Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:5705

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
01/880468-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde.

De rechtbank veroordeelt verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde, te weten "diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het feit de dood ten gevolge heeft" tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest.

De rechtbank bepaalt tevens dat verdachte samen met zijn mededaders twee nabestaanden van het slachtoffer een schadevergoeding moet betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/880468-16

Datum uitspraak: 1 november 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres verdachte] ,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 maart 2017, 19 juni 2017, 18 augustus 2017, 28 september 2017, 3 oktober 2017 en 4 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van het openbaar ministerie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 februari 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 augustus 2014 in de gemeente Helmond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet

- die [slachtoffer] meermalen althans eenmaal getrapt en/of geschopt en/of (met één of meer voorwerpen) met kracht geslagen en/of gestompt, in elke geval (al dan niet met een of meer voorwerpen) krachtig (mechanisch) geweld uitgeoefend op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- de handen van die [slachtoffer] met een of meer tie-wrap(s) vastgebonden, en/of - die [slachtoffer] in hulpeloze toestand achter gelaten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal, gepleegd op of omstreeks 29 augustus 2014 in de gemeente Helmond, ten overstaan van genoemde [slachtoffer] , en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 augustus 2014 in de gemeente Helmond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kistje met geld en/of sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen - die [slachtoffer] meermalen althans eenmaal heeft getrapt en/of geschopt en/of (met één of meer voorwerpen) met kracht heeft geslagen en/of gestompt, in elke geval (al dan niet met een of meer voorwerpen) krachtig (mechanisch) geweld heeft uitgeoefend op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- de handen van die [slachtoffer] met een of meer tie-wrap(s) heeft vastgebonden en/of - die [slachtoffer] in hulpeloze toestand heeft achter gelaten, terwijl dat feit de dood van genoemde [slachtoffer] ten gevolge had;

en/of

dat hij op of omstreeks 29 augustus 2014 in de gemeente Helmond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet

- die [slachtoffer] meermalen althans eenmaal getrapt en/of geschopt en/of (met één of meer voorwerpen) met kracht geslagen en/of gestompt, in elke geval (al dan niet met een of meer voorwerpen) krachtig (mechanisch) geweld uitgeoefend op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- de handen van die [slachtoffer] met tie-wrap(s) vastgebonden en/of - die [slachtoffer] in hulpeloze toestand achter gelaten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en het openbaar ministerie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs 1

Op 29 augustus 2014 om 17.05 uur werd er door [zoon 1 slachtoffer] naar het alarmnummer 112 gebeld. Hij vroeg om met spoed een ambulance te sturen naar de [adres slachtoffer] in Helmond, omdat hij zijn 86-jarige moeder op de grond had aangetroffen met tie-wraps om haar armen en een gewond, dik en blauw gezicht.2

Verpleegkundige op de ambulance, [getuige 1] , heeft verklaard dat het slachtoffer flinke verwondingen had in het gezicht, polsen en onderarmen. Op het moment dat er ambulance hulpverleners ter plaatse kwamen was het slachtoffer nog aanspreekbaar. Het slachtoffer heeft gezegd dat er twee mannen voor het gas kwamen en dat zij was geslagen met een zwarte lamp die blauw licht uitstraalde. Op de vraag waar zij allemaal geslagen was, antwoordde zij dat zij in haar gezicht, in haar buik en op haar armen geslagen was.3

Ambulance hulpverlener [ambulanceverpleger] heeft verklaard dat het slachtoffer.flinke snijwonden in haar onderarmen had op de plaatsen waar de tie-wraps hadden gezeten. Je kon tot op het bot wegkijken. In de keuken lagen een kunstgebit in stukken en een neusprothese en op de grond. Ook was er sprake van veel bloedsporen op de kastjes en op de grond. De ambulance hulpverlener leidde hieruit af dat er veel geweld moest zijn gebruikt.4

Het slachtoffer is omstreeks 17.38 uur met spoed per ambulance overgebracht naar het Elkerliek ziekenhuis te Helmond. Omstreeks 20.37 uur is zij overleden en werd door de schouwarts aldaar een niet natuurlijke dood van het slachtoffer vastgesteld.5

