Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:5059

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
01/865094-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor het gedurende een lange periode plegen van ontuchtige handelingen met twee personen jonger dan zestien jaren, waarvan één persoon was toevertrouwd aan zijn zorg en waakzaamheid en voor het vervaardigen van kinderporno. De rechtbank legt op een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met onder meer de bijzondere voorwaarde van een contactverbod met de slachtoffers.

Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim omdat een getuige bij de politie niet is gehoord conform de 'Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten'. Volstaan kan worden met de enkele constatering dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865094-16

Datum uitspraak: 25 september 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1969,

wonende te [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 september 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 augustus 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2013 tot en met 18 augustus 2015 te [plaats] , gemeente Oirschot, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2002) die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het wrijven over en/of betasten van de borst(en) en/of vagina en/of schaamstreek van die [slachtoffer 1] ;

2.

hij op of omstreeks 6 februari 2016, althans in of omstreeks de maand februari 2016, te [plaats] , gemeente Oirschot, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] 2003) die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten van en/of het aftrekken van de penis van die [slachtoffer 2] , zulks terwijl dat feit werd begaan tegen een kind dat hij, verdachte, verzorgde en/of opvoedde als behorend tot zijn gezin en/of tegen een aan zijn, verdachte, zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige;

3.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 6 februari 2016, althans in of omstreeks de maand februari 2016, te [plaats] , gemeente Oirschot, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens), een aantal afbeeldingen, te weten (een) foto('s) en/of een videobestand, heeft vervaardigd en/of in bezit heeft gehad, terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging zichtbaar is/zijn waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum 3] 2003), was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke seksuele gedraging - zakelijk weergegeven - bestond(en) uit:

het betasten en/of aftrekken van de penis van die [slachtoffer 2] , althans die persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door die [slachtoffer 2] , althans een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die [slachtoffer 2] , althans deze persoon, en/of de uitsnede van de foto('s) en/of videobestand nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel van die [slachtoffer 2] , althans deze persoon, in beeld wordt gebracht (waarbij) de afbeelding(en) (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft/hebben en/of strekt/strekken tot seksuele prikkeling.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Overweging met betrekking tot de bewijsmiddelen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft bewijsuitsluiting van de drie door mevrouw [getuige 1] afgelegde verklaringen bepleit en heeft hiervoor -zakelijk weergeven- het volgende aangevoerd. Mevrouw [getuige 1] heeft evident verstandelijke beperkingen en moet daardoor aangemerkt worden als een kwetsbare getuige. Voor het horen van deze getuigen is de regeling “Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten” in het leven geroepen. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering , nu in strijd met voormelde regeling geen registratie heeft plaatsgevonden van het verhoor van mevrouw [getuige 1] . De verklaringen van mevrouw [getuige 1] hadden conform deze aanwijzingen audiovisueel in plaats van auditief moeten worden opgenomen. Doordat mevrouw [getuige 1] niet audiovisueel is gehoord, is de toetsbaarheid van haar verklaringen en de waarheidsvinding grotendeels onmogelijk gemaakt. De betrouwbaarheid van het verhoor van deze kwetsbare getuige is ook niet meer te toetsen. De processen-verbaal van verhoor en de audiofragmenten geven aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de door mevrouw [getuige 1] afgelegde verklaringen, nu zij tegenstrijdig en onlogisch heeft verklaard en er indicaties zijn voor het niet in vrijheid verklaren.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is met de raadsvrouw van oordeel dat er in casu sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering , nu in strijd met voormelde regeling geen audiovisuele registratie heeft plaatsgevonden van het verhoor van getuige [getuige 1] . De verklaringen van mevrouw [getuige 1] hadden conform deze aanwijzingen audiovisueel in plaats van slechts auditief opgenomen moeten worden . Volgens de officier van justitie hoeft dit vormverzuim niet tot bewijsuitsluiting te leiden en hoeft de rechtbank aan dit vormverzuim geen rechtsgevolgen te verbinden. De rechtbank kan het laten bij de enkele constatering dat er in de onderhavige zaak sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.

De officier van justitie verwijst naar een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 oktober 2015, gepubliceerd onder ECLI 2015 nr. 3956. In dat arrest kwam het gerechtshof in een soortgelijke zaak tot het oordeel dat een vormverzuim niet tot bewijsuitsluiting hoeft te leiden.

Het standpunt van de rechtbank.

