Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:574

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
01/860407-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Noodlottige ongeval Koningsbosch, waarbij een wielrenner is komen te overlijden, geen in strafrechtelijke zin verwijtbare gevaarzetting van de zijde van de verdachte die een landbouwtrekker met twee aanhangwagens bestuurde.

Vrijspraak voor artikel 6 en artikel 5 Wegenverkeerswet 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01/860407-15

Datum uitspraak: 7 februari 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,

wonende te [woonadres] , [verblijfadres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 december 2016.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 5 augustus 2015 te Koningsbosch, gemeente Echt -Susteren, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Bosserheideweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te handelen als volgt:

verdachte heeft gereden over de Bosserheideweg (welke weg circa 3.6 meter breed is) met een motorrijtuig (te weten een combinatie bestaande uit een landbouwtrekker met twee aanhangwagens met een totale lengte van circa 18.83 meter en een breedte van (tenminste circa) 2.5 meter) met een hogere snelheid dan toen aldaar was toegestaan, althans met een te hoge snelheid gelet op de situatie toen aldaar en/of

is (met die (te hoge) snelheid) een groep hem tegemoetkomende fietsers (bestaande uit dertien personen) genaderd, zulks terwijl in de (gezien verdachte's rijrichting) naast de rijbaan van die Bosserheideweg gelegen rechterberm, een voertuig (personenauto, merk Suzuki) stond geparkeerd, althans stil stond en/of verdachte heeft (vervolgens)

(bij het naderen van voornoemd geparkeerd staand of stilstaand voertuig) niet (tijdig) zijn snelheid verminderd en/of uitgeweken en/of zijn voertuig tot stilstand gebracht teneinde die fietsers een (ruime) vrije doorgang te verlenen of voor te laten gaan en/of is, voornoemd in de berm staand voertuig, (met (te) hoge snelheid) gepasseerd waardoor verdachte niet meer in staat was om (naar rechts) uit te wijken en die hem tegemoetkomende fietsers waren genoodzaakt om (gezien hun rijrichting) op de uiterste rechterzijde van de rijbaan van die Bosserheideweg en/of in de berm van die Bosserheideweg te gaan rijden,

tengevolge waarvan één van die fietsers (te weten [slachtoffer] ) (in de berm in een kuil is gereden en/of) ten val is gekomen en/of (vervolgens) een achter die [slachtoffer] rijdende fietser (genaamde [slachtoffer 2] ) in de berm is gereden en/of tegen (de fiets van) die [slachtoffer] , althans tegen een fiets is gereden en/of in onbalans is geraakt en/of (op het wegdek) ten val is gekomen en/of door het (linker)achterwiel van de achterste aanhangwagen (van voornoemde voertuigcombinatie), in elk geval door die voertuigcombinatie, is overreden

waardoor die [slachtoffer 2] werd gedood;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 augustus 2015 te Koningsbosch, gemeente Echt -Susteren, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Bosserheideweg, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,

immers heeft verdachte gereden over de Bosserheideweg (welke weg circa 3.6 meter breed is) met een motorrijtuig (te weten een combinatie bestaande uit een landbouwtrekker met twee aanhangwagens met een (totale) lengte van circa 18.83 meter en een breedte van (tenminste circa) 2.5 meter) met een hogere snelheid dan toen aldaar was toegestaan, althans met een te hoge snelheid gelet op de situatie toen aldaar en/of

is (met die (te hoge) snelheid) een groep hem tegemoetkomende fietsers (bestaande uit dertien personen) genaderd, zulks terwijl in de (gezien verdachte's rijrichting) naast de rijbaan van die Bosserheideweg gelegen rechterberm, een voertuig (personenauto, merk Suzuki) stond geparkeerd, althans stil stond en/of

heeft verdachte (vervolgens) (bij het naderen van voornoemd geparkeerd staand of stilstaand voertuig) niet (tijdig) zijn snelheid verminderd en/of uitgeweken en/of zijn voertuig tot stilstand gebracht teneinde die fietsers een vrije doorgang te verlenen of voor te laten gaan en/of is, voornoemd in de berm staand voertuig, (met (te) hoge snelheid) gepasseerd waardoor verdachte niet meer in staat was om tijdig (naar rechts) uit te wijken en waren die hem tegemoetkomende fietsers genoodzaakt om (gezien hun rijrichting) op de uiterste rechterzijde van de rijbaan van die Bosserheideweg en/of in de berm van die Bosserheideweg te gaan rijden.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank

heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, omdat de zaak bij beslissing van 4 oktober 2016 door de rechtbank Limburg op grond van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie is verwezen naar de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch. De officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Bovendien zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het primair ten laste gelegde. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte niet uiterst naar rechts is uitgeweken, omdat in de berm een Suzuki personenauto stond geparkeerd, die de verdachte met zijn tractor en twee aanhangwagens vanzelfsprekend niet wilde raken. Door niet reeds voor de personenauto zijn combinatie stil te zetten aan de rechterzijde van de weg, teneinde aan de groep wielrenners een vrije doorgang te verlenen, heeft de verdachte gevaar en hinder veroorzaakt. Omdat kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, kan worden gezegd dat er een reële kans op gevaar heeft bestaan.

