Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:523

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
01/880630-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich - al dan niet met anderen - schuldig gemaakt aan oplichting van haar werkgever door het plegen van PGB-fraude. De rechtbank veroordeelt verdachte daarvoor tot een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijk deel wordt onder andere de bijzondere voorwaarde van een ambulante forensische behandeling verbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/880630-14

Datum uitspraak: 2 februari 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1988,

wonende te [adresgegevens] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 27 december 2016. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op één of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 10 september 2009 tot en met 5 augustus 2014 te Eindhoven en/of Boxtel, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Coöperatie VGZ UA heeft/hebben bewogen tot de afgifte van (een) geldbedrag(en) (totaal ongeveer 347.083 euro), in elk geval van enig goed, te weten

(op [bankrekeningnummer 1] tnv [betrokkene 1] gestort)

- (op 23 september 2009) een bedrag van 36.719,36 euro en/of een bedrag van 5.837,44 euro en/of

- (op 28 oktober 2009) een bedrag van 5.649,13 euro en/of

- (op 25 november 2009) een bedrag van 5.837,46 euro en/of

- (op 2 juni 2010) een bedrag van 33.789,32 euro en/of een bedrag van 2.203,89 euro en/of

(op [bankrekeningnummer 2] tnv [betrokkene 2] gestort)

- (op 16 januari 2013) een bedrag van 59.009,60 euro en/of

- (op 30 april 2013) een bedrag van 23.972,12 euro en/of

(op [bankrekeningnummer 3] tnv [betrokkene 3] gestort)

- (op 14 januari 2014) een bedrag van 43.418,11 euro en/of

- (op 11 februari 2014) een bedrag van 23.189,66 euro en/of

(op [bankrekeningnummer 4] tnv [betrokkene 4] gestort)

- (op 21 januari 2014) een bedrag van 31.782,55 euro en/of een bedrag van 31.787,79 euro en/of

- (op 6 mei 2014) een bedrag van 20.763,46 euro en/of

- (op 5 augustus 2014) een bedrag van 23.123,69 euro

hebbende verdachte en/of haar mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (tijdens haar, verdachtes, werkzaamheden bij VGZ ten aanzien van Persoonsgebonden Budgetten)

- (ten onrechte) in de systemen van VGZ (PGB)dossiers aangemaakt en/of heropend en/of

- (ten onrechte) (valse/niet bestaande) indicaties en/of (valse/foutieve) toekenningsbeschikkingen en/of solvabiliteitsverklaringen opgesteld en/of ingevoerd in de systemen van VGZ en/of

- de zogenaamde 4-ogen controle omzeild door (het verieste)verwerkingsrapport zelf in te vullen en te scannen en/of

- in genoemde dossiers diverse bedragen betaalbaar gesteld zonder vereiste indicatiestelling en/of op basis van een onterechte/valse indicatiestelling en/of onrechtmatige heropening bestaande dossiers en/of

- bankrekeningnummers en/of indicaties en/of solvabiliteitsverklaringen en/of toekenningsbeschikkingen door collega's goed laten keuren (in het kader van het 4-ogen principe) en/of uit laten draaien en/of hiertoe gebruik gemaakt van de inloggegevens van [betrokkene 5] (collega) en/of van een computer waarop een collega ingelogd was

waardoor Coöperatie VGZ UA (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde integraal bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen, met uitzondering van het onderdeel ‘medeplegen’. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de rollen die de overige betrokkenen bij de oplichting hebben vervuld van onvoldoende gewicht zijn om te kunnen spreken van ‘medeplegen’. Verdachte dient derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank. 1

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.

[betrokkene 6] 2 deed op 21 oktober 2014 aangifte van onder meer oplichting en verklaarde - zakelijk weergegeven - het volgende:

Ik ben werkzaam als teammanager van Bureau Interne Zaken (hierna: BIZ) bij de Coöperatie VGZ (hierna: VGZ). VGZ is als ziektekostenverzekeraar een uitvoerende instantie ten behoeve van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Voor het toekennen van een Persoons Gebonden Budget (hierna: PGB) is het noodzakelijk dat de budgethouder eerst een AWBZ-indicatie krijgt. In de indicatie wordt aangegeven wat de zorgvraag is, wat de aard is van de zorg die verleend moet worden en gedurende hoeveel uur die zorg moet worden toegekend. Gezegd kan worden dat de indicatie de basis is voor het toekennen van een PGB aan een budgethouder. Nadat VGZ van een cliënt/budgethouder een indicatie voor een PGB heeft ontvangen, worden er vanuit VGZ diverse gegevens opgevraagd waaronder bankgegevens en een solvabiliteits-verklaring. Op grond van de ontvangen indicatie wordt dan aan de budgethouder een budget toegekend.

Op 15 september 2014 ontving BIZ de melding dat er onregelmatigheden waren geconstateerd in het PGB-dossier ten name van [betrokkene 7] . Deze melding had betrekking op een medewerkster van VGZ te Eindhoven genaamd [betrokkene 8] . Dit was geconstateerd door [betrokkene 9] , die werkzaam is als teamcoördinator PGB bij VGZ. Op 16 september 2014 vond een gesprek plaats met [betrokkene 9] en haar collega [betrokkene 10] , waarin zij nadere uitleg gaven over de gedane melding, met overlegging van de schriftelijke bescheiden. Kort en zakelijk samengevat verklaarden [betrokkene 9] en [betrokkene 10] dat [verdachte] op 24 december 2012 handmatig een PGB-dossier had aangemaakt in de geautomatiseerde systemen van VGZ ten name van [betrokkene 7] en dat [verdachte] meerdere handelingen heeft uitgevoerd in het (digitale) dossier van budgethoudster die als opmerkelijk kunnen worden betiteld. Zo werden persoonsgegevens opgevraagd voordat er een indicatiestelling was ingeboekt en werden er géén onderhavige stukken ter zake de indicatiestelling opgevoerd. Verder verklaarden [betrokkene 9] en [betrokkene 10] dat [verdachte] een budget ad € 82.982,12 betaalbaar heeft gesteld aan budgethouder [betrokkene 7] met [bankrekeningnummer 9] .

