Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:5259

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-09-2017
Datum publicatie
05-10-2017
Zaaknummer
C/01/298128 / FA RK 15-4692-2
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenwonen als bedoeld in artikel 1:160 BW aangenomen. De man heeft bewezen dat de vrouw en haar partner het merendeel van de tijd met elkaar doorbrengen. Verzoek om de vrouw te veroordelen in de kosten van het rechercheonderzoek op grond van onrechtmatige daad toegewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 160, geldigheid: 2005-10-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0305

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/298128 / FA RK 15-4692-2

Uitspraak : 4 september 2017

Beschikking betreffende alimentatie in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. S.M.P.T. Ruijs-Kreté,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. M.H.E. Janssen,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de vrouw en de man.

1 De procedure

De rechtbank heeft op 25 maart 2016 een tussenbeschikking gegeven.

Vervolgens heeft de rechtbank kennis genomen van:

- de brief van mr. Janssen van 29 augustus 2016, tevens houdende wijziging en aanvulling van eis;

- de brief van mr. Ruijs-Kreté van 26 september 2016, met als bijlagen een aantal producties.

Ingevolge voormelde tussenbeschikking heeft op 13 september 2016 een getuigenverhoor plaatsgevonden, waarbij namens de man [getuige A] als getuige is gehoord. Op 28 maart 2017 heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden, waarbij namens de vrouw [getuige B] , [getuige C] , [getuige D] en [getuige E] als getuigen zijn gehoord. De processen-verbaal van voornoemde getuigenverhoren maken deel uit van de stukken.

Vervolgens heeft de rechtbank kennisgenomen van:

  • -

    de conclusie na enquête van de man, ingekomen bij de rechtbank op 28 april 2017;

  • -

    de conclusie na enquête van de vrouw, ingekomen bij de rechtbank op 18 mei 2017.

2 De beoordeling

De overwegingen in de tussenbeschikking van 25 maart 2016 dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

In deze beschikking heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 1 augustus 2014 tot 1 augustus 2015 nader bepaald op € 3.284,57. Ten aanzien van de periode vanaf 1 augustus 2015 heeft de rechtbank vastgesteld dat sprake is van een duurzame affectieve relatie tussen de vrouw en [X] en eveneens van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging. De rechtbank heeft ten aanzien van de samenwoning geoordeeld dat niet is vast komen staan dat de vrouw en [X] het merendeel van de tijd samenwonen. De man is toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de vrouw is gaan samenwonen als ware zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW met ingang van 1 augustus 2015. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

Samenwonen als bedoeld in artikel 1:160 BW

De man heeft een overzicht (bijlage B) opgesteld aan de hand van de door [X] als productie 27 aangeleverde sleutellijst. Volgens de man blijkt hieruit dat [X] in de periode van 1 augustus 2015 tot en met 10 februari 2016 van de totaal aantal dagen en nachten van 255, op 180 dagen niet in [locatie A] overnachtte. Hierbij gaat de man uit van 28 weekenden van vrijdag tot en met zondag, ofwel 84 nachten. Daarnaast neemt de man aan dat [X] 25 dagen verlof heeft opgenomen en op 10 werkdagen was [X] niet aanwezig en heeft hij ook niet op [locatie A] overnacht. De man stelt tot slot dat [X] op 61 dagen te laat op zijn werk kwam. De man neemt aan dat [X] kennelijk ergens anders vandaan kwam (van thuis), om na 8.00 uur als iedereen werkt naar zijn kamer te gaan. Nu [X] van de 255 dagen en nachten 180 dagen niet op [locatie A] verbleef, moet het ervoor worden gehouden dat hij thuis te [woonplaats] verbleef, zodat hij gemiddeld meer dan de helft van de dagen thuis was, althans samen met de vrouw was.

De vrouw heeft hiertegen uitgebreid verweer gevoerd, maar zij erkent dat op basis van de sleutelregistratie [X] van de 194 dagen in de periode van 1 augustus 2015 tot en met 10 februari 2016, op 114 dagen niet in [locatie A] verbleef, derhalve 59% van de tijd. De vrouw stelt dat dit veel lijkt, maar op doordeweekse dagen verbleef [X] in deze periode 73% van de tijd op [locatie A] . Dit percentage geeft nog een vertekend beeld omdat in deze periode twee grote verlofperiodes zitten en [X] bijvoorbeeld tijdens de andere vakanties, zoals de carnavalsvakantie, mei- en herfstvakantie geen verlof opneemt.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [X] in de periode van 1 augustus 2015 tot en met 10 februari 2016 (194 dagen, zoals door de vrouw gesteld) 114 dagen niet op [locatie A] verbleef, ofwel 59% van de tijd. In het midden kan blijven of [X] meer dagen niet op [locatie A] verbleef, zoals door de man is gesteld en door de vrouw is betwist, nu op grond van dit door de vrouw erkende aantal dagen vast staat dat de vrouw en [X] het merendeel van de tijd met elkaar doorbrengen. Immers, de vrouw heeft de stelling van de man dat op de dagen dat [X] niet op [locatie A] verbleef het ervoor moet worden gehouden dat hij thuis te [woonplaats] verbleef, althans samen met de vrouw was, niet betwist. De stelling van de vrouw dat [X] 73% van de werkdagen op [locatie A] verblijft doet aan dit oordeel niet af, daar het bij de vraag of sprake is van samenwonen gaat om de totale tijd, dus inclusief de weekends.

Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen de rechtbank al had geoordeeld in de tussenbeschikking ten aanzien van de criteria duurzame affectieve relatie, gemeen-schappelijke huishouding en wederzijdse verzorging, is naar het oordeel van de rechtbank komen vast staan dat de vrouw en [X] met ingang van 1 augustus 2015 zijn gaan samenleven als waren zij gehuwd als bedoeld in artikel 1:160 BW.

De rechtbank zal het verzoek van de man om voor recht te verklaren dat de alimentatie-verplichting van de man jegens de vrouw per 1 augustus 2015 van rechtswege is geëindigd toewijzen.

Het verzoek van de vrouw om een verklaring voor recht af te geven dat van een situatie ex artikel 1:160 BW tussen de vrouw en haar partner, [X] , geen sprake is zal worden afgewezen.

Terugbetaling en wettelijke rente

De man heeft daarnaast verzocht om de vrouw te veroordelen aan de man binnen drie dagen na de datum van de te geven beschikking een bedrag van € 19.131,80 te betalen, alsmede te bepalen dat de vrouw aan de man dient terug te betalen binnen drie dagen na datum te geven beschikking eventuele nog door de man na datum indiening van dit verzoekschrift verrichtte betalingen ten behoeve van de kosten van levensonderhoud van de vrouw, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van dit verzoekschrift tot aan de dag der algehele voldoening.

De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij niet in staat is om de reeds ontvangen partneralimentatie terug te betalen. De partneralimentatie is al besteed en zij heeft geen inkomen noch een uitkering.

De rechtbank oordeelt dat het recht van de vrouw op alimentatie met ingang van 1 augustus 2015 van rechtswege is geëindigd. Niet in geschil is tussen partijen dat de man aan de vrouw vanaf 1 augustus 2015 tot 1 februari 2016 een bedrag van € 19.131,80 heeft betaald Onduidelijk is of nadien nog eventuele extra betalingen zijn gedaan ten behoeve van de kosten levensonderhoud van de vrouw. Wel staat vast dat de man deze bijdragen onverschuldigd aan de vrouw heeft betaald. Het verzoek tot terugbetaling van hetgeen de vrouw over de periode vanaf 1 augustus 2015 ten titel van partneralimentatie van de man heeft ontvangen dient te worden toegewezen. Dat de vrouw door de terugbetaling mogelijk in financiële moeilijkheden komt dient voor haar rekening en risico te blijven, aangezien zij die gevolgen had kunnen voorkomen door vooraf met de man te overleggen met betrekking tot haar samenwoning.

Wat betreft de wettelijke rente heeft de man verzocht deze toe te wijzen vanaf de datum indiening verzoekschrift, naar de rechtbank begrijpt 1 februari 2016, zijnde de datum waarop het zelfstandig tegenverzoek ex artikel 1:160 BW bij de rechtbank is ingekomen.

Nu de vrouw dit verzoek niet heeft weersproken, zal de rechtbank dit verzoek, voor zover het ziet op de terugbetaling van € 19.131,80 als onweersproken toewijzen. Voor zover dit ziet op de eventuele na 1 februari 2016 verrichte betalingen zal de rechtbank dit verzoek afwijzen, aangezien de vrouw niet al per 1 februari 2016 in verzuim was met eventuele betalingen die pas na die datum zijn gedaan.

Kosten rechercheonderzoek

De man heeft verzocht om te bepalen dat de vrouw een bedrag aan de man verschuldigd is van € 24.886,68 vanwege onderzoekskosten recherche bureau en de vrouw te veroordelen dit bedrag binnen drie dagen na de datum van de te geven beschikking aan de man te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum indiening van het verzoekschrift tot aan de dag der algehele voldoening.

De man stelt dat de vrouw de samenleving met een ander als waren zij gehuwd als bedoeld in artikel 1:160 BW voor de man heeft verzwegen en ook nog in de huidige procedure heeft gesteld dat zij behoefte heeft aan een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud, wetende dat zij samenleeft met [X] als ware zij gehuwd. De vrouw had de man moeten informeren over haar feitelijke verblijfplaats en haar feitelijke behoefte aan een bijdrage dan wel het ontbreken daarvan en heeft dit niet gedaan, zoals zij de man ook willens en wetens, ondanks herhaalde verzoeken van de man, niet heeft geïnformeerd over haar nieuwe adres. Het adres van de vrouw is zelfs op de loonstrookjes weggelakt. Ten gevolge van dit onrechtmatige handelen van de vrouw is de man genoodzaakt geweest een recherchebureau in te schakelen en de daarbij behorende kosten te maken, zodat de man hierbij terugbetaling vordert van de vrouw van de door hem gemaakte noodzakelijke kosten voor het inschakelen van het recherchebureau.

