Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:5187

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
28-05-2018
Zaaknummer
16_2232
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Toepassing bestuurlijke lus in Bibobzaak, motiveringsgebrek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/2232

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 6 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B. Vermeirssen),

en

de burgemeester van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigden: mr. B. Timmermans en mr. I. van der Zijden).

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een exploitatievergunning te verlenen voor het horecabedrijf [eiseres] aan de [adres] , afgewezen.

Bij besluit van 14 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2017. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De wetsartikelen die in deze uitspraak worden genoemd, zijn opgenomen in een bijlage, die aan deze uitspraak is gehecht.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres is een horecabedrijf en haar activiteiten bestaan uit het vervaardigen van brood en vers banketbakkerswerk, de verkoop van brood en aanverwante artikelen, het hebben van een lunchroom en een restaurant.

Eiseres heeft twee vennoten, te weten: [naam] (vennoot 1) en [naam] (vennoot 2).

Op 6 augustus 2013 heeft verweerder aan [bedrijf] , waarvan vennoot 1 één van de vennoten was, onder voorschriften een vergunning verleend voor de exploitatie van horecaonderneming [bedrijf] aan de [adres] . Aan dit besluit lagen twee adviezen van het Landelijk Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bureau Bibob) van 25 april 2013 en 29 juli 2013 ten grondslag. Dit besluit is in rechte komen vast te staan.

Op 6 november 2014 heeft eiseres de hier aan de orde zijnde aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning voor niet-alcoholverstrekkende horeca.

Op verzoek van verweerder heeft Bureau Bibob op 28 april 2015 advies uitgebracht. In dat advies is geconcludeerd dat sprake is van een ernstig gevaar dat de gevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen als vermeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).

Verweerder heeft op 22 juni 2015 aan eiseres zijn voornemen kenbaar gemaakt om de aangevraagde exploitatievergunning te weigeren. Eiseres heeft hierop haar zienswijze gegeven. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen, waartegen eiseres bezwaar heeft gemaakt.

In de bezwaarfase heeft Bureau Bibob in een aanvullend advies van 30 november 2015 geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat de conclusie als vermeld in het advies van 28 april 2015 te wijzigen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich, onder verwijzing naar het advies van de commissie voor bezwaarschriften van 5 juli 2016, op het standpunt gesteld dat sprake is van een ernstig gevaar dat de gevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat in 2013 eerder Bibob-adviezen zijn uitgebracht over een onderneming waar onder meer vennoot 1 bij betrokken was, niet betekent dat nu geen nieuw Bibob-advies mocht worden gevraagd. De vermelding in artikel 29 van de Wet Bibob dat een bestuursorgaan dat een advies ontvangt, dat advies gedurende twee jaren kan gebruiken in verband met een andere beslissing, betreft een ‘kan-bepaling’ en dwingt verweerder niet om het eerdere advies bij de huidige aanvraag te gebruiken. Dat nu de b-grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob wordt tegengeworpen, terwijl in 2013 nog de a-grond werd tegengeworpen, doet daar volgens verweerder niet aan af. Volgens verweerder blijkt uit het Bibob-advies van 28 april 2015 dat er een ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, nu vennoot 1 in 2010 heeft gehandeld in strijd met de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de Awr), er een ernstig vermoeden is dat vennoot 1 in 2004 heeft gehandeld in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen (de Wav) en vennoot 1 zich vermoedelijk schuldig heeft gemaakt aan witwassen in de periode van 10 november 2000 tot 1 oktober 2007.

4. In beroep heeft eiseres betoogd dat Bureau Bibob ten onrechte een negatief advies heeft uitgebracht. Eiseres heeft in dit verband verschillende argumenten aangevoerd, die hierna zullen worden besproken.

4.1.

Eiseres heeft allereerst aangevoerd dat het in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel dat Bureau Bibob nu negatief heeft geadviseerd, terwijl dat bij de eerdere Bibob-adviezen uit 2013 nog niet het geval was en er geen sprake is van een gewijzigde ‘input’ ten opzichte van die adviezen. Dat onder die omstandigheden volgens verweerder een andere uitkomst mogelijk is vanwege gewijzigde rechtspraak, zorgt er volgens eiseres voor dat de rechten van een burger worden beperkt zonder dat dit voorzienbaar is en zonder dat rekening wordt gehouden met een bestaande situatie of eerdere beoordeling. Bovendien had verweerder volgens eiseres moeten volstaan met een verwijzing naar het eerdere Bibob-advies.