De officier van justitie heeft gevorderd een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis indien de verdachte deze taakstraf niet naar behoren verricht, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Op 5 augustus 2015 vond op de Bosserheideweg in Koningsbosch, gemeente Echt -Susteren, een verkeersongeval plaats tussen een door de verdachte bestuurde landbouwtrekker met daaraan twee aanhangwagens gekoppeld en een wielrenner die deel uitmaakte van een groep van in totaal dertien wielrenners. De groep wielrenners reed over de Bosserheideweg, komende uit de richting van Donnerskamp en rijdende in de richting van de Molenweg. De verdachte kwam vanuit tegengestelde richting. De verdachte passeerde een in de rechterberm geparkeerde Suzuki personenauto op het moment dat de groep wielrenners, die op dat moment hadden geritst en achter elkaar reden, zijn combinatie passeerde. Wielrenner [slachtoffer] is tijdens het passeren van de combinatie in de berm gereden en ten val gekomen. Een achter die [slachtoffer] fietsende wielrenner, genaamd [slachtoffer 2] , is vervolgens op enigerlei wijze in onbalans geraakt en daardoor ten val gekomen en in aanraking gekomen met het linker achterwiel van de achterste aanhangwagen van de combinatie. Ten gevolge van dit verkeersongeval is de heer [slachtoffer 2] komen te overlijden.

De officier van justitie verwijt de verdachte – kort gezegd – dat hij met zijn combinatie, met een te hoge snelheid voor de situatie ter plaatse, de groep wielrenners is genaderd, terwijl in de rijrichting van de verdachte naast de rijbaan een Suzuki stond geparkeerd, en niet tijdig zijn snelheid heeft verminderd, onvoldoende naar rechts is uitgeweken of zijn combinatie niet tot stilstand heeft gebracht voorafgaand aan het passeren van de Suzuki met het doel die fietsers een ruime vrije doorgang te verlenen of voor te laten gaan.

De rechtbank overweegt dat uit onderzoek is gebleken dat de afstand tussen de rechterzijde van de aanhangwagens en de linker buitenspiegel van de geparkeerde Suzuki ongeveer 38 cm betrof. Voor de wielrenners bleef er 88 cm vrije ruimte over tijdens het passeren van de combinatie. Naar het oordeel van de rechtbank was dit voor de fietsers redelijkerwijs voldoende ruimte om de combinatie veilig en onbelemmerd te kunnen passeren. Bij haar oordeel betrekt de rechtbank tevens dat uit de verklaringen van de wielrenners die voor het slachtoffer reden volgt dat zij de landbouwtrekker en beide aanhangwagens hebben kunnen passeren zonder te vallen of daartegen aan te rijden, dit terwijl de combinatie op dat moment met alle wielen op de weg reed en niet (gedeeltelijk) in de berm. Geen van deze getuigen heeft verklaard dat zij de combinatie op dat moment nauwelijks konden passeren.

Uit onderzoek is bovendien niet gebleken dat de verdachte de voor hem geldende maximumsnelheid van 25 km/u voor landbouwvoertuigen heeft overschreden. Zijn precieze snelheid ten tijde van het verkeersongeval is niet vastgesteld kunnen worden.

Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) ziet in beginsel op ieder gedrag dat invloed heeft op de veiligheid en de doorstroming van het verkeer op de weg. De bepaling strekt er echter slechts toe evidente vormen van gevaar of hinder strafbaar te stellen. De wetgever heeft niet de bedoeling gehad om elk gevaarzettend gedrag te verbieden. Gevaarscheppend gedrag zal in concreto een bepaalde, minimale ernst dienen te hebben om onder het bereik van artikel 5 WVW 1994 te kunnen worden gebracht. Bij zaken waar de vraag zich voordoet of een bepaalde handeling kan worden aangemerkt als gevaarzettend in de zin van artikel 5 heeft de handeling in concreto, en wel in het licht van alle omstandigheden van het geval als uitgangspunt te dienen.

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende vast komen te staan dat de verdachte een verkeersfout heeft begaan. Uit het dossier volgt dat slachtoffer [slachtoffer 2] op enigerlei wijze met zijn fiets ten val is gekomen, nadat de fietser die voor hem reed in de berm was gereden en daardoor was gevallen. Niet is gebleken dat de verdachte door zijn rijgedrag aan de groep wielrenners onvoldoende vrije ruimte heeft gelaten voor een onbelemmerde doorgang en daarmee de noodlottige val van het slachtoffer heeft veroorzaakt of mede heeft veroorzaakt.

Concluderend is de rechtbank dan ook van oordeel dat het noodlottige ongeval het gevolg is van een uiterst ongelukkige samenloop van omstandigheden, maar niet van een in strafrechtelijke zin verwijtbare gevaarzetting van de zijde van de verdachte. Ook overigens kunnen geen zodanig onvoorzichtige gedragingen worden vastgesteld dat bewezen kan worden dat de verdachte zich gevaarscheppend heeft gedragen of het verkeer op de weg heeft gehinderd in de zin van artikel 5 WVW 1994. De verdachte zal daarom van het subsidiair ten laste gelegde eveneens worden vrijgesproken.

De uitspraak.

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J. Bokhorst, voorzitter,

mr. T. Dompeling en mr. J.H.P.G. Wielders, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 7 februari 2017.