Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:5628

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
27-10-2017
Datum publicatie
02-11-2017
Zaaknummer
6221358 EJ 17-374
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

De aanspraak van de curator op een bedrag van € 8.824,33 aan niet bevrijdend betaald salaris kan niet gelden als een nevenverzoek in de zin van artikel 7:686a lid 3 BW.

Van een met het einde van de arbeidsovereenkomst samenhangende vordering is bij dit onderdeel van het verzochte naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake.

Het geschil over betaling van het (reeds aan de werknemer voldane) loon aan de curator/de boedel heeft geen samenhang met het eindigen van de arbeidsovereenkomst noch met een finale afrekening tussen werkgever en werknemer, die ertoe leidt dat zij niets meer van elkaar hebben te vorderen.

Anders dan met artikel 7:686a lid 3 BW is beoogd, is er in casu ook geen, althans onvoldoende processueel voordeel te behalen met beslechting van dit onderdeel van het verzoek in onderhavige procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5679
INS-Updates.nl 2017-0363
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 6221358

EJ verz. : 17-374

Uitspraak : 27 oktober 2017

Beschikking in de zaak van:

mr. Marnix Mos, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de heer [gefailleerde] ,

wonende te Utrecht, kantoorhoudende te Nieuwegein,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. J.E.S. Dolmans,

tegen

[verweerder] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. N.S. Arendsen.

Verzoekende partij zal hierna worden genoemd “de curator” en “ [gefailleerde] ” en verwerende partij zal hierna worden genoemd “ [verweerder] ”.

1 Het procesverloop

1.1.

De curator heeft een verzoek gedaan om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding, een vergoeding wegens de onregelmatige opzegging, achterstallig salaris en om [verweerder] te veroordelen om deugdelijke bruto/netto specificaties te verstrekken.

[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 6 oktober 2017 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht en de gemachtigden van beide partijen hebben de standpunten nader toegelicht aan de hand van pleitnotities. Voorafgaand aan de zitting heeft de gemachtigde van de curator bij fax van 4 oktober 2017 nog productie 5 in het geding gebracht en hij heeft ter zitting nog een leesbaar exemplaar van deze productie overgelegd en een kopie van een whatsappbericht dat ook als bijlage 3 bij het verzoekschrift is overgelegd.

1.3.

Ten slotte is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 19 juli 2016 is [gefailleerde] in staat van faillissement verklaard.

2.2.

[gefailleerde] is op 23 januari 2017 in dienst getreden bij [verweerder] in de functie van chauffeur.

2.3.

Op 6 juni 2017 is [gefailleerde] op staande voet ontslagen. In de brief van [verweerder] van 8 juni 2017 aan [gefailleerde] staat, voor zover hier van belang: “(…) Via deze weg wil ik nogmaals vragen waarom u zonder reden niet op u Werk bent verschenen..

Ondanks dat wij een afspraak met u hadden gemaakt en dat u als chauffeur al een tijdje werkzaam bent bij ons .. ….

Hebt u zonder geldige reden ons laten zitten met talloze schades en div andere ellende.

Ik wil u er nogmaals op wijzen dat we deze schades en onnodige kosten bij u in rekening brengen

Aub zsm de pasjes cmr s en de sleutels van de vrachtwagen retour .. (…)”

3 Het verzoek

3.1.

De curator verzoekt de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen:

1) tot betaling aan hem van een billijke vergoeding conform artikel 7:681 lid 1 BW;

2) tot betaling aan hem van een bedrag gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren/van rechtswege zou zijn geëindigd, zijnde het salaris berekend van 6 juni 2017 tot en met 31 december 2017 (inclusief vakantietoeslag), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2017 tot de dag der algehele voldoening;

3) tot betaling aan hem van het salaris over de periode van 23 januari 2017 tot 21 mei 2017 ad € 8.824,33 bruto, te vermeerderen met de vertragingsvergoeding ex artikel 7:625 BW van 50%;

4) tot betaling aan hem van het salaris over de periode van 21 mei 2017 tot 6 juni 2017, te vermeerderen met de vertragingsvergoeding ex artikel 7:625 BW van 50%;

