8.1

Eiser 2 vreest geluidsoverlast en is van mening dat verweerder een onderzoek had moeten laten verrichten.

8.2

Verweerder heeft een geluidsonderzoek laten uitvoeren door bureau Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. (Aelmans) Hierin is de geluidemissie vanwege het AZC berekend in vergelijking met twee alternatieven (gebruik van het gehele pand ten behoeve van wonen én gebruik van het pand ten behoeve van een maatschappelijke functie op de begane grond en wonen op de verdiepingen). Het gebruik als AZC heeft over het algemeen een minder zware geluidsbelasting op de omgeving dan bij de twee alternatieven het geval is. Er wordt op een enkel punt een toename van 1 dB(A) van de etmaalwaarde berekend. Verweerder heeft geluidmetingen laten verrichten in de periode 25 juli 2017 tot en met 4 september 2017. Hieruit is gebleken dat er een geluidbelasting van 53 dB(A) (etmaalwaarde) optreedt. Bovendien is volgens verweerder de invloed van het omgevingsgeluid zo groot dat de geluidsbelasting van het AZC hierbij wegvalt.

8.3

Het COA heeft aangegeven dat in het huishoudelijk reglement is bepaald dat er geen radio op het binnenterrein mag worden afgespeeld. De airco-installaties op de gevel zijn buiten werking gesteld.

8.4

In reactie op het geluidonderzoek van Aelmans merkt eiser 2 op dat zijn woning niet in het onderzoek is meegenomen. De airco-installaties aan de gevel zijn bij de optie ‘gebruik als AZC’ niet meegenomen. Er is volgens eiser 2 onvoldoende rekening gehouden met het stemgeluid van personen op het binnenterrein. Dit is volgens eiser 2 onjuist omdat asielzoekers vooral ’s avonds op het binnenterrein komen en in een buitenlandse taal spreken. Eiser 2 ervaart op dit moment ook veel overlast van de ventilatoren op het dak van het pand.

8.5

De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om ter voorbereiding van het bestreden besluit een akoestisch onderzoek te laten verrichten. Het is niet op voorhand aannemelijk dat een gebruik als AZC resulteert in dezelfde geluidsbelasting als het gebruik dat is toegestaan in het geldende bestemmingsplan. De beroepsgrond slaagt. Verweerder heeft dit verzuim hersteld door middel van het onderzoek van Aelmans. Hierna zal de rechtbank de kritiek van eiser 2 op dit onderzoek bespreken.

8.6

Ter zitting heeft vergunninghoudster onweersproken gesteld dat de ventilatoren waar eiser 2 last van heeft waarschijnlijk op het dak van het pand van eiseres 1 staan omdat op haar pand nieuwe ventilatoren staan. De ventilatoren op het pand van eiseres 1 hoeven niet bij het onderzoek te worden betrokken. Het COA heeft aangegeven dat de airconditioningunits aan de gevel buiten werking zijn gesteld. Dit is niet betwist. Het buiten werking stellen van de airconditioningunits is echter op geen enkele wijze geborgd. Het COA heeft verklaard toe te zien op naleving van het huishoudelijk reglement (met het verbod op radio’s). Dit verbod is echter niet geborgd in het bestreden besluit. Eiser 2 kan, indien hij dit wenst, niet om handhaving van deze maatregel verzoeken. De rechtbank is van oordeel dat het stemgeluid van personen op het binnenterrein moet worden meegenomen. Het AZC is een B-inrichting die moet voldoen aan de grenswaarden in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm). Het stemgeluid op het binnenterrein mag ingevolge artikel 2.18, eerste lid onder a, van het Abm niet buiten beschouwing blijven. In het akoestisch onderzoek is dit meegenomen. Er zijn puntbronnen in het model opgenomen voor personen in de tuin en kinderrecreatie. Weliswaar zien deze puntbronnen niet de aanwezigheid van alle asielzoekers tegelijk, gelet op de grootte van de binnentuin zou dit ook niet realistisch zijn. De rechtbank overweegt tot slot dat de woning van eiser 2 niet de maatgevende woning is. In het onderzoek van Aelmans is terecht een dichterbij gelegen woning meegenomen. Eiser 2 heeft niet aannemelijk gemaakt dat de geluidsbelasting op zijn woning hoger is dan op de onderzochte woning.

