Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:5398

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-10-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
17_789
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht over inkomsten uit arbeid, en boete. Uit onderzoek (waarnemingen, cameraobservaties en een strafrechtelijke doorzoeking in horecagelegenheid) blijkt dat eiser meer uren bij de horecagelegenheid aanwezig was dan hij er volgens de bij verweerder ingeleverde overgelegde salarisspecificaties heeft gewerkt. Deze aanwezigheid veronderstelt dat eiser ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij toen geen werkzaamheden heeft verricht, zeker niet nu er bij een doorzoeking op in de horecagelegenheid urenbriefjes zijn aangetroffen die er op wijzen dat eiser aanzienlijk meer uren heeft gewerkt dan opgegeven. De herziening en terugvordering tot aan de doorzoeking kan de toets in rechte doorstaan. Hoewel de cameraobservaties en de aangetroffen urenbriefjes uitsluitend zien op de periode vóór de huiszoeking, is de rechtbank van oordeel dat eiser ook over de periode na de huiszoeking zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Hij heeft immers verklaard dat het aantal gewerkte uren nadien niet is gewijzigd, zodat verweerder ervan mag uitgaan dat eiser ook na de huiszoeking meer heeft gewerkt dan in de salarisspecificaties is vermeld.

Verweerder heeft ook in het kader van het opleggen van een boete aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Eiser valt een verwijt te maken van de schending van de inlichtingenplicht. Verweerder mocht de boete vaststellen op € 1670,-, uitgaande van “normale” verwijtbaarheid, een betalingstermijn van 12 maanden en een fictieve draagkracht van 10% van de bijstandsuitkering. Geen aanleiding voor verdere matiging. Weliswaar heeft verweerder de boete ten onrechte naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-, maar eiser heeft deze afronding niet bestreden terwijl vernietiging op dit punt ook niet in zijn belang kan worden aangemerkt omdat de rechtbank dan, zelf beslissende met inachtneming van de ten tijde van deze uitspraak geldende bijstandsnorm, een hogere boete zou opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 17/789 en SHE 17/1230

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Akdeniz),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigden: mr. drs. A.M.I. Verbakel en mr. S. Linders).

Procesverloop

In zaak SHE 17/789

Bij besluit van 25 maart 2016 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser en zijn echtgenote herzien over de periode van 21 augustus 2014 tot en met 8 juli 2015 en ingetrokken per 9 juli 2015; voorts heeft verweerder een bedrag van € 19.014,44 teruggevorderd.

Bij besluit van 23 januari 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 25 maart 2016 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het besluit van 23 januari 2017 beroep ingesteld.

In zaak SHE 17/1230

Bij besluit van 23 september 2016 heeft verweerder een boete van € 1.670,- aan eiser en zijn echtgenote opgelegd.

Bij besluit van 10 maart 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 23 september 2016 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het besluit van 10 maart 2017 beroep ingesteld.

In beide zaken

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De zaken zijn met toepassing van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gevoegd.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1.

Bij besluit van 31 maart 2006 heeft verweerder een bijstandsuitkering aan eiser en zijn echtgenote toegekend per 13 maart 2006.

1.2.

Eiser werkt sinds - in ieder geval - 1 mei 2011 bij horecagelegenheid [bedrijf] ( [bedrijf] ). De salarisspecificaties die hij maandelijks van [bedrijf] ontvangt levert hij bij verweerder in, zodat verweerder met deze inkomsten rekening kan houden bij het bepalen van de hoogte van de bijstandsuitkering.

1.3.

Uit een op 25 november 2014 opgemaakt proces-verbaal blijkt dat in de periode september en oktober 2014 bij het Team Criminele Inlichtingen (TCI) Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) informatie is binnengekomen over [bedrijf] . Volgens die informatie werken bij [bedrijf] al jaren meerdere uitkeringsgerechtigden en werken zij structureel meer uren dan in de loonadministratie wordt verantwoord. Eén van die werknemers is volgens deze informatie (fonetisch) een zekere ‘ [naam 1] ’. Het proces-verbaal vermeldt dat uit onderzoek is gebleken dat met ‘ [naam 1] ’ eiser wordt bedoeld.

1.4.

Deze informatie heeft geleid tot het strafrechtelijk onderzoek ‘ [naam onderzoek] ’ ( [naam onderzoek] ). Dat onderzoek was gericht op - onder meer - een verdenking van valsheid in geschrift gepleegd door (een eigenaar van) [bedrijf] .

1.5.

