Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:5668

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
02-11-2017
Zaaknummer
01/997515-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van kortgezegd valsheid in geschrift (als leidinggevende van een rechtspersoon), van art. 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen (geen juiste administratie voeren) en witwassen meermalen gepleegd.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Verbeurdverklaring ex art. 34 Sr ve niet in beslag genomen geldbedrag.

De rechtbank legt een hogere straf op dan door de officier van justitie was gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch,

Team strafrecht

Parketnummer: 01/997515-15

Datum uitspraak: 31 oktober 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1968] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 juni 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. [stichting] , verder te noemen 'de Stichting' op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand april 2008 tot en met de maand augustus 2014 in de gemeente Best, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleeen, (telkens) opzettelijk (een deel van) de administratie van de Stichting, zijnde (dat deel van) die administratie voornoemd (telkens) (een) (samenstel van) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst, hebbende de Stichting en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n) toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergeven- in (dat deel van) die administratie voornoemd opgenomen en/of verwerkt, althans doen of laten opnemen en/of verwerken:

18, althans een of meer bevestiging(en) t.b.v. donatie aan de Stichting, volgens de bevestiging(en) voornoemd (telkens) afkomstig van de Stichting, (telkens) betrekking hebbend op (een) door (een) potentiële donateur(s) aan de Stichting toegezegde donatie(s) (DOC-029A, DOC-030A1 tot en met DOC-030A3, DOC-032A, DOC-033A1, DOC-047A1, DOC-057A1 tot en met DOC-057A8, DOC-048A1 tot en met DOC-048A3),

zulks terwijl (telkens) in werkelijkheid (geheel of gedeeltelijk) geen sprake was van (een) toegezegde donaties(s) aan de Stichting (maar van het (telkens) (geheel of gedeeltelijk) in rekening brengen van gefactureerde werkzaamheden door de Stichting en/of door (de aan de Stichting gelieerde) [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] ,

zulks (telkens) met het oogmerk om voormeld(e) geschrift(en) (telkens) als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

(art. 225 lid 1 jo art. 51 Wetboek van Strafrecht)

2. [bedrijf 1] , verder te noemen 'de B.V.', op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 25 maart 2009 tot en met de maand augustus 2014 in de gemeente Best, in elk geval in Nederland, (telkens) als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen, opzettelijk een zodanige administratie niet heeft gevoerd, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft de B.V. en/of (een of meer van) haar mededader(s) toen aldaar opzettelijk -zakelijk weergegeven- geen (kopie-)verkoopfacturen in verband met een of meer verkopen/verkoop van goederen en/of levering(en) van diensten opgenomen en/of verwerkt en/of voorhanden gehad in de (bedrijfs)administratie van de B.V., te weten terzake van (onder meer) een of meer levering(en) en/of dienst(en), door de B.V. verricht aan/ten behoeve van

= [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] voor een of meer bedrag(en) tot een totaalbedrag groot EURO 8.095,- of daaromtrent (paragraaf 3.2.6 zaaksproces-verbaal 1 van het eindproces-verbaal) en/of

= [betrokkene 3] voor een of meer bedrag(en) tot een totaalbedrag groot EURO 29.500,- of daaromtrent (paragraaf 3.2.11 zaaksproces-verbaal 1 van het eindproces-verbaal) en/of

= [betrokkene 4] voor een of meer bedrag(en) tot een totaalbedrag groot EURO 36.000,- of daaromtrent (paragraaf 3.2.10 zaaksproces-verbaal 1 van het eindproces-verbaal),

hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare feit(en) en/of (telkens) feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 69 lid 1 jo art 53 Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 51 Wetboek van Strafrecht)

3. hij op twee, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 maart 2016 tot en met 2 mei 2016 in de gemeente(n) Best en/of Amsterdam, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een of meer voorwerp(en), te weten = een (contant) bedrag aan geld groot NLG 100.000 of daaromtrent en/of