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder advies mogen vragen aan Bureau Bibob bij de beoordeling van de aanvraag voor een exploitatievergunning van eiseres. Die aanvraag gaat over een andere onderneming dan waar de eerdere Bibob-adviezen op zagen, die op een ander adres is gevestigd en deels andere vennoten heeft. Een advies van Bureau Bibob is gericht op de vergunningaanvraag en niet op de bij die aanvraag betrokken personen. De omstandigheid dat in de eerdere adviezen al over vennoot 1 is geadviseerd, maakt daarom niet dat nu moet worden uitgegaan van die eerdere adviezen. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel is geen sprake.

4.3.

Eiseres is het ook niet eens met het standpunt van verweerder dat door gewijzigde rechtspraak het verkrijgen van onroerend goed door middel van valsheid in geschrifte, witwassen oplevert. In 2013 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat om witwassen te kunnen aannemen, sprake moet zijn van een aparte handeling die is gericht op het verhullen van de criminele herkomst van een goed. Volgens eiseres moet het feitencomplex, waarbij vennoot 1 beweerdelijk met valse werkgeversverklaringen een hypotheek heeft afgesloten waarmee hij woningen heeft verkregen, als één handeling worden gezien. Ter onderbouwing van die stelling heeft eiseres gewezen op het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 4 februari 2013 (ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ0998). Ook heeft eiseres aangevoerd dat op het moment dat de aanvraag voor de exploitatievergunning werd gedaan de rechtspraak nog niet was gewijzigd en dat verweerder van de situatie op dat moment had moeten uitgaan. Eiseres wordt nu geconfronteerd met een ‘strafbaar feit’ terwijl dit ten tijde van het plegen, althans ten tijde van de vergunningaanvraag, geen strafbaar feit was. Volgens eiseres kon het gestelde witwassen daarom niet aan het Bibob-advies ten grondslag worden gelegd.

4.4.

Niet in geschil is dat vennoot 1 inmiddels onherroepelijk is veroordeeld voor het vervalsen van werkgeversverklaringen, die vervolgens zijn gebruikt om een hypotheek af te kunnen sluiten om de aankoop van verschillende panden in Breda te financieren. In het bestreden besluit heeft verweerder toegelicht waarom in het huidige advies van Bureau Bibob wel wordt uitgegaan van een ernstig vermoeden dat vennoot 1 zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan witwassen, in tegenstelling tot de adviezen uit 2013. Uit een arrest van de Hoge Raad van 8 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX6910) volgt dat voordat het voorhanden hebben van een voorwerp als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd, sprake moet zijn ‘van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft’. Onder verwijzing naar dit arrest heeft de rechtbank Midden-Nederland op 4 februari 2013 een verdachte die door valsheid in geschrifte een hypotheek voor het kopen van onroerend goed had verkregen, vrijgesproken van witwassen. Bureau Bibob heeft in die rechtspraak destijds aanleiding gezien om bovengenoemde gedragingen van vennoot 1 in het eerdere Bibob-advies niet mee te nemen. Op 16 januari 2015 heeft de Rechtbank Noord-Nederland echter een uitspraak (ECLI:NL:RBNNE:2015:378) gedaan waaruit blijkt dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 17 juli 2014 het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank Midden-Nederland heeft vernietigd en wel tot een bewezenverklaring van witwassen is gekomen. Ten tijde van het uitbrengen van het Bibob-advies in de hier aan de orde zijnde zaak was er dus inmiddels andere jurisprudentie over witwassen. Die jurisprudentie is door Bureau Bibob in de beoordeling betrokken en heeft geleid tot een andere uitkomst dan het advies van 2013. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar het aanvullend advies van Bureau Bibob van 30 november 2015 en de brief van Bureau Bibob van 6 november 2015 op het standpunt kunnen stellen dat Bureau Bibob bevoegd is om eigen bevindingen aan de motivering van een advies ten grondslag te leggen. Bureau Bibob beoordeelt de in het kader van een Bibob-onderzoek bekend geworden gegevens op hun eigen merites en als uit die beoordeling relevante vermoedens naar voren komen, worden die betrokken bij de beoordeling van het gevaar. In de wet en wetsgeschiedenis zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat Bureau Bibob zich daarbij moet beperken tot de door de autoriteiten geëxpliciteerde vermoedens. Zoals verweerder op de zitting verder heeft toegelicht, moet bovendien een onderscheid worden gemaakt tussen strafvervolging en de beoordeling in het kader van de Wet Bibob. Een Bibob-advies dient om de eigen integriteit van de gemeente te beschermen en vennoot 1 wordt bij die beoordeling niets ten laste gelegd. Er vindt geen vervolging van vennoot 1 plaats, maar er wordt slechts een vermoeden geuit. Dat vennoot 1 niet is veroordeeld voor witwassen omdat de gedragingen op dat moment niet als witwassen werden gekwalificeerd, leidt daarom niet tot de conclusie dat Bureau Bibob niet het ernstig vermoeden van witwassen als eigen bevinding aan het advies ten grondslag mocht leggen.

