Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:5707

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
01/880311-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor gekwalificeerde doodslag (doodslag gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken) tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest.

De rechtbank bepaalt tevens dat verdachte samen met zijn mededaders twee nabestaanden van het slachtoffer een schadevergoeding moet betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/880311-16

Datum uitspraak: 1 november 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte 1] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans gedetineerd te: PI Rijnmond, De Schie, R'dam.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 januari 2017, 27 maart 2017, 19 juni 2017, 18 augustus 2017, 28 september 2017, 3 oktober 2017 en 4 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van het openbaar ministerie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 december 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 28 september 2017 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 augustus 2014 in de gemeente Helmond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet

- die [slachtoffer 1] meermalen althans eenmaal getrapt en/of geschopt en/of (met één of meer voorwerpen) met kracht geslagen en/of gestompt, in elke geval (al dan niet met een of meer voorwerpen) krachtig (mechanisch) geweld uitgeoefend op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- de handen van die [slachtoffer 1] met een of meer tie-wrap(s) vastgebonden, en/of - die [slachtoffer 1] in hulpeloze toestand achter gelaten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal, gepleegd op of omstreeks 29 augustus 2014 in de gemeente Helmond, ten overstaan van genoemde [slachtoffer 1] , en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 augustus 2014 in de gemeente Helmond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kistje met geld en/of sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen - die [slachtoffer 1] meermalen althans eenmaal heeft getrapt en/of geschopt en/of (met één of meer voorwerpen) met kracht heeft geslagen en/of gestompt, in elke geval (al dan niet met een of meer voorwerpen) krachtig (mechanisch) geweld heeft uitgeoefend op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- de handen van die [slachtoffer 1] met een of meer tie-wrap(s) heeft vastgebonden en/of - die [slachtoffer 1] in hulpeloze toestand heeft achter gelaten, terwijl dat feit de dood van genoemde [slachtoffer 1] ten gevolge had;

en/of

hij op of omstreeks 29 augustus 2014 in de gemeente Helmond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet

- die [slachtoffer 1] meermalen althans eenmaal getrapt en/of geschopt en/of (met één of meer voorwerpen) met kracht geslagen en/of gestompt, in elke geval (al dan niet met een of meer voorwerpen) krachtig (mechanisch) geweld uitgeoefend op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- de handen van die [slachtoffer 1] met tie-wrap(s) vastgebonden en/of - die [slachtoffer 1] in hulpeloze toestand achter gelaten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en het openbaar ministerie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.1

Op 29 augustus 2014 om 17.05 uur werd er door [Zoon 1 slachtoffer] naar het alarmnummer 112 gebeld. Hij vroeg om met spoed een ambulance te sturen naar de [adres] in Helmond, omdat hij zijn 86-jarige moeder op de grond had aangetroffen met tie-wraps om haar armen en een gewond, dik en blauw gezicht.2

Verpleegkundige op de ambulance, [getuige 1] , heeft verklaard dat het slachtoffer flinke verwondingen had in het gezicht, polsen en onderarmen. Op het moment dat de ambulance hulpverleners ter plaatse kwamen, was het slachtoffer nog aanspreekbaar. Het slachtoffer heeft gezegd dat er twee mannen voor het gas kwamen en dat zij was geslagen met een zwarte lamp die blauw licht uitstraalde. Op de vraag waar zij allemaal geslagen was, antwoordde zij dat zij in haar gezicht, in haar buik en op haar armen geslagen was.3

Ambulance hulpverlener [naam hulpverlener] heeft verklaard dat het slachtoffer flinke snijwonden in haar onderarmen had op de plaatsen waar de tie-wraps hadden gezeten. Je kon tot op het bot wegkijken. In de keuken lagen een kunstgebit in stukken en een neusprothese op de grond. Ook was er sprake van veel bloedsporen op de kastjes en op de grond. De ambulance hulpverlener leidde hieruit af dat er veel geweld moest zijn gebruikt.4

Het slachtoffer is omstreeks 17.38 uur met spoed per ambulance overgebracht naar het Elkerliek ziekenhuis te Helmond. Omstreeks 20.37 uur is zij overleden. Door de schouwarts aldaar werd een niet natuurlijke dood van het slachtoffer vastgesteld.5

