Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:5174

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-10-2017
Datum publicatie
06-10-2017
Zaaknummer
C/01/322645 / KG ZA 17-404
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbesteding. De combinatie is terecht van de aanbesteding uitgesloten, omdat zij de gevraagde verificatiedocumenten niet tijdig heeft ingediend bij de aanbestedende dienst. De combinatie heeft daardoor geen belang bij de door haar ingestelde vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/322645 / KG ZA 17-404

Vonnis in kort geding van 2 oktober 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

COMBINATIE TAXI HORN TOURS BV - OAD BUS B.V.,

gevestigd te Horn,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TAXI HORN TOURS B.V.,

gevestigd te Horn,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OAD BUS B.V.,

gevestigd te Goor,

eiseressen,

advocaat mr. F.A. van den Assem te Nijmegen,

tegen

1. de stichting

STICHTING ROC SUMMA COLLEGE,

gevestigd te Eindhoven,

2. de stichting

STICHTING GILDE OPLEIDINGEN,

gevestigd te Roermond,

3. de stichting

STICHTING HELICON OPLEIDINGEN,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

4. de stichting

STICHTING VOOR BEROEPSONDERWIJS EN VOLWASSENENEDUCATIE WESTELIJK ZUID-LIMBURG/REGIONAAL OPLEIDINGEN CENTRUM LEEUWENBORGH,

gevestigd te Sittard,

5. de stichting

STICHTING SINTLUCAS,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagden,

advocaat mr. B. Nijhof te Eindhoven,

in welke zaak heeft verzocht te mogen tussenkomen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MUNCKHOF TAXI B.V.,

tussenkomende partij,

mr. M.G.G. van Nisselroij te Venlo.

Partijen zullen hierna de Combinatie, de Stichtingen en Munckhof genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 juni 2017 met 8 producties

  • -

    de brief van mr. Nijhof van 24 augustus 2017 met producties 1 tot en met 12

  • -

    de brief van mr. Van Nisselroij van 30 augustus 2017 met een incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair tot voeging

  • -

    de brief van mr. Van den Assem van 31 augustus 2017 met aanvullende producties 9 tot en met 11

  • -

    de brief van mr. Van den Assem van 1 september 2017 met aanvullende productie 12

  • -

    de mondelinge behandeling op 4 september 2017

  • -

    de pleitnota van de Combinatie

  • -

    de pleitnota van Munckhof

  • -

    de pleitnota van de Stichtingen.

1.2.

De Combinatie heeft voor aanvang van de mondelinge behandeling bij monde van haar advocaat mr. Anssems verzocht de behandeling van het kort geding aan te houden. De heer [naam] had die ochtend laten weten wegens ziekte niet in staat te zijn ter zitting te verschijnen en mr. Anssems achtte zich niet vrij alleen namens zijn cliënten het woord te voeren. Munckhof en de Stichtingen hebben ter zitting bezwaar gemaakt tegen aanhouding van de mondelinge behandeling. De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot aanhouding ter zitting afgewezen omdat naar zijn oordeel geen sprake was van een klemmende reden. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat niet valt in te zien waarom mr. Anssems niet in staat zou zijn de belangen van zijn cliënten te behartigen. Aangenomen mag worden dat de pleitnota voor de zitting op maandagochtend 9.30 uur reeds was voorbereid en besproken met cliënten. Het belang van de Stichtingen bij een voortvarende behandeling van de zaak (de dagvaarding dateert al van 28 juni 2017) weegt in casu zwaarder dan het belang van de Combinatie om de behandeling uit te stellen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter de Combinatie in de gelegenheid gesteld, voor zover ter zitting nog feiten en omstandigheden naar voren zouden worden gebracht waarop mr. Anssems niet zonder overleg met de heer [naam] kan reageren, daarop nog een schriftelijke reactie in het geding te brengen.

1.3.

De Combinatie en de Stichtingen hebben ter zitting desgevraagd te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen tussenkomst in dit kort geding door Munckhof. Munckhof heeft daarbij als partij aan wie de Stichtingen voornemens zijn de opdracht te gunnen, ook voldoende belang. De voorzieningenrechter heeft Munckhof daarom toegelaten als tussen komende partij.