= een (contant) bedrag aan geld groot NLG 101.000 of daaromtrent, in elk geval (telkens) een of meer (contante) bedrag(en) aan geld, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten een of meer van voornoemde (contant(e)) bedrag(en) aan geld gebruik heeft gemaakt,

door (telkens) tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, (telkens) voornoemd(e) (contant(e)) bedrag(en) aan geld ter omwisseling in euro's aan te bieden bij De Nederlandse Bank;

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans (telkens) redelijkerwijs moest vermoeden dat die/dat voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf;

(artikel 420bis lid 1 onder b juncto artikel 420quater lid 1 onder b Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich, conform het op schrift gestelde requisitoir, op het standpunt gesteld dat de drie ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging.

Aangezien verdachte de feiten zoals ten laste gelegd onder feit 1 en 2 - met uitzondering van de gedragingen betreffende [betrokkene 5] - ter terechtzitting heeft bekend, heeft de verdediging zich ten aanzien van de bewezenverklaring van deze twee feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte dient partieel vrijgesproken te worden voor wat betreft de onder feit 1 ten laste gelegde gedragingen inzake [betrokkene 5] .. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat de donatiebevestigingen aan [betrokkene 5] niet valselijk zijn opgemaakt, nu [betrokkene 5] daadwerkelijk tot drie maal toe heeft gedoneerd gedaan aan [stichting] (hierna: ‘de Stichting’). Deze drie donaties stonden los van de door de [bedrijf 1] (hierna: ‘de B.V.’) verrichtte werkzaamheden. Voor de verrichte werkzaamheden heeft [betrokkene 5] facturen ontvangen van de B.V. Aan de aangetroffen offertes kunnen geen conclusies ontleend worden. [betrokkene 5] heeft ervoor gekozen niet alle geoffreerde werkzaamheden door de B.V. te laten uitvoeren, waardoor de uiteindelijke facturen lager zijn uitgevallen dan de offertes die zijn uitgebracht.

De verdediging heeft ook vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 3. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat er geen direct bewijs is dat de gelden waarop de witwasgedragingen van verdachte betrekking zouden hebben afkomstig zijn van enig misdrijf. Op grond van de feiten en omstandigheden kan evenmin worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat de gelden direct of indirect afkomstig zijn uit enig misdrijf. Verdachte heeft een verklaring afgelegd over de legale herkomst van het geld en deze verklaring is concreet, aannemelijk en geloofwaardig. Gelet op het voorgaande kan er geen veroordeling volgen ter zake van feit 3.

Bewijsoverwegingen.

Ten aanzien van feit 1:

De door de verdediging gevoerde verweren ten aanzien van de onder feit 1 ten laste gelegde gedragingen met betrekking tot de drie donatiebevestigingen betreffende [betrokkene 5] [DOC030-A1 t/m A3] merkt de rechtbank aan als bewijsverweren. Deze verweren worden weerlegd door de inhoud van de - in de bijlage opgenomen - bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 3:

Beoordelingskader witwassen

De rechtbank stelt allereerst vast dat het onderzoek in de onderhavige strafzaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat de gelden waarop de witwasgedragingen van verdachte betrekking zouden hebben van enig misdrijf afkomstig zijn.

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals het onderhavige, waarin geen direct bewijs voor de herkomst van geld of goederen uit brondelicten aanwezig is, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld of de goederen direct of indirect uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. De toetsing door de rechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien van een dergelijk vermoeden sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de (legale) herkomst van het geld of de goederen. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Indien en voor zover een aan die eisen beantwoordende verklaring van de verdachte daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte af te leiden, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat om die reden een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Ook de onderhavige verwijten zullen aan de hand van dit toetsingskader worden beoordeeld.