Op 18 september 2014 ontving BIZ een tweede melding van [betrokkene 10] . Deze melding had betrekking op een PGB-dossier ten name van [betrokkene 11] dat handmatig door [verdachte] was aangemaakt. Uit het gesprekverslag met [betrokkene 10] opgemaakt naar aanleiding van de melding inzake het dossier [betrokkene 11] kwam naar voren dat [verdachte] op 24 december 2013 handmatig een PGB-dossier heeft aangemaakt in de geautomatiseerde systemen van VGZ ten name [betrokkene 11] zonder daarvoor over de vereiste indicatie te beschikken en dat [verdachte] meerdere handelingen heeft uitgevoerd in het (digitale) dossier van budgethouder [betrokkene 11] die als opmerkelijk kunnen worden betiteld. Zo werden persoonsgegevens opgevraagd voordat er een indicatiestelling was ingeboekt en zijn er géén onderhavige stukken ter zake de indicatiestelling opgevoerd. Verder kwam uit het gesprekverslag met [betrokkene 10] naar voren dat [verdachte] een budget ad € 66.607,77 betaalbaar heeft gesteld aan budgethouder [betrokkene 11] met [bankrekeningnummer 5] .

Op 25 september 2014 ontving BIZ van [betrokkene 12] , teammanager PGB zorgkantoren VGZ-kantoor te Eindhoven, een derde melding dat werd vermoed dat [verdachte] fraude had gepleegd in een PGB-dossier. [betrokkene 12] had deze informatie ontvangen van medewerkster [betrokkene 13] . Er is sprake van onrechtmatige heropening van een bestaand dossier van budgethouder [betrokkene 14] , die in het verleden recht heeft gehad op een PGB-verstrekking. Het geld is betaalbaar gesteld op [bankrekeningnummer 6] . Op 29 september 2014 verklaarde [betrokkene 13] dat ze had ingelogd op het systeem PGB.NET en dat ze toen zag dat er op verschillende momenten in 2014 bedragen van € 20.000 en € 30.000 waren overgemaakt naar budgethouder [betrokkene 14] . Tevens zag ze dat alle bedragen waren geaccordeerd door [verdachte] . Ze vond dat vreemd want de budgethouder had alleen PGB ontvangen in de jaren 2008 en 2009. Het PGB-dossier was al afgesloten in 2012.

Uit een interview met [verdachte] op 8 oktober 2014 bleek dat zij ook had gefraudeerd in een dossier van budgethouder [betrokkene 15] , geboren [geboortedatum 2] . In dit dossier had ze zonder de vereiste indicatie geld overgemaakt naar een bankrekeningnummer. Uit de geautomatiseerde systemen van de VGZ bleek dat het geld was overgemaakt naar [bankrekeningnummer 1] op naam van [betrokkene 1] , met als omschrijving bij de overboeking “inz. [betrokkene 15] ”. In dit dossier is géén indicatiestelling (fysieke stukken) aangetroffen. Kijkend naar de invoervariabelen van het computersysteem valt op te maken dat de ingevoerde indicatie is opgevoerd nadat het dossier is afgesloten, wat niet logisch lijkt.

[verbalisant 1] 3relateerde op 30 januari 2015 - zakelijk weergegeven - als volgt:

Naar aanleiding van een vordering ex artikel 126nd Sv zijn door de ABN AMRO bankafschriften verstrekt met [bankrekeningnummer 7] t.n.v. [betrokkene 1] , over de periode 9 februari 2009 tot en met 14 juli 2012. Aan de hand hiervan zijn de ontvangsten in kaart gebracht in de periode na de ontvangst van de PGB-gelden van VGZ. Analyse van de bankmutaties leveren de volgende bevindingen op. Op [bankrekeningnummer 1] werd een totaalbedrag van € 90.036,60 ontvangen van zorgkantoor Noord-Oost Brabant. In onderstaand overzicht zijn deze bedragen nader gespecificeerd:

- op 23-09-2009 een bedrag van € 36.719,36, betreft ‘Ontvangst Zorgkantoor Noord-Oost Brabant [betrokkene 15] 2009 september’

- op 23-09-2009 een bedrag van € 5.837,44, betreft ‘Ontvangst Zorgkantoor Noord-Oost Brabant [betrokkene 15] 2009 oktober’

- op 28-10-2009 een bedrag van € 5.649,13, betreft ‘Ontvangst Zorgkantoor Noord-Oost Brabant [betrokkene 15] 2009 november’

- op 25-11-2009 een bedrag van € 5.837,46, betreft ‘Ontvangst Zorgkantoor Noord-Oost Brabant [betrokkene 15] 2009 december’

- op 02-06-2010 een bedrag van € 33.789,32, betreft ‘Ontvangst Zorgkantoor Noord-Oost Brabant [betrokkene 15] 2010 Def. Afrekening’

- op 02-06-2010 een bedrag van € 2.203,89, betreft ‘Ontvangst Zorgkantoor Noord-Oost Brabant [betrokkene 15] 2009 Def. Afrekening’.

[verbalisant 1] 4 relateerde op 30 januari 2015 - zakelijk weergegeven - als volgt:

Naar aanleiding van een vordering ex artikel 126nd Sv zijn door de ING-bank bankafschriften verstrekt met [bankrekeningnummer 8] ten name van [betrokkene 7] , met bankmutaties over de periode 2 januari 2013 tot en met 30 oktober 2013. Aan de hand hiervan zijn de ontvangsten in kaart gebracht in de periode na de ontvangst van de PGB-gelden van VGZ. Analyse van de bankmutaties leveren de volgende bevindingen op. Op [bankrekeningnummer 9] werd een totaalbedrag van € 82.982,12 ontvangen van zorgkantoor Noord-Oost Brabant. In onderstaand overzicht zijn deze bedragen nader gespecificeerd:

- op 16-01-2013 een bedrag van € 59.009,60, betreft ‘Ontvangst Zorgkantoor Noord-Oost Brabant 2012’

- op 30-04-2013 een bedrag van € 23.972,52, betreft ‘Ontvangst Zorgkantoor Noord-Oost Brabant 2012’ Van [bankrekeningnummer 10] worden op 16 januari 2013 tweemaal, op 29 januari 2013 en op 2 mei 2013 geldbedragen, respectievelijk € 10.000,00, € 1.000,00, € 11.000,00 en € 12.000,00, overgeboekt naar bankrekeningen van [verdachte] .

