Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:4916

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
C/01/324646 / KG ZA 17-517-I
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Deze in kort geding gewezen tussenvonnissen hangen samen met de beschikking van 28 juli 2017 van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2017:8480). In de beschikking van 28 juli 2017 heeft de rechtbank Den Haag een verzoek tot teruggeleiding van het minderjarige kind naar Iran afgewezen. De moeder heeft hoger beroep aangetekend tegen die beschikking bij het gerechtshof Den Haag. Tevens heeft de moeder een kort geding aanhangig gemaakt jegens de vader en omgang met het kind gevorderd gedurende de hoger beroepsprocedure bij het gerechtshof te Den Haag. De voorzieningenrechter heeft een bijzonder curator benoemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/324646 / KG ZA 17-517-I

Tussenvonnis in kort geding van 12 september 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [land]

eiseres,

advocaat mr. T.M. Coppes te Aerdenhout (gemeente Bloemendaal),

tegen

[gedaagde] ,

thans verblijvende in het asielzoekerscentrum te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. H.P. Scheer te Utrecht.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 augustus 2017 met producties 1 tot en met 6;

  • -

    de brief van 24 augustus 2017 van mr. Coppes met producties 1 tot en 22;

  • -

    de brief van 24 augustus 2017 van mr. Scheer;

  • -

    de brief van 25 augustus 2017 van mr. Scheer met producties 1 tot en met 4;

  • -

    de mondelinge behandeling van 28 augustus 2017 te 13.00 uur.

1.2.

Ter zitting van 28 augustus 2017 hebben partijen op hoofdlijnen overeenstemming bereikt over de wijze waarop contactherstel tussen de vrouw en de thans nog minderjarige zoon van partijen, [naam zoon] (ook wel geschreven als; [naam zoon] (hierna te noemen: [de zoon] ), op 25 april 2012 te Teheran geboren, dient plaats te vinden. Zij hebben verzocht - na ontvangst van nader bericht van de advocaten over de uitwerking van de overeenstemming op hoofdlijnen - deze overeenstemming vast te leggen in een vonnis.

1.3.

Bij e-mailberichten van 30 augustus 2017 en 1 september 2017 hebben mrs. Coppes en Scheer de voorzieningenrechter laten weten dat zij er niet in geslaagd zijn de gemaakte afspraken te specificeren en vervolgens heeft de voorzieningenrechter op 4 september 2017 bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden voortgezet op 12 september 2017 te 10.15 uur.

1.4.

De mondelinge behandeling is vervolgens voortgezet op 12 september 2017 te 10.15 uur, waarbij naast partijen, hun advocaten en de tolken, ook mr. drs. I. Sandig is opgeroepen en verschenen.

1.5.

Na het debat van partijen tijdens de mondelinge behandeling van 12 september 2017 heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan, waarvan dit tussenvonnis de schriftelijke neerslag vormt. Daarna heeft de voorzieningenrechter de zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld om in overleg met elkaar te komen tot afspraken.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn geboren in Teheran, Iran, en hebben de Iraanse nationaliteit.

2.2.

Op 17 september 2008 zijn partijen met elkaar gehuwd in Iran en uit het huwelijk van partijen is de thans nog minderjarige zoon, [naam zoon] (ook wel geschreven als; [naam zoon] (hierna te noemen: [de zoon] ), op 25 april 2012 te Teheran geboren.

2.3.

In 2013 zijn partijen feitelijk uit elkaar gegaan.

2.4.

Nadat partijen over de omgangsregeling verschillende procedures bij de Iraanse rechtbank hebben gevoerd, heeft de vrouw [de zoon] op 21 januari 2016 in het kader van een door de Iraanse rechter vastgestelde omgangsregeling overgedragen aan de man. Ondanks dat de man gehouden was [de zoon] op 22 januari 2016 weer terug te brengen naar de vrouw, heeft de man dat niet gedaan.

2.5.

De man is vervolgens met zijn huidige partner en [de zoon] vanuit Turkije en Griekenland gevlucht naar Nederland en is op 17 mei 2016 in Nederland aangekomen. Op 20 mei 2016 hebben zij asiel aangevraagd in Nederland.

2.6.

Voor de vrouw was het vanaf 22 januari 2016 onbekend waar de man en [de zoon] verbleven. Via de politie en Interpol is zij ongeveer vijf à zes maanden geleden op de hoogte gesteld van de verblijfplaats van de man en [de zoon] .

2.7.