Op het verhoor van getuige mevrouw [getuige 1] bij de politie was de ‘Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten’ van toepassing. Conform deze aanwijzing hadden de verhoren audiovisueel geregistreerd dienen te worden. Dit is niet gebeurd en in zoverre is er dan ook sprake van een vormverzuim. De vraag is voorts of er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Het vormverzuim is naar zijn aard onherstelbaar, omdat niet alsnog audiovisuele registratie van de destijds gehouden verhoren van mevrouw [getuige 1] kunnen plaatsvinden. Dat leidt tot de vraag of dit verzuim er toe moet leiden dat de verklaringen van deze getuige worden uitgesloten van het bewijs.

Vastgesteld kan worden dat mevrouw [getuige 1] op 26 juli 2016, 28 juli 2016 en op 19 september 2016 is gehoord. Van het eerste verhoor is de opname verloren geraakt. De verhoren op 28 juli 2016 en 19 september 2016 zijn auditief opgenomen. Dit betekent dat deze verhoren voor de verdediging wel controleerbaar zijn. De raadsvrouw heeft verklaard dat zij deze verhoren ook heeft uitgeluisterd. Daarnaast heeft de raadsvrouw de gelegenheid gehad om mevrouw [getuige 1] als getuige te laten horen bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank. Om haar moverende redenen heeft de raadsvrouw hier niet om verzocht.

Nu de auditief opgenomen verklaringen van mevrouw [getuige 1] voor de verdediging wel controleerbaar zijn en de verdediging nagelaten heeft te verzoeken om mevrouw [getuige 1] door de rechter-commissaris als getuige te horen, is de rechtbank van oordeel dat geen aanleiding bestaat tot verdergaande consequenties dan de enkele constatering dat er in casu sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. De rechtbank zal aan dat verzuim dan ook geen rechtsgevolgen verbinden.

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank niet van oordeel dat de verklaringen van mevrouw [getuige 1] bij de politie als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Haar verklaringen zijn in grote lijnen consistent en de rechtbank is niet gebleken dat zij onder druk belastende verklaringen heeft afgelegd. De rechtbank is daarnaast gebleken dat mevrouw [getuige 1] ook tegenover een medewerker van Veilig Thuis Zuid-Oost Brabant een voor verdachte belastende verklaring heeft afgelegd.

Bewijs

Inleiding.

Verdachte wordt er -kort gezegd- van beschuldigd dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd bij [slachtoffer 1] en bij [slachtoffer 2] , die ten tijde van het plegen van de feiten de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt.

Daarnaast wordt verdachte verdacht van het vervaardigen en bezit van kinderporno.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd bij [slachtoffer 1] en bij [slachtoffer 2] , die ten tijde van het plegen van de feiten de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, en dat verdachte kinderporno heeft vervaardigd en in zijn bezit heeft gehad.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van feit 1. Dit omdat de aangifte van [slachtoffer 1] niet ondersteund wordt door enig ander bewijsmiddel. De belastende verklaringen van de moeder van [slachtoffer 1] en van de begeleider [getuige 2] zijn terug te voeren op de verklaring van [slachtoffer 1] en zijn geheel te herleiden tot [slachtoffer 1] . Hetgeen mevrouw [getuige 1] heeft verklaard over [slachtoffer 1] en verdachte, sluit niet aan bij de onder 1 tenlastegelegde handelingen en ook niet bij hetgeen [slachtoffer 1] heeft verklaard.

Uit de verklaringen van mevrouw [getuige 1] volgt onvoldoende eensluidend bewijs voor feit 2. Ook is de herkomst van haar verklaringen onduidelijk. Het handenonderzoek levert onvoldoende bewijs op voor het betasten van [slachtoffer 2] door verdachte, nu de hand op de betreffende foto ook van iemand anders zou kunnen zijn. Dat de betreffende foto’s en video op de telefoon van verdachte zijn aangetroffen, doet daar niet aan af.

Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw gesteld dat foto 1 in het procesdossier geen seksuele strekking of onnatuurlijk camerastandpunt of pose heeft, nu [slachtoffer 2] in zijn geheel is te zien is en zijn geslachtsdeel nauwelijks. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de overige foto’s en het videofilmpje voor wat betreft het in het bezit hebben. Voor het vervaardigen is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig, nu uit het dossier blijkt dat iedereen in het gezin de telefoon in gebruik had en er geen toegangscode op de telefoon zat.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank verwijst voor wat betreft de inhoud van de relevante bewijsmiddelen naar de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage.