Het stoffelijke overschot is door [zoon 2 slachtoffer] en [zoon 1 slachtoffer] geïdentificeerd als hun moeder [slachtoffer] , geboren op 19 januari 1928.6

[slachtoffer] (roepnaam: [slachtoffer] ) is weduwe van [achternaam slachtoffer] .7

In het pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van het slachtoffer wordt gesteld dat er sprake was van letsels die bij leven waren ontstaan ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch stomp geweld, zoals door stompen/slaan, vallen of een combinatie daarvan. Gezien de bij sectie radiologisch vastgestelde ribbreuken is de geweldsinwerking plaatselijk hevig geweest.8

Door de patholoog is geconcludeerd dat het overlijden van het slachtoffer, 86 jaar oud, goed kan worden verklaard op grond van verwikkelingen van ingewerkt uitwendig mechanisch (hevig) botsend geweld op het lichaam.9

De officier van justitie heeft de patholoog een aanvullende vraag gesteld met betrekking tot het aangetroffen letsel bij het slachtoffer.

De vraag luidde: “past al het op vrijdag 29 augustus 2014 en maandag 1 september 2014 bij [slachtoffer] geconstateerde letsel bij de door verdachte beschreven geweldshandelingen?”

De patholoog heeft hierop het navolgende geantwoord:

“de distributie van de geconstateerde letsels bij het slachtoffer (beiderzijds aan het lichaam, aan de buig- en strekzijde van de ledematen), de aanwezigheid en locatie van de botbreuken (aan de ribben beiderzijds, de neusholten beiderzijds en de rechteroogkas) die duiden op plaatselijk hevige geweldsinwerking ter plekke, de zwellingen aan de slijmvliezen van de keel, de plaatselijke uitgebreidheid van de letsels (plaatselijk diep tot in de speekselklieren beiderzijds) staan grotendeels niet in lijn/past niet bij de beschreven geweldshandelingen (een duw met een val als gevolg, het raken met een zaklamp, een soort klap op het gezicht) die aan mij voorgelegd zijn.

Er moet sprake geweest zijn van uitwendig mechanisch plaatselijk hevig stomp botsend geweld op het lichaam en wel meervoudig op het lichaam ingewerkt geweld (niet alleen een duw, een val of raken met iets).

De tie-wraps die worden genoemd zouden de letsels aan de onderarmen wel kunnen verklaren.10

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op 29 augustus 2014 samen met [verdachte ] en [medeverdachte 2] naar de woning van het slachtoffer in Helmond was gereden om daar geld weg te nemen. Van de medeverdachten had hij gehoord dat het om een oude vrouw zou gaan. Er was in de auto gezamenlijk besproken dat de tie-wraps die zij hadden meegenomen eventueel konden worden gebruikt om tijd te winnen voor het geval dat de vrouw thuis zou zijn.

[medeverdachte 1] is naar de woning van het slachtoffer gegaan om te kijken of zij thuis was.

Hij zag haar voor het raam zitten en is teruggelopen naar de auto om met verdachte en [medeverdachte 2] te overleggen wat ze in deze situatie zouden gaan doen.

[medeverdachte 1] heeft onderweg in de auto de tie-wraps van verdachte gekregen en deze in zijn mouw gestopt. Ook heeft hij een zware zaklamp meegenomen. [medeverdachte 1] is teruggelopen naar de woning van het slachtoffer. Hij heeft haar geduwd en met de zaklamp een klap in haar gezicht gegeven. Het slachtoffer is daardoor gewond geraakt. De handen van het slachtoffer zijn hierna met tie-wraps geboeid. Op enig moment is ook verdachte de woning binnengegaan. De woning is daarna doorzocht en er werd een geldkistje meegenomen. Het slachtoffer is in de woning -gewond, liggend op haar rug en geboeid met tie-wraps- achtergelaten. [medeverdachte 1] en [verdachte ] zijn teruggekeerd naar de auto en gedrieën zijn verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] terug naar huis gereden.11

Verdachte heeft verklaard dat hij op 29 augustus 2014 samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de woning van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) is gereden om daar geld weg te nemen. In die woning “zou makkelijk geld te verdienen zijn.” Verdachte wist dat de bewoonster een alleenstaande vrouw was.