8.7

De rechtbank ziet aanleiding om op dit onderdeel zelf te voorzien en twee aanvullende voorschriften aan het primaire besluit te verbinden over de werking van de airconditioningunits en de muziek op de binnenplaats. Indien verweerder in de toekomst besluit om soortgelijke maatwerkvoorschriften te stellen op basis van artikel 2.20 vijfde lid, van het Abm, kunnen de door de rechtbank bepaalde voorschriften worden ingetrokken.

9.1

Eiser 2 ondervindt verlies van privacy omdat vanuit de ramen in het AZC zicht is op zijn perceel en zijn woning. Ter zitting heeft hij foto’s vanuit zijn woning op het AZC laten zien.

9.2

Verweerder is van mening dat eiser 2 niet een zodanig verlies van privacy ondervindt dat om deze reden de vergunning had moeten worden geweigerd.

9.3

Vergunninghoudster heeft ter zitting foto’s genomen vanuit het AZC richting de woning van eiser 2 laten zien.

9.4

De rechtbank overweegt dat de woning op geruime afstand van het AZC ligt. Op de foto’s getoond door vergunninghoudster is de woning van eiser 2 dan ook nauwelijks te zien. In het voorjaar en de zomer is het zicht op de woning nog geringer vanwege tussenliggende beplanting. Eiser 2 lijkt meer hinder te ondervinden omdat hij mensen in het AZC ziet. Verweerder heeft hierin geen aanleiding hoeven zien om de vergunning te weigeren.

10.1

Eiser 2 stelt dat het AZC voorziet in een parkeerbehoefte van 19 parkeerplaatsen waar geen plaats voor is.

10.2

Verweerder heeft in het bestreden besluit opgemerkt dat het gemeentelijke parkeerbeleid geen parkeernormen bevat voor een AZC. Daarom is aangesloten bij een berekening van de parkeerbehoefte ten behoeve van het bestemmingsplan “AZC Francois de Veijestraat”, een toekomstige locatie waar meer voorzieningen worden geboden en meer personeel werkzaam is. Op basis hiervan meent verweerder dat het aantal aanwezige parkeerplaatsen op de projectlocatie ruimschoots voldoende is. Dat in het programma van eisen van het COA een andere parkeerbehoefte wordt benoemd, doet hieraan niet af. Verweerder neemt hierbij wel in aanmerking dat asielzoekers niet de financiële middelen hebben om een auto aan te schaffen en dat het beste kan worden aangesloten bij de functie ‘kantoren zonder baliefunctie’. Dit levert een parkeerbehoefte op van 7 parkeerplaatsen waarin ruimschoots wordt voorzien.

10.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit goed heeft gemotiveerd hoe hij de parkeerbehoefte van een AZC heeft bepaald. In het licht van deze motivering in het bestreden besluit had het op de weg van eiser 2 gelegen in de beroepsfase aan te geven waarom een hogere parkeerbehoefte desondanks in de rede ligt. Verweerder heeft in hetgeen eiser 2 op dit onderdeel heeft aangevoerd, geen reden hoeven zien om de omgevingsvergunning te weigeren.

11.1

Eiseres 1 betoogt dat verweerder niet bevoegd was om toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid onder a sub 2, van de Wabo in samenhang met artikel 4, lid 9 en 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) omdat het bouwplan als een stedelijk ontwikkelingsproject moet worden aangeduid. Artikel 5, onderdeel 6, van bijlage II van het Bor staat hieraan in de weg. In dit verband verwijst eiseres 1 op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: Afdeling) van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694). De komst van 250 asielzoekers kan volgens eiseres 1 op gelijke voet worden gesteld met een woningbouwproject van 113 woningen. Eiser 2 is dezelfde mening toegedaan.

11.2

Volgens verweerder is in casu geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, omdat een kleinschalig AZC in een bestaand pand gevestigd wordt, waarbij de ruimtelijke en/of milieugevolgen zeer beperkt zijn.

