Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:5125

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
C/01/323648 / KG ZA 17-461
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Beslag op en bewaring ex art. 709 Rv van het paard K-CLASS Z. Partijen zijn het erover eens dat ‘bewaring’ in casu ook inhoudt het trainen van alsmede het deelnemen aan wedstrijden door het paard, nu het gaat om een professioneel wedstrijdpaard dat zijn waarde verliest als het niet traint en niet op wedstrijden wordt uitgebracht. Het is op grond van art. 856 Rv jo art. 7:602 BW en art. 7:603 BW (in beginsel) aan de bewaarder om de wijze waarop het paard getraind wordt te bepalen en te beslissen op welke wedstrijden het paard wordt uitgebracht en door welke ruiter het wordt bereden. In een procedure tegen de beslaglegger kan de beslagene met betrekking tot de wijze waarop de bewaarder het paard dient te “bewaren” geen vorderingen geldend maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/323648 / KG ZA 17-461

Vonnis in kort geding van 26 september 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. C.J. Spitters te Breda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HORSE CARE INSTITUTE B.V.,

h.o.d.n. Stal Molenven,

gevestigd te Waalre,

gedaagde,

advocaat mr. M.A.J. Brouwers te Oisterwijk.

Partijen zullen hierna [eiser] en Stal Molenven genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 1 augustus 2017 met drie producties;

  • -

    de akte overlegging producties van mr. Brouwers met vier producties;

  • -

    de brief van mr. Brouwers van 10 augustus 2017;

  • -

    de brief van mr. Spitters van 15 september 2017 met aankondiging van een wijziging van eis alsmede productie 3 met bijlagen;

  • -

    de brief van mr. Brouwers van 18 september 2017 met productie 5;

  • -

    de mondelinge behandeling van 19 september 2017 te 9.30 uur, waarbij partijen een deelregeling hebben getroffen hetgeen in een proces-verbaal is vastgelegd;

  • -

    de pleitnota van mr. Spitters namens [eiser] ;

  • -

    de pleitnota van mr. Brouwers namens Stal Molenven.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op uiterlijk veertien dagen na de mondelinge behandeling.

2 De feiten

2.1.

Stal Molenven is een professionele stal die zich bezighoudt met de training van paarden.

2.2.

[eiser] is eigenaar van het paard K-CLASS Z (hierna: het paard) en hij heeft Stal Molenven benaderd of zij geïnteresseerd was het paard te trainen en op wedstrijden uit te brengen.

2.3.

Destijds stond het paard in Italië gestald en partijen zijn omstreeks januari 2016 overeengekomen dat Stal Molenven het paard daar zou ophalen en bij Stal Molenven zou stallen. Het paard zou door Stal Molenven, meer in het bijzonder door ruiter [naam ruiter] (hierna te noemen: [naam ruiter] ), worden uitgebracht op wedstrijden.

2.4.

De kosten om het paard van Italië naar Nederland te halen, ad € 840,00, zijn door Stal Molenven betaald, alsmede de factuur van de Italiaanse trainer van € 4.950,00.

2.5.

Partijen zijn het oneens over de toentertijd gemaakte afspraken. Gesproken is over het al dan niet op termijn (deels) eigenaar worden van het paard door Stal Molenven, maar tot overeenstemming is het niet gekomen.

2.6.

Omdat vervolgens tussen partijen onenigheid is ontstaan, zijn partijen, bijgestaan door juristen, in overleg gegaan met elkaar en hebben zij in over en weer gewisselde e-mailberichten tussen 26 april 2017 en 3 mei 2017 afgesproken dat [eiser] een bedrag van

€ 15.000,00 tegen finale kwijting zou betalen, per 18 mei 2017, en daarna het paard zou ophalen. Later is de datum verschoven naar 31 mei 2017.

2.7.

[eiser] heeft het bedrag niet voor 31 mei 2017 voldaan en het paard is door Stal Molenven niet aan hem afgegeven.

2.8.

Bij brief van 16 juni 2017 heeft de advocaat van Stal Molenven de in mei/juni 2017 tot stand gekomen overeenkomst ontbonden.

2.9.

Vervolgens heeft Stal Molenven beslag gelegd ten laste van [eiser] op het paard en de woning van [eiser] , voor een door de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij beschikking van 22 juni 2017 begrote vordering (inclusief rente en kosten) van € 69.813,94.

[eiser] had tevens gerechtelijke bewaring van het paard verzocht, hetgeen ook door de voorzieningenrechter is toegestaan. Het paard bevindt zich thans in bewaring bij [naam stal bewaarder] te [vestigingsplaats] (hierna: [naam stal bewaarder] ).