Van [bankrekeningnummer 10] worden zowel op 22 en 23 januari 2013 geldbedragen van € 8.500,00 contant opgenomen.

[verbalisant 1] 5 relateerde op 16 mei 2015 - zakelijk weergegeven – als volgt:

Naar aanleiding van een vordering ex artikel 126nd Sv zijn door de Rabobank Hart van de Meierij bankafschriften verstrekt met [bankrekeningnummer 11] ten name van [betrokkene 11] , met bankmutaties over de periode 6 december 2013 tot en met 24 september 2014. Aan de hand hiervan zijn de ontvangsten in kaart gebracht in de periode na de ontvangst van de PGB-gelden van VGZ. Deze bankmutaties houden onder meer in:

- op 14-01-2014 werd een bedrag bijgeschreven van €43.418,11, betreft ‘Ontvangst Zorgkantoor Noord-Oost Brabant met betrekking tot [betrokkene 11] , J2013 december’

- op 11-02-2014 werd een bedrag bijgeschreven van €23.189,66, betreft ‘Ontvangst Zorgkantoor Noord-Oost Brabant met betrekking tot [betrokkene 11] , J2013 december’

[verbalisant 1] 6 relateerde op 29 januari 2015 - zakelijk weergegeven - als volgt:

Naar aanleiding van een vordering ex artikel 126nd Sv zijn door de ING-bank bankafschriften verstrekt met [bankrekeningnummer 12] ten name van [betrokkene 14] , met bankmutaties over de periode 21 januari 2014 tot en met 27 november 2014. Aan de hand hiervan zijn de ontvangsten in kaart gebracht in de periode na de ontvangst van de PGB-gelden van VGZ. Analyse van de bankmutaties leveren de volgende bevindingen op.

- op 21-01-2014 werd een bedrag bijgeschreven van € 31.782,55, betreft ‘Ontvangst Zorgkantoor Noord-Oost Brabant RJJ2012 December’

- op 21-01-2014 werd een bedrag bijgeschreven van € 31.787,79, betreft ‘Ontvangst Zorgkantoor Noord-Oost Brabant RJJ2012 December’

- op 06-05-2014 werd een bedrag bijgeschreven van € 20.763,46, betreft ‘Ontvangst Zorgkantoor Noord-Oost Brabant RJJ2013 Def. afrekening’

- op 05-08-2014 werd een bedrag bijgeschreven van € 23.123,69, betreft ‘Ontvangst Zorgkantoor Noord-Oost Brabant RJJ2014 Def. afrekening’.

[verbalisant 1] 7 relateerde op 15 januari 2015 - zakelijk weergegeven - als volgt:

Op 13 januari 2015 heeft op het kantoor bij VGZ te Eindhoven een gesprek plaatsgevonden met [betrokkene 6] en [betrokkene 16] , beiden medewerker van

Bureau Interne Zaken binnen VGZ. Na afloop van dit gesprek is het relaas verstrekt inzake de handelingen die hebben plaatsgevonden ten aanzien van het dossier van budgethouder [betrokkene 15] . Dit relaas is opgesteld door een medewerker PGB op basis van de informatie zoals deze is vastgelegd binnen de systemen van VGZ. Het relaas is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. Dit relaas vermeldt onder meer:

- op 10-09-2009: Cliënt ingevoerd in systeem (door medewerker [verdachte] )

- op 10-09-2009: Indicatiebesluit 101 ingevoerd - looptijd indicatie: 10-03-2009 t/m

09-03-2010 (door medewerker [verdachte] ) Opm.: Indicatie is terug te vinden in AZR.

- op 16-09-2009: Indicatiebesluit 102 ingevoerd (door medewerker [verdachte] )

Opm.: Indicatie is niet te vinden in AZR.

- op 17-09-2009: Invoeren rekeningnummer (door medewerker [verdachte] )

- op 17-09-2009: Toekenningsbeschikking 2009 (door medewerker [betrokkene 17] )

- op 28-05-2010: Indicatie 102 gemuteerd -functies toegevoegd (door medewerker

[betrokkene 18] )

- op 28-05-2010: Accorderingsregel aangemaakt op naam van [betrokkene 18] (door

medewerker [betrokkene 18] )

- op 28-05-2010: Indicatie 101 budget 2009 gemuteerd - Beëindiging verwijderd (door

medewerker [betrokkene 18] )

- op 28-05-2010: Toekenningsbeschikking Budgetjaar 2010 (door medewerker

[betrokkene 18] ).

Het gespreksverslag met [betrokkene 10]8, gevoerd door [betrokkene 19] en [betrokkene 20] , beiden medewerkers van Bureau Interne Zaken binnen VGZ, d.d. 16 september 2014 houdt - zakelijk weergegeven – het volgende in:

Ik werk bij het VGZ. Mijn functie houdt in dat ik het systeem PGB.net beheer. Met betrekking tot het PGB-dossier van budgethouder [betrokkene 7] heb ik informatie verzameld vanuit de betreffende digitale bestanden van VGZ. Ik heb de bijzonderheden weergegeven in een schema waarin ik per datum heb weergegeven welke handelingen er hebben plaatsgevonden met betrekking tot het PGB-dossier. Dit schema vermeldt onder meer:

- op 24-12-2012: Persoonsgegevens opgevraagd (medewerker [betrokkene 21] )

- op 11-01-2013: Indicatie handmatig ingevoerd (medewerker [verdachte] )

- op 11-01-2013: Toekenningsbeschikking is aangemaakt (medewerker [betrokkene 22] )

- op 18-01-2013: Accorderingscherm registratie (door medewerkers [verdachte] en [betrokkene 23]

)

- op 26-04-2013: Een mutatie op de indicatie (medewerker [verdachte] )

Opm.: De indicatie is viermaal opgevoerd/gewijzigd. Bij de eerste drie wijzigingen liepen de functies altijd van 01-03-2012 tot en met 31-12-2012. Bij de laatste wijziging is de ingangsdatum van alle functies gewijzigd naar 01-01-2012. Daarnaast is de functie verpleging toegevoegd met klasse 0 en is persoonlijke verzorging opgehoogd van klasse 1 naar klasse 4. Hierdoor is het oude budget van (netto) 59.009,60 euro verhoogd tot (netto) 82.982,12 euro.

