Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:5601

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
31-10-2017
Zaaknummer
5843646 CV EXPL 17-2171
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verzoek medehuurderschap wordt toegewezen, nu geen van de weigeringsgronden van artikel 7:267 lid 3 BW zich voordoet.

Er is sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen vader en zoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2018/75
JHV 2017/40 met annotatie van mr. T. Gardenbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 5843646

Rolnummer : 17 – 2171

Uitspraak : 26 oktober 2017

in de zaak van

[gedaagde sub 1]

en

[gedaagde sub 2]

beiden wonende te [woonplaats]

eisers

gemachtigde mr. P.R. Mars

tegen

Stichting BrabantWonen

gevestigd te Oss

gedaagde

gemachtigde mr. drs. Van Wylick.

Partijen zullen “ [gedaagden] ”, c.q. “vader” ( [gedaagde sub 1] ) en “zoon” ( [gedaagde sub 2] ) en “BrabantWonen” worden genoemd.

Procedure

Vader en zoon [gedaagden] hebben deze zaak aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 maart 2017.

BrabantWonen heeft schriftelijk verweer gevoerd.

Bij tussenvonnis van 22 juni 2017 heeft de kantonrechter een mondelinge behandeling, comparitie van partijen, bepaald. Deze heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017. Voor deze zitting hebben vader en zoon [gedaagden] bij akte producties in het geding gebracht. Deze akte is na bezwaar van BrabantWonen geweigerd voor wat de bij deze akte gegeven toelichting op de producties betreft. De toelichting is vervolgens mondeling ter zitting door de gemachtigde van vader en zoon [gedaagden] verstrekt.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

Feiten

Vader [gedaagde sub 1] huurt sinds 1971 van BrabantWonen de woning aan de [adres] . Zijn zoon woont sinds 23 augustus 2010 in deze woning.

De zoon heeft zich op 14 juli 2016 telefonisch tot BrabantWonen gewend met het verzoek hem als medehuurder aan te merken. BrabantWonen heeft dit verzoek afgewezen met als argument:

“Kinderen kunnen namelijk geen duurzaam gemeenschappelijke huishouding met hun ouders voeren volgens het huurrecht, vandaar dat er geen medehuurderschap kan worden verleend”.

Bij brief van 23 september 2016 heeft de gemachtigde van vader en zoon [gedaagden] zich namens hen tot BrabantWonen gewend met een herhaald en beargumenteerd verzoek de zoon als medehuurder aan te merken. Ook dit verzoek is door BrabantWonen afgewezen. Zij heeft daarbij opgemerkt dat, wanneer aangetoond kan worden dat er sprake zou zijn van een duurzaam gemeenschappelijke huishouding en er sprake zou zijn van zorg, zij “de casus opnieuw” zou “bekijken”.

Bij brief van 29 november 2016 heeft de gemachtigde van vader en zoon [gedaagden] zich andermaal tot BrabantWonen gewend en daarbij een aantal bewijsstukken toegestuurd. Deze zijn door BrabantWonen in haar brief van 5 december 2016 als onvoldoende aangemerkt. Zij heeft haar standpunt niet herzien en meegedeeld:

“Mocht de heer [gedaagde sub 1] de woning opzeggen of komen te overlijden dan zal de heer [gedaagde sub 2] de woning ook moeten verlaten”.

Vordering en verweer

In dit geding vorderen vader en zoon [gedaagden] voor recht te verklaren dat de zoon met ingang van de dag van de dagvaarding althans een door de kantonrechter te bepalen tijdstip medehuurder van de woning zal zijn, met veroordeling van BrabantWonen in de proceskosten en de nakosten.

Zij stellen dat de zoon in 2010 bij zijn vader is ingetrokken om voor hem te zorgen. De echtgenote van vader was toen overleden. Vader is ziek en behoeft de zorg van de zoon. Vader en zoon voeren een duurzaam gemeenschappelijke huishouding en wensen deze voort te zetten. Zij stellen bovendien dat de zoon geruime tijd, 22 jaar, op zichzelf heeft gewoond en dat hij, toen hij bij zijn vader introk, een door hem tot dat moment van BrabantWonen gehuurde woning heeft achtergelaten en ter beschikking van BrabantWonen heeft gesteld.

BrabantWonen bestrijdt de vorderingen van vader en zoon [gedaagden] .

Zij stelt dat het verzoek te laat zou zijn gedaan, dat geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, dat evenmin sprake is van zorg van de zoon voor zijn vader en dat de zoon onvoldoende financiële waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur.

Op hetgeen partijen verder ter toelichting op hun vordering en hun verweer hebben gesteld zal de kantonrechter voor zoveel nodig onder de beoordeling ingaan.