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - na wijziging en vermindering van eis - bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;


primair:

Stal Molenven te veroordelen tot afgifte van het paard aan [eiser] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel met een maximum van € 250.000,00;

subsidiair:
1. Stal Molenven te veroordelen tot afgifte van het paard alsmede diens paspoort aan [eiser] tegen betaling van € 15.000,00, te vermeerderen met een bedrag van

€ 588,24 per maand met ingang van 1 juni 2017, althans te vermeerderen met een in goede justitie te bepalen bedrag per maand na 1 juni 2017, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel met een maximum van € 250.000,00;

2. Stal Molenven te veroordelen tot afgifte van het paard alsmede diens paspoort aan [eiser] op voorwaarde dat [eiser] het bedrag waarvoor aan Stal Molenven beslagverlof is verleend,

€ 69.813,94, stort danwel laat storten op de derdengeldenrekening van de raadsman van [eiser] , totdat in de bodemprocedure over de vordering van Stal Molenven zal zijn beslist, dan wel partijen daarover overeenstemming hebben bereikt;

3. Stal Molenven te veroordelen tot het inrichten van de trainingen zowel voor wat betreft de wijze waarop getraind wordt als de intensiteit waarmee getraind wordt na overleg met en met goedvinden van [eiser] , zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 per overtreding, met een maximum van € 25.000,00;

4. Stal Molenven te verbieden tot het deelnemen aan trainingen anders dan de gebruikelijke trainingen ter plaatse van de gebruikelijke verblijfsplaats van het paard, trainingskampen en/of wedstrijden en/of concoursen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [eiser] , zulks op straffe van een dwangsom ad € 25.000,00 per overtreding en per dag dat die overtreding voortduurt, zulks tot een maximum van € 250.000,00;

primair en subsidiair:

5. Stal Molenven te veroordelen in de kosten van dit geding en de nakosten.

3.2.

[eiser] legt daaraan het volgende ten grondslag. [eiser] is eigenaar van het paard en hij is derhalve bevoegd om te bepalen waar het paard zich bevindt en wat het paard doet, aan welke wedstrijden het paard deelneemt en hoe het getraind wordt.

3.2.1.

primair: [eiser] heeft het paard ter beschikking gesteld aan Stal Molenven teneinde het te laten berijden door [naam ruiter] . Partijen hebben afspraken gemaakt, welke dienen te worden aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst in de zin van art. 7:900 BW. Art. 7:905 BW bepaalt dat een vaststellingsovereenkomst niet buitengerechtelijk kan worden ontbonden, als daardoor een reeds tot stand gekomen aan een partij of een derde opgedragen beslissing door de ontbinding wordt getroffen. Het enkele feit dat [eiser] niet tijdig heeft betaald, maakt niet dat de vaststellingsovereenkomst buitengerechtelijk kan worden ontbonden. De door partijen overeengekomen vergoeding bedraagt € 588,24 per maand en [eiser] is bereid dat bedrag ook over de maanden vanaf 1 juni 2017 totdat het paard aan hem wordt afgegeven.

3.2.2.

subsidiair: Voor het geval de voorzieningenrechter oordeelt dat het paard niet aan [eiser] moet worden afgegeven, vordert [eiser] dat hij in staat wordt gesteld het paard voor de best mogelijke prijs te verkopen en daartoe is het noodzakelijk dat potentiële kopers het paard kunnen bezichtigen en berijden. Stal Molenven weigert haar medewerking te geven, waardoor zij onrechtmatig handelt en hiermee het beslag vexatoir maakt. Ze schaadt hiermee immers de gerechtvaardigde belangen van [eiser] als eigenaar en potentiële verkoper zonder dat zij daar zelf enig belang bij heeft, en zonder dat haar belangen geschaad zouden kunnen worden.

Daarnaast maakt Stal Molenven voortdurende inbreuk op de rechten van [eiser] als eigenaar van het paard doordat ze het paard laat deelnemen aan zware trainingskampen, wedstrijden en ingrijpende medische behandelingen zonder enig overleg met [eiser] .

3.3.

Stal Molenven voert - kort gezegd - het volgende verweer.

3.3.1.

Het is niet duidelijk wat [eiser] vordert, omdat niet duidelijk is of [eiser] ook opheffing van de bewaring vordert.

3.3.2.

Stal Molenven is rauwelijks gedagvaard, omdat op 3 juli 2017 nog is gesproken met mr. Brouwers en vervolgens geen reactie meer is vernomen en dan ineens op 19 juli 2017 een verzoek voor opgave verhinderdata is gedaan.

3.3.3.

Het kort geding is onnodig, want bij confraterneel schrijven van 10 augustus 2017 is namens Stal Molenven het voorstel gedaan om het beslag op te heffen onder de voorwaarde dat [eiser] een bedrag van € 69.813,94 op de derdengeldrekening van haar advocaat stort. Hierop is geen reactie gekomen.

3.3.4.

[eiser] is toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waardoor Stal Molenven de overeenkomst op 8 juni 2017 rechtsgeldig heeft ontbonden.

3.3.5.

Storting van het bedrag ad € 69.813,94 op de derdengeldrekening van een van de advocaten geldt niet als voldoende zekerheid in de zin van art. 705 lid 2 Rv.

3.3.6.