- op 26-04-2013: Accorderingscherm registratie (door medewerkers [verdachte] en [betrokkene 23]

)

Het gespreksverslag met [betrokkene 10]9, gevoerd door [betrokkene 20] en [betrokkene 24] , beiden werkzaam bij VGZ, d.d. 22 september 2014 houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in:

Tijdens het zoeken binnen de geautomatiseerde systemen/bestanden van VGZ viel het dossier van budgethouder [betrokkene 11] . Binnen dit dossier is gehandeld alsof het een omzetting betrof van Zorg in Natura naar PGB, maar zowel de indicatie als het verzoek tot omzetting (dat afkomstig moet zijn van de budgethouder) zijn niet te vinden. In dit dossier is net als in het dossier van budgethouder [betrokkene 7] na enige tijd de indicatie verhoogd, waardoor er een nabetaling is ontstaan. Nagenoeg alle mutaties in/op het dossier zijn uitgevoerd door medewerkster [verdachte] . Ik heb de bijzonderheden weergegeven in een schema waarin ik per datum heb weergegeven welke handelingen er hebben plaatsgevonden met betrekking tot het PGB-dossier. Dit schema vermeldt onder meer:

- op 24-12-2013: Cliënt handmatig ingevoerd in PGB.net (medewerker [verdachte] )

- op 06-01-2014: Stukken ingescand in Documentum – Bankovereenkomst. Opm.: is

niet ondertekend en dus niet goedgekeurd had mogen worden.

- op 08-01-2014: Indicatie handmatig ingevoerd in PGB.net (medewerker [verdachte] )

- op 10-01-2014: Toekenningsbeschikking aangemaakt (medewerker [betrokkene 25] )

- op 07-02-2014: Laatste wijziging op indicatie (medewerker [verdachte] ). Opm.: Dit

betreft waarschijnlijk het ophogen van het budget.

[verbalisant 1] 10 relateerde op 15 januari 2015 - zakelijk weergegeven - als volgt:

Op 13 januari 2015 heeft op het kantoor bij VGZ te Eindhoven een gesprek plaatsgevonden met [betrokkene 6] en [betrokkene 16] , beiden medewerker van

Bureau Interne Zaken binnen VGZ. Na afloop van dit gesprek is het relaas verstrekt inzake de handelingen die hebben plaatsgevonden ten aanzien van het dossier van budgethouder [betrokkene 14] . Dit relaas is opgesteld door een medewerker PGB op basis van de informatie zoals deze is vastgelegd binnen de systemen van VGZ. Het relaas is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. Dit relaas vermeldt onder meer:

- op 30-11-2013: Budgethouder is sinds 30-11-2013 rekeninghouder van

[bankrekeningnummer 13] .

- op 27-12-2013: Rekeningnummer ingevoerd (medewerker: [verdachte] )

- op 27-12-2013: Rekeningnummer geaccordeerd (medewerker: [betrokkene 17] )

- op 17-01-2014: Invoer indicatie en muteren budget 2012 (medewerker: [verdachte] )

- op 20-01-2014: Stukken m.b.t. rekeningnummer ingescand. Opm.: De brief van de

ING is gedateerd 10-01-2014 en de datumstempel vermeldt 13-01-2014. Het

rekeningnummer is dus ingevoerd en geaccordeerd voordat het bewijsstuk bestond.

- op 21-01-2014: Accordering door [betrokkene 13] op een mutatie van [verdachte] per 17-01-

2014 (medewerkers: [betrokkene 13] en [verdachte] )

- op 28-03-2014: Mutatie op budget (medewerker: [verdachte] )

- op 04-04-2014: Mutatie op budget (medewerker: [verdachte] )

- op 22-07-2014: Mutatie op budget 2012 indicatie 104 (medewerker: [verdachte] )

- op 01-08-2014: Mutatie op indicatie 104 (medewerker: [verdachte] )

- op 01-08-2014: Mutatie op budget 2013 indicatie 104 (medewerker: [verdachte] )

- op 01-08-2014: Mutatie op budget 2014 indicatie 104 (medewerker: [verdachte] )

Verdachte 11 verklaarde op 18 maart 2015 tijdens haar verhoor bij de politie [m.b.t. het PGB-dossier ‘ [betrokkene 15] ’] - zakelijk weergegeven - onder meer:

Rond de periode van eind 2009 en begin 2010 ging ik veel om met [betrokkene 26] . Zij gaf aan dat zij op straat kwam te staan. [betrokkene 26] wist dat ik bij VGZ werkte en vroeg aan mij of ik iets voor haar kon doen op mijn werk. Ik heb bedacht hoe ik haar kon helpen, daarna heb ik met haar besproken dat ik geld kan overmaken maar dat ik dan gegevens moest hebben. Ik heb met haar besproken dat ik een bankrekeningnummer moest hebben. [betrokkene 26] had bedacht dat het dossier kon worden aangemaakt op de naam van [betrokkene 15] , zijnde de broer van haar vriend [betrokkene 1] . We hebben samen bij mij thuis besproken hoe we dat konden doen. Ik wilde dat het kloppend was voor andere collega’s. [betrokkene 26] gaf mij de achternaam en geboortedatum van [betrokkene 15] . Ik heb de naam van [betrokkene 15] ingevoerd in het systeem. Het bankrekeningnummer van [betrokkene 1] kreeg ik van [betrokkene 26] op een post-it. Er was geen indicatie dus de indicatie heb ik zelf verzonnen. Wanneer het dossier compleet is, wordt er een toekenningbeschikking uitgedraaid. U houdt mij voor dat in de gegevens van VGZ staat dat de toekenningsbeschikking op naam van [betrokkene 17] is ingevoerd. Het kan kloppen dat ik op mijn eigen naam heb gewerkt in combinatie met [betrokkene 17] . [betrokkene 17] zat achter mij op kantoor en ik kon gebruik maken van haar computer terwijl zij ingelogd was. Het geld is uiteindelijk overgeboekt. Ik heb dit op mijn werk nagekeken en zag dat bij het bedrag ‘betaald’ stond. Later in 2010 vroeg [betrokkene 26] mij om een tweede keer geld te storten. Ik ben akkoord gegaan met haar verzoek. Het dossier was afgesloten en ik heb het dossier heropend. Ik heb de jaarafrekening opengebroken. Daarna moest ik weer een indicatie en een verantwoording invoeren. Ik heb een paar bedragen als verantwoording verzonnen. U houdt mij voor dat de door mij genoemde handelingen op naam van [betrokkene 27] zijn ingevoerd. Ik heb op de naam van [betrokkene 27] gehandeld omdat ik wist dat [betrokkene 27] weg zou gaan bij VGZ. Er zijn toen nog twee uitbetalingen gedaan.