Vermoeden van witwassen

Op basis van de bewijsmiddelen - zoals opgenomen in het bewijsmiddelenoverzicht dat als bijlage aan dit vonnis is gehecht - wordt van het volgende uitgegaan. Op 7 maart 2016 heeft verdachte een geldbedrag van 100.000 gulden bij De Nederlandsche Bank (hierna DNB) te Amsterdam aangeboden ter inwisseling voor euro’s. Het bedrag bestond uit 100 biljetten van 1000 gulden en vertegenwoordigde een waarde van 45.378,02 euro. Verdachte heeft DNB opdracht gegeven het geldbedrag van 45.378,02 euro te storten op zijn bankrekening. Op 2 mei 2016 heeft [betrokkene 6] - in het bijzijn van en geïnstrueerd door verdachte - een geldbedrag van 101.000 gulden bij DNB te Amsterdam aangeboden ter inwisseling voor euro’s. Het geldbedrag dat door [betrokkene 6] werd aangeboden was afkomstig van verdachte en bestond uit 79 biljetten van 1000 gulden, 20 biljetten van 250 gulden en 170 biljetten van 100 gulden. Het totaalbedrag vertegenwoordigde een waarde van 45.831,80 euro. Verdachte was voornemens het geldbedrag door DNB op de bankrekening van [betrokkene 6] te laten storten.

De rechtbank overweegt dat:

- het bewaren van grote contante geldbedragen, in totaal 201.000,-- gulden, ongebruikelijke risico’s met zich mee brengt;

- Nederlandse guldens per 1 januari 2002 hun waarde hebben verloren en tot 1 januari 2007 konden worden ingewisseld bij banken voor euro’s en dat het zeer ongebruikelijk is dat gelet op de hoogte van de geldbedragen van die mogelijkheid geen gebruik is gemaakt;

- dat bankbiljetten van 1000 gulden in het tijdperk van de gulden nauwelijks werden gebruikt in het legale economisch handelsverkeer, net zoals dat nu het geval is met bankbiljetten van 500 euro. Banken geven dergelijke bankbiljetten niet spontaan uit, wat onder meer blijkt uit het feit dat deze biljetten ook niet uit een geldautomaat gepind kunnen (en konden) worden. Slechts op aanvraag bestaat de mogelijkheid dat deze bankbiljetten bij de bank worden opgenomen of worden omgewisseld en dan slechts nog bij het opnemen of omwisselen van grote bedragen in één keer. Veelal worden bankbiljetten met deze waarde gebruikt als crimineel handelsgeld en in die zin worden dergelijke biljetten veelvuldig gebruikt in het kader van witwassen van crimineel geld;

- de grote contante geldbedragen in guldens nimmer door verdachte in zijn aangiften inkomstenbelasting aan de Belastingdienst bekend zijn gemaakt in de periode 2001 tot en met 2014;

- dat [bedrijf 3] , het moederbedrijf waarvan verdachte bestuurder en enig aandeelhouder was, in 1997 actief is geworden en in 2002 failliet is gegaan en dat op 6 oktober 2004 de rechtspersoon is ontbonden omdat geen bekende baten aanwezig waren.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een vermoeden van witwassen en van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft aangaande de herkomst van voormelde geldbedragen.

Verklaring verdachte

Over de herkomst van de twee contante geldbedragen van in totaal 201.000 gulden heeft verdachte verklaard dat dit niet afkomstig was van de inkomsten uit zijn eigen lasbedrijf. Hij zou het geld namelijk al eerder bij elkaar gespaard hebben, te weten in de periode van 1989 tot en met 1994. Verdachte was indertijd werkzaam als fotolasser en werkte via verschillende uitzendbureaus. Hij werkte 60 tot 65 uur per week en verdiende daarmee 1200 tot 1400 gulden per week. Verdachte leefde zeer zuinig en kon hierdoor 600 tot 800 gulden per week sparen. Verdachte legde dit geld opzij ten behoeve van zijn pensioen. Met uitzondering van zijn broer, die inmiddels overleden is, wist niemand in de omgeving van verdachte van het bij elkaar gespaarde geldbedrag. Verdachte heeft dit geldbedrag al die tijd verborgen gehouden voor zijn omgeving omdat hij bang was dit kwijt te raken aan zijn

(ex-)vrouwen die volgens verdachte een spreekwoordelijk ‘gat in de hand’ hadden. Hij heeft het geldbedrag ook nooit eerder aangewend omdat de noodzaak hiertoe eerder niet bestond, aldus verdachte.