Beoordeling

Inleiding

De rechter kan een vordering als de onderhavige slechts afwijzen op de volgende gronden (artikel 7: 267 lid 3 BW):

– indien de beoogde medehuurder niet gedurende tenminste twee jaren in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft,

– indien, mede gelet op hetgeen is komen vast te staan omtrent de gemeenschappelijke huishouding en de tijdsduur daarvan, de vordering kennelijk slechts de strekking heeft de beoogde medehuurder op korte termijn de positie van huurder te verschaffen,

en

– indien de beoogde medehuurder vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur.

Verzoek te laat

BrabantWonen heeft aangevoerd dat in het licht van het feit dat de zoon al ruim zes jaar in het gehuurde zijn hoofdverblijf zou hebben het verzoek tot medehuurderschap “te laat” of “rijkelijk laat” is gedaan, namelijk voor het eerst medio september 2016. Zij stelt dat haar “rechtszekerheidsbelang” verlangt dat met het doen van een verzoek tot medehuurderschap niet onredelijk lang gewacht kan worden. Zij stelt dat zes jaar onredelijk lang is. Zij verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015 (ECLI:NL:HR: 2015: 2193).

De kantonrechter onderschrijft dit standpunt niet. Niet is toegelicht en ook niet valt in te zien dat enig “rechtszekerheidsbelang” van BrabantWonen geschaad is doordat het verzoek in 2016 is ingediend.

De verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad faalt. De Hoge Raad heeft in dit arrest geoordeeld dat een redelijke toepassing van artikel 7: 267 BW meebrengt dat de rechter de bevoegdheid heeft om een verzoek als het onderhavige toe te wijzen ook na de beëindiging van de duurzame gemeenschappelijke huishouding mits dat verzoek zo spoedig mogelijk na die beëindiging is gedaan als in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kan worden gevergd.

In dit geval is geen sprake van de beëindiging van de gemeenschappelijke huishouding. Vader en zoon wonen samen in het gehuurde en niet is gesteld of gebleken dat zij van zins zijn deze samenwoning te beëindigen.

Dit verweer van BrabantWonen faalt dus.

Duurzame gemeenschappelijke huishouding

Dat de zoon de huurovereenkomst met betrekking tot de door hem van BrabantWonen gehuurde woning in 2010 heeft opgezegd en daarna bij zijn vader is gaan wonen is door BrabantWonen niet bestreden. Dit feit is naar het oordeel van de kantonrechter van groot gewicht voor de beoordeling van de vraag of vader en zoon in 2010 een duurzame gemeenschappelijke huishouding zijn aangegaan. Als dat niet hun bedoeling zou zijn geweest dan zou de zoon deze huurovereenkomst niet hebben opgezegd.

Evenzeer staat vast, dat vader en zoon thans ruim zeven jaar samen in de woning wonen. Ook dit is door BrabantWonen niet bestreden en door [gedaagden] bewezen met een op 11 september 2017 gedateerd uittreksel uit de basisregistratie personen van de gemeente ‘s-Hertogenbosch. (bijlage bij de akte ter comparitie).

Uit niets is gebleken dat vader en zoon aan deze situatie op kortere of langere termijn een einde wensen te maken.

Vader en zoon [gedaagden] hebben verder hun stelling dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding onderbouwd met de stelling dat op de door de zoon ontvangen uitkering op grond van de Participatiewet de kostendelersnorm wordt toegepast. Deze stelling hebben zij onderbouwd met een brief van de gemeente ‘s-Hertogenbosch van die strekking van 8 mei 2015.

Ter onderbouwing van hun stelling hebben zij verder een verklaring inkomensindicatie voor de inkomensafhankelijke huurverhoging van de belastingdienst overgelegd van 5 april 2016 waaruit blijkt dat het huishoudinkomen is gebaseerd op twee personen.

Zij hebben ook een schriftelijke verklaring van hun dochter c.q. zus van 16 november 2016 overgelegd. Deze verklaart dat de zoon vanaf 2010 bij haar vader woont en de zorg voor hem op zich heeft genomen. Zij verklaart dat na het overlijden van hun moeder vader ziek is geworden. Hij leed aan een chronische Q koorts met complicaties. Zij verklaart dat vader thans lijdende is aan kanker. Hij is zorgbehoevend en de zoon verleent deze zorg. Hij doet de boodschappen, het huishouden, hij kookt en gaat met vader naar het ziekenhuis.

Dat vader zorgbehoevend is blijkt uit een brief van 14 oktober 2016 van het Jeroen Bosch Ziekenhuis aan BrabantZorg. De brief bevat een uitgebreide ziektegeschiedenis en eindigt met het verzoek aan BrabantZorg om tweemaal per dag ADL zorg te verlenen. Vader kan niet optimaal voor zichzelf zorgen en heeft ondersteuning nodig bij het wassen, douchen en aankleden.