Verdachte 12 verklaarde op 19 maart 2015 tijdens haar verhoor bij de politie [m.b.t. het PGB-dossier ‘ [betrokkene 7] ’] - zakelijk weergegeven - onder meer:

Ik heb dit dossier aangemaakt. In oktober 2012 heb ik [betrokkene 7] uitgelegd wat ik wilde gaan doen en ik heb haar gevraagd om mee te helpen met de fraude. Ik stelde voor om het geld te delen en dat vond ze wel aantrekkelijk. Ze stemde in met het gebruik van haar bankrekening, want anders kon het geld niet gestort worden. Ik heb de persoonsgegevens ingevoerd via collega [betrokkene 28] . Ik ben naar [betrokkene 28] gegaan omdat ik niet wilde dat mijn naam aan de mutatie zou hangen en omdat [betrokkene 28] geen vragen stelde. [betrokkene 7] heeft de solvabiliteitsverklaring opgevraagd. Zij ontving de solvabiliteitsverklaring op haar adres en heeft hem toen aan mij gegeven. Ik heb de solvabiliteitsverklaring meegenomen naar mijn werk, er een stempeldatum op gezet en ingevoerd in het systeem. Daarna heb ik het [betrokkene 29] gevraagd te tekenen in verband met de vier-ogencontrole. Zij deed dat. Verder heb ik de indicatie verzonnen zodat er een bedrag uitkwam. Daarna heb ik de toekenningsbeschikking uitgedraaid op naam van collega [betrokkene 30] . Zij was ingelogd en ik heb haar gevraagd om het uit te draaien en dat deed ze. Ik heb vinkjes op het verwerkingsrapport gezet en ik heb de initialen HK gezet en tevens mijn eigen initialen. Ik heb het dossier niet in het vier-ogenbakje gelegd om te voorkomen dat een vier-ogencontrole werd uitgevoerd. Ik heb dus het verwerkingsrapport zelf ingevuld en gescand zodat het lijkt dat de vier-ogencontrole heeft plaatsgevonden. Ik heb in het systeem gekeken en ik zag dat het geld betaald was. [betrokkene 7] belde me op en zei ‘we are rich baby’. Ik heb het dossier op 26 april 2013 weer opengebroken omdat ik opnieuw geld nodig had. Ik heb toen de beëindiging van 18 januari 2013 verwijderd. Het geld dat door VGZ is gestort heeft [betrokkene 7] deels contant opgenomen en aan mij gegeven. Ook is er geld overgeboekt via de bankrekening.

Verdachte 13 verklaarde op 19 maart 2015 tijdens haar verhoor bij de politie [m.b.t. het PGB-dossier ‘ [betrokkene 11] ’] - zakelijk weergegeven - onder meer:

Ik heb dat dossier aangemaakt. Ik heb op 8 januari 2014 handmatig een indicatie ingevoerd. Ik heb aan [betrokkene 31] gevraagd of zij het bankrekeningnummer wilde accorderen. Zij vroeg niets en heeft geaccordeerd. Ik heb op 10 januari 2014 op naam van [betrokkene 29] een toekenningsbeschikking aangemaakt. Ik vertelde Tamara dat MS Word het niet deed en vroeg dan of ik haar computer mocht gebruiken om een brief af te drukken. Ik heb de vinkjes en de initialen TM en MV op het controleformulier gezet. Ik heb op 7 februari 2014 wijzigingen doorgevoerd op de indicatie. Dat heb ik gedaan omdat het bedrag dat betaald zou worden rond de € 60.000 was en er de eerste keer € 40.000 was betaald. Er moest dus nog een bedrag komen.

Verdachte 14 verklaarde op 18 maart 2015 tijdens haar verhoor bij de politie [m.b.t. het dossier ‘ [betrokkene 14] ’] - zakelijk weergegeven - onder meer:

Ik heb met het dossier van [betrokkene 14] gefraudeerd omdat zijn naam al bekend was in het systeem. Ik heb [betrokkene 14] gevraagd of ik op zijn rekening geld mocht storten. Ik heb hem uitgelegd dat het van mijn werk afkwam. Ik heb hem ook gevraagd of hij hiervoor een nieuwe bankrekening wilde openen want het kon niet op de bankrekening waar hij zijn Wajong-uitkering op ontving. [betrokkene 14] ging ermee akkoord. Ik heb de jaarafrekening opengebroken en ik heb er een nieuwe indicatie met terugwerkende kracht ingeplakt. Ik heb de indicatie ingevoerd vanaf 2012. [betrokkene 14] heeft zijn rekeningnummer aan mij gegeven. Ik heb dat rekeningnummer ingevoerd en ik heb [betrokkene 32] gevraagd om het rekeningnummer van [betrokkene 14] te accorderen. Zij vroeg wel waarom ze moest accorderen en ik gaf aan dat ik de datum had aangepast en toen accordeerde ze zonder verdere vragen. De solvabiliteitsverklaring met betrekking tot dit rekeningnummer heeft [betrokkene 14] geregeld en ik heb hem daarbij telefonisch geholpen. U houdt mij voor dat op de verklaring een stempel staat van 13 januari 2014 en dat er een fiat gegeven wordt door PM op 14 januari 2014. Om het dossier compleet te krijgen en om het niet op te laten vallen heb ik het later laten aftekenen door [betrokkene 31] en ingescand in het systeem Documentum. Ik wist dat zij zou aftekenen als ik het vroeg. Het geld werd overgemaakt op de rekening van [betrokkene 14] . Ik had met [betrokkene 14] afgesproken dat we het geld zouden delen. Na de eerste storting vanuit VGZ heb ik met internetbankieren, vanaf de rekening van [betrokkene 14] , de helft plus € 5.000 overgemaakt naar mijn eigen bankrekening.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting van 19 januari 2017- zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

