Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:5412

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-10-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
SHE 17/2455
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Kortsluiting voorlopige voorziening. Multifunctioneel centrum in het voormalige gemeentehuis van Lith. Binnenplanse afwijking voor parkeren, voor zover nodig, voldoende gemotiveerd. Geen verslag van de hoorzitting opgemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5332
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: SHE 17/2455 en 17/2641 VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 oktober 2017 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [vestigingsplaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss, verweerder

(gemachtigde: mr. J.F.A.C. Verbruggen).

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de gemeente Oss een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van het voormalige gemeentehuis van de gemeente Lith in een multifunctioneel centrum.

Bij besluit van 18 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2017. Namens verzoekster zijn verschenen [persoon 1] , bijgestaan door zijn broer [persoon 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2.

Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorziening, maar ook op de beroepen.

De feiten

2.1.

Op het perceel [adres] (hierna: het perceel) bevindt zich het oude gemeentehuis van de voormalige gemeente Lith. Verweerder wil dit gebouw omvormen tot een multifunctioneel centrum, waarin een basisschool, een kinderdagverblijf, een bibliotheek en een consultatiebureau zullen worden gevestigd. Het bouwplan voldoet voor wat betreft de situeren van de entree van het multifunctionele centrum niet aan het bestemmingsplan, omdat deze wordt gesitueerd op de bestemming ‘Verkeer’. Voor wat betreft het parkeren voldoet het plan niet aan de planvoorschriften, omdat het parkeren niet volledig op eigen terrein kan plaatsvinden. Vergunninghouder heeft op 14 februari 2017 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend, voor bouwen en afwijken.

2.2.

Op het perceel is het bestemmingplan “Lith Centrum – 2014” (hierna: het bestemmingsplan) van toepassing. Dit bestemmingsplan is onherroepelijk geworden nadat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 3 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2145) uitspraak heeft gedaan op het beroep dat onder meer door verzoekster was ingediend. Het bestemmingsplan maakt de komst van het multifunctionele centrum mogelijk.

De standpunten

3.1.

Verzoekster voert aan dat er tijdens de bouw van de multifunctioneel centrum en na de realisering van het multifunctioneel centrum onvoldoende parkeerplaatsen zijn en dat er openbare parkeerplaatsen op de grond van verzoekster worden gerealiseerd. Voorts heeft verzoekster aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen, omdat op tijdens de hoorzitting ingediende gronden niet is besloten en er geen verslag van de hoorzitting is gemaakt. Voorts heeft verzoekster aangevoerd dat de bouwplaats afwijkt van de bouwplaatstekening die bij de aanvraag is gevoegd.

3.2.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat sprake is van een bouwwerk dat wat betreft de situering van de entree in strijd is met de planvoorschriften, waarvoor in afwijking van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang met artikel 4, aanhef en eerste lid, onder a, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) vergunning kan worden verleend.

Wat betreft het parkeren heeft verweerder op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a ten 1° van de Wabo, vergunning verleend voor het gebruik van gronden in strijd met de planregels.

Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de verleende omgevingsvergunning niet ziet op de openbare parkeerplaatsen die worden gesitueerd voor de panden van verzoekster aan [adres 1] . Deze parkeerplaatsen vallen niet in het te ontwikkelen gebied en zijn daarom in dit geschil niet aan de orde. Wat betreft de parkeerplaatsen ten behoeve van het multifunctioneel centrum stelt verweerder dat in het bestreden besluit, de ‘Onderbouwing benodigd aan parkeerplaatsen MFA te Lith’ en het verweerschrift uitgebreid is toegelicht dat in de in de omgeving van het multifunctioneel centrum voldoende parkeerruimte is voorzien.

Het wettelijk kader

4.1.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat bestaat uit het bouwen van een bouwwerk resp. het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan.

4.2.

Uit artikel 2.10 van de Wabo volgt, kort gezegd en voor zover hier van belang, dat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet worden geweigerd indien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.

4.3.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a ten 1° van de Wabo kan voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, de omgevingsvergunning slechts worden verleend met toepassing van de in het bestemmingplan opgenomen regels inzake afwijking.

4.4.

Artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten 2°, van de Wabo, bepaalt dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo en de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

4.5.

Op grond van artikel 4, aanhef en eerste lid, onder a, van Bijlage II bij het Bor komt voor verlening van een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking een bijbehorend bouwwerk binnen de bebouwde kom.

4.6.

De beslissing om al dan niet omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit gebruiken in strijd met het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo behoort tot de bevoegdheden van verweerder, waarbij verweerder beleidsvrijheid heeft en de rechter terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

4.7.

Voor het toepassen van de voornoemde bepaling is geen goede ruimtelijke onderbouwing, als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, vereist, zij het dat het besluit wel deugdelijk gemotiveerd moet zijn en dat daaruit moet blijken van een afweging van de rechtstreeks daarbij betrokken belangen.

4.8.

Op het perceel is het bestemmingplan “Lith Centrum – 2014” (hierna: het bestemmingsplan) van toepassing. Het bestemmingsplan maakt de komst van het multifunctionele centrum mogelijk.

4.9.