Vader en zoon hebben voor de comparitie een cliëntkaart van BrabantZorg overgelegd van 27 april 2017 waarin onder meer wordt vermeld dat de zoon als mantelzorger bij vader inwoont sinds diens echtgenote is overleden. De zoon doet het huishouden, de boodschappen, het koken, gaat mee naar afspraken et cetera. Uit deze cliëntkaart blijkt verder dat de zoon waar nodig helpt met aan- en uitkleden.

Tenslotte hebben vader en zoon voor de comparitie een verklaring van 20 juni 2017 overgelegd van mevrouw [naam wijkverpleegkundige] , wijkverpleegkundige. Zij verklaart dat BrabantZorg sinds 20 oktober 2016 thuiszorg aan vader verleent en wel op dinsdag en zaterdag. Uit deze verklaring blijkt dat de zoon altijd in de woning aanwezig is en dat het in verband met de gezondheidstoestand van de vader van belang is dat er altijd iemand in de buurt is.

BrabantWonen heeft bij conclusie van antwoord gezegd dat vader en zoon [gedaagden] niet hebben gesteld noch bewezen waaruit de zorg van de zoon aan de vader zou bestaan. De brief van het Jeroen Bosch Ziekenhuis is, zo stelt BrabantWonen , gericht aan BrabantZorg en bevat het verzoek aan BrabantZorg tweemaal daags zorg te verlenen aan de vader.

De kantonrechter stelt vast dat de wijkverpleegkundige heeft verklaard dat BrabantZorg tweemaal per week bij vader aan huis komt om zorg te verlenen en dat de rest aan zorg door de zoon wordt gedaan.

BrabantWonen voert ook aan dat de brief van het Jeroen Bosch Ziekenhuis dateert van 14 oktober 2016 en dat daarmee niet kan worden aangetoond dat de zoon zes jaar eerder bij de vader is komen wonen om voor hem te zorgen.

Dit argument begrijpt de kantonrechter niet goed. De brief van het Jeroen Bosch Ziekenhuis bevat een uitvoerige ziektegeschiedenis en bevestigt onder meer dat in 2009 sprake was van chronische Q koorts met complicaties. Dit, in verband met de verklaring van de dochter c.q. zus, maakt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk, dat ook in 2010 sprake was van een zorgbehoefte aan de kant van vader, waarin door de zoon is voorzien.

Dat in de brief van het Jeroen Bosch Ziekenhuis van 14 oktober 2016 de dochter als contactpersoon wordt genoemd is, mede in het licht van hetgeen overigens is aangevoerd, geen reden te veronderstellen dat de zoon in 2010 bij de vader is ingetrokken en daar woonachtig is gebleven om een andere redenen dan om voor hem te zorgen. Bij de comparitie heeft de zus c.q. dochter verklaard dat zij fulltime werkt en kinderen heeft. Zij is niet in de gelegenheid haar vader die zorg te verlenen die hij nodig heeft. Zij heeft ook mondeling op de comparitie verklaard dat de zoon alles voor haar vader doet en ook al een aantal keren in ernstige situaties heeft moeten ingrijpen.

BrabantWonen heeft bij conclusie van antwoord verder betwist dat het destijds de bedoeling was dat de zoon duurzaam bij zijn vader zou intrekken. Zij stelt dat het er meer op lijkt dat het intrekken van de zoon in beginsel als tijdelijke oplossing was bedoeld.

Dit verder door BrabantWonen niet gemotiveerde argument strandt naar het oordeel van de kantonrechter reeds op het feit dat de zoon in 2010 de langdurig door hem bewoonde woning aan BrabantWonen heeft “teruggegeven”. Indien sprake zou zijn van een tijdelijke oplossing, zoals BrabantWonen stelt, dan zou de zoon zijn eigen woning niet hebben opgegeven. Evenzeer is onaannemelijk dat de zoon een korting op zijn uitkering zou accepteren als hij slechts in het kader van een tijdelijke oplossing bij zijn vader zou zijn ingetrokken. Dit alles daargelaten, de “tijdelijke oplossing” duurt thans reeds ruim zeven jaar.