1.4.

De voorzieningenrechter heeft mr. Van den Assem namens de Combinatie in de gelegenheid gesteld na de mondelinge behandeling hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, te bespreken met zijn cliënten en daarover nog een schriftelijke reactie te geven. Munckhof is in de gelegenheid gesteld nog nader te reageren op de producties van de zijde van de Combinatie en de aanvullende reactie van de Combinatie, waarna de Stichtingen eveneens de gelegenheid hebben gekregen op de aanvullende reactie te reageren.

1.5.

Munckhof heeft bij brief van 11 september 2017 van mr. Van Nisselroij door middel van een akte houdende uitlating producties gereageerd op de producties 9 tot en met 12 van de zijde van de Combinatie. Bij brief van 11 september 2017 van mr. Van den Assem heeft de Combinatie een nadere reactie gegeven op de mondelinge behandeling op 4 september 2017. Bij brief van mr. Nijhof van 13 september 2017 hebben de Stichtingen een aanvullende akte in het geding gebracht. Bij brief van 18 september 2017 heef mr. Van Nisselroij namens Munckhof door middel van een akte uitlating gereageerd op de reacties van de Combinatie en de Stichtingen.

1.6.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De Stichtingen hebben op 24 maart 2017 een aankondiging gepubliceerd en op 28 maart 2017 gerectificeerd voor de aanbesteding van “Touringcarvervoer en Pakketreizen”. Het gaat daarbij enerzijds om één- of meerdaags groepsvervoer, zowel dagritten als brengen-halen ritten, in Nederland en in het buitenland en anderzijds om aanvullende dienstverlening die betrekking heeft op het organiseren van pakketreizen. De Stichtingen worden in de aanbesteding vertegenwoordigd door het Summa College.

2.2.

Op de onderhavige aanbesteding is de Aanbestedingswet 2012 van toepassing. Gunningscriterium is de economisch meest voordelige inschrijving.

2.3.

In paragraaf 1.2.3. van het aanbestedingsdocument is vermeld dat de opdracht is verdeeld in drie percelen, als volgt:

  • -

    perceel 1: touringcarvervoer Helicon Opleidingen, SintLucas Opleidingen en Stichting ROC Summa College

  • -

    perceel 2: touringcarvervoer voor Gilde Opleidingen en ROC Leeuwenborgh

  • -

    perceel 3: pakketreizen voor ROC Leeuwenborgh, Summa College en Helicon Opleidingen behouden zich het recht voor om mogelijk gedurende de contractperiode gebruik te gaan maken van het perceel Pakketreizen.

2.4.

In paragraaf 1.2.6. van het aanbestedingsdocument is het navolgende vermeld:

“1.2.6 Te sluiten Overeenkomst

Na aanbesteding zal voor elke Aanbestedende dienst, per perceel, een raamovereenkomst worden gesloten. De reden daarvoor is dat er geen vaste afnameverplichtingen zullen zijn voor de Aanbestedende dienst. De afname zal op afroepbasis plaatsvinden. Met de 2e in rangschikking zal voor elke Aanbestedende dienst, per perceel een wachtkamerovereenkomst gesloten worden, deze wachtkamerovereenkomst kent een looptijd van 1 jaar en start gelijktijdig met de startdatum van de raamovereenkomst.”

2.5.

In paragraaf 4.1. van het aanbestedingsdocument is het volgende - voor zover relevant - opgenomen ten aanzien van de uitsluitingsgronden:

“4.1. Uitsluitingsgronden

(…)

Binnen 10 dagen na het communiceren van het voornemen tot gunning dient de inschrijver aan wie het voornemen tot gunning is uitgesproken de volgende bewijsstukken te overleggen:

Gedragsverklaring aanbesteden, niet ouder dan twee jaar op het moment van indienen van een inschrijving om aan te tonen dat de uitsluitingsgronden in artikel 2.86 en 2.87 onderdelen b en c van de Aanbestedingswet niet van toepassing zijn.