Het paard bevindt zich thans in bewaring bij [naam stal bewaarder] en zij is dus belast met de stalling, verzorging en training van het paard.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

4.2.

[eiser] legt aan zijn primaire vordering ten grondslag dat het beslag nietig is, omdat Stal Molenven in het verzoekschrift tot het verkrijgen van verlof voor het conservatoir beslag, alsmede in de dagvaarding in de bodemprocedure, de besloten vennootschap Stal Molenven B.V. als verweerster respectievelijk gedaagde heeft vermeld, terwijl haar statutaire naam “Horse Care Institute B.V.” is en Stal Molenven slechts een handelsnaam betreft. Omdat [eiser] heeft begrepen dat Stal Molenven ten laste van hem beslag heeft gelegd en hij door haar in rechte is betrokken, is hij door de onjuiste aanduiding in het verzoekschrift en de inleidende dagvaarding niet in zijn belangen getroffen en meent de voorzieningenrechter voorshands dat het beslag niet nietig is. De primaire vordering van [eiser] wordt dan ook afgewezen.

4.3.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.4.

[eiser] legt aan zijn subsidiaire vorderingen ten grondslag dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering van Stal Molenven, waarvoor zij beslag heeft gelegd, is gebleken omdat de vaststellingsovereenkomst volgens [eiser] niet ontbonden kon worden. Derhalve is [eiser] van oordeel dat hij tegen betaling van € 15.000,00 afgifte van het paard moet kunnen verkrijgen, zoals subsidiair gevorderd onder 1.. Partijen zijn het er niet over eens of de afspraken die zij in april/mei 2017 hebben gemaakt zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. [eiser] stelt dat van een vaststellingsovereenkomst sprake is, die niet buitengerechtelijk ontbonden kon worden. Stal Molenven ontkent zulks. De voorzieningenrechter laat in het midden of de overeenkomst die tussen partijen tot stand is gekomen al dan niet als een vaststellingsovereenkomst moeten worden gekwalificeerd. Omdat geen sprake is van een partijbeslissing dan wel een beslissing van een derde in de zin van art. 7:905 BW, kon de overeenkomst van partijen ook buitengerechtelijk worden ontbonden als deze als vaststellingsovereenkomst moet worden geduid. [eiser] heeft zich in de in april/mei 2017 tot stand gekomen overeenkomst verplicht om het bedrag van

€ 15.000,00 voor 31 mei 2017 aan Stal Molenven te betalen, waarna zij het paard weer aan [eiser] zou afgeven. Vaststaat dat [eiser] het bedrag niet voor 31 mei 2017 heeft voldaan en derhalve tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenis. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Stal Molenven de overeenkomst tussen [eiser] en Stal Molenven op grond van de tekortkoming van [eiser] bij brief van 16 juni 2017 terecht heeft ontbonden. Daarmee komt de grondslag aan de subsidiaire vordering onder 1. te ontvallen. De subsidiaire vordering onder 1. wordt eveneens afgewezen.

4.5.

Dat geldt ook voor de subsidiaire vordering onder 2.. Art.705 lid 2 Rv bepaalt dat het beslag dient te worden opgeheven indien er voldoende zekerheid voor de vordering waarvoor beslag is gelegd wordt gesteld. [eiser] heeft geen opheffing van het beslag gevorderd, maar afgifte van het paard tegen storting op derdengeldrekening van zijn advocaat van het bedrag waarvoor beslag is gelegd. Met Stal Molenven is de voorzieningenrechter van oordeel dat een depot op de derdengeldrekening van de advocaat [eiser] als onvoldoende zekerheid heeft te gelden omdat niet per definitie gegeven is dat de advocaat van [eiser] in het geval van een veroordelend vonnis ten gunste van Stal Molenven aan haar zal (kunnen) betalen.

4.6.

Ten aanzien van de subsidiaire vorderingen onder 3. en 4. geldt het volgende. Het paard is thans op bevel ex art. 709 Rv van de voorzieningenrechter gestald bij de bewaarder [naam stal bewaarder] . Partijen zijn het erover eens dat ‘bewaring’ in casu ook inhoudt het trainen van alsmede het deelnemen aan wedstrijden door het paard, nu het gaat om een professioneel wedstrijdpaard dat zijn waarde verliest als het niet traint en niet op wedstrijden wordt uitgebracht. Het is op grond van art. 856 Rv jo art. 7:602 BW en art. 7:603 BW (in beginsel) aan [naam stal bewaarder] om de wijze waarop het paard getraind wordt te bepalen en te beslissen op welke wedstrijden het paard wordt uitgebracht en door welke ruiter het wordt bereden. In een procedure tegen Stal Molenven kan [eiser] met betrekking tot de wijze waarop de bewaarder het paard dient te “bewaren” geen vorderingen geldend maken. Ook de vorderingen onder 3. en 4. liggen daarmee voor afwijzing gereed.

4.7.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stal Molenven worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.434,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Stal Molenven tot op heden begroot op € 1.434,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2017.