De vrouw heeft ter zitting betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Zij heeft aan de man aangegeven waar zij woont en dat ze behoefte heeft aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud.

Hoewel de door de man ingestelde vordering tot schadevergoeding bij dagvaarding had moeten worden ingesteld, oordeelt de rechtbank dat deze vordering zodanig nauw verbonden is met het verzoek tot beëindiging van de partneralimentatie, dat de rechtbank zich bevoegd acht hierover te oordelen.

De rechtbank stelt vast dat de vrouw de man niet tijdig heeft geïnformeerd over het samenleven met [X] als bedoeld in artikel 1:160 BW. Het onderzoek van [rechercherbureau] naar de vraag of sprake was van een samenleving tussen de vrouw en [X] als bedoeld in artikel 1:160 BW is gestart op 30 juli 2015. Vast staat dat de vrouw in elk geval met ingang van 1 augustus 2015 met [X] samenwoonde als ware zij gehuwd als bedoeld in artikel 1:160 BW. Desondanks heeft de vrouw in haar verzoekschrift, bij de rechtbank ingekomen op 28 augustus 2015, verzocht de door de man te betalen onderhoudsbijdrage te verhogen met ingang van 1 augustus 2014, waarbij zij niet heeft gemeld dat inmiddels sprake was van een situatie van samenwoning met [X] . Zij heeft zich gedurende de hele procedure op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een samenwoning als bedoeld in artikel 1:160 BW.

Naar het oordeel van de rechtbank had de vrouw met ingang van 1 augustus 2015 aan de man dienen te melden dat sprake was van een relevante verandering in haar situatie, zulks gelet op de mogelijke gevolgen voor de alimentatieverplichting van de man. Nu de man daadwerkelijk de alimentatie betaalde aan de vrouw gedurende het onderzoek van [rechercherbureau] terwijl het voor de vrouw al aan het begin van dat onderzoek duidelijk was of redelijkerwijs moest zijn dat de omstandigheden op grond waarvan zij alimentatie ontving dusdanig waren gewijzigd dat zij niet langer op de alimentatie aanspraak kon maken, oordeelt de rechtbank dat sprake is van een toerekenbare onrechtmatige daad van de vrouw jegens de man.

Nu de man de hoogte van de kosten van het rechercheonderzoek heeft onderbouwd en de vrouw deze niet heeft weersproken, zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen.

Wat betreft de wettelijke rente heeft de man verzocht deze toe te wijzen vanaf de datum

indiening verzoekschrift, naar de rechtbank begrijpt 1 februari 2016. Nu de vrouw dit verzoek niet heeft weersproken, zal de rechtbank dit verzoek als onweersproken toewijzen.

Proceskostenveroordeling

De man heeft zijn verzoek bij brief van 29 augustus 2016, derhalve na de tussenbeschikking van 25 maart 2016, aangevuld met een verzoek proceskostenveroordeling. Hij stelt dat de vrouw onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door niet tijdig kenbaar te maken dat zij samenleeft als ware zij gehuwd.

Ingevolge artikel 283 juncto artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechtbank ambtshalve een vermeerdering van het verzoek buiten beschouwing laten. De rechtbank maakt gebruik van deze bevoegdheid, nu dit verzoek te laat in de procedure is gedaan en in strijd wordt geacht met de goede procesorde, met name nu de man dit verzoek al eerder had kunnen doen.

Het verzoek van de vrouw om de man in de proceskosten te veroordelen zal, nu zij in deze procedure in het ongelijk is gesteld worden afgewezen.

De rechtbank zal als te doen gebruikelijk de proceskosten tussen partijen compenseren.

3 De beslissing

De rechtbank:

verklaart voor recht dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw per 1 augustus 2015 van rechtswege is geëindigd;

veroordeelt de vrouw tot terugbetaling aan de man van de door de man over de periode van 1 augustus 2015 tot 1 februari 2016 onverschuldigd betaalde partneralimentatie ad

€ 19.131,80 binnen drie dagen na de datum van deze beschikking, vermeerderd met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf 1 februari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de vrouw aan de man binnen drie dagen na de datum van deze beschikking dient terug te betalen de door de man na 1 februari 2016 onverschuldigd betaalde partneralimentatie;

veroordeelt de vrouw aan de man binnen drie dagen na de datum van deze beschikking een bedrag van € 24.886,68 vanwege onderzoekskosten recherchebureau te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 februari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst het meer of anders verzochte af;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.H. de Heer-Schotman, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 4 september 2017.

Conc: awe

Tegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.