Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:522

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
01/865053-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van een vijftienjarig meisje over een periode van ruim een jaar.

De rechtbank legt een taakstraf op van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest, waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarde van een contactverbod met het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865053-15

Datum uitspraak: 02 februari 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1960] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 september 2016 en 19 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 augustus 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2012 tot en met 02 april 2015 te Someren en/of Helmond, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] (geboren op [1998 ] ) en/of [slachtoffer 2] (geboren op [1998 ] ), in elk geval van een ander of anderen, met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval die ander(en) te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar;

- vele malen, althans meermalen, zich opgehouden in de (directe) omgeving van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (te weten op de schaatsbaan en/of bij het evenement [evenement] en/of in het zwembad en/of op de kermis en/of bij het evenement Midzomeravond en/of op/rond het voetbalveld) en/of

- meermalen, althans eenmaal foto's en/of filmpjes gemaakt van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- vele malen, althans meermalen, WhatsApp-berichten gestuurd naar (een) vriendin(nen) van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (te weten [persoon 1] en/of [persoon 2] ) en/of

- meermalen, althans eenmaal, (een) cadeautje(s) aan de deur en/of de fiets van die [slachtoffer 1] gehangen en/of - vele malen, althans meermalen, naar binnen gekeken bij de woning(en) van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- enkele malen gebeld naar de vaste lijn van (de ouders van) [slachtoffer 1] ;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Standpunt officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard, met uitzondering van hetgeen vermeld is onder het voorlaatste dwarsstreepje, het binnenkijken in de woningen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

De verdediging heeft gemotiveerd gesteld dat het tenlastegelegde feit niet bewezen kan worden verklaard.

Bewijs

Op grond van de bewijsmiddelen, in het bijzonder de aangiftes van [slachtoffer 3] (de moeder van [slachtoffer 1] ), de verklaring van [slachtoffer 1] , de verklaringen van verdachte en het verhandelde ter terechtzitting, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 september 2013 tot en met 16 september 2014 te Someren en Helmond:

  • -

    zich meermalen heeft opgehouden in de (directe) omgeving van [slachtoffer 1] (te weten rond het voetbalveld);

  • -

    meermalen WhatsApp berichten heeft gestuurd naar een vriendin van [slachtoffer 1] (te weten [persoon 1] );

  • -

    een cadeautje aan de deur van de woning van [slachtoffer 1] en aan de fiets van [slachtoffer 1] heeft gehangen.

De rechtbank overweegt dat naar haar oordeel de bewezen te verklaren gedragingen van verdachte niet maken dat sprake is van een in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde inbreuk op de levenssfeer van [slachtoffer 2] . De rechtbank weegt daarbij mee dat de gedragingen en aandacht en adoratie van verdachte vooral waren gericht op [slachtoffer 1] . Dat [slachtoffer 2] van die aandacht het nodige heeft meegekregen, doordat ze als vriendin van [slachtoffer 1] vaak in haar nabijheid was, maakt nog niet dat gezegd kan worden dat er ook sprake was van belaging jegens haar. Daarnaast heeft de rechtbank bewezen geacht belagingshandelingen die enkel betrekking hadden op [slachtoffer 1] , namelijk de door verdachte aan [slachtoffer 1] verstrekte cadeaus.