Feit 1.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer 1] die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt. De rechtbank baseert haar oordeel op de in grote lijnen consistente verklaringen van [slachtoffer 1] , op de verklaring van haar moeder [getuige 3] , op de verklaring van schoolmaatschappelijk werker [getuige 2] , op de verklaringen van [getuige 1] en op de verklaring van verdachte inhoudende -onder meer- dat hij met [slachtoffer 1] op de slaapkamer van [slachtoffer 2] en op de slaapkamer van [getuige 1] en hem is geweest en dat hij ooit haar bh heeft losgemaakt.

Feiten 2 en 3

De rechtbank acht ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer 2] die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt en dat hij afbeeldingen (foto’s en een videobestand) heeft vervaardigd waarop seksuele gedragingen zichtbaar zijn waarbij [slachtoffer 2] , die toen de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, was betrokken.

De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen:

-De verklaring van verdachte (strafdossier blz. 127) dat hij de twee foto’s heeft gemaakt waarop de broek van [slachtoffer 2] nog omhoog is en de bovenzijde van zijn penis boven de broekrand uitkomt.

-De bevindingen van verbalisanten dat alle foto’s en het videobestand op de avond van 6 februari 2016 tussen 19.40 uur en 21.05 uur in dezelfde ruimte zijn vervaardigd.

-De verklaring van [getuige 1] aan verbalisanten dat verdachte tegen haar heeft verteld dat hij het filmpje heeft gemaakt en dat het niet slim was geweest van hem om dat filmpje te maken.

-De verklaring van [getuige 4] van Veilig Thuis Zuid-Oost dat [getuige 1] tegen hem heeft gezegd dat verdachte haar heeft voorgesteld om GHB toe te dienen aan haar kinderen [slachtoffer 2] en [betrokkene] en dat verdachte toen het voorstel had gedaan om de kinderen aan te raken en af te trekken. Verdachte zou dat spannend vinden en daar fantasieën over hebben.

- De bevindingen van verbalisant van het Team Forensische Opsporing dat de opgezette ader aan de strekzijde van de duim op de afbeelding van aangetroffen op de mobiele telefoon van verdachte en de opgezette ader aan de strekzijde van de duim van de linkerhand van verdachte qua vorm overeenkwamen. Ook de plaats waar deze opgezette ader werd waargenomen, kwam overeen met de positie van de opgezette ader op de afbeelding op de mobiele telefoon.

Bewijsbijlage.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

in de periode van 1 maart 2013 tot en met 18 augustus 2015 te [plaats] , gemeente Oirschot, met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2002) die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, telkens ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het wrijven over en betasten van de borst(en) en vagina en schaamstreek van die [slachtoffer 1] ;

2. op 6 februari 2016 te [plaats] , gemeente Oirschot, met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] 2003) die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten van en het aftrekken van de penis van die [slachtoffer 2] , zulks terwijl dat feit werd begaan tegen een aan zijn, verdachte, zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige;

3. op 6 februari 2016 te [plaats] , gemeente Oirschot, een aantal afbeeldingen, te weten foto's en een videobestand, heeft vervaardigd, terwijl op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum 3] 2003), was betrokken, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het betasten en aftrekken van de penis van die [slachtoffer 2] , en het gedeeltelijk naakt (laten) poseren van die [slachtoffer 2] , waarbij door het camerastandpunt en de (onnatuurlijke) pose en de wijze van kleden van die [slachtoffer 2] , en de uitsnede van de foto's en videobestand nadrukkelijk het ontblote geslachtsdeel van die [slachtoffer 2] in beeld wordt gebracht waarbij de afbeeldingen aldus telkens een onmiskenbaar seksuele strekking hebben en strekken tot seksuele prikkeling.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

(voor feit 1, 2 en 3:)

Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren en met de volgende bijzondere voorwaarden :

  • -

    toezicht van de Reclassering Nederland;

  • -

    blijven meewerken aan een ambulante behandeling bij De Omslag of een soortgelijke instelling;

  • -

    een drugs- en alcoholverbod;

  • -

    een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , vermeerderd met de wettelijke rente, en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

(Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.)