De rechtbank volgt ook de stelling van eiseres dat Bureau Bibob had moeten uitgaan van de situatie ten tijde van de aanvraag, niet. Er is geen rechtsregel die er in dit geval aan in de weg staat dat Bureau Bibob bij het uitbrengen van het advies is uitgegaan van de stand van het recht en de jurisprudentie op dat moment. Dat Bureau Bibob ten onrechte heeft geoordeeld dat de gedragingen van vennoot 1 een ernstig vermoeden van witwassen opleveren, volgt de rechtbank niet. De verwijzing naar het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland is in dit verband niet voldoende, omdat dat vonnis door het gerechtshof Arnhem-Leeuwaren is vernietigd. Het Hof Arnhem-Leeuwarden is dus van oordeel dat het door valsheid in geschrifte verkrijgen van een hypotheek voor het kopen van onroerend goed, wel witwassen oplevert. De enkele stelling van eiseres dat dat oordeel niet juist is, is eveneens onvoldoende.

4.5.

Eiseres heeft ook aangevoerd dat het niet juist is dat verweerder een ‘tip’ heeft gekregen van het Openbaar Ministerie, maar dat verweerder, na het ontvangen van de aanvraag van eiseres, een verzoek heeft gedaan aan het OM met de vraag of eiseres bekend is bij het OM. Dit is volgens eiseres een andere situatie dan die is bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob. Doordat in deze zaak onjuist is weergegeven dat het zou gaan om een ‘tip van het OM’, ontstaat volgens eiseres een verkeerd beeld.

4.6.

Zoals deze rechtbank al eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 21 december 2012 (ECLI:NL:RBSHE:2012:BY7093) verzet de Wet Bibob noch het subsidiariteitsbeginsel zich tegen de handelwijze, die ook in de hier aan de orde zijnde procedure is gevolgd, dat verweerder de officier van justitie op de hoogte stelt van een aanvraag voor een exploitatievergunning. Het is vervolgens aan de officier van justitie of hij verweerder wijst op de mogelijkheid advies te vragen aan het Bureau Bibob. De rechtbank ziet geen aanleiding hier in dit geval anders over te oordelen en volgt eiseres dus niet.

4.7.

Verder heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte ervan uitgaat dat er een relatie is tussen het beweerdelijk gepleegde strafbare feit (witwassen) en de activiteit waarvoor de vergunning is aangevraagd. De ‘hypotheekfraude’ vond plaats in de privésfeer en er is geen relatie tot de activiteit waarvoor de vergunning is gevraagd, te weten het door klanten laten nuttigen van voeding en drank die ter plaatse worden bereid.

4.8.

Zoals hiervoor al is vermeld, is vennoot 1 onherroepelijk veroordeeld voor valsheid in geschrifte die eruit bestond dat met behulp van valse werkgeversverklaringen hypotheken zijn verkregen om huizen aan te kopen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het feit dat het gaat om valse werkgeversverklaringen, maakt dat er samenhang is met de uitoefening van een horecabedrijf en dat het uitoefenen van dit horecabedrijf het plegen van dit strafbare feit mogelijk maakt. Dat het doel van het horecabedrijf is om klanten eten en drinken te serveren en het strafbare feit zich in de privésfeer heeft afgespeeld, laat die samenhang onverlet. Ook de gedragingen met betrekking tot de Wav en de Awr hebben zich afgespeeld in verband met de ondernemingen waar vennoot 1 bij betrokken was, zodat verweerder ook hierbij een samenhang heeft mogen aannemen.

4.9.

De beroepsgrond dat Bureau Bibob ten onrechte een negatief advies heeft uitgebracht, slaagt niet.

5. Eiseres heeft ook betoogd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat verweerder geen, althans een onvoldoende belangenafweging heeft gemaakt. In het bestreden besluit worden de feiten als ernstig beoordeeld, maar er is geen onderzoek gedaan naar de gevolgen van het besluit voor eiseres. Eiseres heeft in dit verband gewezen op artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob waarin staat dat weigering of intrekking van de vergunning alleen plaatsvindt indien dit evenredig is met de mate van gevaar en de ernst van de strafbare feiten. Er moet volgens eiseres dus duidelijk gemotiveerd worden welke mate van gevaar wordt aangenomen en hoe de ernst van de strafbare feiten wordt bezien. Een dergelijke motivering heeft verweerder niet gegeven. De beoordeling van de ernst van de feiten en de vraag of weigering proportioneel is, wordt uitdrukkelijk overgelaten aan het bestuursorgaan zelf. In dit geval had die beoordeling moeten leiden tot de conclusie dat de gevraagde vergunning alsnog diende te worden verleend, met name, zoals op de zitting betoogd, gelet op het grote tijdsverloop tussen de feiten en het bestreden besluit.