De rechtbank komt nu toe aan de vraag of de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde gedragingen in de richting van [slachtoffer 1] kunnen worden gekwalificeerd als belaging in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Voor de beantwoording van die vraag moet het volgende worden vooropgesteld. Voor een bewezenverklaring van belaging is beslissend of sprake is van gedragingen waardoor wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander met het in de delictsomschrijving nader omschreven oogmerk. Doorslaggevend is de beantwoording van de vraag of het lastigvallen van die ander een zekere mate van indringendheid, duur en frequentie heeft. Voorts dienen de omstandigheden waaronder de gedragingen van de verdachte hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer mede in aanmerking te worden genomen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte vanaf juli 2012 het idee had dat [slachtoffer 1] in hem geïnteresseerd was. Verdachte was toen 52 jaar oud, [slachtoffer 1] was 13 jaar. Verdachte heeft vanaf die periode beelden van [slachtoffer 1] opgenomen met een camera vanaf zijn woning, op momenten dat [slachtoffer 1] (al dan niet in gezelschap van vriendinnen) lopend of fietsend langs zijn woning kwam. Verdachte heeft deze beelden ook bewaard. Verdachte ging bovendien via internet [slachtoffer 1] contacten na en hij heeft vanaf die periode verschillende evenementen en locaties (waaronder een zwembad) bezocht, op momenten waarop [slachtoffer 1] daar aanwezig was. Dat verdachte belangstelling had voor [slachtoffer 1] is [slachtoffer 1] en anderen toen al opgevallen. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij de indruk had dat [slachtoffer 1] verliefd op hem was. De rechtbank is van oordeel dat de aandacht van verdachte voor [slachtoffer 1] pas het karakter van belaging heeft gekregen toen verdachte op 11 september 2013 WhatsApp berichten naar een vriendin van [slachtoffer 1] , te weten [persoon 1] , stuurde met teksten als “ [slachtoffer 1] is ’n schatje!” “Ik zag [slachtoffer 1] zaterdag zwaaien” en “Die vind k gewoon heel leuk”. [persoon 1] heeft toen onder meer geantwoord: “wrm praat je met ons?” “hoezo ken jij iedereen?” “wij vinden het eigenlijk een beetje eng”“… dus dan ga je meisjes van 15 opzoeken en kijken wie hun vrienden zijn enzo”“waarom meisjes van 15? en nie gwn van je eigen leeftijd?” en “das was omdat je de hele kijk keek maar ze vind je eng”. Via deze WhatsApp berichten aan haar vriendin [persoon 1] bleek [slachtoffer 1] toen niet alleen nog eens van verdachtes bijzondere belangstelling voor haar maar ook dat hij, kennelijk, informatie over haar vriendinnen had achterhaald. De vader van [slachtoffer 1] heeft verdachte eind september 2013 naar aanleiding van voornoemde WhatsApp berichten laten weten dat [slachtoffer 1] niet van zijn interesse gediend was. De rechtbank stelt vast dat verdachte ook hierna [slachtoffer 1] een aantal malen en door middel van een variëteit aan gedragingen heeft lastig gevallen. Zo hing hij op 14 februari 2014 (Valentijnsdag) een cadeautje aan haar fiets en bezocht hij in het voorjaar van 2014 voetbalwedstrijden van het team van [slachtoffer 1] . Hierna is ook de moeder van [slachtoffer 1] bij verdachte aan de deur geweest om hem aan te spreken op zijn gedrag en hem te vragen te stoppen [slachtoffer 1] te stalken. Desondanks heeft verdachte op haar verjaardag (16 september 2014) een cadeautje en een briefje met een bewonderende tekst aan de deur van de woning van [slachtoffer 1] gehangen. De aard en indringendheid van deze gedragingen, mede gelet op het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer 1] , en het amoureuze karakter van verdachtes belangstelling voor [slachtoffer 1] , maken dat de rechtbank tot de conclusie komt dat verdachte in de bewezenverklaarde periode stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] . Duidelijk was dat [slachtoffer 1] van het persisterende gedrag van verdachte niet gediend was. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn handelen de grenzen van het maatschappelijk betamelijke in aanzienlijke mate heeft overschreden. De bewezen te verklaren inbreuken op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] waren dan ook wederrechtelijk.