11.3

In de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2017 wordt het volgende overwogen: “De Afdeling stelt voorop dat het begrip "stedelijk ontwikkelingsproject" ruimte voor interpretatie laat. Mede daardoor kan ook discussie ontstaan over de vraag wanneer sprake is van een wijziging van een dergelijk project. De Afdeling legt artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet zo uit dat iedere mogelijk gemaakte wijziging van een stedelijke ontwikkeling, hoe ondergeschikt ook, moet worden aangemerkt als een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I, van categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage en artikel 2 onderdeel A van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. Het betoog van de raad dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom I, van categorie 11.2, van onderdeel D, van de bijlage bij het besluit milieueffectrapportage afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan, is onjuist.”

11.4

Bij de beoordeling of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject komt geen betekenis toe aan de gebruiksmogelijkheden van het voorgaande bestemmingsplan. Ook is een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit Milieueffectrapportage iets anders dan een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. De aard en omvang van de ontwikkeling dienen op zichzelf te worden bezien. In dit kader stelt de rechtbank vast dat het project plaatsvindt in een stedelijke omgeving met veel kantoren en woningen of wooncomplexen en twee grote ontsluitingswegen (de Maasboulevard en de N278). Voorts wordt het project gerealiseerd in een bestaand pand. Tot slot zijn de milieugevolgen van het project beperkt en is daarmee ook de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling beperkt. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen hierboven is overwogen. De rechtbank concludeert dat sprake is van een beperkte wijziging van gebruik. Het project is daarom géén stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit Milieueffectrapportage. Verweerder is bevoegd om met toepassing van artikel 4, lid 9 en 11, van bijlage II van het Bor af te wijken van het bestemmingsplan.

12. Gelet op rechtsoverwegingen 3, 6 en 8 zijn de beroepen van eiseres 1 en eiser 2 tegen het bestreden besluit gegrond. De beroepen tegen het herstelbesluit zijn ongegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij geen aanvullende voorschriften zijn gesteld met betrekking tot het gebruik van het pad aan de achterzijde en de geluidsbelasting.

13. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en de volgende voorschriften aan het primaire besluit verbinden:

9. Op de toegangsweg aan de achterzijde van de projectlocatie naar de openbare weg mag niet worden gefietst, maar wel worden gelopen.

10. De airconditioningunits aan het pand op de projectlocatie mogen niet in werking worden gesteld.

11. Er mag geen muziek worden voortgebracht op het binnenterrein bij het perceel [adres] .

14. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat met deze uitspraak de voorlopige voorziening die is getroffen op de zitting van 29 juni 2017 komt te vervallen ingevolge artikel 8:85, tweede lid onder c van de Awb.

15. Omdat de rechtbank de beroepen van eiseres 1 en eiser 2 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door hun betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres 1 en eiser 2 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde ten behoeve van eiser 2 beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank stelt de proceskosten voor eiseres 1 vast op € 990,- omdat verweerder in het bestreden besluit al een vergoeding voor de gemaakte proceskosten in de bezwaarfase heeft toegekend.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen van eiseres 1 en eiser 2 tegen het bestreden besluit gegrond;

  • -

    verklaart de beroepen van eiseres 1 en eiser 2 tegen het herstelbesluit ongegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij geen aanvullende voorschriften zijn gesteld met betrekking tot het gebruik van het pad aan de achterzijde en de geluidsbelasting en verbindt de volgende voorschriften aan het primaire besluit:

9. Op de toegangsweg aan de achterzijde van de projectlocatie naar de openbare weg mag niet worden gefietst, maar wel worden gelopen

10. De airconditioningunits aan het pand op de projectlocatie mogen niet in werking worden gesteld;

11. Er mag geen muziek worden voortgebracht op het binnenterrein bij het perceel [adres] .

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiseres 1 en eiser 2 te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 1 tot een bedrag van € 990,- en van eiser 2 tot een bedrag van € 1.980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. C.T.C. Wijsman en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.