Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:5579

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
01/865058-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren voor een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van het slachtoffer op een begraafplaats.

Overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank volstaat met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865058-14

Datum uitspraak: 25 oktober 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 september 2017.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 11 oktober 2017 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 mei 2014 te Eindhoven (op of nabij de begraafplaats [naam] ), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet een vuurwapen heeft gericht op die [slachtoffer] en/of een kogel in zijn richting heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 mei 2014 te Eindhoven [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend - die [slachtoffer] toegeroepen: "Je staat op de dodenlijst" en/of "ik schiet je kapot [bijnaam] , je gaat eraan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of - met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (in de richting

van die [slachtoffer] gewezen en/of dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer] getoond en/of (daarmee) geschoten en/of (daarmee) een knallend geluid veroorzaakt (gelijkend op een pistoolschot) en/of - vuurwerk in de richting van die [slachtoffer] gegooid en/of tot ontploffing gebracht;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van de bewijsmiddelen. 1

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie rekwireert tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde maar acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde en van het subsidiair ten laste gelegde ten aanzien van het tweede gedachtestreepje. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

[slachtoffer] (hierna: aangever) heeft bij de politie als volgt verklaard.

Op 14 mei 2014 omstreeks 16:59 uur kwam verdachte met zijn auto met hoge snelheid naar de begraafplaats [naam] te Eindhoven gereden. Verdachte stapte uit zijn auto en riep naar aangever: “Je staat op de dodenlijst. Ik schiet je kapot [bijnaam] . Je gaat eraan”. De bijnaam van aangever was [bijnaam] . Verdachte stond buiten het kerkhof op de [adres 2] op een afstand van ongeveer 30 à 35 meter van aangever. Aangever zag dat verdachte een vuurwapen in zijn rechterhand had en het op hem richtte. Aangever hoorde een schot en zag een vuurpluim uit het wapen van verdachte komen. 2


De partner van aangever, [getuige 1] , heeft verklaard dat zij verdachte naar aangever hoorde roepen: “Gij staat ook op de dodenlijst”. Zij zag aangever naar verdachte lopen en hoorde een harde knal. Toen zij in de richting van verdachte keek, zag zij dat die een pistool in zijn hand had. 3

Hun dochter, [getuige 2] , was op dat moment ook aanwezig op voornoemde begraafplaats. Zij heeft verklaard dat zij geschreeuw hoorde en een harde knal. Zij zag verdachte aan de buitenzijde van het hek staan en zag dat hij een pistool in zijn handen had. 4

Verdachte heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij naar de begraafplaats is gegaan om te zeggen dat het op moest houden. 5 Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij een zwaar kaliber rotje naar het hoofd van aangever heeft gegooid. Bij zijn aanhouding had verdachte twee stuks knalvuurwerk type Cobra op zak.

Verdachtes toenmalige vriendin, [getuige 3] , heeft (voor het eerst op 18 juni 2014) verklaard dat zij in de auto van verdachte aanwezig was en dat zij verdachte hoorde roepen tegen aangever. 6 Ook heeft [getuige 3] verklaard dat verdachte een rotje naar aangever gooide.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat er een langlopend conflict tussen verdachte en aangever (en diens familie) bestond. Hetgeen maakt dat de betrouwbaarheid van de verklaringen aan beide zijden zorgvuldig moeten worden beoordeeld, daar waar mogelijk aan de hand van objectieve bewijsmiddelen.

Vaststaat dat er op 14 mei 2014 op de begraafplaats [naam] te Eindhoven een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen aangever en verdachte, waarbij een knal te horen is geweest. Voor die knal worden twee scenario’s gegeven; het schieten met een vuurwapen of het afsteken van een rotje.

Verdachtes handen zijn korte tijd na het incident bemonsterd op schotresten. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat er op de stubs van de onderzoekset schiethanden AAGY3831NL, 33 categorie A deeltjes zijn aangetroffen. Het NFI concludeert dat het onderzoek met het aantreffen van categorie A deeltjes een vrijwel zekere relatie heeft aangetoond tussen de handen van verdachte en een schietproces. 7

Het knalvuurwerk dat onder verdachte is aangetroffen, is eveneens onderzocht door het NFI. Uit dat onderzoek blijkt dat een pyrotechnisch artikel zoals het bij verdachte aangetroffen knalvuurwerk niet de bron van herkomst kan zijn geweest van de PbBaSb-deeltjes welke zijn aangetroffen op de stubs van de onderzoekset schiethanden AAGY3831NL waarmee de handen van verdachte zijn bemonsterd. 8

Ter ondersteuning van het ‘vuurwerkscenario’ heeft de raadsman twee tijdschriftartikelen overgelegd waarin staat dat vuurwerk sporen kan nalaten die lijken op schotresten.

Deze artikelen zijn naar het oordeel van de rechtbank te algemeen om de ondubbelzinnige conclusie van het NFI te kunnen ondergraven.

Het onderzoek door het NFI ondersteunt het scenario dat verdachte heeft geschoten met een vuurwapen. Voor het door verdachte geschetste alternatieve scenario is, behalve de verklaring van zijn vriendin, geen enkele ondersteuning te vinden. In de omgeving van het incident zijn geen restanten van vuurwerk aangetroffen en het vuurwerk dat hij bij zich droeg op het moment dat hij zich op het bureau kwam melden, kan niet hebben geleid tot de sporen die op de handen van verdachte zijn aangetroffen.