5) om binnen vier weken na betekening van deze beschikking aan hem deugdelijke netto/bruto specificaties te verstrekken, waarin de bedragen en betalingen van de punten 1 tot en met 4 zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [verweerder] niet voldoet aan de beschikking, met een maximum van € 10.000,00;

6) om binnen vier weken na betekening van deze beschikking aan hem een schriftelijke en deugdelijke eindafrekening te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [verweerder] niet voldoet aan de beschikking, met een maximum van € 10.000,00;

7) om aan hem te betalen de buitengerechtelijke kosten;

8) tot betaling aan hem van de wettelijke rente over de onder 1, 3, 4, 5, 6 en 7 genoemde bedragen vanaf de opeisbaarheid van die bedragen tot de dag der algehele voldoening;

9) in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van deze beschikking;

10) in de nakosten, te begroten op € 131,00 aan salaris advocaat te vermeerderen met, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de beschikking heeft voldaan, een bedrag van

€ 68,00 aan salaris gemachtigde en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

3.2.

Aan zijn verzoeken legt de curator ten grondslag dat geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet, zodat [verweerder] de arbeidsovereenkomst met [gefailleerde] heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW, en dat het aan [gefailleerde] betaalde salaris moet worden voldaan aan de faillissementsboedel. Ter onderbouwing daarvan heeft de curator het volgende naar voren gebracht.

Door [gefailleerde] en [verweerder] is mondeling afgesproken dat de arbeidsovereenkomst, waarvan de curator niet op de hoogte was, van tijdelijke aard is en zou lopen tot 31 december 2017. Het bruto salaris bedraagt € 2.063,54 per vier weken exclusief 8% vakantietoeslag. De arbeidsovereenkomst is niet op schrift gesteld en er is geen sprake van een tussentijds opzegbeding. Op 5 juni 2017 om 17:15 uur heeft [gefailleerde] zich met een whatsapp-bericht ziek gemeld. Op 6 juni 2017 om 11:50 uur schrijft [verweerder] vervolgens aan [gefailleerde] dat hij niet meer welkom is en dit is bevestigd bij brief van 8 juni 2017 (weergegeven onder 2.3.). Dit is echter geen rechtsgeldig ontslag. [verweerder] heeft de arbeidsovereenkomst met [gefailleerde] opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Door niet rechtsgeldig op te zeggen, heeft [verweerder] ernstig verwijtbaar gehandeld. De curator maakt daarom aanspraak op een billijke vergoeding en acht een vergoeding van € 30.000,00 redelijk. Verder maakt de curator aanspraak op een vergoeding wegens de onregelmatige opzegging door [verweerder] . Omdat geen sprake is van een tussentijds opzegbeding wordt betaling verzocht van een bedrag gelijk aan het vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, zijnde van 6 juni 2017 tot en met 31 december 2017. Over dit bedrag is [verweerder] ook de wettelijke rente verschuldigd.

Daarnaast maakt de curator aanspraak op het salaris van [gefailleerde] over de periode van 21 mei tot 6 juni 2017, vermeerderd met de wettelijke verhoging, nu dit salaris niet is voldaan alsmede op overlegging van deugdelijke salarisspecificaties en een deugdelijke eindafrekening.

Ook vordert de curator het reeds door [verweerder] aan [gefailleerde] betaalde salaris dat tot 21 mei 2017 is voldaan. Deze betalingen hadden in verband met het faillissement van [gefailleerde] betaald moeten worden aan de boedelrekening. De door [verweerder] rechtstreeks aan [gefailleerde] verrichte betalingen ten bedrage van € 8.824,33 zijn niet bevrijdend geweest. Ook over dit bedrag is [verweerder] de wettelijke verhoging verschuldigd.

Verder maakt de curator aanspraak op rente en kosten.