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft verzocht om in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring van een of meer feiten komt enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van de voorlopige hechtenis, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf met de voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het gedurende een lange periode plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1] die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, aan het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer 2] die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt en die was toevertrouwd aan zijn zorg en waakzaamheid, en aan het vervaardigen van afbeeldingen waarop seksuele gedragingen zichtbaar zijn waarbij [slachtoffer 2] was betrokken.

Verdachte heeft door zijn handelen een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de integriteit van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en zijn eigen seksuele bevrediging boven de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geplaatst. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke feiten vaak langdurige en ernstige schade kunnen toebrengen aan de geestelijke gezondheid van de slachtoffers. Dat dit in de onderhavige zaak ook speelt, blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] . De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij op grove wijze meermalen misbruik heeft gemaakt van de zoon van zijn partner en van een buurmeisje die bij die zoon kwam spelen.

Met name [slachtoffer 2] bevond zich in een afhankelijke positie van verdachte en was weinig weerbaar, hetgeen verdachte bekend was.

De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van het psychologisch rapport van 27 januari 2017 van gz-psycholoog drs. M. van Heteren. Uit dit rapport volgt dat bij verdachte sprake is van ziekelijke stoornissen als ASS (Autisme Spectrum Stoornis) en PTSS (Post Traumatische Stress Stoornis) en dat er sprake is van pluriforme middelenproblematiek.

De gz-psycholoog adviseert om verdachte minstens verminderd toerekeningsvatbaar te achten vanwege de ASS die immer aanwezig is. Volgens de gz-psycholoog is een poliklinische behandeling bij een forensische zorginstelling gericht op zedendelinquenten met ASS aangewezen.

De rechtbank neemt de bovenstaande conclusies en adviezen over.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden.

De rechtbank zal deze straf voor een gedeelte van vijf maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De raadsvrouw heeft verzocht aan verdachte enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van de voorlopige hechtenis, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf met de voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering. De rechtbank is van oordeel dat deze straf geen recht zou doen aan de ernst van het bewezen verklaarde en een te geringe straf is, zeker nu verdachte al eerder voor een zedendelict is veroordeeld.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente, en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt, dat voor zover de benadeelde partij meent dat schadevergoeding gekoppeld is aan feit 3, dit niet terecht is. Er is immers geen schade ontstaan door het filmen van de handelingen, temeer niet nu is gebleken dat het fotomateriaal niet is verspreid. De raadsvrouw kan zich wel voorstellen dat er voor feit 2 immateriële genoegdoening wordt opgelegd, maar niet van de grootte zoals verzocht. Zij heeft verzocht om de schadevergoeding ter zake immateriële schade fors te matigen. Zij refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de gevorderde reiskosten.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering, te weten immateriële schadevergoeding door de rechtbank vastgesteld op een bedrag van € 1.000,- en materiële schadevergoeding door de rechtbank vastgesteld op € 45,14, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het anders of meer gevorderde ter zake immateriële schade, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57, 240b, 247, 248.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1:met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.t.a.v. feit 2:met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl het feit wordt begaan tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige.t.a.v. feit 3:een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken vervaardigen, meermalen gepleegd.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en maatregel:

t.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:Gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de Reclassering Nederland;

- zich binnen twee dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis bij de Reclassering Nederland, Regio Zuid, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, zal melden, en zich zal blijven melden zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd zal blijven meewerken aan de op 2 december 2016 gestarte behandeling bij De Omslag op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven;

- zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van drugs en alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de bij een algeheel contactverbod belang hebbende personen [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2002, en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2003;

waarbij de Reclassering Nederland, Regio Zuid, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te

's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

t.a.v. feit 2, feit 3: Maatregel van schadevergoeding van EUR 1045,14 subsidiair 20 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van EUR 1.045,14 (zegge: duizendvijfenveertig euro en veertien eurocenten), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 1.000,- immateriële schadevergoeding en een bedrag van EUR 45,14 materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , van een bedrag van EUR 1.045,14 (zegge: duizendvijfenveertig euro en veertien eurocenten). Het bedrag bestaat uit een door de rechtbank vastgesteld bedrag van EUR 1.000,- immateriële schadevergoeding) en een bedrag van EUR 45,14 materiële schadevergoeding (post reiskosten).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van het gevorderde bedrag ter zake immateriële schade niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.A. van Gameren, voorzitter,

mr. H.M. Hettinga en mr. W. Heijninck, leden,

in tegenwoordigheid van G.G. Dirks, griffier,

en is uitgesproken op 25 september 2017.