Een verklaring van de Belastingdienst, niet ouder dan 6 maanden op het moment van indienen van een inschrijving, om aan te tonen dat de uitsluitingsgrond in artikel 2.87 onderdeel d van de Aanbestedingswet niet op hem van toepassing is.”

2.6.

In paragraaf 4.2. zijn - onder meer - de volgende geschiktheidseisen met betrekking tot de onderhavige aanbesteding opgenomen:

4.2.2. Geschiktheidseisen met betrekking tot technische- en beroepsbekwaamheid

Ten aanzien van de technische- en beroepsbekwaamheid van inschrijvers gelden onderstaande eisen. De eisen houden verband met de vereiste competenties voor uitvoering van de opdracht. Per eis is gemotiveerd waarom die wordt gesteld.

Beschikken over SKTB keurmerk voor touringcarvervoer, de gelijkwaardigheid

van het SKTB keurmerk kan aangetoond worden middels het beantwoorden van de eisen in bijlage 1.”

2.7.

De Combinatie heeft op 9 mei 2017 tijdig op de aanbesteding ingeschreven. De Combinatie heeft ingeschreven op percelen 1, 2 en 3.

2.8.

Bij brief van 8 juni 2017 heeft het Summa college aan de Combinatie meegedeeld dat zij voor percelen 1 en 2 niet behoort tot de eerste twee in ranking. Voor perceel 3 komt de Combinatie in aanmerking voor de wachtkamerconstructie. Het Summa College heeft voorts meegedeeld dat zij het voornemen heeft de opdracht voor de percelen 1, 2 en 3 te gunnen aan Munckhof. In deze brief hebben de Stichtingen verder meegedeeld dat de Combinatie uiterlijk 18 juni 2017 een gedragsverklaring aanbesteden en een verklaring van de belastingdienst dient te uploaden.

2.9.

De Combinatie heeft per e-mailbericht van 8 juni 2017 bezwaar gemaakt tegen het gunningsvoornemen van de Stichtingen. Zij heeft haar bezwaar tegen gunning aan Munckhof als volgt geformuleerd:

“Dit komt omdat Munckhof in een andere aanbesteding (SOML en OGVO) een EAU niet naar waarheid heeft ingevuld en daarmee in principe niet door uw gestelde criteria kan komen.

Ik verzoek u dan ook mij een kopie van deze ingevulde EAU toe te laten komen en hecht als bijlage het vonnis toe waardoor in rechte is vast komen staan dat Munckhof niet naar waarheid heeft ingevuld en derhalve de gunning is teruggetrokken.”

2.10.

Bij e-mailbericht van 14 juni 2017 hebben de Stichtingen medegedeeld dat zij geen inzicht geven in het UEA document van Munckhof, aangezien die informatie vertrouwelijk is. Voorts hebben zij meegedeeld dat de documenten die Munckhof heeft aangeleverd geen aanleiding voor de aanbestedende dienst hebben gevormd om te concluderen dat Munckhof niet zou voldoen aan de geschiktheidseisen die voor deze aanbestedingsprocedure gelden of dat op Munckhof een uitsluitingsgrond van toepassing zou zijn. Voorts hebben de Stichtingen meegedeeld dat de Combinatie de gevraagde documenten om in aanmerking te komen voor de wachtkamerconstructie van perceel 3 uiterlijk 18 juni 2017 per mail dient in te dienen.

2.11.

Bij e-mailbericht van 22 juni 2017 hebben de Stichtingen de Combinatie medegedeeld dat zij geen aanleiding zien het UEA document van Munckhof te delen met een advocaat. Voorts hebben de Stichtingen er op gewezen dat de Combinatie zelf de stukken dient aan te leveren om te verifiëren dat een aantal uitsluitingsgronden genoemd in de Eigen Verklaring niet van toepassing zijn. De Stichtingen hebben de Combinatie daartoe een termijn gesteld tot uiterlijk maandag 26 juni 2017 vóór 17.00 uur.

2.12.

Bij brief van 29 juni 2017 hebben de Stichtingen de Combinatie bericht dat zij hebben besloten de Combinatie uit te sluiten van verdere deelname aan de aanbesteding op grond van artikel 2.87 lid 1 sub h van de Aanbestedingswet.