In de avond van 13 maart 2015 en de daaropvolgende nacht hebben verbalisanten waarnemingen verricht bij en in de op dat moment geopende horecagelegenheid [bedrijf] . Het proces-verbaal dat hierover op 16 maart 2015 is opgemaakt vermeldt dat in het restaurant meerdere werknemers zijn herkend, onder wie eiser.

1.6.

In de periode van 11 mei 2015 tot en met 15 juni 2015 heeft er cameraobservatie plaatsgevonden bij het pand waarin [bedrijf] is gevestigd.

1.7.

Op 9 juli 2015 hebben in het kader van het onderzoek [naam onderzoek] doorzoekingen plaatsgevonden, onder meer in het pand van [bedrijf] . Daarbij zijn beelden veiliggesteld van camera’s die in het pand van [bedrijf] aanwezig waren. Die beelden betreffen de periode van 3 juli 2015 tot en met 9 juli 2015. Tevens zijn urenbriefjes van eiser aangetroffen.

1.8.

Op 9 juli 2015 is eiser door de Inspectie SZW als getuige verhoord in het onderzoek [naam onderzoek] .

1.9.

De Inspectie SZW heeft in het kader van het onderzoek [naam onderzoek] een analyserapportage opgemaakt, gedateerd 5 augustus 2015.

1.10.

Op 24 september 2015 is eiser nogmaals als getuige verhoord in het onderzoek [naam onderzoek] .

1.11.

De Inspectie SZW heeft op 4 november 2015 een proces-verbaal opgemaakt waarin ten behoeve van de betrokken uitkeringsinstantie (verweerder) de bevindingen met betrekking tot eiser uiteen worden gezet.

1.12.

De Belastingdienst heeft in het kader van het onderzoek [naam onderzoek] een verslag opgemaakt, gedateerd 17 november 2015.

1.13.

Verweerder heeft eiser en zijn partner bij brief van 27 januari 2016 verzocht uiterlijk 11 februari 2016 bepaalde stukken over te leggen.

1.14.

Eiser heeft stukken overgelegd, die verweerder op 5 februari 2016 heeft ontvangen.

1.15.

Bij brief van 8 maart 2016 heeft verweerder eiser en zijn partner uitgenodigd voor een gesprek op 14 maart 2016 en verzocht om bij die afspraak bepaalde stukken mee te nemen. Dit gesprek heeft op 14 maart 2016 plaatsgevonden.

1.17.

Op 25 maart 2016 heeft verweerder een rapport opgemaakt. Daarin wordt geconcludeerd dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden met betrekking tot de werkzaamheden bij [bedrijf] , dat de bijstandsuitkering moet worden herzien over de periode van 21 augustus 2014 tot en met 8 juli 2015 en ingetrokken per 9 juli 2015, en dat een bedrag van € 19.014,44 moet worden teruggevorderd.

1.18.

Op basis van dit rapport heeft verweerder het besluit van 25 maart 2016 genomen.

1.19.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 maart 2016. Op 18 augustus 2016 heeft een hoorzitting bij de bezwaarcommissie plaatsgevonden. Op 12 september 2016 heeft eiser een verklaring overgelegd van [naam 2] ( [naam 2] ), voormalig casemanager van eiser. De bezwaarcommissie heeft advies uitgebracht. Onder verwijzing naar dat advies heeft verweerder het bezwaar van eiser bij besluit van 23 januari 2017 ongegrond verklaard.

1.20.

Op 23 september 2016 heeft verweerder een rapport opgemaakt in het kader van een aan eiser (en diens echtgenote) op te leggen boete. In dit rapport wordt geconcludeerd dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, dat sprake is van een benadelingsbedrag van € 19.014,44 en dat vanwege de mate van verwijtbaarheid de boete wordt bepaald op 50% van dat benadelingbedrag. Gelet op de mate van verwijtbaarheid moet eiser in staat zijn de boete in 12 maanden te betalen. De betalingsruimte voor eiser bedraagt € 139,95 per maand. De boete dient daarom te worden vastgesteld op (12 x € 139,95 =) € 1.667,40. Afgerond naar boven is dat € 1.670,-.

1.21.

Op basis van dit rapport heeft verweerder het besluit van 23 september 2016 genomen.

1.22.

Op 13 oktober 2016 heeft verweerder een aanvullend rapport opgemaakt met betrekking tot de urenbriefjes van eiser.

1.23.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 september 2016. Op 10 februari 2017 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Bij besluit van 10 maart 2017 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.24.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van 23 januari 2017 en 10 maart 2017. De beroepsgronden worden hierna uiteengezet en besproken.