4 Het verweer

[verweerder] heeft zich verweerd tegen het verzoek. Hij heeft – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Vanaf de aanvang van het dienstverband met [gefailleerde] heeft [verweerder] problemen ervaren met [gefailleerde] . Zo is [gefailleerde] meerdere malen te laat op het werk en bij klanten verschenen. Verder heeft [gefailleerde] in de korte periode dat hij voor [verweerder] heeft gewerkt diverse verkeersovertredingen begaan, namelijk op 30 januari 2017, op 14 februari 2017, op 24 februari 2017, op 11 april 2017 en op 1 juni 2017. De ziekmelding van [gefailleerde] op 5 juni 2017 is niet telefonisch gedaan maar per whatsapp naar de reservetelefoon van [verweerder] , terwijl een ziekmelding telefonisch dient te geschieden. [verweerder] heeft de ziekmelding pas een dag later gezien en deze ziekmelding was, gelet op de hele voorgeschiedenis met [gefailleerde] , de druppel die de emmer deed overlopen. [gefailleerde] is dan ook terecht op staande voet ontslagen en er bestaat geen grond voor toekenning van de billijke vergoeding. Ook al zou het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig zijn, dan nog heeft [verweerder] niet ernstig verwijtbaar gehandeld. Hij heeft zich immers genoodzaakt gezien tot het geven van het ontslag als gevolg van de ernstig verwijtbare gedragingen van [gefailleerde] . [gefailleerde] is meermaals aangesproken op de door hem begane verkeersovertredingen en hij heeft [verweerder] meermaals zeer onbehoorlijk aangesproken. Verder heeft [gefailleerde] met zijn eigen auto getankt met de tankpas van [verweerder] . Mocht de kantonrechter toch overgaan tot toekenning van een billijke vergoeding dan dient deze, gelet op het gedrag van [gefailleerde] , op nihil te worden gesteld. Bovendien zou de arbeidsovereenkomst tussen partijen van rechtswege eindigen op 2 juli 2017. In de aan [gefailleerde] voorgelegde, maar niet ondertekende arbeidsovereenkomst (productie 6 bij het verweerschrift) staat immers 2 juli 2017 als einddatum. Bij de vaststelling van de hoogte van een eventuele billijke vergoeding dient uit te worden gegaan van deze beëindigingsdatum. De vergoeding wegens onregelmatige opzegging kan niet meer bedragen dan het salaris tot 2 juli 2017, zijnde de einddatum van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Verder dient deze vergoeding, indien deze wordt toegekend, in mindering te strekken op de billijke vergoeding.

Voorts is aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst ook zonder het ontslag van 6 juni 2017 op korte termijn zou zijn beëindigd gelet op de verstoring van de arbeidsverhouding tussen partijen als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van [gefailleerde] . In de arbeidsovereenkomst is een tussentijdse opzeggingsmogelijkheid opgenomen, zodat de arbeidsovereenkomst met inachtneming van de opzegtermijn van een maand kon worden opgezegd.

Het salaris over de periode 21 mei 2017 tot 6 juni 2017 is ingehouden wegens de afwikkeling van de door [gefailleerde] gereden schades. Dit deel van het verzochte moet daarom worden afgewezen.

Het salaris over de periode van 23 januari 2017 tot 21 mei 2017 is betaald op het door [gefailleerde] opgegeven rekeningnummer. Van een faillissement is [verweerder] niet op de hoogte gesteld. De curator had van de gedane betalingen op de hoogte kunnen en moeten zijn. De curator heeft [verweerder] pas na het einde van de dienstverband aangeschreven over de salarisbetalingen en [verweerder] is er terecht vanuit gegaan dat hij het loon op gebruikelijke wijze aan [gefailleerde] heeft mogen voldoen. Het is in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat het voldoen van salarisbetalingen buiten het faillissement aan [gefailleerde] , voor rekening en risico van [verweerder] komt. De curator is degene geweest die geen onderzoek heeft gedaan naar de financiële situatie van [gefailleerde] . Dit deel van de vordering moet dan ook worden afgewezen. Mocht dit onderdeel van het verzochte wel worden toegewezen dan dient bij de hoogte rekening gehouden te worden met het vrij te laten loon.

Omdat het loon steeds tijdig aan [gefailleerde] is voldaan, is er geen grond voor het opleggen van een wettelijke verhoging, die geldt als betalingsprikkel voor een onwillige werkgever, dan wel dient de verhoging gematigd te worden tot nihil.