2.13.

Bij e-mailbericht van 21 augustus 2017 heeft de Combinatie de gedragsverklaringen aanbesteden van OAD en Taxi Horn, alsmede de verklaringen van de Belastingdienst met betrekking tot OAD en Taxi Horn aan de Stichtingen doen toekomen.

3 Het geschil

In de hoofdzaak

3.1.

De Combinatie vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad -

  1. de Stichtingen te gebieden om de Eigen Verklaring althans het (zowel door Munckhof Taxi als Munckhof Reizen) ingevulde UEA-formulier te overleggen, zonodig met weglaten van de onderdelen die door de Stichtingen en de voorzieningenrechter als vertrouwelijk moeten worden aangemerkt,

  2. de Stichtingen zowel ieder afzonderlijk als gezamenlijk te verbieden om de opdracht aan Munckhof te gunnen, en voor zover de opdracht reeds aan Munckhof is gegund, de Stichtingen te gebieden om de uitvoering van deze opdracht te staken en gestaakt te houden,

  3. de Stichtingen te verbieden om de opdracht van perceel 3 te gunnen aan een ander dan de Combinatie,

  4. de Stichtingen te gebieden om de inschrijvingen van de andere inschrijvers op transparante wijze in de beoordeling van de inschrijvingen te betrekken,

  5. voor zover uit de beoordeling voornoemd volgt dat de Combinatie de economisch meest voordelig inschrijving heeft gedaan, de Stichtingen te verbieden om de opdracht aan een ander dan de Combinatie te gunnen,

  6. althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningernechter in goede justitie juist acht,

  7. alles op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Stichtingen in de kosten van deze procedure.

3.2.

De Combinatie legt daaraan het volgende ten grondslag. Munckhof Taxi beschikt niet over het SKTB keurmerk. Dit betekent dat Munckhof Taxi de formele partij wordt met wie de Stichtingen moeten contracteren en dat de gehele opdracht door Munckhof Taxi in onder aanneming zal moeten worden uitbesteed aan Munckhof Reizen. De Combinatie heeft er belang bij te verifiëren of Munckhof Reizen uiterlijk bij inschrijving een afzonderlijk UEA document heeft ingediend, waaruit duidelijk blijkt dat zij zelfstandig voldoet aan alle voorwaarden om aan de onderhavige aanbesteding deel te kunnen nemen en waaruit eveneens blijkt dat Munckhof Reizen de opdracht daadwerkelijk zelf in onder aanneming zal uitvoeren. Nu de Stichtingen tot op heden hebben geweigerd inzage te geven in het UEA document dat door Munckhof is ingediend, heeft de Combinatie belang bij de door haar onder 1 ingestelde vordering. Op basis van de met door de Stichtingen gevoerde correspondentie kan de Combinatie niet anders concluderen dan dat Munckhof Reizen bij de inschrijving niet op het UEA als onderaannemer is vermeld en dat Munckhof Reizen evenmin zelfstandig bij inschrijving een UEA heeft ingediend. Dit betekent dat Munckhof Taxi, maar ook Munckhof Reizen niet voldoen aan de geschiktheidseisen en zij derhalve van deelneming aan de aanbestedingsprocedure moeten worden uitgesloten. Ook indien Munckhof Reizen wèl zelfstandig een UEA heeft ingevuld bij inschrijving, dient zulks eveneens te leiden tot uitsluiting van Munckhof. Aan te nemen valt dat Munckhof Reizen in dat geval in strijd met de waarheid op het UEA formulier heeft ingevuld dat zij zich niet schuldig heeft gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van inlichtingen. Zij heeft zich immers in een aanbesteding uit 2016 jegens de destijds optredende aanbestedende diensten SOML en OGVO in ernstige mate schuldig gemaakt aan valse verklaringen. Als gevolg van het niet melden van deze valse verklaring in het UEA in de onderhavige aanbestedingsprocedure dient Munckhof Reizen van deelneming te worden uitgesloten.

3.3.

De Stichtingen en Munckhof voeren verweer.

In de tussenkomst

3.4.