Afgesproken was dat [medeverdachte 1] de woning binnen zou gaan.

[medeverdachte 1] is vervolgens naar de betreffende woning gelopen. [medeverdachte 2] en verdachte bleven achter in de auto.

Omdat [medeverdachte 1] nogal lang wegbleef, is verdachte polshoogte gaan nemen bij de woning. Op het moment dat verdachte de woning betrad, zag hij het slachtoffer op de grond liggen. Haar handen waren met tie-wraps geboeid.

Uiteindelijk hebben verdachte en [medeverdachte 1] de woning verlaten waarbij zij een geldkistje uit de woning hebben meegenomen.12

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte hem heeft verteld dat hij die vrouw zag liggen, dat het een hele oude vrouw was, maar dat het niet klopte dat [medeverdachte 1] zei dat het alleen maar een duwtje was geweest want heel haar gezicht was helemaal eh…dat kan niet van een duwtje zijn. [verdachte ] zei dat het er niet uitzag. Dat het leek alsof iemand er op los was gegaan.

Hij zei dat het leek alsof er iemand los was gegaan zoals hooligans bij voetbalwedstrijden. Een gezwollen hoofd dat het niet van een duwtje kon zijn. Dat de ogen dicht zaten en alles.13

Verdachte heeft op 2 februari 2017 verklaard dat hij bij de woningoverval binnen is geweest en dat hij toen hij binnenkwam het slachtoffer heeft zien liggen precies zoals [getuige 2] zegt. Hij zag dat ze stil lag en om zich heen keek.14

Het standpunt van het openbaar ministerie.

Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, te weten gekwalificeerde doodslag, tezamen en in vereniging met een ander gepleegd.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft vrijspraak ten aanzien van het primair ten laste gelegde bepleit. Er is geen sprake van enig bijdrage, laat staan van een bijdrage van voldoende gewicht, aan de dood van het slachtoffer.

De verdediging meent dat het subsidiair ten laste gelegde- te weten diefstal met geweld in vereniging gepleegd - kan worden bewezen, maar dat het overlijden van het slachtoffer niet aan verdachte kan worden toegerekend, nu de exacte doodsoorzaak niet is vastgesteld.

Voorts stelt de verdediging dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] over de rol van verdachte ongeloofwaardig zijn en niet worden ondersteund worden met andere bewijsmiddelen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal allereerst ingaan op de vraag of de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] bruikbaar zijn als bewijsmiddel tegen verdachte. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. [medeverdachte 1] heeft gedetailleerd en consistent over de aanloop naar en de toedracht van de woningoverval verklaard. Hij heeft daarbij zichzelf belast. In dit verband is van belang dat [medeverdachte 1] verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] belast, maar dit slechts in beperkte mate. [medeverdachte 1] belast met name en in veel ernstigere mate zichzelf. Dit alles maakt dat de rechtbank de verklaringen van [medeverdachte 1] bruikbaar acht als bewijs.

De rechtbank zal voorts ingaan op de vraag of de door de patholoog geconstateerde letsels daadwerkelijk zijn toegebracht op 29 augustus 2014 en of deze letsels hebben geleid tot het overlijden van het slachtoffer.

De verdediging heeft aangevoerd dat uit een wonddateringsonderzoek is gebleken dat er mogelijk sprake zou zijn van letsels bij het slachtoffer van enkele dagen oud. De verdediging meent dat deze oudere letsels evengoed de dood van het slachtoffer zouden kunnen verklaren.

De rechtbank ziet geen enkel aanknopingspunt in het dossier voor deze stelling van de verdediging. Uit het pathologisch onderzoek, alsmede uit het antwoord op de aanvullende vraag van de officier van justitie is naar het oordeel van de rechtbank de doodsoorzaak van het slachtoffer onomstotelijk gebleken.