Wat ik bij de politie heb verklaard, klopt. Ik ben in 2006 begonnen bij VGZ. Na een half jaar heb ik bijna alleen nog op de PGB-afdeling gewerkt. Ik heb het nieuwe computerprogramma dat uitkwam in 2008 mee getest, dus ik wist goed hoe het programma werkte. In de systemen van VGZ heb ik ten aanzien van de PGB-dossiers van [betrokkene 15] , [betrokkene 7] , [betrokkene 11] en [betrokkene 14] telkens onbestaande indicaties ingevuld, zodat er een bepaald bedrag uitkwam en dat bedrag werd vervolgens uitbetaald. Ik heb in alle vier de bovengenoemde dossiers de vier-ogencontrole omzeild.

Bewijsoverwegingen van de rechtbank.

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte de (geautomatiseerde) systemen van VGZ zodanig heeft gemanipuleerd dat VGZ ten onrechte – zonder dat daaraan een geldige indicatie ten grondslag lag – PGB-gelden heeft uitgekeerd. Vanwege haar werkzaamheden voor VGZ was verdachte goed bekend met de binnen de organisatie gehanteerde procedures voor de behandeling van PGB-aanvragen. Met die kennis heeft verdachte niet-bestaande indicaties ingebracht in een viertal (eveneens fictief aangemaakte dan wel ten onterechte heropende) PGB-dossiers, waarbij zij de bankgegevens van personen uit haar kennissenkring heeft ingevoerd. Verder heeft zij het systeem gemanipuleerd, formulieren zelf ingevuld, geprint en/of ingescand. Verdachte heeft de voorgeschreven administratieve controle, het zogenaamde ‘vier-ogensysteem’, telkens omzeild zodat haar collega’s niets van haar handelen hebben meegekregen. Uiteindelijk zijn de op grond van ingevoerde indicaties vastgestelde bedragen door VGZ overgemaakt naar de genoemde bankrekeningnummers.

Door de gegevens in de digitale systemen in te voeren op de wijze zoals verdachte dat heeft gedaan, heeft verdachte, in haar hoedanigheid als medewerkster van de organisatie, bij (de afdeling betalingen van) VGZ het vertrouwen gewekt dat de betreffende PGB-dossiers door meerdere medewerkers waren gecontroleerd en dat de betreffende budgethouders recht hadden op PGB. Dit alles was in werkelijkheid niet het geval. De rechtbank merkt de gedragingen van verdachte aan als listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels en komt tot de conclusie dat verdachte hiermee VGZ heeft bewogen tot het overmaken van de PGB-gelden op de bankrekeningnummers.

Met betrekking tot het door de raadsman gevoerde verweer dat het handelen van verdachte, gelet op de beperkte rollen van de overige in het dossier genoemde personen, niet als ‘medeplegen’ kan worden aangeduid, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat verdachte ter zake van het dossier ‘ [betrokkene 11] ’ zodanig nauw en bewust met een ander of met anderen heeft samengewerkt dat sprake is van medeplegen. Verdachte zal daarom ten aanzien van dit gedeelte van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Dat ligt anders ten aanzien van de dossiers ‘ [betrokkene 15] ’, ‘ [betrokkene 7] ’ en ‘ [betrokkene 14] ’. Immers volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte haar plannen om te frauderen telkens op voorhand met de ander heeft besproken. Zowel [betrokkene 26] als [betrokkene 7] als [betrokkene 14] waren op de hoogte van de plannen van verdachte om vanuit haar werk (PGB-)gelden te laten uitkeren. Deze personen hebben telkens met dat specifieke doel hun/een bankrekening ter beschikking gesteld en bankgegevens aangeleverd bij verdachte. [betrokkene 14] heeft hiertoe zelfs een nieuwe bankrekening geopend. Verder is door alle voormelde personen gezorgd voor een solvabiliteitsverklaring, welke verdachte nodig had om de fraude te kunnen plegen. [betrokkene 7] heeft de gelden die binnenkwamen overgeboekt naar bankrekeningen van [verdachte] of opgenomen en aan [verdachte] afgegeven. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden en in aanmerking genomen dat de bankrekeningen een essentiële voorwaarde vormden om de fraude kunnen laten slagen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte nauw heeft samengewerkt met zowel [betrokkene 26] als [betrokkene 7] als [betrokkene 14] bij de uitvoering van een (telkens) door hen gezamenlijk gemaakt plan. Daar komt bij dat verdachte met [betrokkene 7] en met [betrokkene 14] afspraken heeft gemaakt over de onderlinge verdeling van de ‘buit’ en het geld uiteindelijk ook daadwerkelijk met hen heeft gedeeld.

De rechtbank concludeert dat de voornoemde uitvoeringshandelingen - in onderlinge samenhang bezien - duiden op een nauwe samenwerking tussen verdachte en elk van de overige genoemde betrokkenen, waarbij de bijdrage van die overige betrokkenen aan de oplichting (telkens) is aan te merken als zodanig wezenlijk en significant dat het handelen van verdachte telkens als medeplegen kan worden gekwalificeerd. Het verweer van de raadsman wordt op dit punt derhalve verworpen.

De bewezenverklaring.