Het stoffelijke overschot is door [Zoon 2 slachtoffer] en [Zoon 1 slachtoffer] geïdentificeerd als hun moeder [slachtoffer 1] , geboren op 19 januari 1928.6

[slachtoffer 1] (roepnaam: [slachtoffer 1] ) is weduwe van [slachtoffer 2] .7

In het pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van het slachtoffer wordt gesteld dat er sprake was van letsels die bij leven waren ontstaan ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch stomp geweld, zoals door stompen/slaan, vallen of een combinatie daarvan. Gezien de bij sectie radiologisch vastgestelde ribbreuken is de geweldsinwerking plaatselijk hevig geweest.8

Door de patholoog is geconcludeerd dat het overlijden van het slachtoffer, 86 jaar oud, goed kan worden verklaard op grond van verwikkelingen van ingewerkt uitwendig mechanisch (hevig) botsend geweld op het lichaam.9

De officier van justitie heeft de patholoog een aanvullende vraag gesteld met betrekking tot het aangetroffen letsel bij het slachtoffer.

De vraag luidde: “past al het op vrijdag 29 augustus 2014 en maandag 1 september 2014 bij mevrouw [slachtoffer 1] geconstateerde letsel bij de door verdachte beschreven geweldshandelingen?”

De patholoog heeft hierop het navolgende geantwoord:

“de distributie van de geconstateerde letsels bij het slachtoffer (beiderzijds aan het lichaam, aan de buig- en strekzijde van de ledematen), de aanwezigheid en locatie van de botbreuken (aan de ribben beiderzijds, de neusholten beiderzijds en de rechteroogkas) die duiden op plaatselijk hevige geweldsinwerking ter plekke, de zwellingen aan de slijmvliezen van de keel, de plaatselijke uitgebreidheid van de letsels (plaatselijk diep tot in de speekselklieren beiderzijds) staan grotendeels niet in lijn/past niet bij de beschreven geweldshandelingen (een duw met een val als gevolg, het raken met een zaklamp, een soort klap op het gezicht) die aan mij voorgelegd zijn.

Er moet sprake geweest zijn van uitwendig mechanisch plaatselijk hevig stomp botsend geweld op het lichaam en wel meervoudig op het lichaam ingewerkt geweld (niet alleen een duw, een val of raken met iets).

De tie-wraps die worden genoemd zouden de letsels aan de onderarmen wel kunnen verklaren.10

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris en bij de behandeling ter terechtzitting verklaard dat hij op 29 augustus 2014 samen met [verdachte 2] en [verdachte 3] naar de woning van [slachtoffer 1] (hierna: het slachtoffer) in Helmond was gereden om daar geld weg te nemen. Hij wist dat het om een oude vrouw zou gaan. Er was in de auto gezamenlijk besproken dat de tie-wraps die zij hadden meegenomen eventueel konden worden gebruikt om tijd te winnen voor het geval dat de vrouw thuis zou zijn.

Verdachte is naar de woning van het slachtoffer gegaan om te kijken of zij thuis was.

Hij zag haar voor het raam zitten en is teruggelopen naar de auto om met de medeverdachten te overleggen wat ze in deze situatie zouden gaan doen.

Verdachte heeft toen de tie-wraps, die hij eerder van [verdachte 2] had gekregen, in zijn mouw gestopt. Ook heeft hij een zware zaklamp meegenomen. Verdachte is teruggelopen naar de woning van het slachtoffer. Zij zag verdachte aankomen en deed de deur voor hem open. Verdachte heeft zich voorgedaan als een medewerker van een energiemaatschappij en in de meterkast van het slachtoffer gekeken. Het slachtoffer vertrouwde de situatie niet en begon om hulp te roepen. Verdachte raakte hierdoor in paniek. Hij heeft het slachtoffer een flinke duw/klap gegeven waarbij de zaklamp in ieder geval in haar gezicht terecht is gekomen en zij achterover is gevallen.

Medeverdachte [verdachte 2] is nadien in de woning gekomen. Samen hebben zij de woning doorzocht en uit de woning is een geldkistje meegenomen.