Gelet op de omstandigheid dat de broer van verdachte is overleden en er volgens verdachte verder niemand anders op de hoogte was van het gespaarde geldbedrag, zijn er geen getuigen die kunnen bevestigen dat het geldbedrag van verdachte een legale herkomst heeft. Verdachte beschikt ook niet over documenten, zoals jaaropgaves of loonstroken van de betreffende uitzendbureaus, waarmee hij zijn verklaring kan staven. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat de aangedragen verklaring over de legale herkomst van het geld op geen enkele wijze wordt onderbouwd en als zodanig onvoldoende concreet en in het geheel niet verifieerbaar is.

Voorts overweegt de rechtbank dat zij de verklaring van verdachte over de herkomst van het geldbedrag hoogst onwaarschijnlijk acht. Het bevreemdt allereerst ten zeerste dat iemand pas in 2016 201.000 guldens zou willen omwisselen, die hij al sinds ruim voor de invoering van de euro in zijn bezit zou hebben ten behoeve van zijn pensioen. De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte inhoudende dat hij het gespaarde geldbedrag altijd verborgen heeft gehouden voor zijn omgeving uit angst dit geldbedrag kwijt te raken aan (ex-)vrouwen. Verdachte is immers niet voortdurend getrouwd geweest sinds 1994, en bovendien kan een ieder er voor kiezen een geldbedrag ook na huwelijksvoltrekking niet gemeenschappelijk te laten zijn. De rechtbank acht evenmin geloofwaardig dat verdachte dit geldbedrag al tussen 1989 en 1994 bij elkaar gespaard zou hebben en nadien nooit meer zou hebben aangeraakt, zoals hij ter zitting heeft verklaard. De rechtbank acht ongeloofwaardig dat er in het verleden nooit een noodzaak zou hebben bestaan tot het aanwenden van (een deel van) het gespaarde geldbedrag, gelet op het faillissement van het lasbedrijf van verdachte alsmede de slechte financiële situatie waarin verdachte (en de aan hem gelieerde bedrijven) nadien verkeerd heeft (hebben).

Conclusie

Gelet op de hiervoor als onvoldoende concreet, niet verifieerbaar en ongeloofwaardig aangemerkte verklaring van verdachte omtrent de legale herkomst van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de contante geldbedragen van 100.000 gulden en 101.000 gulden die verdachte op 7 maart 2016 en op 2 mei 2016 te Amsterdam voorhanden heeft gehad, heeft omgezet en waar verdachte gebruik van heeft gemaakt - onmiddellijk of middellijk - afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte daarvan op de hoogte was. Het verweer van de verdediging is hiermee verworpen.

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van de inhoud van de - in de bijlage opgenomen - bewijsmiddelen acht de rechtbank de drie ten laste gelegde feiten, zoals omschreven onder de bewezenverklaring, wettig en overtuigend bewezen.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat:

1. [stichting] , verder te noemen 'de Stichting' op tijdstippen in de periode vanaf de maand april 2008 tot en met de maand augustus 2014 in de gemeente Best, telkens opzettelijk (een deel van) de administratie van de Stichting, zijnde (dat deel van) die administratie voornoemd een samenstel van geschriften dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende de Stichting toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergeven - in (dat deel van) die administratie voornoemd opgenomen en/of verwerkt: 18 bevestigingen t.b.v. donatie aan de Stichting, volgens de bevestigingen voornoemd telkens afkomstig van de Stichting, telkens betrekking hebbend op een door een potentiële donateur aan de Stichting toegezegde donatie (DOC-029A, DOC-030A1 tot en met DOC-030A3, DOC-032A, DOC-033A1, DOC-047A1, DOC-057A1 tot en met DOC-057A8, DOC-048A1 tot en met DOC-048A3),

zulks terwijl telkens in werkelijkheid geen sprake was van een toegezegde donatie aan de Stichting maar van het telkens in rekening brengen van gefactureerde werkzaamheden door [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] ,

zulks telkens met het oogmerk om voormelde geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte telkens opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