Bij de Nederlandse Centrale Autoriteiten heeft de vrouw een teruggeleidingsverzoek ingediend. Deze procedure is aanhangig gemaakt bij de rechtbank Den Haag. Tijdens de mondelinge behandeling van deze procedure op 18 juli 2017 hebben partijen gesproken over contactherstel tussen de vrouw en [de zoon] , omdat zij elkaar al ruim 18 maanden niet meer hadden gezien.

2.8.

Toen is de man ermee akkoord gegaan dat de in de teruggeleidingsprocedure benoemde bijzonder curator, mevrouw mr. drs. I. Sandig, een eerste contactmoment tussen de vrouw en [de zoon] zou begeleiden.

2.9.

Dat eerste contactmoment heeft ook plaatsgevonden, maar nadien zijn partijen er niet meer in geslaagd hierop een vervolg te laten plaatsvinden.

2.10.

Inmiddels loopt er een appèlprocedure tegen de beslissing van de rechtbank Den Haag van 28 juli 2017, waarin de mondelinge behandeling inmiddels op 29 augustus 2017 heeft plaatsgevonden. In het kader van deze appelprocedure heeft tussen partijen een zgn. “crossbordermediation” plaatsgevonden waarin partijen voorlopige afspraken omtrent de omgang tussen [de zoon] en de vrouw hebben gemaakt. Omdat [de zoon] toen koorts had, is een eerste contactmoment niet doorgegaan.

2.11.

Het visum van de vrouw met betrekking tot haar verblijf in Nederland, verloopt op 30 september 2017.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat de vrouw omgang mag hebben met haar minderjarige zoon [naam zoon] , geboren te Teheran op [geboortedatum] ,

- gedurende de hoger beroepsprocedure bij het gerechtshof te Den Haag terzake van de teruggeleidingsprocedure, drie dagen aaneengesloten per week, en,

- indien [de zoon] niet hoeft te worden teruggeleid naar Iran, na de uitspraak van het gerechtshof te Den Haag, wekelijks (skype/Facetime/video/telefonisch/mail) contact als de vrouw in Iran is, danwel drie dagen per week als de vrouw in Nederland is, alsmede alle (school)vakanties van [de zoon] , tot er in de bodemprocedure anders is beslist,

- althans een zodanig regeling als de voorzieningenrechter in goede justitie mogen vermenen te bepalen, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 en onder betaling van de kosten die de vrouw moet maken voor de omgang, zoals reis- en verblijfkosten in Nederland voor elke keer dat de man zich niet houdt aan de inhoud van dit vonnis,

II. te bepalen dat de man in de kosten van deze procedure wordt veroordeeld.

3.2.

De man voert verweer en hij verzoekt mr. drs I. Sandig tot bijzonder curator te benoemen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Nu partijen zijn gehuwd in Iran en zij (alsmede [de zoon] ) de Iraanse nationaliteit hebben, heeft deze zaak een internationaal karakter.

Rechtsmacht

4.2.

Ingevolge artikel 8 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000, heeft de voorzieningenrechter rechtsmacht omdat de gewone verblijfplaats van [de zoon] in Nederland is.

Toepasselijk recht

4.3.

Op grond van artikel 15 van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Den Haag, 19 oktober 1996, Trb. 1997, 299, “Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996”) past de Nederlandse rechter op het onderhavige verzoek het interne recht toe, omdat de minderjarige in Nederland zijn gewone verblijf heeft.

Bijzonder curator

4.4.

Omdat niet kan worden uitgesloten dat de belangen van vader in strijd zijn met de belangen van [de zoon] , zal de voorzieningenrechter voor de duur van deze procedure mr. drs I. Sandig tot bijzonder curator benoemen. Zij dient de mogelijkheden van contacten tussen [de zoon] en de moeder zolang zij in Nederland is te onderzoeken en hieromtrent te rapporteren aan de voorzieningenrechter.

Aanhouding voor overleg tussen partijen

4.5.

Omdat de in het kader van dit kort geding en de crossbordermediation bereikte overeenstemming nog niet heeft geleid tot contact tussen [de zoon] en moeder, wordt de mondelinge behandeling voor overleg tussen partijen en de bijzonder curator geschorst.

5 De beslissing

5.1.

benoemt met ingang van heden voor de duur van deze procedure tot bijzonder curator: mw. mr. drs. I. Sandig, kantoorhoudende te Berlicum, over [naam zoon] (ook wel geschreven als; [naam zoon] geboren op [geboortedatum] , teneinde de mogelijkheden van contactherstel tussen [de zoon] en de moeder (zolang zij in Nederland is) te onderzoeken en hieromtrent de voorzieningenrechter te rapporteren;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2017.