Herziening, intrekking en terugvordering (SHE 17/789)

2. Het besluit tot herziening, intrekking en terugvordering van bijstand is een belastend besluit waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening, intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

2.1.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in de te beoordelen periode, lopend van 21 augustus 2014 tot en met 25 maart 2016, meer heeft gewerkt dan hij - door het inleveren van de salarisspecificaties - aan verweerder heeft opgegeven en aldus zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.

2.2.

Eiser betoogt dat uit de cameraobservaties niet kan worden opgemaakt op welke tijden hij heeft gewerkt. Dat eiser op de werkvloer aanwezig was betekent nog niet dat hij ook op geld waardeerbare arbeid verrichtte. Eiser was voor en na het werk vaak bij [bedrijf] aanwezig om te kletsen en wat te eten of te drinken. Hij heeft ook meerdere keren bij zijn casemanager gemeld dat hij langer op de werkvloer aanwezig was dan uit de salarisspecificaties blijkt. Uit de urenbriefjes kan volgens eiser ook niet worden opgemaakt dat hij meer uren heeft gewerkt dan uit de salarisspecificaties blijkt. Verweerder gaat er ten onrechte van uit dat de urenbriefjes steeds betrekking hebben op de gewerkte uren en de inkomsten van één week - de urenbriefjes zien namelijk steeds op een maand, aldus eiser. Tot slot voert eiser aan dat verweerder in ieder geval niet zomaar mag aannemen dat de 46 urenbriefjes die zijn aangetroffen betrekking hebben op de periode van 46 weken voorafgaand aan 9 juli 2015; op de urenbriefjes worden immers geen data vermeld.

2.3.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB; zie onder meer de uitspraak van 7 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2281) wordt verondersteld dat een persoon die tijdens reguliere arbeidsuren op een werkplek aanwezig is ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Het is dan aan de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken.

2.4.

Niet in geschil is dat eiser meer uren bij [bedrijf] aanwezig is geweest dan hij er volgens de bij verweerder ingediende salarisspecificaties heeft gewerkt. Gelet op de zojuist aangehaalde jurisprudentie is het dan ook aan eiser om aannemelijk te maken dat hij gedurende een deel van de tijd dat hij aanwezig was geen werkzaamheden heeft verricht. Daarin is hij niet geslaagd. Volgens de schriftelijke verklaring van casemanager [naam 2] van 7 september 2016 heeft eiser weliswaar een enkele keer aan haar gemeld dat hij langer bij [bedrijf] aanwezig was dan alleen tijdens de gewerkte uren, maar is dit punt niet structureel besproken en heeft eiser ook niet gemeld hoe lang hij dan buiten de gewerkte uren bij [bedrijf] aanwezig was. De mededelingen die eiser aan [naam 2] heeft gedaan zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet concreet genoeg om op grond daarvan te concluderen dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij op bepaalde uren bij [bedrijf] aanwezig was zonder daar werkzaamheden te verrichten.

2.5.