2. [bedrijf 1] , verder te noemen 'de B.V.', op tijdstippen in de periode vanaf 25 maart 2009 tot en met de maand augustus 2014 in de gemeente Best, telkens als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen, opzettelijk een zodanige administratie niet heeft gevoerd, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft de B.V. toen aldaar opzettelijk - zakelijk weergegeven – geen verkoopfacturen in verband met verkopen van goederen en/of leveringen van diensten opgenomen en/of verwerkt in de bedrijfsadministratie van de B.V., te weten terzake van (onder meer) leveringen en/of diensten, door de B.V. verricht aan/ten behoeve van:

= [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] tot een totaalbedrag groot EURO 8.095,- of daaromtrent en

= [betrokkene 3] tot een totaalbedrag groot EURO 29.500,- of daaromtrent en

= [betrokkene 4] tot een totaalbedrag groot EURO 36.000,- of daaromtrent,

hebbende hij, verdachte, telkens opdracht gegeven tot die strafbare feiten.

3. hij op twee tijdstippen, op 7 maart 2016 en 2 mei 2016, in de gemeente Amsterdam, telkens een voorwerp, te weten: = een contant bedrag aan geld groot NLG 100.000 en

= een contant bedrag aan geld groot NLG 101.000,

heeft voorhanden gehad en omgezet, en van een voorwerp, te weten van voornoemde contante bedragen aan geld gebruik heeft gemaakt, door telkens voornoemde contante bedragen aan geld ter omwisseling in euro's aan te bieden bij De Nederlandse Bank, terwijl hij, verdachte, telkens wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zich bij de bepaling van de strafmaat niet beperkt tot de gevallen zoals opgenomen in de tenlastelegging onder feit 1 en 2, maar rekening houdt met de omstandigheid dat er in 179 van de 306 onderzochte gevallen sprake is van valsheid in geschrift en belastingfraude. Het dossier geeft er immers blijk van dat in 179 gevallen sprake was van een zogenaamde donatie aan de Stichting, terwijl in werkelijkheid tegenover deze betalingen werkzaamheden van de B.V’s [bedrijf 1] of [bedrijf 2] hebben gestaan. Gelet op deze 179 gevallen dient uitgegaan te worden van een minimaal benadelingsbedrag aan omzetbelasting van 58.990 euro en inkomstenbelasting van 139.740 euro. Voor het witwassen dient uitgegaan te worden van een benadelingsbedrag van 91.209,82 euro, waardoor het totale nadeel uitkomt op 289.939,82 euro. Gelet op de omvang van de benadeling en de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds heeft doorgebracht in voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Daarnaast heeft de officier van justitie kenbaar gemaakt voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank zich bij de berekening van het benadelingsbedrag en de - daarmee samenhangende - bepaling van de strafmaat dient te beperken tot de gevallen zoals ten laste gelegd en bewezenverklaard. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte ontkent zich in alle 179 gevallen schuldig te hebben gemaakt aan valsheid in geschrift en belastingfraude. Bovendien is er door de FIOD geen onderzoek gedaan naar al deze gevallen, waardoor er enkel sprake is van een veronderstelling en nadrukkelijk geen bewijs dat er in deze 179 gevallen gefraudeerd is. De rechtbank dient, gelet op de bewezenverklaring van hetgeen expliciet ten laste is gelegd onder feit 1 en 2 alsmede de bepleitte vrijspraak ten aanzien van feit 3, dan ook uit te gaan van een aanzienlijk lager benadelingsbedrag. Onder verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte, dient aan verdachte opgelegd te worden een flinke taakstraf, zo nodig aangevuld met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Voorts houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Strafverzwarende omstandigheden