Het slachtoffer is in haar woning, liggend op de grond, achtergelaten. Haar handen waren geboeid door middel van tie-wraps.11

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij het slachtoffer best wel hard met de zaklamp raakte en dat er overal bloed was, “zoveel bloed”.12

Getuige Danny [getuige 2] heeft verklaard dat medeverdachte [verdachte 2] hem heeft verteld dat hij die vrouw zag liggen, dat het een hele oude vrouw was, maar dat het niet klopte dat [verdachte 1] zei dat het alleen maar een duwtje was geweest want heel haar gezicht was helemaal eh…dat kan niet van een duwtje zijn. [verdachte 4] zei dat het er niet uitzag. Dat het leek alsof iemand er op los was gegaan.

Hij zei dat het leek alsof er iemand los was gegaan zoals hooligans bij voetbalwedstrijden. Een gezwollen hoofd dat het niet van een duwtje kon zijn. Dat de ogen dicht zaten en alles.13

Medeverdachte [verdachte 2] heeft verklaard dat hij bij de woningoverval binnen is geweest en dat hij toen hij binnenkwam het slachtoffer heeft zien liggen precies zoals [getuige 2] zegt.14

Het standpunt van het openbaar ministerie.

Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, te weten gekwalificeerde doodslag, tezamen en in vereniging met een ander gepleegd.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht om verdachte van het primair ten laste gelegde vrij te spreken. De verdediging meent dat het subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen. Er is geen sprake van gekwalificeerde doodslag, maar diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbend. De verdediging betwist het door de patholoog vastgestelde letsel niet, maar wel dat dit letsel alleen door verdachte zou zijn veroorzaakt. Hij neemt slechts de verantwoordelijkheid voor het door hem zelf toegepaste geweld.

Hij heeft het slachtoffer een harde duw gegeven en haar daarbij met de zaklamp geraakt. Zij is daardoor ten val gekomen. Vervolgens heeft hij haar met tie-wraps om haar polsen geboeid achtergelaten. Verdachte had niet het opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer. De kans dat het slachtoffer door de handelingen van verdachte zou overlijden is niet aanmerkelijk. Indien de rechtbank wel de aanmerkelijke kans op de dood aanneemt, dan heeft verdachte deze kans niet welbewust aanvaard.

De verdediging heeft een alternatief scenario aangedragen voor de ernst van het letsel te weten dat de letsels ook zouden kunnen worden verklaard door de omstandigheid dat het slachtoffer, nadat verdachte en zijn medeverdachte de woning verlieten, naar de woonkamer is gekropen en zich heeft getracht op te trekken, een gevallen bloempot en/of het tijdsverloop tussen de aanwezigheid van verdachte in de woning en het aantreffen van het slachtoffer.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich als eerste voor de vraag gesteld of de door de patholoog geconstateerde letsels bij het slachtoffer zouden kunnen zijn ontstaan door een klap op het gezicht met een zaklamp en daaropvolgend een val achterover en of deze letsels op een andere wijze dan door het door verdachte toegepaste geweld zouden kunnen zijn ontstaan.

Uit het hierboven weergegeven antwoord van de patholoog op de vraag van de officier van justitie of het bij het slachtoffer geconstateerde letsel past bij de geweldshandelingen die verdachte heeft toegeven blijkt dat er sprake moet zijn geweest van uitwendig mechanisch plaatselijk hevig stomp botsend geweld op het lichaam en wel meervoudig op het lichaam ingewerkt geweld (niet alleen een duw, een val of raken met iets).

De stelling van verdachte dat zijn geweldshandelingen jegens het slachtoffer slechts hebben bestaan uit een duw/klap met een zaklamp met daaropvolgend een val, acht de rechtbank, met inachtneming van de bevindingen van de patholoog, volstrekt ongeloofwaardig. Voor het alternatieve scenario dat door de verdediging is aangedragen ziet de rechtbank geen enkele aanwijzing en kan bovendien ook niet de ernst van het letsel verklaren. Op grond van de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte meer geweld heeft gebruikt dan hij heeft toegegeven. De rechtbank betrekt daarbij dat het slachtoffer heeft verklaard dat zij in haar gezicht, in haar buik en op haar armen is geslagen, dat het slachtoffer al gewond op de grond lag toen medeverdachte [verdachte 2] in de woning kwam en dat volgens [verdachte 2] toen hij en verdachte de woning verlieten het slachtoffer al flink was toegetakeld en dat het letsel niet alleen kon zijn veroorzaakt door een duw en dat het leek alsof iemand helemaal los was gegaan.