Verder heeft [verweerder] verweer gevoerd tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het aan [gefailleerde] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is en of en zo ja welke vergoedingen er aan hem moeten worden toegekend.

5.2.

De curator, die in casu ingevolge artikel 25 van de Faillissementswet optreedt, heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

5.3.

De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat in zaken die voortvloeien uit de Wet werk en zekerheid (Wwz), zoals deze zaak, het bewijsrecht in beginsel van toepassing is, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet.

5.4.

Een ontslag op staande voet is wegens het ontbreken van ontslagbescherming een uiterst middel met voor de werknemer ingrijpende gevolgen. Een dergelijk ontslag moet dan ook aan strenge formele en inhoudelijke eisen voldoen. Bij de beoordeling of een dergelijk ontslag gerechtvaardigd is, moeten alle omstandigheden worden betrokken, zoals de reden en aanleiding van het van het ontslag, maar ook de omstandigheden van het geval, de duur van de arbeidsrelatie en de wijze waarop daar invulling aan is gegeven.

De kantonrechter is van oordeel dat de aanleiding voor het ontslag op staande voet, blijkens de brief van 8 juni 2017 het zonder reden niet op het werk verschijnen door [gefailleerde] en het rijden van schades, geen dringende reden voor ontslag oplevert. [gefailleerde] heeft zich immers ziek gemeld en dan kan niet worden aangenomen dat hij zonder reden niet op het werk is verschenen of dat sprake is van werkweigering. Dat hij zich per whatssapp en niet – conform voorschrift - telefonisch heeft ziekgemeld maakt het voorgaande naar het oordeel van de kantonrechter niet anders. Verder staat er in de brief van 8 juni 2017 weliswaar genoemd dat [gefailleerde] schades heeft gereden, maar dit wordt niet nader geconcretiseerd, terwijl voor een werknemer duidelijk moet zijn waarop een ontslag op staande voet is gebaseerd. Die duidelijkheid is ten aanzien van de schades niet gegeven. Ook is niet gesteld of gebleken dat ten tijde van het ontslag aan [gefailleerde] is medegedeeld welke schades door hem zouden zijn gereden en wat hem precies verweten wordt. De schades kunnen dan niet als dringende reden voor een ontslag op staande voet worden aangemerkt, temeer niet daar het merendeel van de schades geruime tijd voor de ontslagdatum zou zijn veroorzaakt. Alle andere incidenten die volgens [verweerder] zijn voorgevallen tussen partijen zijn niet ten grondslag gelegd aan het ontslag op staande voet en kunnen dus niet worden meegenomen bij de vraag of het gegeven ontslag rechtsgeldig is.

De conclusie is dat een dringende reden voor het ontslag op staande voet ontbreekt en dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW.

5.5.

De verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging is, gelet op het voorgaande, toewijsbaar. Ingevolge artikel 7:672 lid 9 BW is [verweerder] die vergoeding verschuldigd, omdat hij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding wegens onregelmatige opzegging is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Partijen zijn het erover eens dat er een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot stand is gekomen, maar tussen partijen bestaat discussie over de einddatum van de arbeidsovereenkomst. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat 2 juli 2017 heeft te gelden als einddatum van de arbeidsovereenkomst, nu hij met [gefailleerde] heeft afgesproken dat de arbeidsovereenkomst een half jaar zou duren. Volgens de curator is mondeling 31 december 2017 als einddatum van de arbeidsovereenkomst tussen [gefailleerde] en [verweerder] afgesproken.