Gelet op de hierboven vermelde partiële vrijspraak ten aanzien van het medeplegen inzake het dossier [betrokkene 11] , zal de rechtbank de bewezenverklaring (omwille van de leesbaarheid) splitsen in een A.-gedeelte en een B.-gedeelte.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

A.

op tijdstippen in de periode van 10 september 2009 tot en met 5 augustus 2014 te Eindhoven en Boxtel, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen telkens door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, Coöperatie VGZ U.A. heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen (totaal ongeveer 280.476 euro), te weten

op [bankrekeningnummer 1] t.n.v. [betrokkene 1] gestort

- op 23 september 2009 een bedrag van 36.719,36 euro en een bedrag van 5.837,44 euro en

- op 28 oktober 2009 een bedrag van 5.649,13 euro en

- op 25 november 2009 een bedrag van 5.837,46 euro en

- op 2 juni 2010 een bedrag van 33.789,32 euro en een bedrag van 2.203,89 euro en

op bankrekeningnummer t.n.v. [betrokkene 33] gestort

- op 16 januari 2013 een bedrag van 59.009,60 euro en

- op 30 april 2013 een bedrag van 23.972,12 euro en

op [bankrekeningnummer 4] t.n.v. [betrokkene 4] gestort

- op 21 januari 2014 een bedrag van 31.782,55 euro en een bedrag van 31.787,79 euro en

- op 6 mei 2014 een bedrag van 20.763,46 euro en

- op 5 augustus 2014 een bedrag van 23.123,69 euro

hebbende verdachte en haar mededaders toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid tijdens haar, verdachtes, werkzaamheden bij VGZ ten aanzien van Persoonsgebonden Budgetten

- (ten onrechte) in de systemen van VGZ PGB-dossiers aangemaakt en/of heropend en

- (ten onrechte) niet bestaande indicaties en valse toekenningsbeschikkingen en solvabiliteitsverklaringen opgesteld en/of ingevoerd in de systemen van VGZ en

- de zogenaamde 4-ogen controle omzeild, en

- in genoemde dossiers diverse bedragen betaalbaar gesteld op basis van een onterechte/valse indicatiestelling en

- bankrekeningnummers en/of toekenningsbeschikkingen door collega's goed laten keuren en/of uit laten draaien en/of hiertoe gebruik gemaakt van de inloggegevens van [betrokkene 5] (collega) en/of van een computer waarop een collega ingelogd was, waardoor Coöperatie VGZ U.A. telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

en

B.

op tijdstippen in de periode van 24 december 2013 tot en met 11 februari 2014 te Eindhoven en Boxtel, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, Coöperatie VGZ U.A. heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen totaal ongeveer 66.607 euro, te weten

op [bankrekeningnummer 3] t.n.v. [betrokkene 11] gestort

- op 14 januari 2014 een bedrag van 43.418,11 euro en

- op 11 februari 2014 een bedrag van 23.189,66 euro

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid tijdens haar, verdachtes, werkzaamheden bij VGZ ten aanzien van Persoonsgebonden Budgetten

- (ten onrechte) in de systemen van VGZ PGB-dossiers aangemaakt en

- (ten onrechte) een niet bestaande indicatie en een valse toekenningsbeschikking en een solvabiliteitsverklaring opgesteld en/of ingevoerd in de systemen van VGZ en

- de zogenaamde 4-ogen controle omzeild

- in genoemde dossiers diverse bedragen betaalbaar gesteld zonder vereiste op basis van een onterechte/valse indicatiestelling,

waardoor Coöperatie VGZ UA (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld zoals genoemd in het reclasseringsadvies d.d. 11 januari 2017. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht om de op te leggen straf te beperken tot een taakstraf van 240 uur en met daarnaast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf waaraan de bijzondere voorwaarden gekoppeld kunnen worden zoals genoemd in het reclasseringsadvies. De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat een detentie voor verdachte ernstige consequenties zal hebben en tot problemen zal leiden ten aanzien van haar huisvesting en de met VGZ getroffen afbetalingsregeling.

De raadsman heeft verder bepleit dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat tijdens het verhoor door Bureau Interne Zaken van VGZ op 8 oktober 2014 aan verdachte is medegedeeld dat er een onderzoek was ingesteld naar fraude met betrekking tot PGB-dossiers en verdachtes rol daarin. Uit deze mededeling heeft verdachte redelijkerwijs kunnen opmaken dat er tegen haar strafvervolging zou worden ingesteld, aldus de raadsman.

Voor zover de rechtbank zou komen tot de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, heeft de raadsman voorwaardelijk verzocht om opdracht te geven tot de benoeming van een gedragsdeskundige van het NIFP. Hij heeft daartoe aangevoerd dat in de reclasseringsrapportage melding wordt gemaakt van de nodige zorgen omtrent verdachte. In dat verband is het van belang dat de rechtbank zich een oordeel kan vormen over de psychische gesteldheid van verdachte ten tijde van het plegen van het delict, welke informatie noodzakelijk is in het kader van de beantwoording van de vierde vraag van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het (al dan niet met anderen) oplichten van haar werkgever Coöperatie VGZ U.A.. Door verdachtes oplichtingshandelingen, die zich uitstrekken over een periode van bijna vijf jaar, is VGZ voor een bedrag van
€ 347.083,98 benadeeld.

Als uitgangspunt voor de hoogte van de op te leggen straf hanteert de rechtbank de door het LOVS vastgestelde oriëntatiepunten die van toepassing zijn op fraudezaken. Bij het hierboven genoemde benadelingsbedrag geldt als uitganspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden.

Ten bezware van verdachte houdt de rechtbank rekening met de jarenlange duur van de oplichtingshandelingen, de mate waarin verdachte hieruit voordeel heeft verkregen, de initiërende rol die verdachte heeft gespeeld ten opzichte van de mededaders, alsmede met de omstandigheid dat verdachtes handelen enkel een halt is toegeroepen door het ingrijpen door VGZ. Verder rekent de rechtbank het verdachte aan dat zij haar nietsvermoedende collega’s bij haar malafide praktijken heeft betrokken en dat verdachte bovendien het door haar werkgever en collega’s in haar gestelde vertrouwen op slinkse wijze heeft misbruikt. Verdachte heeft zich kennelijk steeds laten leiden door het oogmerk om op een snelle en gemakkelijke manier aan veel geld te komen. Daarbij heeft zij zich er niets van aangetrokken dat het maatschappelijke draagvlak voor het PGB-stelsel door haar handelen ernstig wordt ondermijnd en dat haar handelen dat stelsel financiële schade heeft berokkend. De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan.