De rechtbank concludeert aldus dat verdachte het slachtoffer meerdere malen hard heeft geslagen.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of er bij verdachte sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer.

Met de verdediging en het openbaar ministerie is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen geen “zuiver” opzet kan worden afgeleid.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan deze kans, is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

De rechtbank stelt het navolgende vast.

- het slachtoffer was een zichtbaar hoogbejaarde vrouw van 86 jaar oud;

- verdachte heeft het slachtoffer meerdere malen hard geslagen waardoor zij fors uitgebreid uitwendig en inwendig letsel heeft opgelopen;

- de armen van het slachtoffer waren door middel van tie-wraps zeer strak vastgebonden;

- het slachtoffer is in zwaargewonde en hulpeloze toestand vastgebonden en liggend uit het zicht van voorbijgangers alleen in haar woning achtergelaten.

Naar algemene ervaringsregels is de kans dat een hoogbejaarde vrouw komt te overlijden als gevolg van voormelde handelingen aanmerkelijk.

De gedragingen van de verdachte waren dan ook geëigend om de dood van het slachtoffer te kunnen laten intreden en kunnen naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood, dat het - behoudens contra-indicaties, waarvan uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken - niet anders kan zijn dan dat verdachte zich van de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust is geweest en deze heeft aanvaard. Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zou komen te overlijden en is het opzet van verdachte in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest.

De rechtbank acht daarom de ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag bewezen.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander (of anderen) heeft gepleegd. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij degene is geweest die geweld heeft toegepast op het slachtoffer. Medeverdachte [verdachte 2] betrad pas na dit geweld de woning en heeft vervolgens - volgens de lezing van verdachte - geholpen met het vastbinden van de tie-wraps om de armen van het slachtoffer.

De rechtbank acht de enkele verklaring van verdachte voor wat betreft het vastbinden van de tie-wraps onvoldoende om de ten laste gelegde doodslag mede toe te rekenen aan [verdachte 2] .

[verdachte 2] heeft immers stellig ontkend dat hij het slachtoffer heeft aangeraakt en/of hulp heeft geboden bij het vastbinden met tie-wraps.

Bovendien is geen bewijs in het dossier aanwezig dat de verklaring van verdachte op dit punt ondersteunt.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op het medeplegen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 29 augustus 2014 in de gemeente Helmond, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet

- die [slachtoffer 1] meermalen heeft geslagen in elk geval (al dan niet met een voorwerp) krachtig (mechanisch) geweld uitgeoefend op het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 1] en

- de handen van die [slachtoffer 1] met een tie-wrap vastgebonden, en

- die [slachtoffer 1] in hulpeloze toestand achtergelaten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd van enig strafbaar feit, te weten diefstal, gepleegd op 29 augustus 2014 in de gemeente Helmond, ten overstaan van genoemde [slachtoffer 1] , en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van het openbaar ministerie.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

-een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van het openbaar ministerie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de door het openbaar ministerie gevorderde straf sterk te matigen en aansluiting te zoeken bij straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare strafzaken.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag.

Verdachte is samen met twee anderen naar de woning van het hoogbejaarde slachtoffer gegaan met de intentie om daar een groot geldbedrag weg te nemen. Verdachte heeft zich voorgedaan als medewerker van een energiemaatschappij teneinde de woning van het slachtoffer binnen te komen. Op het moment dat het slachtoffer kennelijk besefte dat verdachte kwade bedoelingen had en zij om hulp riep, heeft verdachte op gruwelijke, meedogenloze en nietsontziende wijze geweld op het slachtoffer uitgeoefend.

Toen het slachtoffer op de grond lag, zijn haar armen met tie-wraps vastgebonden.

Deze tie-wraps bleken dermate strak aangetrokken te zijn, dat diepe wonden tot op het bot zijn ontstaan.