Bovendien wijzen ook de bij de doorzoekingen op 9 juli 2015 aangetroffen urenbriefjes erop dat eiser aanzienlijk meer uren heeft gewerkt dan hij door middel van de salarisspecificaties heeft doorgegeven aan verweerder. Eiser heeft ter zitting bevestigd dat de urenbriefjes die zich in het dossier bevinden van hem afkomstig zijn. In de bezwaarprocedure en in het aanvullend beroepschrift heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat verweerder niet heeft onderkend dat de urenbriefjes zien op een periode van een maand en dat eiser drie weken per maand werkte; dat blijkt volgens de gemachtigde van eiser uit de indeling van de urenbriefjes in drie kolommen. Ter zitting heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser ermee geconfronteerd dat het totaal aantal uren dat op elk urenbriefje is vermeld overeenkomt met een optelling van de uren in de laatste kolom en dat dit lastig te rijmen is met de stelling van de gemachtigde van eiser dat de drie kolommen drie gewerkte weken weergeven. De gemachtigde van eiser heeft daar desgevraagd geen verklaring voor kunnen geven. Vervolgens heeft eiser zijn stelling met betrekking tot de urenbriefjes gewijzigd. Eiser stelt thans dat de drie kolommen op de urenbriefjes inderdaad - zoals verweerder aanneemt - staan voor de begintijd, de eindtijd en het aantal gewerkte uren. Volgens eiser werkte hij echter - een enkele uitzondering bij evenementen daargelaten - slechts één week per maand, zodat een weekbriefje in feite tevens een maandbriefje is. De rechtbank volgt eiser hierin niet. In de eerste plaats staat deze stelling van eiser minst genomen op gespannen voet met hetgeen uit de cameraobservaties naar voren is gekomen. In de periode van 11 mei 2015 tot en met 15 juni 2015 heeft eiser volgens die cameraobservaties in totaal 15 dagen bij [bedrijf] gewerkt. Dat correspondeert niet met de stelling dat hij per maand één week - van drie werkdagen - werkte. In de tweede plaats strookt de stelling van eiser niet met het bij de doorzoekingen op 9 juli 2015 aangetroffen rooster waarop is weergegeven dat eiser in de desbetreffende maand voor drie weken stond ingeroosterd. Eiser heeft daar ter zitting desgevraagd geen verklaring voor kunnen geven. In de derde plaats valt de stelling van eiser niet te rijmen met het feit dat er uiteindelijk in totaal 86 urenbriefjes van hem zijn aangetroffen. Eiser betwist dit aantal weliswaar, maar de rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan het aanvullend rapport van 13 oktober 2016, ook omdat de urenbriefjes bij dat rapport zijn gevoegd. Zelfs indien wordt aangenomen dat eiser al vanaf februari 2009 bij [bedrijf] werkt - er bevindt zich een arbeidsovereenkomst in het dossier die daar een indicatie voor zou kunnen vormen - dan waren er op 9 juli 2015 (de dag dat de urenbriefjes werden aangetroffen bij de doorzoekingen) nog geen 86 maanden verstreken. Ook daar heeft eiser ter zitting desgevraagd geen verklaring voor kunnen geven. Tot slot overweegt de rechtbank dat het moment en de wijze waarop eiser zijn stelling met betrekking tot de urenbriefjes heeft gewijzigd ernstig afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen hieromtrent.

2.6.

Wat betreft het betoog van eiser dat de urenbriefjes niet aan specifieke weken zijn te relateren overweegt de rechtbank als volgt. Uit overweging 2.4. en 2.5. volgt dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Schending van de inlichtingenplicht levert volgens vaste jurisprudentie van de CRvB (onder meer de uitspraak van 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3024) een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. De rechtbank overweegt dat eiser zulks niet aannemelijk heeft gemaakt, dat verweerder er vervolgens van is uitgegaan dat de urenbriefjes betrekking hebben op de 46 weken voorafgaand aan 9 juli 2015 en de uitkering van eiser niet heeft ingetrokken maar herzien. Eiser is met deze handelwijze geenszins tekortgedaan. Integendeel, gelet op het ontbreken van een onderbouwing van het aantal gewerkte uren in de periode tot 9 juli 2015 van de zijde van eiser had verweerder ook een voor eiser nadeliger aanpak kunnen kiezen. Dit geldt temeer nu er uiteindelijk niet 46 maar 86 urenbriefjes van eiser zijn aangetroffen. Bovendien neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder op basis van het rapport van de Belastingdienst van 17 november 2015 heeft mogen aannemen dat de urenbriefjes in ieder geval zien op de jaren 2013, 2014 en 2015 - en daarmee op de periode dat eiser een bijstandsuitkering genoot. De Belastingdienst heeft er in dit verband op gewezen dat er van diverse werknemers van [bedrijf] urenbriefjes zijn aangetroffen, dat op sommige urenbriefjes - van andere werknemers dan eiser - data zijn vermeld en dat die data - behoudens één uitzondering, waarbij de Belastingdienst afdoende heeft toegelicht dat in dat geval sprake is van een kennelijke vergissing - steeds in 2013, 2014 en 2015 zijn gelegen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de berekening van het terug te vorderen bedrag voor de periode tot 9 juli 2015 de toets in rechte kan doorstaan.

2.7.

De beroepsgrond faalt.

3. Eiser betoogt dat er geen grond is voor de intrekking van de uitkering per 9 juli 2015. Hiertoe voert hij aan dat er geen cameraobservaties zijn die betrekking hebben op de periode vanaf 9 juli 2015 en dat niet duidelijk is dat eiser in die periode meer uren heeft gewerkt of bij [bedrijf] aanwezig is geweest dan hij door middel van zijn salarisspecificaties heeft doorgegeven aan verweerder.

3.1.