Ten voordele van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte haar medewerking heeft verleend aan het onderzoek en dat zij ter vergoeding van de veroorzaakte schade een vaststellingsovereenkomst met benadeelde VGZ heeft gesloten. Bij dat laatste dient evenwel de kanttekening geplaatst te worden dat het thans nog niet valt te overzien of het gehele schadebedrag aan VGZ zal (kunnen) worden vergoed.

De rechtbank heeft er kennis van genomen dat verdachte, blijkens een haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 december 2016, niet eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten. Verder heeft de rechtbank er acht op geslagen dat een situatie als bedoeld in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht aan de orde is.

Al het voorgaande mede in aanmerking nemend, is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De oplegging van een taakstraf, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de raadsman is verzocht, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van het bewezen verklaarde.

Wel ziet de rechtbank aanleiding om een gedeelte van deze gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en behandeling en begeleiding door de reclassering mogelijk te maken. Aan het voorwaardelijke strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals door de reclassering geformuleerd.

Voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en het voorwaardelijke gedeelte daarvan, zoekt de rechtbank aansluiting bij de eis van de officier van justitie, nu deze naar het oordeel van de rechtbank passend is.

Door de raadsman is aangevoerd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. De rechtbank is van oordeel dat de verhoren van verdachte die hebben plaatsgevonden in het kader van het intern bij VGZ opgestarte onderzoek niet kunnen worden aangemerkt als handelingen in eerdergenoemde zin. Naar het oordeel van de rechtbank dient de termijn in het onderhavige geval te worden gerekend vanaf het moment dat verdachte op 17 maart 2015 werd aangehouden en in verzekering werd gesteld. Op grond daarvan stelt de rechtbank vast dat geen sprake is van schending van de redelijke termijn.

De raadsman heeft (voorwaardelijk) verzocht om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen en zorg te dragen voor de benoeming van een gedragsdeskundige. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding en overweegt daartoe als volgt. Weliswaar blijkt uit de inhoud van het reclasseringsadvies dat bij verdachte sprake is van vermoedens van psychiatrische problematiek, doch door de verdediging is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt, noch is dit anderszins gebleken, dat deze problematiek speelde ten tijde van de bewezenverklaarde feiten of hiermee in verband stond. De rechtbank acht zich met het reclasseringsadvies van 11 januari 2017 genoegzaam geïnformeerd. Het verzoek van de raadsman wordt derhalve afgewezen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 47, 57, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht. DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. A.:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd en t.a.v. B.:

oplichting, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

t.a.v. A. en B.:

Gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het

nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel

1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede

lid, van het Wetboek van Strafrecht de medewerking aan huisbezoeken daaronder

begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich binnen twee dagen na het onherroepelijk zijn van dit vonnis telefonisch meldt bij

Reclassering Nederland (telefoonnummer 088-8041503). Hierna moet veroordeelde

zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan diagnostiek en intelligentieonderzoek en
eventueel hieruit voortvloeiende behandeling bij de Reinier van Arkel te Den Bosch,
of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering,
waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader
van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven,
ook indien dit medicatiegebruik inhoudt;

- gedurende de proeftijd een cognitieve vaardigheidstraining volgt indien en wanneer
de reclassering dit nodig acht. Dit kan een COVA training of COVA+ training zijn,
naar inschatting van de reclassering;

- gedurende de proeftijd medewerking verleent aan praktische hulp van uit bijvoorbeeld
het sociale wijkteam of maatschappelijk werk, of soortgelijke zorg zulks ter
beoordeling van de reclassering, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

De reclasseringsinstelling Reclassering Nederland, Advies & Toezichtunit 3 Zuid, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG ’s-Hertogenbosch wordt opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. W.F. Koolen en mr. F.A. te Water Mulder, leden,

in tegenwoordigheid van mr. P. Susijn, griffier,

en is uitgesproken op 2 februari 2017.

1 Tenzij anders vermeld, wordt bij de aanduiding van de bewijsmiddelen verwezen naar de paginanummers uit het dossier van de politie eenheid Oost-Brabant, dienst Regionale Recherche, met proces-verbaalnummer PL2100-2014148377, afgesloten op 30 juni 2015. Dit dossier bestaat uit 2436 doorgenummerde pagina’s.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 19] d.d. 4 november 2014, pagina’s 15 tot en met 20.

3 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 30 januari 2015, pagina’s 1271 en 1272.

4 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 30 januari 2015, pagina’s 2309 tot en met 2311.

5 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 16 maart 2015, pagina’s 1816 en 1817.

6 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 29 januari 2015, pagina’s 2081 en 2082.

7 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 15 januari 2015, pagina’s 1222, 1223, 1224 en 1228.

8 Een geschrift met opschrift ‘VGZ – Van [betrokkene 19] en [betrokkene 20] – datum interview 16-09-2014 – geïnterviewde is betrokkene – naam: [betrokkene 10] ’ inhoudende een gespreksverslag , pagina’s 2168 tot en met 2171.

9 Een geschrift met opschrift ‘VGZ – [betrokkene 20] en [betrokkene 24] – datum interview 22-09-2014 – geïnterviewde is betrokkene – naam: [betrokkene 10] ’ inhoudende een gespreksverslag , pagina’s 1714 tot en met 1716.

10 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 15 januari 2015, pagina’s 1902, 1906 tot en met 1909.

11 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 18 maart 2015, pagina’s 712 tot en met 719.

12 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 19 maart 2015, pagina’s 756 tot en met 761.

13 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 19 maart 2015, pagina’s 734 tot en met 737.

14 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 18 maart 2015, pagina’s 728 tot en met 730.