Munckhof vordert - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad -

  1. de Combinatie niet ontvankelijk te verklaren in al hun vorderingen, althans in ieder geval alle vorderingen van de Combinatie af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen,

  2. de Stichtingen te gebieden om, zo lang zij de opdracht wensen te gunnen, de drie percelen van de opdracht aan geen ander te gunnen dan aan Munckhof, althans de Stichtingen te verbieden de drie percelen van opdracht aan een ander dan Munckhof te gunnen, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

  3. althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht,

  4. met veroordeling van de Combinatie en/of de Stichtingen hoofdelijk in de kosten van deze procedure.

3.5.

De Combinatie voert verweer.

4 De beoordeling

In de hoofdzaak

4.1.

Gelet op het verweer van de Stichtingen dient allereerst de vraag te worden beantwoord naar de geldigheid van de inschrijving van de Combinatie. De Stichtingen stellen zich op het standpunt dat de Combinatie geen belang heeft bij haar vorderingen, omdat de Combinatie terecht is uitgesloten van de aanbesteding op grond van artikel 2.87 sub h van de Aanbestedingswet. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.2.

Op grond van artikel 2.87 sub h van de Aanbestedingswet kan de aanbestedende dienst een inschrijver of gegadigde uitsluiten van deelneming aan een aanbestedingsprocedure op de volgende gronden:

h. de inschrijver of gegadigde heeft zich in ernstige mate schuldig gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de informatie die nodig is voor de controle op het ontbreken van gronden voor uitsluiting of het voldoen aan de geschiktheidseisen of heeft die informatie achtergehouden, dan wel was niet in staat de ondersteunende documenten, bedoeld in de artikelen 2.101 en 2.102, over te leggen.

4.3.

Vast staat dat de Stichtingen de Combinatie bij brief van 8 juni 2017 hebben laten weten dat de Combinatie in aanmerking komt voor de zogenaamde wachtkamerconstructie voor perceel 3. In die brief hebben de Stichtingen de Combinatie tevens gevraagd om, conform hetgeen gesteld is in paragraaf 4.1. van het aanbestedingsdocument, uiterlijk op 18 juni 2017 een gedragsverklaring aanbesteden en een verklaring van de belastingdienst te uploaden. Het verzoek om deze documenten in te dienen hebben de Stichtingen herhaald bij hun e-mailberichten van 14 juni 2017 en 22 juni 2017, waarbij de Stichtingen in de laatste e-mail nadrukkelijk de sanctie van uitsluiting hebben genoemd indien de documenten niet tijdig worden aangeleverd vóór 26 juni 2017 om 17.00 uur.

4.4.

Niet in geschil is dat de Combinatie de betreffende verificatiedocumenten eerst op maandag 21 augustus 2017 aan de Stichtingen heeft doen toekomen. De Stichtingen hebben de Combinatie daarom van de aanbesteding voor alle drie de percelen uitgesloten.

4.5.

De Combinatie heeft in dit verband aangevoerd dat zij het aanbestedingsdocument aldus mocht uitleggen dat de Stichtingen enkel de inschrijving van de als eerste gerangschikte inschrijver tijdens de standstill periode zouden verifiëren. De Combinatie verwijst daarbij naar het gestelde onder hoofdstuk 6, pag. 28 van het aanbestedingsdocument waar staat: “De inschrijving van de als eerste gerangschikte inschrijver wordt tijdens de standstill periode geverifieerd. Indien onomstotelijk vast komt te staan dat aan alle vereisten is voldaan wordt, indien bezwaar van afgewezen inschrijvers uitblijft, de Overeenkomst getekend na afloop van de standstill termijn. Indien blijkt dat niet aan alle vereisten wordt voldaan, wordt de inschrijving van de tot dan toe als eerste gerangschikte inschrijver uitgesloten. Er volgt dan een nieuwe gunning aan de alsdan als eerste gerangschikte inschrijver.

4.6.