Verdachte heeft nog aangevoerd dat het door hem gegooide stuk vuurwerk van een ander type was dan het onderzochte vuurwerk. Tijdens het verhoor van 28 juni 2016 verklaart hij hierover achtereenvolgens ‘ik had drie rotjes bij en die heb ik afgestoken’, ‘die jullie in beslag hebben genomen dat zijn Cobra’s. Ik heb andere afgestoken’ en ‘(die ik heb afgestoken) dat was ook een soort Cobra, maar die was zwaarder en dikker. Die ging ook heel hard. Twee daarvan hebben jullie liggen.’ Deze verklaringen van verdachte zijn dusdanig inconsistent dat de rechtbank deze als ongeloofwaardig terzijde schuift.

Alles in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte op 14 mei 2014 op de begraafplaats [naam] te Eindhoven heeft geschoten met een vuurwapen.

Uit het dossier en verhandelde ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld in welke richting verdachte heeft geschoten. Er is geen huls, kogel of inschot aangetroffen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op vorenstaande, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van verdachte. Daarom zal de rechtbank verdachte van het primair ten laste gelegde vrijspreken.

De rechtbank acht op grond van de hiervoor aangevoerde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 14 mei 2014 aangever verbaal en door een met een vuurwapen een schot te lossen, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

subsidiair

op 14 mei 2014 te Eindhoven [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend - die [slachtoffer] toegeroepen: "Je staat op de dodenlijst" en "Ik schiet je kapot

[bijnaam] , je gaat eraan" en

- een vuurwapen aan die [slachtoffer] heeft getoond en daarmee heeft geschoten.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde: gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat in grotere mate rekening dient te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Hij acht een gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 2 maanden voorwaardelijk passend.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 14 mei 2014 omstreeks 16:59 uur bevond aangever zich met zijn echtgenote en hun dochter op de begraafplaats [naam] te Eindhoven. Zij bezochten het graf van hun zoon / broer die twee maanden daarvoor was komen te overlijden. Plots hoorden zij een auto met piepende banden stoppen en zagen zij verdachte uitstappen. Verdachte schreeuwde - onder meer - naar aangever: “Je staat op de dodenlijst, ik schiet je kapot, je gaat eraan”. Aangever zag dat verdachte een wapen in zijn rechterhand had en hoorde een schot. Vervolgens zag aangever dat er een vuurpluim uit het wapen van verdachte kwam.

Aangever en zijn dierbaren, maar ook andere rouwenden die zich ten tijde van het delict bevonden op de begraafplaats, zijn op wrede wijze gestoord in hun rouwproces. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte laakbaar is en getuigt van een ernstig gebrek aan elke vorm van respect.

Een delict als het onderhavige veroorzaakt veel maatschappelijke onrust en leidt tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers. Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangever. De bedreigingen en het geweld hebben, zoals volgt uit de aangifte, grote indruk op aangever gemaakt.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

De termijn heeft een aanvang genomen op het moment dat verdachte in verzekering is gesteld, te weten 14 mei 2014 om 19:45 uur. Op het moment dat vonnis wordt gewezen heeft de vervolging 3 jaar en vijf maanden in beslag genomen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het tot 5 januari 2016 heeft geduurd alvorens het NFI rapporteerde over de aanvullende vraagstelling met betrekking tot de schiethanden. Het NFI was in die betreffende periode – onder meer – belast was met het MH17 onderzoek, waardoor reguliere onderzoeken werden vertraagd.

Pas op 11 oktober 2017 heeft de eerste behandeling ter zitting plaatsgevonden. Er zijn zodoende 3 jaar en vijf maanden verstreken sinds de inverzekeringstelling van verdachte en het op zitting aanbrengen van de strafzaak. Dit kan niet aan verdachte worden toegerekend. Normaliter wordt overschrijding van de redelijke termijn in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Echter na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen, te weten de ernst van de bedreiging en de omstandigheden waaronder die heeft plaatsgevonden, kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

De rechtbank heeft bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 63, 285.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

subsidiairbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf.

Ten aanzien van subsidiair:gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27Wetboek van Strafrecht waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 21 mei 2014 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W. Brouwer, voorzitter,

mr. A.W.A. Kap-Knippels en mr. R. van Marle, leden,

in tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,

en is uitgesproken op 25 oktober 2017.

Mr. R. van Marle is buitens staat dit vonnis (mede) te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces- verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie eenheid Oost-Brabant, districts Recherche Eindhoven, genummerd 2014065162, aantal doorgenummerde pagina’s: 127. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

2 Als verklaring van [slachtoffer] , aangever, d.d. 15 mei 2014 p. 47 t/m 49

3 Als verklaring van [getuige 1] , getuige, d.d. 14 mei 2014 p. 57

4 Als verklaring van [getuige 2] , getuige, d.d. 14 mei 2014 p. 61, 62

5 Als verklaring van [verdachte] , verdachte, bij de rechter-commissaris d.d. 16 mei 2014

6 Als verklaring van [getuige 3] , getuige, d.d. 18 juni 2014 p. 63

7 schotrestenonderzoek naar aanleiding van schietincident op 14 mei 2014 door het NFI d.d. 19 juni 2014 p. 95 t/m 109

8 Aanvullend schotrestenonderzoek naar aanleiding van schietincident op 14 mei 2014 door het NFI d.d. 5 januari 2016 p. 117 t/m 125