Bovendien heeft het slachtoffer op de dag dat de woningoverval plaatsvond, ‘s-ochtends nog telefonisch contact gehad met haar dochter, waarbij het slachtoffer niets over eventueel letsel heeft vermeld.15

De rechtbank sluit zich dan ook aan bij de bevindingen van de patholoog en zal deze betrekken in de beoordeling van het bewijs.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 primair: de doodslag.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of kan worden bewezen dat verdachte zich met anderen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van doodslag.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De bijdrage van verdachte aan de dood van het slachtoffer moet daarbij van voldoende gewicht zijn.

De rechtbank stelt het navolgende vast.

- de patholoog heeft geconcludeerd dat meervoudig hevig stomp botsend geweld op het lichaam van het slachtoffer moet zijn uitgeoefend, waardoor zij zeer uitgebreid uitwendig en inwendig letsel heeft opgelopen; het overlijden van het slachtoffer, 86 jaar oud, kan goed kan worden verklaard op grond van verwikkelingen van dit ingewerkt uitwendig mechanisch (hevig) botsend geweld op het lichaam;

- de armen van het slachtoffer waren met tie-wraps zeer strak vastgebonden;

- het slachtoffer is in zwaargewonde en hulpeloze toestand vastgebonden en liggend uit het zicht van voorbijgangers alleen in haar woning achtergelaten;

- het slachtoffer is als gevolg van het op haar toegepaste geweld overleden.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij degene is geweest die geweld heeft toegepast op het slachtoffer. Verdachte betrad pas na dit geweld de woning. Volgens [medeverdachte 1] heeft verdachte geholpen met het vastbinden van de tie-wraps om de armen van het slachtoffer.

Verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer op de grond heeft zien liggen, maar hij heeft stellig ontkend dat hij het slachtoffer heeft aangeraakt en/of hulp heeft geboden bij het vastbinden met tie-wraps.

Er bevindt zich in het dossier geen bewijs dat de verklaring van [medeverdachte 1] op dit punt ondersteunt. Wel heeft verdachte het slachtoffer bij het verlaten van de woning in hulpeloze toestand achtergelaten. De rechtbank acht deze handeling van verdachte in de woning van het slachtoffer van onvoldoende gewicht voor een bewezenverklaring van het medeplegen van doodslag. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de primair ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 subsidiair: de diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend.

De rechtbank is van oordeel dat uit het vorenstaande wel blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten, zowel ten aanzien van de diefstal als het aangewende geweld. Verdachten zijn met het doel een woninginbraak te plegen naar de woning van het slachtoffer gereden, omdat [medeverdachte 2] had vernomen dat het slachtoffer daar een grote hoeveelheid contant geld zou bewaren.

Voorafgaande aan de woningoverval hebben ze gedrieën overleg gehad over wat te doen als de vrouw thuis zou zijn. Hierbij is het eventuele gebruik van tie-wraps ter sprake gekomen. Toen [medeverdachte 1] zag dat het slachtoffer thuis was heeft hij weer met de beide medeverdachten teruggekoppeld en is besloten de woningoverval door te laten gaan. [medeverdachte 1] heeft toen ook daadwerkelijk tie-wraps meegenomen naar de woning nadat verdachte hem deze in de auto had overhandigd.

De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte op de hoogte was van de mogelijkheid dat de diefstal gepaard zou gaan met geweld tegen het slachtoffer en dat hij er ernstig rekening mee moest houden dat zou ging gebeuren. Verdachte heeft zich met het toepassen van geweld verenigd.

Verdachte heeft - nadat hij de woning betrad- het slachtoffer op de grond zien liggen.

Verdachte zag ook dat haar handen met tie-wraps waren vastgebonden. Verdachte heeft daarop de woning doorzocht en heeft de woning samen met [medeverdachte 1] verlaten met achterlating van het ernstig gewonde, geboeide slachtoffer. Ze hebben een geldkistje uit de woning meegenomen. Het geldkistje is in de woning van [medeverdachte 2] geopend. In het geldkistje zat een gouden tientje, een gouden ketting en een chequeboekje.16

De rechtbank acht de handelingen van verdachte van voldoende gewicht om hem als medepleger van de diefstal met geweld te kwalificeren.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of het overlijden van het slachtoffer aan verdachte kan worden toegerekend.

Voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde strafverzwarende gevolg van het handelen van verdachte, te weten het overlijden van het slachtoffer, is niet vereist dat sprake is van opzet van verdachte op dat gevolg. Bij het strafverzwarende gevolg als bedoeld in artikel 312, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht gaat het immers om een geobjectiveerd bestanddeel, dat aan de opzeteis is onttrokken. Wel is vereist dat het gevolg redelijkerwijs aan verdachte kan worden toegerekend. Voor die toerekening dient in dit geval naast een causaal verband sprake te zijn van enige mate van voorzienbaarheid.

De rechtbank stelt vast dat het overlijden van verdachte het gevolg is van het geweld dat door medeverdachte [medeverdachte 1] voorafgaande aan de diefstal is uitgeoefend.

De rechtbank is van oordeel dat het toepassen van het geweld door [medeverdachte 1] voor verdachte voorzienbaar moet zijn geweest, nu die [medeverdachte 1] tie-wraps had meegenomen naar de woning van het slachtoffer; tie-wraps overigens die verdachte zelf in de auto aan [medeverdachte 1] had gegeven.

De verklaring van verdachte - afgelegd ter terechtzitting- dat hij niet heeft gezien dat het slachtoffer zwaargewond op de grond lag omdat hij alleen haar armen en benen kon zien, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk. Verwezen wordt naar de hierboven weergegeven verklaringen van [getuige 2] en van verdachte zelf op 2 februari 2017.

Verdachte heeft vervolgens samen met [medeverdachte 1] de woning verlaten, waarbij hij het hoogbejaarde slachtoffer zwaargewond, geboeid en uit het zicht van voorbijgangers heeft achtergelaten.

Dit maakt dat de gewelddadige dood van het slachtoffer ook aan verdachte kan worden toegerekend.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 29 augustus 2014 in de gemeente Helmond, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kistje met geld en sieraden, toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, - [slachtoffer] meermalen heeft geslagen, in elk geval (al dan niet met een voorwerp krachtig (mechanisch) geweld heeft uitgeoefend op het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer] en

- de handen van die [slachtoffer] met een tie-wrap heeft vastgebonden en - die [slachtoffer] in hulpeloze toestand heeft achter gelaten,

terwijl dat feit de dood van genoemde [slachtoffer] ten gevolge had;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van het openbaar ministerie.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

-een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van het openbaar ministerie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht om de door het openbaar ministerie gevorderde straf te matigen. De verdediging meent dat een gevangenisstraf van maximaal 7 jaar meer passend is.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig feit.

Verdachte is met twee anderen naar de woning van het hoogbejaarde slachtoffer gegaan met de intentie om daar een groot geldbedrag weg te nemen. Een van de medeverdachten is als eerste de woning binnen gegaan en heeft - toen hij geconfronteerd werd met de bewoonster- op gruwelijke, meedogenloze en nietsontziende wijze geweld op haar uitgeoefend. Als gevolg van het aangewende geweld is het slachtoffer diezelfde dag overleden.

Verdachte wordt weliswaar niet veroordeeld voor de doodslag, maar is wel medeverantwoordelijk voor het feit dat geweld is gebruikt tegen het slachtoffer. Bovendien heeft hij het slachtoffer liggend op de vloer in haar eigen woning, met haar armen geboeid met tie-wraps, volkomen machteloos, hulpeloos en zwaargewond achtergelaten nadat verdachte en een van zijn medeverdachten een geldkistje uit de woning hadden meegenomen. Verdachte heeft zich totaal niet om het slachtoffer bekommerd.

De samenleving in het algemeen, de gemeenschap in Helmond en de directe omgeving van het slachtoffer in het bijzonder zijn hierdoor ernstig geschokt.

Aan de nabestaanden van het slachtoffer is een groot en onherstelbaar leed toegebracht. Zij moeten leven met de wetenschap dat hun hoogbejaarde moeder en oma in de laatste uren van haar leven ernstige pijnen heeft geleden en zeer angstig is geweest. Uit de slachtofferverklaringen blijkt dat de nabestaanden nog dagelijks geconfronteerd worden met het verlies van hun moeder en oma en de brute wijze waarop zij om het leven is gebracht. Aan de nabestaanden is nog extra leed toegebracht doordat verdachte gedurende het gehele proces geen openheid van zaken heeft willen geven. Hij heeft telkens wisselende verklaringen afgelegd, waarin hij zijn eigen rol trachtte te bagatelliseren. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van na te melden duur.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan door het openbaar ministerie gevorderde straf, nu de rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan waarop het openbaar ministerie haar strafeis heeft gebaseerd.

