Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:5749

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
09-01-2018
Zaaknummer
17_594
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zelfstandige verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter voor schadevergoedingsverzoeken wegens onrechtmatige besluiten (artikel 8:88 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en verder).

Voor toekenning schadevergoeding dient aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Vereist is dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit. Alleen die schadeposten komen voor vergoeding in aanmerking, die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.

Bij de beoordeling van de verzoekschriften moet de rechtbank zich beperken tot een beoordeling van de aansprakelijkheid voor de schade in de omvang en van de aard die verzoeker heeft gesteld. Daarbij moet de vraag worden beantwoord of de gestelde onrechtmatigheid van door verzoeker aangegeven besluiten moet worden afgeleid uit een vernietiging, herroeping of intrekking van die besluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/594

SHE 17/653

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 november 2017 in de zaken tussen

[naam] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: R.D.B.L. van den Bosch),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk, verweerder

(gemachtigde: mr. G.M. van den Boom).

Procesverloop

Namens verzoeker zijn bij brieven van 16 februari 2017 en 17 februari 2017 verzoeken om schadevergoeding als bedoeld in hoofdstuk 8, titel 8.4, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en de register-accountant M.J.C. van Tilburg als medegemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

2. Naar aanleiding van verweerders besluitvorming, op aanvragen voor omgevingsvergunningen voor bedrijfsruimten en na een aantal verzoeken tot handhaving met betrekking tot de percelen [adres] en [adres] in [woonplaats] , zijn diverse bezwaar- en beroepsprocedures aanhangig geweest. Van deze zaken zijn ter zitting van de rechtbank van 29 november 2017 de zaken behandeld die bij de rechtbank geregistreerd zijn als SHE 16/665, SHE 16/2184, SHE 16/2453, SHE 16/2570, 16/2578, SHE 16/2647, SHE 16/3259 en SHE 16/3558. De bij de rechtbank aanhangige beroepen in deze zaken zijn tijdens die zitting ingetrokken.

3. Bij brief van 16 februari 2017 is namens verzoeker verzocht om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden wegens het voeren van een aantal procedures waarbij bezwaar is gemaakt, (hoger) beroep is ingesteld en verzocht is om een voorlopige voorziening met betrekking tot het verkrijgen van een vergunning voor een garage aan de

[adres] te [woonplaats] . Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift om vergoeding verzocht van griffierecht tot een bedrag van € 2.181,00, kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 20.027,25, kosten van financieel advies door een registeraccountant tot een bedrag van € 1.500,00 en rente tot een bedrag van € 408,97.

Dit verzoekschrift is bij de rechtbank ingeschreven onder nummer SHE 17/594.

4. Bij besluit van 1 september 2016 heeft verweerder een door verzoeker op 11 juli 2016 ingediend verzoek om handhaving afgewezen. Bij besluit van 10 februari 2017 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 1 september 2016 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 10 februari 2017.

5. Bij brief van 17 februari 2017 is namens verzoeker verzocht om schadevergoeding tot een bedrag van € 23.672,95. Dit bedrag is samengesteld uit € 18.590.00 aan vergoeding voor het grondgebruik door de gemeente van gronden die het eigendom zijn van verzoeker, € 856,00 voor het voorbereiden, uitzetten en markeren van de perceelgrens van deze gronden, € 1.445,00 aan kosten voor het op 11 juli 2016 ingediende handhavingsverzoek,

€ 2.370,00 aan overige buitenrechtelijke kosten en € 411,95 aan rente.

Dit verzoekschrift is bij de rechtbank ingeschreven onder nummer SHE 17/653.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (gepubliceerd in Staatsblad 2013/50) in werking getreden. Op grond van deze wet is in de Awb een regeling gegeven voor de zelfstandige verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter voor schadevergoedingsverzoeken wegens onrechtmatige besluiten (artikel 8:88 en verder). Op grond van het bepaalde in titel 8.4 van de Awb is de bestuursrechter bevoegd om, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die deze partij lijdt.

8. Volgens vaste rechtspraak dient in het kader van het bestuursrecht, voor de beantwoording van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en komen voorts alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking, die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.

9. Bij de beoordeling van de verzoekschriften moet de rechtbank zich beperken tot een beoordeling van de aansprakelijkheid voor de schade in de omvang en van de aard die verzoeker heeft gesteld. Daarbij moet de vraag worden beantwoord of de gestelde onrechtmatigheid van door verzoeker aangegeven besluiten moet worden afgeleid uit een vernietiging, herroeping of intrekking van die besluiten.

10. De rechtbank stelt vast dat uitsluitend met betrekking tot verweerders besluit van 14 maart 2016, dat de rechtbank bij uitspraak van 23 september 2016 (zaaksnummer 16/1066) heeft vernietigd, kan worden aangenomen dat sprake is van onrechtmatigheid.

11. De rechtbank overweegt dat kosten voor betaald griffierecht niet onder het bereik van artikel 8:4 van de Awb vallen, omdat artikel 8:74 van de Awb daarvoor een bijzondere regeling kent. Omdat artikel 8:75 van de Awb een exclusieve regeling geeft voor de vergoeding van in de bezwaar- en beroepsfase gemaakte proceskosten, kan op basis van titel 8.4 van de Awb evenmin een vergoeding van deze kosten worden toegewezen, ook niet voor zover het proceskosten betreft die niet op grond van artikel 8:75 van de Awb worden vergoed of de vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb te boven gaan, zoals wettelijke rente over die vergoeding. Reeds om die reden moet het door verzoeker ingediende verzoek, voor zover het betrekking heeft op schadevergoeding naar aanleiding van het vernietigde besluit van 14 maart 2016, worden afgewezen.

12. Behoudens het besluit van 14 maart 2016 is er geen besluit dat is vernietigd, herroepen of ingetrokken en moet de rechtmatigheid van die besluiten daarom in beginsel worden aangenomen. Op dat beginsel van formele rechtskracht kan een uitzondering gelden, als het bestuursorgaan de onrechtmatigheid van het besluit heeft erkend en de verzoeker om die reden niet in bezwaar of beroep is gegaan (of een aanhangig bezwaar of beroep heeft ingetrokken). De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een dergelijke erkenning met betrekking tot de besluiten van verweerder, naar aanleiding waarvan verzoeker zijn verzoeken om schadevergoeding heeft ingediend. Omdat deze besluiten daarom niet kunnen worden aangemerkt als onrechtmatig, wijst de rechtbank de verzoeken om schadevergoeding af.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, en mr. D.J. de Lange en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Meiden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.