5.1.

In het bestreden besluit en ook op de zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat rekening is gehouden met de belangen van eiseres, maar dat die belangen niet kunnen opwegen tegen het algemeen belang. Verweerder is van mening dat de uitgebreide weergave van de (vermoedens van) strafbare feiten en de relatie die zij hebben met de afgegeven vergunning en de uiteindelijke vaststelling van de mate van gevaar is terug te vinden in de motivering van het primaire besluit. Volgens verweerder is daarmee voldoende gemotiveerd hoe de belangen zijn gewogen.

5.2.

De rechtbank constateert dat in het primaire en in het bestreden besluit wel is vermeld dat rekening is gehouden met de belangen van eiseres, maar dat verweerder de belangen die hij stelt te hebben meegewogen niet heeft geëxpliciteerd en ook niet hoe die belangen dan precies zijn gewogen. De enkele vermelding dat aan het algemeen belang meer gewicht toekomt, is in dit verband niet voldoende. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek. Op de zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de belangen wel zijn gewogen, maar dat dat wellicht duidelijker in de besluiten had kunnen worden vermeld. Ook heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat Bureau Bibob het tijdsverloop wel heeft meegewogen en dat het in de mate van gevaar tot uitdrukking komt wanneer een feit te oud wordt bevonden. Volgens verweerder wordt uitgegaan van ernstig gevaar en is het tijdsverloop daarin verdisconteerd. De financiële gevolgen van het besluit zijn volgens verweerder niet relevant, omdat het gaat om de integriteit en het niet willen faciliteren van strafbare feiten. Ook met deze nadere toelichting op de zitting is nog geen sprake van een voldoende gemotiveerde belangenafweging. De beroepsgrond slaagt.

6. Het beroep is gegrond. Er is sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Verweerder zal alsnog inzichtelijk moeten maken welke belangen van eiseres hij in de belangenafweging heeft betrokken en waarom die belangen al dan niet opwegen tegen het algemeen belang. Meer in het bijzonder zal verweerder moeten motiveren waarom weigering van de exploitatievergunning al dan niet evenredig is, gelet op het tijdsverloop sinds de in het Bibob-advies genoemde feiten. Ook zal verweerder aandacht moeten besteden aan de omstandigheid dat eiseres al een bakkerij heeft en het dus niet gaat om een geheel nieuwe onderneming, maar slechts om uitbreiding van een bestaande onderneming, in relatie tot de ernstige vrees die wordt aangenomen dat een exploitatievergunning zou worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

7. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.

8. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering of met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.

De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid van de Awb en om onnodige vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken schriftelijk te reageren op de herstelpoging van verweerder.

9. Als verweerder meedeelt geen gebruik te maken van de gelegenheid tot herstel, dan wel na het ongebruikt verstrijken van de termijn voor het herstellen van het gebrek, zal de rechtbank na het ontvangen van het bericht van verweerder of na het verstrijken van de gestelde termijn, einduitspraak doen. In beginsel zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

10. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing, waaronder een beslissing over de proceskosten en het griffierecht, aan tot de einduitspraak op het beroep.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het geconstateerde gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski - Kelders, voorzitter, mr. M.L.W.M. Viering en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van drs. J.A. Meijer - Habraken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.

BIJLAGE WETTELIJK KADER:

Artikel 3, eerste, derde en vijfde lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob):

1. Voor zover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

3. Voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in eerste lid, onder b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

Artikel 26 van de Wet Bibob:

De officier van justitie die beschikt over gegevens die er op duiden dat een betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die reeds gepleegd zijn of, naar redelijkerwijs op grond van feiten of omstandigheden kan worden vermoed, gepleegd zullen worden, kan het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak wijzen op de mogelijkheid het Bureau om een advies te vragen.

Artikel 29 van de Wet Bibob:

Het bestuursorgaan dat of de rechtspersoon met een overheidstaak die een advies ontvangt, kan dat advies gedurende twee jaren gebruiken in verband met een andere beslissing.

Artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb:

De bestuursrechter kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb:

Het bestuursorgaan deelt de bestuursrechter zo spoedig mogelijk mede of het gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen of te laten herstellen.

Artikel 8:80a, eerste en tweede lid, van de Awb:

1. Als de bestuursrechter artikel 8:51a toepast, doet hij een tussenuitspraak.

2. De tussenuitspraak vermeldt zoveel mogelijk op welke wijze het gebrek kan worden hersteld.