Uiteindelijk is het slachtoffer liggend op de vloer in haar eigen woning, volkomen machteloos, hulpeloos en zwaargewond achtergelaten. Verdachte heeft zich totaal niet om haar bekommerd. Verdachte en een van zijn medeverdachten hebben nog een geldkistje uit de woning van het slachtoffer meegenomen en zijn vertrokken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte gewetenloos heeft gehandeld. Verdachte heeft puur uit financieel gewin het leven van mevrouw [slachtoffer 2] beëindigd.

De samenleving in het algemeen, de gemeenschap in Helmond en de directe omgeving van het slachtoffer in het bijzonder zijn door de gruwelijke wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht ernstig geschokt.

Aan de nabestaanden van het slachtoffer is een groot en onherstelbaar leed toegebracht. Zij moeten leven met de wetenschap dat hun hoogbejaarde moeder en oma in de laatste uren van haar leven ernstige pijnen heeft geleden en zeer angstig is geweest. Uit de slachtofferverklaringen blijkt dat de nabestaanden nog dagelijks geconfronteerd worden met het verlies van hun moeder en oma en de brute wijze waarop zij om het leven is gebracht. Aan de nabestaanden is nog extra leed toegebracht doordat verdachte gedurende het gehele strafproces geen openheid heeft willen geven ten aanzien van de door hem toegepaste geweldshandelingen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van na te melden duur.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door het openbaar ministerie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [partij 1] .

Het standpunt van het openbaar ministerie.

Het openbaar ministerie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij geheel hoofdelijk toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu de verdediging meent dat de beoordeling hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de gevorderde materiële schade

Beoordeling. De rechtbank stelt vast dat de verdediging weliswaar in algemene zin een aantal theoretische vragen opwerpt, die in het geval van een vordering tot, kort gezegd, shockschade mogelijk aan de orde kunnen komen, doch ter zake geen enkel concreet verweer heeft gevoerd. Aldus ziet de rechtbank geen belemmering om de vordering thans te beoordelen.

De vordering van [partij 1] is, kort gezegd, gebaseerd op shockschade. De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de vereisten die op grond van vaste jurisprudentie daaraan worden gesteld. (HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240 en HR 9 oktober 2009, NJ 2010, 3870), te weten geestelijk letsel, voortvloeiende uit een hevige emotionele schok veroorzaakt door directe confrontatie met het misdrijf en leidend tot een in de psychiatrie erkend ziektebeeld bij iemand die in een nauwe affectieve relatie tot het slachtoffer staat. Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat [partij 1] en haar broer [Zoon 1 slachtoffer] samen hadden afgesproken naar het huis van hun moeder te gaan, nadat zij geen contact met haar konden krijgen. [partij 1] arriveerde kort na haar broer en heeft, nog voordat de politie en de ambulance ter plaatse waren, haar ernstig toegetakelde moeder op de grond in de woonkamer zien liggen. [partij 1] heeft gemotiveerd gesteld dat de directe confrontatie met het gruwelijke beeld van haar zwaar gewonde moeder bij haar heeft geleid tot ernstige psychische klachten. Blijkens een verklaring van haar psycholoog [naam psycholoog] d.d. 10 juli 2017 was sprake van een posttraumatische stressstoornis, waarvoor zij behandelingen heeft moeten ondergaan.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. De rechtbank acht weliswaar niet bewezen dat de doodslag in vereniging is gepleegd, maar heeft twee andere verdachten wel veroordeeld voor het medeplegen van beroving van het slachtoffer de dood ten gevolge hebbend. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De vordering van de benadeelde partij [Zoon 1 slachtoffer] .

Het standpunt van het openbaar ministerie.

Het openbaar ministerie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij geheel hoofdelijk toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu de verdediging meent dat de beoordeling hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Beoordeling. De rechtbank stelt ook ten aanzien van deze vordering vast dat de verdediging weliswaar in algemene zin een aantal theoretische vragen opwerpt, die in het geval van een vordering tot, kort gezegd, shockschade mogelijk aan de orde kunnen komen, doch ter zake geen enkel concreet verweer heeft gevoerd. Aldus ziet de rechtbank geen belemmering om ook deze vordering thans te beoordelen.