Op grond van artikel 23.3.1 onder a van het bestemmingsplan moet indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, het gebouw en de andere bebouwing op het betreffende bouwperceel zodanig worden geplaatst of ingericht, dat ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's voldoende ruimte aanwezig is in, op of onder

het gebouw dan wel op of onder het onbebouwde gedeelte van het bouwperceel.

Op grond van artikel 23.2.1 onder d kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde onder a, mits op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien.

De beoordeling

5.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat, naar tussen partijen ook niet in geschil is, het beoogde gebruik van het voormalige gemeentehuis als multifunctioneel centrum in overeenstemming is met de bestemming “Maatschappelijk” met de aanduiding ‘cultuur en ontspanning’ en de bestemming “Verkeer”. De afweging om ter plaatse een multifunctioneel centrum toe te staan, ondanks de parkeerdruk die daarmee mogelijk gepaard gaat voor direct omwonenden, moet geacht worden te zijn gemaakt bij het vaststellen van het nieuwe bestemmingsplan. De Afdeling heeft in zijn uitspraak immers geoordeeld dat het betoog van onder andere verzoekster, dat het plan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen en dat er ten behoeve van het multifunctionele centrum in de nabijheid onvoldoende parkeergelegenheid zou zijn, faalt.

5.2.

De voorzieningenrechter komt, gelet hierop, niet meer toe aan een bespreking van de gronden van verzoekster voor zover die zien op het aantal benodigde parkeerplaatsen.

5.3.

Ter toetsing ligt aan de voorzieningenrechter slechts voor of verweerder in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan, omdat het parkeren niet geheel op het perceel kan plaatsvinden.

5.4.

De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder ten aanzien van het parkeren toepassing heeft gegeven aan de zogenoemde ‘binnenplanse afwijkingsmogelijkheid’ uit artikel 23.3.1, sub d, van het bestemmingsplan. Gebruikmaking van deze bevoegdheid moet -uiteraard- worden gemotiveerd, zij het dat als uitgangspunt heeft te gelden dat met de vastlegging van binnenplanse afwijkingsmogelijkheden in het bestemmingsplan (tenminste het begin van) de toets of sprake is van een goede ruimtelijke ordening reeds is gemaakt. Verder toetst de bestuursrechter elke door het bestuursorgaan gemaakte belangenafweging terughoudend.

5.5.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen, dat de vergunde afwijking van het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het bestreden besluit heeft verweerder, voor zover nodig, inzicht gegeven in zijn afwegingen. Nu naar het oordeel van de voorzieningenrechter verweerder in redelijkheid de afwegingen heeft kunnen maken zoals hij heeft gedaan, kan het besluit in zoverre de toets der kritiek doorstaan. Dat met het bestreden besluit aan de primaire wens van de planwetgever wordt voorbijgegaan, is inherent aan de door diezelfde planwetgever (voor de binnenplanse afwijking) en formele wetgever (voor de buitenplanse afwijking) in het leven geroepen afwijkingsmogelijkheden. Bij zijn beoordeling heeft de voorzieningenrechter laten meewegen dat de (“overloop”)parkeerplaatsen die niet op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd, niet aan de zijde van verzoeksters’ winkel zijn geprojecteerd.

De beroepsgrond faalt.

5.6.

Met betrekking tot de beroepsgrond over het aanleggen van parkeerplaatsen op de eigen grond van verzoekster, overweegt de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit daar niet op ziet, zodat er in de voorliggende beroepszaak voor die grond geen plaats is

Hetzelfde geldt voor de gronden over de dimensionering van de bouwplaats en de parkeerproblemen/ overlast tijdens de uitvoering van het project. Zoals verweerder ter zitting terecht heeft opgemerkt, ziet de verleende omgevingsvergunning op de beoogde eindsituatie en niet op de bouwfase. Ook deze beroepsgronden vallen daarom buiten de omvang van het geding.

Deze beroepsgronden slagen niet.

5.7.

Verzoeker voert wel terecht aan dat ten onrechte geen verslag van de hoorzitting is opgemaakt. Ingevolge artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt van het horen een verslag gemaakt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 1988/99, 21 221, nr 3, blz.151) blijkt dat met verslag een schriftelijk verslag wordt bedoeld. Ter zitting is komen vast te staan dat dit niet is verstrekt. Het feit dat, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, de Commissie Bezwaarschriften geen verslag opmaakt, is een omstandigheid die voor zijn rekening komt. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat zij daardoor niet in haar belangen is geschaad. De voorzieningenrechter ziet in die omstandigheid aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

Conclusie

6.1.

Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard. In de toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de voorzieningenrechter wel aanleiding om te bepalen dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 333,00 vergoedt. Omdat niet gebleken is van door verzoekster gemaakte proceskosten bestaat geen aanleiding om verweerder tot betaling daarvan te veroordelen.

6.2.

Uit de ongegrondverklaring van het beroep volgt verder dat er voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding bestaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,00 aan verzoekster te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.D. Streefkerk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken

op 13 oktober 2017.

de griffier is verhinderd deze uitspraak

mede te ondertekenen

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarmee is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.