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan dan wel opdracht geven tot het plegen van valsheid in geschrift en belastingfraude. De [stichting] heeft de administratie valselijk opgemaakt door in de administratie een groot aantal donatiebevestigingen op te nemen, terwijl er in werkelijkheid geen donaties zijn gedaan aan de Stichting. De betalingen die aan de Stichting zijn gedaan onder de noemer van “donatie”, bleken in werkelijkheid betalingen te zijn van klanten ten behoeve van in hun opdracht verrichte werkzaamheden. Deze werkzaamheden zijn uitgevoerd door [bedrijf 1] Verdachte adviseerde zijn klanten betalingen te doen in de vorm van een donatie en deze zogenaamde ‘gift’ als aftrekpost op te voeren bij de aangifte inkomstenbelasting. Aangezien het in werkelijkheid niet ging om een gift, hadden deze klanten helemaal geen recht op belasting teruggave. Door de handelswijze van verdachte is er dan ook ten onrechte te weinig inkomstenbelasting geheven. [bedrijf 1] heeft in dit verband steeds opzettelijk nagelaten de facturen van de geleverde diensten of verkochte goederen te verwerken of op te nemen in haar bedrijfsadministratie. Doordat er geen facturen zijn opgemaakt is er geen BTW in rekening gebracht aan de klanten en is er te weinig omzetbelasting afgedragen door de B.V.. De rechtbank overweegt dat de Stichting en de B.V.’s van verdachte voordeel hebben gehad bij het plegen van deze delicten. Er zijn gelden van de B.V.’s bij de Stichting terecht gekomen, over deze gelden is geen omzetbelasting geheven en de B.V.’s hebben lagere prijzen kunnen hanteren door geen BTW in rekening te brengen. Verdachte heeft door zijn handelswijze de Belastingdienst en daarmee de Staat der Nederlanden en de samenleving voor een aanzienlijk geldbedrag benadeeld. Bovendien is door de handelswijze van verdachte het vertrouwen dat moet kunnen worden gesteld in de belastingplichtige ondernemer ernstig geschaad. Concurrenten van de B.V.’s van verdachte zijn benadeeld door de oneerlijke concurrentiepositie die verdachte heeft gecreëerd.

In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank ook mee dat hij in het verleden al twee keer eerder veroordeeld is wegens frauduleus handelen en dat deze veroordelingen hem er niet van hebben weerhouden opnieuw de fout in te gaan. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

Hoewel er slechts een aantal gevallen zijn uitgelicht in het dossier en zijn opgenomen in de uiteindelijke tenlastelegging, is de rechtbank van oordeel dat het dossier er blijk van geeft dat in 179 van de 306 onderzochte gevallen sprake is geweest van frauduleus handelen. Daartoe is het volgende van belang. Uit het boekenonderzoek van de FIOD is gebleken dat in 179 gevallen betalingen zijn gedaan aan de Stichting onder de noemer van “donatie” of “gift”, terwijl er tegelijkertijd werkzaamheden zijn uitgevoerd door B.V.’s. Naar 13 van deze donaties heeft de FIOD nader onderzoek gedaan. Bij deze 13 gevallen is sprake geweest van frauduleus handelen en heeft de rechtbank overeenkomsten geconstateerd in werkwijze, waaronder: donatiebevestigingen die zich achter werkprojecten bevinden, het ontbreken van facturen, donatiebevestigingen naast deelbetalingen op een factuur, aangetroffen berekeningen met schriftelijke uitleg van het voordeel en de aftrekbaarheid van een “gift”, het aantal donaties in korte tijd door een zelfde persoon, het sommeren binnen een bepaalde termijn de donatie te betalen en donaties die geen ronde bedragen betreffen. Uit het proces-verbaal van de FIOD blijkt dat eenzelfde werkwijze is terug te vinden in de overige 179 gevallen. Gelet op het feit dat alle 13 uitgewerkte gevallen daadwerkelijk frauduleus handelen betroffen, de overeenkomsten in handelen tussen deze gevallen en het feit dat ook in de overige gevallen diezelfde werkwijze is aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat bij alle 179 gevallen op dezelfde manier gefraudeerd is als bij de gevallen zoals opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank zal dan ook alle 179 gevallen betrekken bij haar oordeel over de strafmaat. Het verweer is hiermee verworpen.