Voor het bepalen van de hoogte van de verzochte vergoeding wegens onregelmatig opzegging is van belang dat vast komt te staan tot welke datum de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Nu geen der partijen het ingenomen standpunt van een deugdelijke onderbouwing heeft voorzien, kan nog geen einddatum worden vastgesteld en dient bewijsvoering uitsluitsel te geven. De kantonrechter tekent ten aanzien van de ondeugdelijke onderbouwing aan dat ingevolge artikel 7:655 lid 1 sub e BW een werkgever, indien de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten, verplicht is een schriftelijke of elektronische opgave te verstrekken met daarin de duur van de arbeidsovereenkomst. [verweerder] heeft verwezen naar een arbeidsovereenkomst die is overgelegd als productie 6 bij het verweerschrift. Deze arbeidsovereenkomst is echter door geen van partijen ondertekend en door de curator is betwist dat deze arbeidsovereenkomst weergeeft wat tussen [gefailleerde] en [verweerder] is overeengekomen. Zonder aanvullend bewijs kan er derhalve niet van worden uitgegaan dat deze overeenkomst de afspraken tussen [gefailleerde] en [verweerder] weergeeft. [verweerder] zal in de gelegenheid worden gesteld te bewijzen dat partijen 2 juli 2017 als einddatum van de arbeidsovereenkomst overeen zijn gekomen. Indien [verweerder] niet slaagt in zijn bewijsopdracht, staat daarmee nog niet de door de curator gestelde einddatum vast. De curator verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt daaromtrent naar de door hem als productie 5 en ter zitting overgelegde verklaring van dienstbetrekking. Op het exemplaar van de verklaring dat door beide partijen is ondertekend, is bij “datum einde dienstbetrekking” 31 december 2017 vermeld. Deze datum is echter handmatig aangepast zonder een handtekening of paraaf van partijen waaruit volgt dat die wijziging tussen hen is overeengekomen. Gelet op de uitdrukkelijke betwisting van [verweerder] dat ten tijde van de ondertekening van deze verklaring hierop de datum van 31 december 2017 stond vermeld, kan de kantonrechter niet uitgaan van de juistheid van die datum. Bovendien is die verklaring geen arbeidsovereenkomst. De verklaringen van dienstbetrekking waarop als “datum einde dienstverband” 31 december 2017 in getypte versie staat vermeld, zijn niet door [verweerder] ondertekend en kunnen – mede bezien in het licht van de betwisting van die datum en van hetgeen is vermeld over de hierboven genoemde verklaring - om die reden geen uitsluitsel geven omtrent 31 december 2017 als overeengekomen einddatum. Hierbij komt nog dat [verweerder] onweersproken heeft gesteld dat een verklaring van dienstbetrekking zoals is overgelegd, gemakkelijk door een ieder is in te vullen die beschikt over het codenummer. Om 31 december 2017 als overeengekomen einddatum te kunnen aanvaarden dient dus eveneens (aanvullend) bewijs geleverd te worden. De kantonrechter zal de curator hiertoe in de gelegenheid stellen. Wegens proceseconomische redenen zullen partijen tegelijk in de gelegenheid worden gesteld om bewijs te leveren van hun stelling.

5.6.

De curator heeft verder aanspraak gemaakt op een billijke vergoeding. Ter zitting heeft hij de hoogte daarvan bijgesteld naar € 15.000,00. De kantonrechter zal de beslissing over de hoogte van de billijke vergoeding aanhouden in afwachting van de uitkomst van de bewijslevering. De rechter dient de billijke vergoeding immers te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval (vgl. Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 32-34, en nr. 4, p. 61) en bij deze omstandigheden weegt ook de hoogte van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging mee.

5.7.

Verder heeft de curator nog aanspraak gemaakt op een bedrag van € 8.824,33 bruto aan niet bevrijdend betaald salaris over de periode 23 januari 2017 tot 21 mei 2017. De kantonrechter is ten aanzien van dit verzoek van oordeel dat dit niet kan gelden als een nevenverzoek in de zin van artikel 7:686a lid 3 BW. Dit artikel bepaalt dat in gedingen die op het in, bij of krachtens deze afdeling (de afdeling handelend over het einde van de arbeidsovereenkomst) bepaalde zijn gebaseerd, daarmee verband houdende andere vorderingen kunnen worden ingediend met een verzoekschrift (in plaats van met een dagvaarding). Ratio van dit artikel is blijkens de toelichting van de regering dat met elkaar samenhangende geschilpunten die bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst of herstel daarvan worden ingesteld, in één gerechtelijke procedure worden beslecht. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om vorderingen uit achterstallig loon, uit hoofde van een tussen partijen aangegaan concurrentiebeding of rond (de terugbetaling van) een aan de werknemer toegekende transitievergoeding.