De rechtbank stelt vast dat de cameraobservaties en de aangetroffen urenbriefjes uitsluitend zien op de periode tot 9 juli 2015. Desondanks is verweerder er naar het oordeel van de rechtbank in geslaagd aannemelijk te maken dat eiser ook wat betreft de periode vanaf 9 juli 2015 zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat eiser tijdens zijn verhoor op 14 maart 2016 heeft verklaard dat het aantal gewerkte uren niet is gewijzigd na het onderzoek door de Inspectie SZW. Ter zitting heeft eiser dit bevestigd. Hieruit volgt dat verweerder ervan mag uitgaan dat eiser ook na 9 juli 2015 meer heeft gewerkt dan in de salarisspecificaties is vermeld. De rechtbank verwijst in dit verband naar overweging 4.5. van de uitspraak van de CRvB van 27 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2321). Bovendien neemt de rechtbank in aanmerking dat de salarisspecificaties van eiser niet los kunnen worden gezien van het bredere beeld dat naar voren komt uit de stukken van het onderzoek [naam onderzoek] die zich in het dossier bevinden, namelijk dat [bedrijf] medewerkers meer uren liet werken dan in de salarisspecificaties werd vermeld.

3.2.

De beroepsgrond faalt.

4. Het beroep in zaak SHE 17/789 is ongegrond.

Boete (SHE 17/1230)

5. Eiser betoogt dat hij zijn inlichtingenplicht niet heeft geschonden en verwijst hiertoe naar de gronden die hij heeft aangevoerd in het kader van de herziening, intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering.

5.1.

De rechtbank overweegt dat uit de overwegingen 2.4., 2.5. en 3.1. volgt dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Verweerder heeft, ook in het kader van het opleggen van een boete, aan de op hem rustende bewijslast voldaan. De rechtbank vindt hiervoor steun in overweging 4.10, gelezen in samenhang met overweging 4.3. tot en met 4.5., van de uitspraak van de CRvB van 27 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2321).

5.2.

De beroepsgrond faalt.

6. Eiser betoogt dat verweerder niet heeft onderkend dat hem geen enkel verwijt te maken valt. Hij wijst er in dit verband op dat hij bij zijn casemanager [naam 2] heeft gemeld dat hij langer op de werkvloer aanwezig was dan dat hij arbeid verrichtte.

6.1.

Uit het voorgaande - in het bijzonder de overwegingen 2.4., 2.5., 3.1. en 5.1. - volgt dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden en dat hem ter zake daarvan een verwijt valt te maken.

6.2.

De beroepsgrond faalt.

7. Eiser betoogt dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan moet worden afgezien van het opleggen van een boete, althans op grond waarvan de boete zou moeten worden gematigd. Eiser voert in dit verband aan dat de boete grote financiële gevolgen voor hem en zijn gezin heeft en wijst hierbij op zijn beperkte draagkracht. Ter zitting is voorts nog gewezen op de geestelijke gesteldheid van de echtgenote van eiser.

7.1.

Met de financiële draagkracht van eiser heeft verweerder rekening gehouden door als uitgangspunt te hanteren dat eiser maandelijks 10% van zijn bijstandsuitkering kan aanwenden om de boete te betalen. Eiser heeft niet onderbouwd waarom zijn financiële situatie tot de conclusie noopt dat geen boete kan worden opgelegd of dat van een nog beperktere draagkracht zou moeten worden uitgegaan dan waarvan verweerder uitgaat. Wat betreft de geestelijke gesteldheid van de echtgenote van eiser overweegt de rechtbank dat eiser deze niet heeft gestaafd en dat evenmin het verband met de onderhavige procedure is onderbouwd.

7.2.

De beroepsgrond faalt.

8. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 29 augustus 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2949), ambtshalve als volgt. Verweerder heeft de hoogte van de boete met inachtneming van artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals dat luidde tot 1 januari 2017, vastgesteld op € 1.670,-. Met ingang van 1 januari 2017 is artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit echter vervallen. Verweerder heeft het bedrag van de boete daarom ten onrechte naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-. Eiser heeft in de gronden van beroep noch ter zitting de afronding van de boete bestreden. De vernietiging van het besluit van 10 maart 2017 op dit punt kan ook niet in zijn belang worden aangemerkt, aangezien de rechtbank dan, zelf beslissende op de boete met inachtneming van de ten tijde van deze uitspraak geldende bijstandsnorm, een hogere boete zou opleggen. Dat betekent dat in het geval van eiser een boete van € 1.670,- evenredig is.

9. Het beroep in zaak SHE 17/1230 is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat in beide zaken geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

in zaak SHE 17/789:

verklaart het beroep ongegrond;

in zaak SHE 17/1230:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, voorzitter, en mr. A.F.C.J. Mosheuvel en mr. M. van ’t Klooster, leden, in aanwezigheid van H.J. Renders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.