Bij de afdoening van deze zaak gaat de rechtbank ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde [valsheid in geschrift en belastingfraude] uit van een benadelingsbedrag 198.730 euro. Dit benadelingsbedrag bestaat uit een bedrag aan omzetbelasting ad 58.990 euro en een bedrag aan inkomstenbelasting ad 139.740 euro.

Naast bovengenoemde feiten heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan witwassen van twee grote contante geldbedragen van in totaal 201.000 gulden. Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de criminele herkomst van gelden wordt verhuld. Dat kan vanwege het corrumperende effect op de samenleving niet worden getolereerd. De rechtbank stelt het benadelingsbedrag ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde vast op een bedrag van 91.209,82 euro.

Gelet op het voorgaande wordt het totale nadeel van de drie bewezen verklaarde feiten vastgesteld op 289.939,82 euro.

Strafmatigende omstandigheden.

De rechtbank houdt rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank komt immers tot een veroordeling van het bewezenverklaarde, terwijl dit onder meer strafbare feiten betreffen die gepleegd zijn in de periode voorafgaand aan een eerdere veroordeling van verdachte.

De strafsoort, strafmaat en strafmodaliteit

De verdediging heeft verzocht over te gaan tot het opleggen van taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt zoals omschreven in de oriëntatiepunten inhoudt dat bij frauduleuze delicten van deze omvang een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden aangewezen is. De rechtbank acht, gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, oplegging van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf dan ook niet aan de orde. De rechtbank overweegt dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal een deel van deze gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en - gezien de ernst van de feiten - geboden is.

Beslag en een geldbedrag van 45.378,00 euro (zijnde: 100.000,00 gulden).

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van de onder hem inbeslaggenomen administratie, met uitzondering van de documenten die kunnen worden aangemerkt als valselijk opgemaakt, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van bepaalde inbeslaggenomen goederen.

De rechtbank zal een niet in beslag genomen geldbedrag dat toebehoort aan verdachte en met betrekking tot welk geldbedrag het onder 3 ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit is begaan, verbeurd verklaren. Dit betreft een geldbedrag van 100.000,00 gulden dat verdachte op 7 maart 2016 bij DNB heeft ingewisseld voor euro’s en welk geldbedrag vervolgens door DNB op zijn bankrekening is gestort. De rechtbank schat dit bedrag op 45.378,00 euro. De rechtbank is van oordeel dat verdachte dit geldbedrag dient te betalen. Om te effectueren dat verdachte dit bedrag daadwerkelijk betaalt, zal de rechtbank bepalen dat dit bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door 261 dagen hechtenis.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 33, 33a, 34, 51, 57, 63, 91, 225, 420bis.

Algemene wet inzake Rijksbelastingen art. 68, 69, 72.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2:

opzettelijk een feit begaan, omschreven in artikel 68, tweede lid, onderdeel d, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 3:

witwassen, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

Gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Teruggave van inbeslaggenomen goederen

De rechtbank gelast, met uitzondering van de documenten die kunnen worden aangemerkt als valselijk opgemaakt, de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten diverse documenten [goednummer: OI2956-55526-DOC-001t/m088/div. documenten], aan verdachte die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

T.a.v. feit 3:

Verbeurdverklaring van niet in beslaggenomen goederen

De rechtbank verklaart verbeurd een niet in beslag genomen geldbedrag van 45.378,00 euro (vijfenveertigduizend driehonderdachtenzeventig euro).

De rechtbank legt aan verdachte op de verplichting tot betaling van dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 261 (tweehonderdeenenzestig) dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. M.E.L. Hendriks en mr. A.C. Palmboom, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. de Haas, griffier,

en is uitgesproken op 31 oktober 2017.