De rechtbank van oordeel is dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [partij]

Het standpunt van het openbaar ministerie.

Het openbaar ministerie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij geheel hoofdelijk toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht om het gevorderde bedrag te matigen.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. Anders dan door de verdediging betoogd ziet de rechtbank in de omstandigheid dat de behandeling ter bestrijding van de PTSS-klachten zijn aangeslagen geen reden de - onderbouwde - vorderingen strekkende tot een vergoeding van shockschade, te matigen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De vordering van de benadeelde partij [zoon 1 slachtoffer] .

Het standpunt van het openbaar ministerie.

Het openbaar ministerie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij geheel hoofdelijk toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht om het gevorderde bedrag te matigen.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. Anders dan door de verdediging betoogd ziet de rechtbank in de omstandigheid dat de behandeling ter bestrijding van de PTSS-klachten zijn aangeslagen geen reden de – onderbouwde – vorderingen strekkende tot een vergoeding van shockschade, te matigen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 27, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht. DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

subsidiair diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het feit de dood ten gevolge heeft. verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. subsidiair:Gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. subsidiair:Maatregel van schadevergoeding van € 5.466,25 subsidiair 62 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [ben. partij] , van een bedrag van € 5.466,25, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van

€ 5.000,- immateriële schadevergoeding

(post shockschade) en € 466,25 materiële schadevergoeding (post uitvaartkosten).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [partij] van een bedrag van € 5.466,25, te weten € 5.000,- immateriële schadevergoeding (post shockschade) en € 466,25 materiële schadevergoeding (post uitvaartkosten).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

T.a.v. subsidiair:Maatregel van schadevergoeding van € 5.000,- subsidiair 60 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [zoon 1 slachtoffer] , van een bedrag van € 5000,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van

€ 5000,- immateriële schadevergoeding (post shockschade).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij: Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [zoon 1 slachtoffer] van een bedrag van € 5000,- te weten immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. H.A. van Gameren en mr. H.M. Hettinga, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken op 1 november 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche; Team Grootschalige Opsporing, onderzoek 22TGO14005 “Klimtouw”, aantal pagina’s: 3579. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

2 Proces-verbaal 112 meldingen d.d. 18 september 2014, proces-verbaal pag. 338-339.

3 Verklaring van getuige [getuige 1] d.d. 30 augustus 2014, proces-verbaal pag. 432.

4 Verklaring van getuige [ambulanceverpleger] d.d. 30 augustus 2014, proces-verbaal pag. 439-440.

5 Ambtelijk verslag van verbalisanten [verbalisanten] d.d. 2 maart 2017, proces-verbaal pag. 241-242.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 augustus 2014, proces-verbaal pag. 365.

7 Ambtelijk verslag van verbalisanten [verbalisanten] d.d. 2 maart 2017, proces-verbaal pag. 241.

8 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut “pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” d.d. 6 januari 2015, proces-verbaal pag. 2873.

9 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut “pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” d.d. 6 januari 2015, proces-verbaal pag. 2875.

10 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van Dr. [naam arts/patholoog] arts en patholoog, betreffende aanvullende vraag inzake 2014.08.29.028 (aanvraag 003) sectienr. 2014-215 d.d. 22 maart 2017.

11 Verklaring van [medeverdachte 1] afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 6 februari 2017 en de verklaring van [medeverdachte 1] afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 september 2017.

12 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 september 2017.

13 Verklaring van getuige [getuige 2] bij de politie., proces-verbaal pag. 2532 en 2538-2539

14 Verklaring [verdachte ] op 2 februari 2017, proces-verbaal pag. 2204 en 2207

15 Verklaring van [partij] d.d. 31 augustus 2014, proces-verbaal pag. 558.

16 Verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 september 2017.