Dit verweer faalt. Niet alleen mocht een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver uit de tekst van het bepaalde in paragraaf 1.2.6. van het aanbestedingsdocument reeds afleiden dat óók de inschrijver die als tweede in ranking was geëindigd, de hierbedoelde bewijsstukken diende te overleggen, omdat onder “de inschrijver aan wie het voornemen tot gunning is uitgesproken” logischerwijs eveneens dient te worden begrepen, de inschrijver aan wie de wachtkamerovereenkomst is aangeboden. Aannemelijk is dat de betreffende aanbestedende dienst ook ten aanzien van de partij met wie zij voornemens is een wachtkamerovereenkomst te sluiten, wil verifiëren of geen uitsluitingsgronden op die partij van toepassing zijn. Maar ook als zou moeten worden aangenomen dat het voor de Combinatie onduidelijk was òf en welke documenten zij moest aanleveren (in welk geval het op de weg van de Combinatie had gelegen daarover tijdig vragen te stellen aan de Stichtingen, hetgeen zij heeft nagelaten) dan hebben de Stichtingen in ieder geval in hun e-mailberichten van 8 juni 2017, 14 juni 2017 en 22 juni 2017 aan de Combinatie kenbaar gemaakt wanneer (op straffe van uitsluiting) welke documenten dienden te worden ingediend.

4.7.

Nu voor de Combinatie op grond van het aanbestedingsdocument en de gevoerde correspondentie met de Stichtingen volstrekt helder had moeten zijn dat de betreffende documenten uiterlijk 26 juni 2017 om 17.00 uur hadden moeten worden ingediend, hebben de Stichtingen de Combinatie, nu zij hieraan niet heeft voldaan, terecht van de aanbesteding uitgesloten. Dat de termijn van 10 dagen voor het indienen van de betreffende documenten in dit geval niet aan de Combinatie kan worden tegengeworpen volgt de voorzieningenrechter niet. Al in de brief van 8 juni 2017 hebben de Stichtingen klip en klaar gesteld dat de Combinatie de gedragsverklaring aanbesteden en een verklaring van de belastingdienst voor 18 juni 2017 diende in te dienen. Uiteindelijk hebben de Stichtingen deze termijn nog met 8 dagen verlengd tot uiterlijk 26 juni 2017. Niet valt in te zien waarom de Combinatie een nog langere termijn had moeten worden gegund. De Combinatie heeft ook niet gevraagd om een langere termijn voor het indienen van de betreffende documenten.

4.8.

Dit betekent dat de Combinatie geen rechtens te respecteren belang (meer) heeft bij haar vorderingen tot inzage in de door Munckhof Taxi en Munckhof Reizen ingevulde Eigen Verklaring, althans het UEA-formulier, haar vorderingen die gericht zijn op het uitsluiten van Munckhof van de onderhavige aanbesteding en het gunnen van de opdracht aan de Combinatie. Evenmin heeft zij belang bij haar vordering de Stichtingen te gebieden de inschrijvingen op transparante wijze te beoordelen. Hieruit volgt dat het vele andere door partijen gestelde geen bespreking meer behoeft.

4.9.

De Combinatie zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Stichtingen worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.434,00

In de tussenkomst:

4.10.

Aangezien de vorderingen van de Combinatie in de hoofdzaak worden afgewezen en de Stichtingen hebben aangegeven bij hun voornemen tot gunning aan Munckhof te zullen blijven en zij in de tussenkomst geen verweer hebben gevoerd tegen de vorderingen van laatstgenoemde, zullen de vorderingen van Munckhof in de tussenkomst bij gebrek een belang worden afgewezen en zullen de proceskosten tussen de Stichtingen en Munckhof worden gecompenseerd als na te melden.

4.11.

De Combinatie zal als de jegens Munckhof in het ongelijk gestelde partij in de tussenkomst in de proceskosten van Munckhof worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 500,00 salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

In de hoofdzaak:

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt de Combinatie in de proceskosten, aan de zijde van de Stichtingen tot op heden begroot op € 1.434,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt de Combinatie in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

In de tussenkomst:

5.5.

wijst de vorderingen af,

5.6.

veroordeelt de Combinatie in de proceskosten van Munckhof, tot op heden begroot op € 500,00,

5.7.

compenseert de proceskosten tussen Munckhof en de Stichtingen, in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.8.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2017.