Verdachte heeft aldus gehandeld met het oogmerk om [slachtoffer 1] te dwingen zijn aanhoudende blijken van belangstelling voor haar te dulden.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

in de periode van 11 september 2013 tot en met 16 september 2014 te Someren en Helmond wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] (geboren op [1998 ] ), met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te dulden, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar;

- meermalen, zich opgehouden in de (directe) omgeving van die [slachtoffer 1] (te weten op/rond het voetbalveld) en

- meermalen, WhatsApp-berichten gestuurd naar een vriendin van die [slachtoffer 1] (te weten [persoon 1] ) en

- cadeautjes aan de deur en de fiets van die [slachtoffer 1] gehangen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

  • -

    een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis met aftrek;

  • -

    een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarde gedurende de proeftijd een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;

  • -

    verbeurdverklaring van alle in beslag genomen goederen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer 1] , een vijftienjarig meisje over een periode van ruim een jaar.

Verdachte heeft WhatsApp berichten aan een vriendin van het slachtoffer gestuurd en zo [slachtoffer 1] benaderd. Na door de vader van [slachtoffer 1] daarmee te zijn geconfronteerd is verdachte door gegaan met het benaderen van [slachtoffer 1] . Verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van die [slachtoffer 1] . Belaging is een delict dat rechtstreeks raakt aan de privacy en het welbevinden van de belaagde. Voor de belaagde levert het daardoor een forse psychische belasting op. Dit geldt te meer nu het hier gaat om een jong meisje dat belaagd is door een drieënvijftigjarige man. Gelet op zijn verklaring bij de politie en ter terechtzitting heeft verdachte blijk gegeven dat hij het kwalijke van zijn handelen niet of nauwelijks inziet.

De rechtbank heeft er in strafmatigende zin acht op geslagen dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest en dat hij na 16 september 2014 met het belagen van [slachtoffer 1] is gestopt.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank minder gedragingen bewezen zal verklaren dan door de officier van justitie gevorderd en de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank acht een taakstraf voor de duur van 100 uur passend en geboden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal op de duur van die taakstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank zal de helft van die taakstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer 1] opleggen.

De rechtbank zal voorts de, reeds geschorste, voorlopige hechtenis van verdachte opheffen.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzet. De rechtbank overweegt dat de gegevensdragers met opgeslagen beelden die verdachte met zijn camera vanaf zijn woning heeft gemaakt en de beelden van onder andere [slachtoffer 1] die verdachte van internet heeft gehaald, geen voorwerpen betreffen met betrekking tot welke het strafbare feit is begaan. Hoewel de rechtbank begrijpt dat [slachtoffer 1] en haar ouders het niet prettig vinden dat verdachte over deze beelden beschikt, kan dat geen grond zijn voor verbeurdverklaring van deze goederen. Dit betekent dat de in beslag genomen goederen aan verdachte moeten worden terug gegeven.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 285b.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

belaging verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

BESLISSING:

Taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd geen contact zal opnemen, zoeken of hebben - in welke vorm dan ook, ook niet via derden - met de in deze strafzaak genoemde en aan verdachte bekende, bij een algeheel contactverbod belang hebbende persoon [slachtoffer 1] , een en ander met dien verstande dat onder dit contactverbod niet vallen contacten van of door tussenkomst van de advocaat van verdachte met genoemd persoon.

De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 7 april 2016 reeds geschorst.

Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten:

1) 1 PC, goednr 781650;

2) 1 harddisk (harde schijf inclusief adapter, goednr 781652;

3) 1 computer/laptop Dell portable, goednr 781699,

4) 1 harddisk (Verbatim sd-kaart / geheugenkaart) goednr 781636;

5) 1 telefoontoestel Samsung, goednr 781646;

6) 1 fototoestel camera, goednr 781662;

7) 1 zwarte computer/laptop Dell (in beslag genomen ter terechtzitting);

8) 2 CD-rom (in beslag genomen ter terechtzitting), aan rechthebbende, zijnde verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:mr. B.A.J. Zijlstra, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. R.J, Bokhorst, leden,

in tegenwoordigheid van N.J.M. van Rooij, griffier,

en is uitgesproken op 2 februari 2017.