De vordering van [Zoon 1 slachtoffer] is, kort gezegd, gebaseerd op shockschade. De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de vereisten die op grond van vaste jurisprudentie daaraan worden gesteld. (HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240 en HR 9 oktober 2009, NJ 2010, 3870), te weten geestelijk letsel, voortvloeiende uit een hevige emotionele schok veroorzaakt door directe confrontatie met het misdrijf en leidend tot een in de psychiatrie erkend ziektebeeld bij iemand die in een nauwe affectieve relatie tot het slachtoffer staat. Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat [Zoon 1 slachtoffer] en zijn zus [partij 1] samen hadden afgesproken naar het huis van hun moeder te gaan, nadat zij geen contact met haar konden krijgen. [Zoon 1 slachtoffer] arriveerde als eerste op de plaats delict en trof daar zijn ernstig toegetakelde en met een tie-wrap vastgebonden moeder aan. Hij heeft de tie-wrap losgeknipt en een kussen onder haar hoofd gelegd. [Zoon 1 slachtoffer] stelt dat de aanblik van zijn zwaar gehavende moeder zo afschuwelijk was, dat hij dit niet aankon en op enige afstand van haar op de hulpdiensten heeft gewacht. [Zoon 1 slachtoffer] heeft gemotiveerd gesteld dat de directe confrontatie met het gruwelijke beeld van zijn zwaar gewonde moeder bij hem heeft geleid tot ernstige psychische klachten. Blijkens een verklaring van zijn psycholoog [naam psycholoog2] d.d. 14 april 2017 was sprake van een posttraumatische stressstoornis, waarvoor hij behandelingen heeft moeten ondergaan.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. De rechtbank acht weliswaar niet bewezen dat de doodslag in vereniging is gepleegd, maar heeft twee andere verdachten wel veroordeeld voor het medeplegen van beroving van het slachtoffer de dood ten gevolge hebbend. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 27, 36f, 63 en 288 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair doodslag, gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken. verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. primair:Gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. primair:Maatregel van schadevergoeding van € 5.466,25 subsidiair 62 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [partij 1] , van een bedrag van € 5.466,25, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van

€ 5.000,- immateriële schadevergoeding (post shockschade ) en € 466,25 materiële schadevergoeding (post uitvaartkosten). Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [partij 1] van een bedrag van € 5.466,25, te weten € 5.000,- immateriële schadevergoeding (post shockschade) en € 466,25 materiële schadevergoeding (post uitvaartkosten).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

T.a.v. primair:Maatregel van schadevergoeding van € 5.000,- subsidiair 60 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [Zoon 1 slachtoffer] , van een bedrag van € 5.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding (post shockschade).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij: Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [partij 1] van een bedrag van € 5.000,-, te weten immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. H.A. van Gameren en mr. H.M. Hettinga, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken op 1 november 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche; Team Grootschalige Opsporing, onderzoek 22TGO14005 “Klimtouw”, aantal pagina’s: 3579. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

2 Proces-verbaal 112 meldingen d.d. 18 september 2014, proces-verbaal pag. 338-339.

3 Verklaring van getuige [getuige 1] d.d. 30 augustus 2014, proces-verbaal pag. 432.

4 Verklaring van getuige [getuige 3] d.d. 30 augustus 2014, proces-verbaal pag. 439-440.

5 Ambtelijk verslag van verbalisanten [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] d.d. 2 maart 2017, proces-verbaal pag. 241-242.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 augustus 2014, proces-verbaal pag. 365.

7 Ambtelijk verslag van verbalisanten [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] d.d. 2 maart 2017, proces-verbaal pag. 241.

8 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut “pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” d.d. 6 januari 2015, proces-verbaal pag. 2873.

9 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut “pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” d.d. 6 januari 2015, proces-verbaal pag. 2875.

10 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van Dr. [arts/patholoog] , arts en patholoog, betreffende aanvullende vraag inzake 2014.08.29.028 (aanvraag 003) sectienr. 2014-215 d.d. 22 maart 2017.

11 Verklaring van verdachte afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 6 februari 2017 en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 september 2017.

12 Verklaring van verdachte bij de politie op 30 september 2016, proces-verbaal pag. 1895, 1896, 1902)

13 Verklaring van getuige [getuige 2] bij de politie, proces-verbaal pag. 2532 en 2538-2539

14 Verklaring Henricus [verdachte 2] op 2 februari 2017, proces-verbaal pag. 2204