BrabantWonen heeft bij de comparitie van partijen nog aangevoerd dat geen sprake is van de voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding vereiste wederkerigheid. Er zou geen gemeenschappelijke rekening zijn, de enkele zorg van de zoon voor de vader impliceert volgens BrabantWonen geen wederkerigheid.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan wederkerigheid in het kader van een duurzame gemeenschappelijke huishouding ook bestaan in een situatie als de onderhavige waarbij vader en zoon ieder belang hebben bij de samenleving nu ieder van hen op zijn eigen wijze een bijdrage kan leveren aan de gemeenschappelijke huishouding. Vader en zoon [gedaagden] hebben bij de comparitie gesteld dat vader de huur betaalt en zoon de huishoudelijke lasten. Uit al hetgeen door vader en zoon is gesteld volgt dat de zoon aan zijn vader zorg verleent omdat hij de zoon is van zijn vader en niet een willekeurige verpleger. Het is dus de vader – zoon relatie die aan de basis ligt van de gezamenlijke woonsituatie. Ook dat betekent wederkerigheid. Dat de bijdragen aan de gezamenlijke huishouding op een vergelijkbare hoogte zouden moeten staan en evenwichtigheid zouden moeten behelzen is een eis die de wet niet stelt en die overigens ook niet strookt met de veelvormigheid waarmee de Nederlanders hun relaties en gemeenschappelijke huishoudingen vormgeven (Hof Arnhem – Leeuwarden 7 maart 2017 (ECLI:NL:GHARL: 2017: 1891; WR 2017,86).

Het moge zo zijn, dat vorderingen als de onderhavige kritisch moeten worden bezien wanneer het gaat om kinderen en ouders, het gaat dan wel om het uitgangspunt dat kinderen gebruikelijk op enig moment het ouderlijk huis verlaten. Deze situatie doet zich hier niet voor. De zoon heeft geruime tijd geleden het ouderlijk huis verlaten en is daarin weer teruggekeerd.

Naar het oordeel van de kantonrechter hebben vader en zoon [gedaagden] voldoende aangetoond dat zij sinds 2010 een gezamenlijke en duurzame huishouding voeren.

Onvoldoende financiële waarborg

BrabantWonen heeft bij conclusie van antwoord gesteld van mening te zijn dat de zoon onvoldoende financiële waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. De overgelegde financiële stukken zouden te oud zijn.

De kantonrechter passeert dit argument. Vader geniet een AOW uitkering en zoon een uitkering op grond van de Participatiewet. Een AOW uitkering is kennelijk voldoende. Een uitkering op grond van de Participatiewet is dat ook. Aangenomen moet worden dat de zoon eventueel een huurtoeslag zou kunnen krijgen.

Conclusie

Dat de vordering kennelijk slechts de strekking heeft de zoon op korte termijn de positie van huurders te verschaffen is niet gesteld of gebleken.

De conclusie uit het voorgaande moet zijn dat geen van de weigeringsgronden van artikel 7: 267 lid 3 zich voordoen, zodat de vordering moet worden toegewezen.

Ten overvloede

BrabantWonen heeft in haar conclusie van antwoord geciteerd uit haar brief van 5 december 2016 waarin zij onder meer heeft geschreven dat de zoon de woning moet verlaten als vader zou komen te overlijden. Bij gelegenheid van de comparitie heeft de vertegenwoordigster van BrabantWonen verklaard dat de zoon zich voor het verkrijgen van andere woonruimte tot een andere partij dan een sociale verhuurder zou kunnen wenden.

Om in aanmerking te kunnen komen voor een woning van een sociale verhuurder in de gemeente ‘s-Hertogenbosch of omgeving moet men – dit is een feit van algemene bekendheid – een periode van 6 tot 8 jaar als woningzoekende ingeschreven staan.

Andere, commerciële, verhuurders rekenen huurbedragen die de zoon niet kan betalen.

Dit zo zijnde is de kantonrechter van oordeel – naast en los van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de wettelijke weigeringsgronden – dat het in deze zaak maatschappelijk onacceptabel en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als de zoon na het overlijden van vader de woning zou moeten verlaten. Hij heeft gedaan wat heden ten dage van hem als familielid en mantelzorger wordt verwacht. Hij heeft daarbij zijn eigen woning opgegeven en ter beschikking van BrabantWonen gesteld, zodat BrabantWonen deze woning aan een andere woningzoekende kon verhuren. Hij heeft de korting op zijn uitkering de koop toegenomen. Door zijn zorg kon de door BrabantZorg aan zijn vader verleende zorg worden beperkt van tweemaal per dag tot tweemaal per week en zijn dus ook op dat front kosten bespaard.

In deze zin onderschrijft de kantonrechter de inbreng van de dochter c.q. zus bij gelegenheid van de comparitie van partijen.

Proceskosten

Omdat BrabantWonen ongelijk krijgt zal zij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Beslissing

De kantonrechter

bepaalt dat [gedaagde sub 2] met ingang van 20 maart 2017 medehuurder zal zijn van de woning aan de [adres] ;

veroordeelt BrabantWonen in de kosten van dit geding, tot vandaag aan de kant van vader en zoon [gedaagden] begroot op € 800,00 als bijdrage in de kosten van de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW hierover met ingang van de 15e dag na de dagtekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

veroordeelt BrabantWonen in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,00 te vermeerderen met de eventueel noodzakelijke kosten van betekening van dit vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over deze nakosten met ingang van de 15e dag na de dagtekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.M. van der Ham en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 oktober 2017 in aanwezigheid van de griffier.