Van een met het einde van de arbeidsovereenkomst samenhangende vordering is echter bij dit onderdeel van het verzochte naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. Het geschil over betaling van het (reeds aan de werknemer voldane) loon aan de curator/de boedel heeft geen samenhang met het eindigen van de arbeidsovereenkomst noch met een finale afrekening tussen werkgever en werknemer, die ertoe leidt dat zij niets meer van elkaar hebben te vorderen, Anders dan met artikel 7:686a lid 3 BW is beoogd, is er in casu ook geen, althans onvoldoende processueel voordeel te behalen met beslechting van dit onderdeel van het verzoek in onderhavige procedure. Immers, als de curator in het gelijk gesteld wordt, dan zal [verweerder] naar verwachting het reeds aan [gefailleerde] voldane loon willen terugvorderen. Hiertoe zal hij alsdan een nieuwe procedure moeten starten, aangezien hem de mogelijkheid ontbreekt om [gefailleerde] in onderhavige procedure in vrijwaring te roepen.

Gelet op het voorgaande zal de curator in dit onderdeel van het verzoek bij eindbeschikking niet ontvankelijk worden verklaard.

5.8.

Ten aanzien van het achterstallige loon over de periode van 21 mei 2017 tot 6 juni 2017 overweegt de kantonrechter als volgt. Niet in geschil is dat [verweerder] het loon over deze periode niet heeft betaald aan [gefailleerde] . [verweerder] heeft aangevoerd dat hij deze betaling heeft ingehouden omdat hij voornemens is de door [gefailleerde] veroorzaakte schade met het nog verschuldigde loon te verrekenen. De kantonrechter overweegt dat het [verweerder] als werkgever is toegestaan om schades en boetes bij het einde van het dienstverband te verrekenen op de eindafrekening. Nu er niet om vernietiging van het ontslag op staande voet is verzocht maar om vervangende vergoedingen, is het dienstverband met [gefailleerde] op 6 juni 2017 geëindigd. Uit de bij het verweerschrift gevoegde onderbouwing van de stelling van [verweerder] dat [gefailleerde] boetes en schade heeft veroorzaakt, volgt de conclusie dat [verweerder] van haar bevoegdheid tot verrekening gebruik mag maken. Het verzochte salaris over de periode van 21 mei 2017 tot 6 juni 2017 zal dan ook bij eindbeschikking worden afgewezen.

5.9.

De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing in afwachting van de bewijslevering door partijen.

6 De beslissing

6.1.

laat [verweerder] toe te bewijzen dat hij met [gefailleerde] 2 juli 2017 als einddatum van de arbeidsovereenkomst overeen is gekomen;

6.2.

laat de curator toe te bewijzen dat [gefailleerde] en [verweerder] 31 december 2017 als einddatum van de arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen;

6.3.

bepaalt indien partijen dit bewijs wensen te leveren door middel van het doen horen van getuigen, dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden in het Gerechtsgebouw te
‘s-Hertogenbosch, Leeghwaterlaan 8, voor mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, kantonrechter;

6.4.

bepaalt dat partijen zich uiterlijk op 16 november 2017 dienen uit te laten over:

  1. of zij van de gelegenheid tot bewijslevering door getuigen gebruik zullen maken;

  2. zo ja, hoeveel getuigen zij zullen voorbrengen, en

  3. over welke verhinderdata zij in dat geval hebben voor de periode van drie maanden na genoemde datum, waarna een dag(deel) voor het getuigenverhoor zal worden bepaald, dan wel zal worden voort geprocedeerd;

6.5.

bepaalt dat partijen, indien zij het bewijs niet (enkel) door getuigen willen leveren maar (mede) door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, dit uiterlijk op 16 november 2017 aan de kantonrechter en aan hun wederpartij moeten opgeven;

6.6.

bepaalt dat partijen uiterlijk acht dagen voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en hun wederpartij moeten toesturen,

6.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, kantonrechter en op

27 oktober 2017 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter