Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:4857

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
14-09-2017
Zaaknummer
01/879709-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring: Moord (op vader) en een lijk wegvoeren en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar met aftrek voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879709-16

Datum uitspraak: 14 september 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 augustus 2016, 10 november 2016, 7 februari 2017, 4 april 2017, 27 juni 2017 en

31 augustus 2017. Op 31 augustus 2017 is de zaak inhoudelijk behandeld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 augustus 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 31 augustus 2017 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 30 april 2016 tot en met 19 mei 2016 te Helmond en/of elders in Nederland, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ) opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, enige vorm van hevig uitwendig mechanisch stomp geweld aangewend op/tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] ;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 30 april 2016 tot en met 19 mei 2016 te Helmond en/of elders in Nederland, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ) opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen, althans eenmaal, enige vorm van hevig uitwendig mechanisch stomp geweld aangewend op/tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] ;

2. hij op (een) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 30 april 2016 tot en met 19 mei 2016 te Helmond en/of elders in Nederland, met het oogmerk om de moord, althans de doodslag op [slachtoffer] , of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen, het lijk van die [slachtoffer] heeft weggevoerd of weggemaakt, te weten door het lijk van die [slachtoffer] met (een) deken(s) en/of dekbedovertrek(ken) en/of vuilniszak(ken) te omwikkelen en/of met behulp van spanbanden en/of tape op een steekwagen vast te maken en/of het lijk van die [slachtoffer] te vervoeren naar de Zuid-Willemsvaart en/of (vervolgens) in die Zuid-Willemsvaart te gooien/dumpen;

Ten gevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging begaan, staat onder feit 2 in de derde en in de vijfde regel “of” vermeld in plaats van “en/of”. De rechtbank herstelt deze omissie en leest het laatste in plaats van het eerste. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is er geen sprake van een wezenlijke wijziging in de feitelijke omschrijving van hetgeen verdachte ten laste wordt gelegd, zodat verdachte daardoor niet in de verdediging is geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft op gronden zoals vervat in het schriftelijk requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde moord en het onder feit 2 ten laste gelegde wegvoeren en wegmaken van een lijk om de moord te verhelen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De verdediging heeft in dit kader ook gewezen op een alternatief scenario dat andere personen met de dood en de verdwijning van het lichaam van het slachtoffer te maken zouden hebben. Dit scenario zou naar voren zijn gebracht in een anonieme brief die op 18 mei 2016 door het Eindhovens Dagblad was ontvangen.

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen en de volgende feiten en omstandigheden, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn vader [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade heeft gedood en dat verdachte de moord en de oorzaak van het overlijden van zijn vader [slachtoffer] heeft willen

verhullen door hem te vervoeren naar en hem te laten verdwijnen in het water van de

Zuid-Willemsvaart.1+2

De doodsoorzaak.

Op 19 mei 2016 omstreeks 10.03 uur werd naar aanleiding van een melding door getuige [getuige 1] in het water van de Zuid-Willemsvaart, ter hoogte van de Rochadeweg te Helmond, een stoffelijk overschot aangetroffen. Het stoffelijk overschot was verpakt in een deken, een dekbedovertrek, vuilniszakken en was met spanbanden en tape aan een steekwagen vastgemaakt.3 Bij de schouw bleek het te gaan om een man die een niet natuurlijk dood was gestorven.4 Aan de hand van het dactyloscopisch individualisatieonderzoek bleek dat het slachtoffer was genaamd [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] . Het intreden van de dood van [slachtoffer] , verder te noemen [slachtoffer] , werd verklaard door verwikkelingen van bij leven opgelopen ingewerkte (deels) hevige, stompe geweldsinwerking op het hoofd, zoals door meervoudig slaan met één of meer voorwerpen kan ontstaan.5 De huidletsels aan het hoofd kunnen worden veroorzaakt door meervoudig inwerkend geweld. De schedelfactuur wordt met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid veroorzaakt door forser inwerkend geweld. Dergelijke fracturen kunnen onderliggende hersenschade veroorzaken, wat kan leiden tot functieverlies van de hersenen en de dood.6 Op de stukjes schedelbot zijn daarnaast deeltjes aangetroffen die mede bestaan uit ijzer. Geconcludeerd wordt dat de letsels zijn veroorzaakt met een geheel of gedeeltelijk ongelegeerd stalen voorwerp. Ongelegeerd staal wordt veelvuldig toegepast in diverse soorten (goedkoop) gereedschap, zoals bijvoorbeeld een hamer of een bijl.7

Op basis van deze onderzoeken, in onderlinge samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat het slachtoffer [slachtoffer] is overleden doordat hij meermalen met een voorwerp op zijn hoofd is geslagen. Als gevolg van dit hevig uitwendig mechanisch stomp geweld, is een schedelbreuk en onderliggend hersenletsel ontstaan en is het slachtoffer komen te overlijden. De rechtbank stelt vast dat uit het forensisch tactisch onderzoek niet is gebleken van een andere oorzaak van het intreden van de dood, zoals bijvoorbeeld door een ongeval.

Het tijdstip en de plaats van het overlijden.

Op 15 mei 2016 werd door een vriend van [slachtoffer] , getuige [getuige 2] , bij de politie melding gemaakt van diens vermissing.8 Vervolgens werden diverse personen uit de directe omgeving van [slachtoffer] gehoord. Hierbij viel op dat nogal wat getuigen hun verbazing uitspraken dat zij de zoon van [slachtoffer] sinds een tijdje in de dure Mercedes van [slachtoffer] zagen rijden en dat hij ook gebruik maakte van diens woning. [slachtoffer] was namelijk zeer zuinig op zijn auto en liet daar nooit iemand in rijden. Ook had hij zich tegen diverse mensen in negatieve zin uitgelaten over verdachte, dat deze alleen maar geld van hem wilde, dat hij hem niet vertrouwde en dat hij hem niet in zijn woning wilde hebben.9

De politie heeft vervolgens onderzoek gedaan, onder meer naar het moment waarop [slachtoffer] voor het laatst is gezien.

Getuige [getuige 3] is op 18 mei 2016 bij de politie gehoord en verklaarde onder meer dat hij [slachtoffer] op 1 mei 2016 voor het laatst had gezien toen deze friet stond te bakken op zijn balkon. Op dat moment zat er ook een manspersoon in de woning van [slachtoffer] .10 Ook getuige [getuige 4] verklaarde op 18 mei 2016 bij de politie dat [slachtoffer] op de avond van 1 mei 2016 op het balkon iets stond te bakken in een frietpan.11

Verder is er in het dossier buiten verdachte niemand die stellig verklaart dat hij of zij het slachtoffer na de avond van 1 mei 2016 nog heeft gezien. De enige persoon over wie gezegd wordt dat zij het slachtoffer nadien nog zou hebben gezien, getuige [getuige 5] , weet zich dat niet meer te herinneren op het moment dat zij wordt geconfronteerd met de verklaring van haar stiefvader, getuige [getuige 6] .12

Verdachte werd op 17 mei 2016 als getuige gehoord en verklaarde dat hij zijn vader op 2 mei 2016 voor het laatst had gezien bij zijn vader thuis.13

Verdachte heeft in zijn verdachtenverhoren bij de politie verklaard dat hij vanaf zijn ontslag uit detentie eerst in hotels en pensions heeft verbleven, maar vanaf 29 april 2016 bij zijn vader mocht verblijven en op de bank mocht slapen.14 Zijn vader zou hem op zondagavond 1 mei 2016 verteld hebben dat hij de volgende dag zou worden opgehaald door zijn vriendin die hij had leren kennen via een datingsite, een advocaat uit Budel, en dat hij een paar dagen of een paar weken weg zou gaan. Op zondagavond 1 mei 2016 had zijn vader zich netjes geschoren en had hij zijn snor bijgeknipt. Zijn vader had op 2 mei 2016 om 08.50 uur of 09.00 uur de woning verlaten en was door een auto opgehaald, aldus verdachte. Zijn vader was op dat moment gekleed in een zwarte pantalon, zwarte schoenen en een zwarte blouse met witte strepen en zijn haren zaten netjes in een scheiding.15 Verdachte verklaarde tijdens zijn verhoor op 31 mei 2016 dat hij de bankpas en creditcard van zijn vader had gekregen met twee pincodes.16 Met toestemming van zijn vader mocht hij de Mercedes gebruiken, hij had hiervoor een sleutelbos van zijn vader gekregen. Aan deze sleutelbos hingen naast de autosleutel van de Mercedes ook een sleutel van de voordeur en een sleutel van de garagedeur.17

De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte dat zijn vader op 2 mei 2016 rond 09.00 uur bij de woning werd opgehaald voor een date, door zijn nieuwe vriendin die advocaat in Budel was en die hij op een datingsite had leren kennen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

 De politie heeft uitgebreid onderzoek gedaan aan de laptop van het slachtoffer [slachtoffer] . Uit dat onderzoek is gebleken dat het slachtoffer via de betaalde site www.zoek.love al maandenlang dagelijks chatte via een aan hem gekoppeld account, genaamd [chatnaam 1] . Gebleken is dat het profiel [chatnaam 1] contact had met louter zogenaamde ‘entertainmentprofielen’, profielen waarachter geen ‘echte’ vrouwen schuil gaan, maar operators die door de site worden beheerd. Soms speelt een operator twintig rollen tegelijk. Het slachtoffer had chatcontacten met de entertainmentprofielen [chatnaam 1] en [chatnaam 3] . Volgens de site ging het bij entertainmentprofiel [chatnaam 2] om een secretaresse uit Helmond en bij [chatnaam 2] werd vermeld dat ze advocate in Budel was. De foto’s die bij deze profielen werden geplaatst, zijn veelvuldig aangetroffen op andere sites.18 Uit het onderzoek van de politie is verder gebleken dat het vrijwel onmogelijk was om werkelijk in contact te komen en afspraken te maken met een entertainmentprofiel, nu het gaat om fictieve (wisselende) personen die daarachter schuil gaan. Bovendien blijkt uit de door het bedrijf overgelegde chatcontacten (het brondocument) dat er op geen enkel moment persoonlijke gegevens in de chats werden achtergelaten, waardoor het onmogelijk was voor een eventuele operator om persoonlijk contact te leggen met het slachtoffer of vice versa.19+20

Verdachte heeft de politie gewezen op chatconversaties waaruit zou blijken dat zijn vader wel persoonlijke gegevens zou hebben verstrekt en ook ontvangen. Verdachte meldde op 18 mei 2016 bij de politie dat hij op de laptop van zijn vader een chatgesprek had gevonden dat zijn vader zou hebben opgeslagen. Verdachte vertelde dat hij een foto van de advocate uit Budel had gezien over wie zijn vader het had gehad en hij haar daarom herkende in het chatgesprek.21 Uit onderzoek

– waarbij de originele chatgesprekken van [chatnaam 4] zijn vergeleken met de op de laptop aangetroffen bestanden – is gebleken dat het op de laptop aangetroffen chatgesprek is gemanipuleerd. Het brondocument “ [brondocument] ” is bewerkt en aangevuld met “Geef me je mobiel, dan kan ik je bellen en spreken we heel snel af xxxxxx” en “Mijn nummer is [telefoonnummer 1] , hoop je snel te horen xxxx”. In vergelijking met het originele bestand, is in het bestand “ [brondocument] ” het beroep “secretaresse” veranderd in “advocaat” en is het bestand “ [brondocument] ” “Helmond” verwijderd en in het op de laptop aangetroffen bestand [bestand] ” aangepast in “Budel”.22 De versies van het brondocument [brondocument] ” blijken op 18 mei 2016 om 01.02 uur en 01.04 uur te zijn bewerkt.23

De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat verdachte in de nacht van 17 op 18 mei 2016 toegang had tot en in het bezit was van de laptop van zijn vader. De rechtbank concludeert dat verdachte – bij gebreke van een aanwijzing van betrokkenheid van (een) derde(n) – de enige persoon is die deze documenten toen aan kon passen.

 Op 1 mei 2016 om 23.46 uur werd er door het gebruikersprofiel “ [chatnaam 1] ”, in gebruik bij [slachtoffer] , een chatbericht verzonden naar het entertainmentgebruikersprofiel [chatnaam 2] ”. In dit bericht stond vermeld: “Ik heb morgenvroeg een afspraak bij de huisarts om 08.10 uur, dus erg vroeg en ga dus ook zo slapen. (…)”.24 Tijdens de doorzoeking ter inbeslagneming van de woning van het slachtoffer op 26 mei 2016 werd een handgeschreven briefje aangetroffen dat was gedateerd op 1 mei 2016 met daarop bloeddruk- en hartslagwaarden op verschillende tijdstippen tot 24.00 uur.25 De rechtbank leidt hieruit af dat de doktersafspraak belangrijk voor hem was. Verdachte verklaarde tijdens zijn tweede verhoor als verdachte op 26 mei 2016 dat hij en zijn vader op 1 mei 2016 omstreeks 00.00 uur zijn gaan slapen en dat hij op de bank in de woonkamer sliep.26 Tijdens zijn eerste verdachtenverhoor op 25 mei 2016 verklaarde verdachte dat hij op 2 mei 2016 omstreeks 08.50 uur of 09.00 uur bij zijn vader thuis op de bank lag te slapen.27 Op 18 juli 2016 verklaarde verdachte tijdens zijn achtste verdachtenverhoor dat er niemand anders dan zijn vader en hij in de ochtend van 2 mei 2016 in de woning waren.28 Op 2 mei 2016 is om 08:48 uur met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , het nummer van de vaste telefoon van [slachtoffer] , naar het telefoonnummer [telefoonnummer 3] , het nummer van huisartsenpraktijk [naam huisarts] gebeld. Door doktersassistente [doktersassistente] werd tijdens een bezoek aan de huisartsenpraktijk op 14 juni 2016 bevestigd dat [slachtoffer] een afspraak had op 2 mei 2016 om 09.10 uur en dat die afspraak op die dag was afgebeld door een man die zei dat mijnheer [slachtoffer] niet naar zijn afspraak kon komen omdat zijn zus op sterven lag, waarbij zij hoorde dat het niet mijnheer [slachtoffer] zelf was die afbelde.29 Tijdens het getuigenverhoor van [doktersassistente] op 15 juni 2016 verklaarde zij dat deze afspraak zou gaan over de medicatie van [slachtoffer] met betrekking tot zijn hoge bloeddruk. Zij wist zeker dat het niet mijnheer [slachtoffer] zelf was die belde omdat die man praatte in de derde persoon en de stem jonger klonk als iemand van de leeftijd van mijnheer [slachtoffer]30

 Het sms-bericht dat op 2 mei 2016 om 21.50 uur vanaf de telefoon van [slachtoffer] is verstuurd naar getuige [getuige 7] strookt evenmin met de verklaring van verdachte dat hij gezien heeft dat zijn vader de woning op 2 mei om 09.00 uur de woning had verlaten. Dit bericht is vanuit de directe omgeving van de woning van het slachtoffer verstuurd. Uit onderzoek is gebleken dat uitgesloten kan worden dat de telefoon zich op dat moment in Budel bevond.31

 Op de laptop van [slachtoffer] werden verder chatberichten aangetroffen die op 2 mei 2016 om 21.44 uur en 22.33 uur vanaf het account van [slachtoffer] naar het account van [chatnaam 2] waren verzonden.32 Dit terwijl verdachte heeft verklaard dat zijn vader op 2 mei 2016 in de ochtend zijn laptop beneden op de keukentafel zette en daaropvolgend de woning heeft verlaten.33

[slachtoffer] is in een pyjama en zonder ondergebitprothese dood aangetroffen.34+35 Zijn ondergebit is tijdens de doorzoeking van de woning van het slachtoffer in de badkamer in een glas water werd gevonden.36 Het aangetroffen kunstgebit betrof gezien de metalen steg-bevestiging het zogenaamde definitieve gebit van het slachtoffer, waarvan hij er maar één bezat.37 Geen van de getuigen heeft het slachtoffer ooit zijn huis zien verlaten zonder ondergebit.38+39

Tegen de achtergrond van het voorafgaande, constateert de rechtbank dat de verklaring van verdachte dat zijn vader op 2 mei de woning heeft verlaten op de wijze zoals door verdachte verklaard, geen enkele ondersteuning vindt in het dossier. De rechtbank concludeert dat [slachtoffer] op enig moment na 1 mei 2016 in zijn eigen woning om het leven is gebracht.

Nu het slachtoffer op 15 mei 2016 als vermist werd opgegeven en de verbalisanten op die dag en ook op 18 mei in de woning geen personen of sporen van geweld hebben waargenomen40, gaat de rechtbank er vanuit dat het slachtoffer in ieder geval op 15 mei 2016 niet meer in leven was. De rechtbank gaat ervan uit dat het slachtoffer in de nacht van 1 op 2 mei 2016 tussen 00.00 uur en 09.00 uur, maar in ieder geval voor 15 mei 2016, is komen te overlijden. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat er vanaf 16 mei 2016 gewag wordt gemaakt van een drijvend object in de Zuid-Willemsvaart dat gelijkenis vertoonde met het pakket waarin het slachtoffer is aangetroffen.41+42+43+44 De rechtbank heeft de exacte datum en het tijdstip van het overlijden, mede gelet op de postmortale veranderingen45, niet kunnen vaststellen.

De conclusie dat [slachtoffer] in zijn eigen woning is omgebracht, vindt naar het oordeel van de rechtbank steun in het volgende.

Het pakket waarin het lichaam van [slachtoffer] werd aangetroffen, was vastgebonden op een steekkar. Het lichaam was omwikkeld met een bruine deken, zwarte en blauwe vuilniszakken, een gebloemd dekbedovertrek, oranje en zwarte spanbanden en zwarte tape.46 Getuige [getuige 8] werd op 30 juni 2016 bij de politie gehoord. Aan haar werden verschillende foto’s getoond. Zij herkende de bruine deken als de deken die altijd in de kelder lag waar ook de bench van de hond stond. De steekwagen herkende zij voor 100%. Deze stond in de inpandige garage. De broek herkende zij als het soort pyjamabroeken dat [slachtoffer] droeg in bed.47 Door het NFI werd met behulp van vergelijkend vezelonderzoek geconcludeerd dat het resultaat dat de vezelsporen die onder andere zijn veiliggesteld in de bench in de kelder en op het matras in de slaapkamer (deels) afkomstig zijn uit de deken aangetroffen bij het pakket (SIN AAJA02246NL) waarschijnlijker zijn dan wanneer deze afkomstig zijn uit willekeurig andere bronnen.48

Tijdens de doorzoeking van de woning op 26 mei 2016 werd het bij het dekbedovertrek behorende gebloemde kussensloop aangetroffen in de inpandige garage.49 Door de politie werd op 21 mei 2016 sporenonderzoek gedaan in de woning en werd de inpandige garage onderzocht op de aanwezigheid van delict-gerelateerde sporen of goederen.

In de garage werden drie soortgelijke blauwe vuilniszakken (SIN AAEY5653NL, AAEY5652NL en AAEY5651), een zwarte spanband (SIN AAEY5648NL), een oranje spanband (SIN AAEY5674NL) en een rol zwarte tape (SIN AAEY5646NL) aangetroffen.50

Door het NFI werd vergelijkend vezelonderzoek gedaan. Uit het onderzoek bleek dat de oranje spanband aangetroffen (op het pakket) bij het slachtoffer (SIN AAJA0245NL) op alle vergeleken kenmerken overeenkwam met de spanband aangetroffen in het huis van het slachtoffer. Ook vormden de uiteinden van deze banden onderling een souche. Door het NFI wordt geconcludeerd dat de resultaten dat de oranje spanband die is aangetroffen bij het slachtoffer één geheel heeft gevormd met de spanband aangetroffen in het huis van het slachtoffer extreem veel waarschijnlijker (> 1.000.000) zijn dan wanneer zij afkomstig zijn uit willekeurige andere bronnen.51 In de bemonsteringen van delen van de spanband, de knoop en de randen van de spanbanden die zijn aangetroffen in het huis, is DNA aangetroffen van het slachtoffer en verdachte. Op basis van het vergelijkend DNA-onderzoek is geen aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van een onbekende persoon in deze bemonsteringen.52 Daarna heeft het NFI een statistische berekening gemaakt, waarvan de conclusie is dat de hypothese dat de bemonsteringen celmateriaal bevatten van het slachtoffer [slachtoffer] en de verdachte [verdachte] ten minste een miljard keer waarschijnlijker is dan de hypothese dat de bemonsteringen naast het celmateriaal van het slachtoffer [slachtoffer] celmateriaal bevatten van een willekeurig onbekend gebleven persoon.53

Wat betreft de zwarte spanbanden die zijn aangetroffen bij het slachtoffer (SIN AAJA0223NL, AAJA0224NL en AAJA0225NL), zijn er duidelijke overeenkomsten met de zwarte spanband die is aangetroffen in de garage van het slachtoffer qua materiaalsoort en kleurstoffen. De kans op een dergelijke overeenkomst is gering, zodat kan worden geconcludeerd dat de spanbanden uit dezelfde bron komen.54

Uit het door het NFI uitgevoerde vergelijkend kunststof onderzoek aan de blauwe vuilniszakken aangetroffen in de garage en de blauwe vuilniszak aangetroffen in het pakket om het slachtoffer (SIN AAJA0228NL), bleek dat het waarschijnlijker (10-100) is dat de vuilniszak om het slachtoffer afkomstig is van dezelfde rol als de blauwe vuilniszakken aangetroffen in de garage dan dat deze van een willekeurige rol afkomstig is.55

Het soucheonderzoek door het NFI aan de stukken tape op de vuilniszak waarin het slachtoffer was verpakt (SIN AAJA0247NL) en de rol zwarte tape die is aangetroffen in de garage, resulteerde in de uitkomst dat het extreem veel waarschijnlijker is dat de tapedelen op de vuilniszak bij het slachtoffer afkomstig zijn van de rol tape die in de garage is aangetroffen en dat het uiteinde van één van de tapedelen op de vuilniszak oorspronkelijk één geheel heeft gevormd met de rol tape die in de garage is aangetroffen.56 Uit onderzoek van het NFI op de rol tape uit de garage blijkt dat er DNA van verdachte is aangetroffen op de zijkant van de kartonnen rol met tape, op de rugzijde van het uiteinde van de tape en op de lijmzijde van een stukje tape nadat de rugzijde is afgepoetst. De matchkans dat het celmateriaal in de bemonstering afkomstig is van een onbekend gebleven persoon is kleiner dan 1 op 1 miljard.57

Tot slot zijn er in de slaapkamer van het slachtoffer op verschillende plaatsen bloedspatten aangetroffen. De verkregen DNA-profielen matchen met het bloed van het slachtoffer.58 Verder werd chemieluminescentie in badkamer, op de trap en bij het voetbord van het bed aangetroffen welke een groter gebied betrof dan de aangetroffen bloedspatten. Mogelijk werd de grotere aftekening veroorzaakt door verdunning/schoonmaakactiviteiten, aldus de forensische opsporing.59

De rechtbank stelt op grond van deze onderzoeken, in onderlinge samenhang bezien, vast dat het stoffelijk overschot van het slachtoffer [slachtoffer] was ‘verpakt’ met goederen

– steekkar, dekbed, deken, vuilniszak, spanbanden en tape – die afkomstig waren uit zijn eigen woning. In combinatie met de aangetroffen bloedspatten en de schoonmaakactiviteiten, maken deze bevindingen het zeer aannemelijk dat [slachtoffer] in zijn eigen woning van het leven is beroofd en met goederen afkomstig uit de woning is ingepakt en op een zich in de garage bevindend steekwagentje is gebonden.

Uit de forensische onderzoeken zijn geen aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van een derde of derden, onbekend gebleven persoon of personen in de bemonsteringen.60 Het dossier bevat dan ook geen enkele aanwijzing voor het scenario dat het slachtoffer elders om het leven is gebracht en door derden is omgekleed en het stoffelijk overschot in de garage van de woning is verpakt.

De dader.

Gelet op de hierboven uiteengezette bewijsmiddelen die uit het onderzoek zijn verkregen ten behoeve van de vragen op welk tijdstip en op welke plaats [slachtoffer] om het leven is gebracht, concludeert de rechtbank dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat verdachte als enige de gelegenheid heeft gehad om zijn vader in de woning om het leven te brengen en dit ook heeft gedaan. Gecombineerd met de bevindingen van het NFI dat op de zijkanten van de in de garage van de woning aangetroffen kartonnen rol zwarte tape, op de rugzijde van het uiteinde van de tape en op de lijmzijde van een stukje tape DNA van verdachte is aangetroffen met een matchkans van een willekeurig persoon van kleiner dan 1 op 1 miljard61, concludeert de rechtbank dat verdachte degene is die het lichaam van zijn vader in de woning heeft ingepakt. Er zijn geen aanwijzingen die duiden op de aanwezigheid van sporen van onbekend gebleven derden.

De verdediging heeft nog gewezen op de anonieme brief die kort voor de geplande inhoudelijke behandeling van deze rechtszaak bij het Eindhovens Dagblad binnenkwam. Het Openbaar Ministerie heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de herkomst van de brief en/of de opsteller daarvan en ook gekeken of de inhoud van de brief aanknopingspunten zou kunnen opleveren op basis waarvan het in de brief geschetste alternatieve scenario onderzocht zou kunnen worden. Het resultaat van deze onderzoeken is dat dergelijke aanknopingspunten niet zijn gevonden. De rechtbank zal dan ook verder niet ingaan op deze brief.

Het motief.

Het motief van verdachte is gelegen in het verkrijgen van het geld en de bezittingen van zijn vader, onder andere blijkend uit het volgende.

Verdachte heeft onmiddellijk vanaf 2 mei 2016 de Mercedes SLK gebruikt.

Verder heeft onderzoek aan de laptop van het slachtoffer de volgende opmerkelijke onderzoeksresultaten opgeleverd.

Op 2 mei 2016 werd om 08.02 uur op de laptop van het slachtoffer gezocht op “abn amro inloggen”.62 Uit stemvergelijkingsonderzoek van een opgenomen telefoongesprek met de bank, is gebleken dat verdachte op 4 mei 2016 telefonisch contact heeft opgenomen met de ABN AMRO bank waarbij hij zich voordeed als zijn vader [slachtoffer] en een nieuwe bankpas en pincode heeft aangevraagd.63 Op 5 mei 2016 om 11.34 uur pleegde hij een mistransactie met de op 4 mei 2016 geblokkeerde pinpas waarbij de pinpas werd ingenomen door de machine.64+65Op 5 mei 2016 werd op de laptop van het slachtoffer op verschillende tijdstippen gezocht op “oude lips kluis openmaken” en “oude lips kluis sleutel kwijt”.66 Tijdens de doorzoeking van de woning werd in de kelder een kluis aangetroffen van het merk “LIPS”. De kluis was voorzien van een slot welke bediend kon worden met een sleutel.67 Verdachte verklaarde in zijn vijfde verdachtenverhoor dat hij wist dat de sleutels van de kluis in de klok lagen.68 Getuige [getuige 9] verklaarde dat zij wist dat [slachtoffer] een kluis in de woning had staan en daar zijn spaargeld in had zitten.69 Getuige [getuige 8] verklaarde dat [slachtoffer] altijd het geld in de kluis legde dat hij als paragnost had verdiend.70 Getuige [getuige 10] verklaarde dat [slachtoffer] hem ooit vertelde dat er 10.000 euro of meer in de kluis zat.71 Op 15 mei 2016 werd er door verbalisanten [verbalisanten] binnengetreden in de woning aan de [adres slachtoffer] te Helmond. Op de eetkamertafel zagen zij een

cash-/chequemapje van ABN AMRO liggen waar met pen “euro 10.000,-” op stond geschreven. In het mapje werd geen geld aangetroffen.72 Getuige [getuige 11] verklaarde dat zij op 6 mei 2016 € 4.150,- en op 14 mei 2016 € 500,- contant kreeg van verdachte.73

Verdachte nam de bankpas en de creditcard van het slachtoffer op 14 mei 2016 in gebruik en verrichtte vanaf die datum meerdere betalingen en geldopnames.74

Voorbedachte raad.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Bij het uitlezen van de zoekgeschiedenis van de mobiele telefoon Sony Xperia waarvan is vastgesteld dat het toestel bij verdachte in gebruik was, blijkt dat op 29 april 2016 tussen 16.16 uur en 19.21 uur onder andere is gezocht op “doodsteken weinig bloed”, “lijk verzwaren”, “iemand laten verdwijnen”, “moord met gif”, “ricine maken” en “waarmee een hartaanval veroorzaken”. De internetadressen zijn vervolgens bezocht.75 Ook werden in de Sony Xperia zoekopdrachten aangetroffen die niet (meer) zichtbaar waren in de reguliere zoekgeschiedenis, maar waaruit wel is af te leiden welke zoekwoorden zijn ingegeven en welke websites zijn bezocht. Zo blijkt verdachte onder andere te hebben gezocht op “vergiftigen zonder sporen”, “lijk wegwerken”, “hoe een lijk verbergen”, “iemand dood wurgen”, “verstikking door omsnoering”, “slagaders keel dichtknijpen”, “hoe lang duurt wurging”, “iemand met volle fles op hoofd slaan” en “lijk in water dumpen”.76

De rechtbank overweegt dat de zoekopdrachten, waarvan kan worden vastgesteld dat een deel daarvan is verricht op 29 april 2016, zeer kort voor het verdwijnen van het slachtoffer zijn ingevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze bevindingen niet anders worden uitgelegd dan als een voorbereiding op het om het leven brengen van [slachtoffer] . De zoekwoorden staan in een dergelijk nauw verband met de wijze waarop het slachtoffer is omgebracht en vervolgens in het water is achtergelaten dat naar het oordeel van de rechtbank gesteld kan worden dat deze zoektermen in rechtstreeks verband staan met het voornemen [slachtoffer] te doden en zijn lichaam weg te maken. Voorts is de rechtbank van oordeel dat – gezien het tijdstip waarop de zoektermen werden ingevoerd – verdachte in ruime mate gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en hij zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven. Verdachte heeft voor zijn internetgebruik geen logische, aannemelijke andere verklaring kunnen geven.

Met bovengenoemde zoekopdrachten kan worden vastgesteld dat verdachte op 29 april 2016 en wellicht al eerder bezig was met het beramen van de moord op zijn vader en het wegmaken van zijn stoffelijk overschot. Verdachte heeft in ieder geval geruime tijd de mogelijkheid gehad zich kalm te beraden op zijn voornemen alvorens hij tot uitvoering overging. Aldus staat voor de rechtbank vast dat het handelen van verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

De rechtbank acht voorts geen begin van contra-indicaties aannemelijk geworden die een bewezenverklaring van voorbedachte raad in de weg staan.

De rechtbank concludeert dat de dood van [slachtoffer] en diens verdwijning door verdachte gepland was en vervolgens ook ten uitvoer is gebracht, zodat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte handelende met voorbedachte raad. Derhalve acht de rechtbank moord bewezen.

Wegvoeren wegmaken van het stoffelijk overschot.

Dat het verdachte was die na de moord op zijn vader diens stoffelijk overschot heeft vervoerd naar de Zuid Willemsvaart en het lijk heeft weggemaakt door het vervolgens in het water van de Zuid-Willemsvaart achter te laten, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de bewezenverklaring van de moord zoals hiervoor overwogen en het volstrekt ontbreken van aanwijzingen die duiden op betrokkenheid van (een) ander(en) bij dit feit.

De rechtbank wordt in haar overtuiging gesterkt door de onderzoeksresultaten met betrekking tot de visualisatie van de ARS-gegevens van de Mercedes SLK met kenteken

[kenteken] waaruit blijkt dat verdachte in de periode van 2 mei 2016 tot en met 8 mei 2016 vele malen langs de Zuid-Willemsvaart tot aan de rotonde bij de Rochadeweg is gereden77, ter hoogte van de plek waar het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op 19 mei 2016 uit het water werd gehaald.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat zij op grond van bewijsmiddelen niet kan vaststellen op welke wijze en op welk moment verdachte het stoffelijk overschot van zijn vader heeft vervoerd naar de plek waar hij het te water heeft gelaten. Zij gaat ervan uit dat dit zeer waarschijnlijk is gebeurd met de aanhanger, die hij volgens zijn eigen verklaring op 4 mei 2016 achter de Mercedes van zijn vader heeft gekoppeld en die hij ook ’s nachts aangekoppeld heeft gelaten.78

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1. (primair)

op een tijdstip gelegen in de periode van 1 mei 2016 tot en met 15 mei 2016 te Helmond, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ) opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen enige vorm van hevig uitwendig mechanisch stomp geweld aangewend op het hoofd van die [slachtoffer] ;

2.

op een tijdstip gelegen in de periode van 1 mei 2016 tot en met 15 mei 2016 te Helmond, met het oogmerk om de moord en de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen, het lijk van die [slachtoffer] heeft weggevoerd en weggemaakt, te weten door het lijk van die [slachtoffer] met een deken en dekbedovertrek en vuilniszakken te omwikkelen en met behulp van spanbanden en tape op een steekwagen vast te maken en het lijk van die [slachtoffer] te vervoeren naar de Zuid-Willemsvaart en vervolgens in die

Zuid-Willemsvaart te gooien/dumpen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 20 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft geconcludeerd tot integrale vrijspraak van verdachte. In het geval van een veroordeling, heeft de verdediging verzocht met het ter terechtzitting aan de orde gestelde vormverzuim rekening te houden bij het bepalen van de straf, nu er zonder toestemming van een officier van justitie geautomatiseerd onderzoek is verricht aan een smartphone in gebruik bij verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank stelt vast dat er geautomatiseerd onderzoek is verricht aan een smartphone in gebruik van de verdachte, zonder dat een officier van justitie daarvoor toestemming had verleend. In zoverre is er sprake van een vormverzuim. Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat verdachte door dit verzuim niet in zijn belangen is geschaad. Gezien de toen bestaande verdenking is het evident dat de toestemming van de officier van justitie – als daarom was verzocht – zou zijn verleend. Zij zal dan ook bij de bepaling van de op te leggen straf met dit vormverzuim geen rekening houden en volstaat met de enkele constatering van het vormverzuim.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zijn 67-jarige vader [slachtoffer] op brute wijze van het leven beroofd door hem met een stomp voorwerp meermalen op zijn hoofd te slaan. Verdachte heeft zijn vader in de garage van de woning verpakt in een deken, een dekbedovertrek en meerdere vuilniszakken en op een steekkarretje gebonden. Het stoffelijk overschot heeft hij vervolgens naar de Zuid-Willemsvaart vervoerd en het pakket in het water geloosd. Het pakket heeft meerdere dagen en vermoedelijk zelfs weken in het water gelegen en is op 19 mei 2016 uit het water gehaald. Vrienden en familie van het slachtoffer hebben lange tijd in onzekerheid verkeerd over wat er met het slachtoffer was gebeurd.

De koelbloedigheid waarmee verdachte zijn vader van het leven heeft beroofd en de mensonterende manier waarop hij met zijn stoffelijk overschot is omgegaan, is schrijnend. Voor de nabestaanden betekent de dood van [slachtoffer] een pijnlijk en onomkeerbaar verlies van hun (schoon)vader, opa en vriend. Het gebeuren heeft diep ingegrepen in hun leven, zoals blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring die door [nabestaande] , de zoon van het slachtoffer en de broer van verdachte, ter terechtzitting is voorgelezen. Het behoeft voorts weinig betoog dat feiten als de onderhavige de rechtsorde ook in het algemeen schokken en in de samenleving algemene gevoelens van onrust en onveiligheid oproepen.

De rechtbank betrekt tevens bij haar oordeel dat verdachte geen enkele duidelijkheid heeft verschaft over zijn handelen en zijn beweegredenen daartoe. Naar het zich laat raden, was geld voor verdachte de trigger om tot een dergelijke daad over te gaan. Dit maakt het onbegrip over de moord en daarmee het verdriet voor de nabestaanden des te groter.

Verdachte is in juli 2016 psychologisch onderzocht en hij heeft in augustus 2016 een gesprek met de reclassering gehad. Uit het onderzoek door klinisch psycholoog

[deskundige] is niet gebleken van aanwijzingen dat verdachte lijdende is aan een stoornis of er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. De feiten kunnen hem om die reden volledig worden toegerekend. De reclassering heeft zich in verband met de ontkennende houding van verdachte onthouden van een strafadvies en acht toezicht, gelet op de te verwachten straf, niet geïndiceerd. Ter zitting zijn ook overigens geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd of aannemelijk geworden die van invloed kunnen zijn op de op te leggen straf.

Voor moord worden door rechtbanken in het algemeen langdurige vrijheidsstraffen opgelegd. Gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) jaren. De op te leggen straf is gelijk aan de door de officier van justitie gevorderde straf nu de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf in overeenstemming is met de ernst van het bewezen verklaarde.

Gelet op de duur van de door de rechtbank op te leggen straf, wijst de rechtbank het verzoek van de verdediging tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte af.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 57, 151 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1 primair:moord Ten aanzien van feit 2:een lijk wegvoeren en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak vanhet overlijden te verhelen.Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2: Gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Wijst af het verzoek tot opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot

voorlopige hechtenis.Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.W. van den Heuvel, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. M.A. Waals, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,

en is uitgesproken op 14 september 2017.

1 [bewijsbijlage]

2 [bewijsbijlage]

3 [bewijsbijlage]

4 [bewijsbijlage]

5 [bewijsbijlage]

6 [bewijsbijlage]

7 [bewijsbijlage]

8 [bewijsbijlage]

9 [bewijsbijlage]

10 [bewijsbijlage]

11 [bewijsbijlage]

12 [bewijsbijlage]

13 [bewijsbijlage]

14 [bewijsbijlage]

15 [bewijsbijlage]

16 [bewijsbijlage]

17 [bewijsbijlage]

18 [bewijsbijlage]

19 [bewijsbijlage]

20 [bewijsbijlage]

21 [bewijsbijlage]

22 [bewijsbijlage]

23 [bewijsbijlage]

24 [bewijsbijlage]

25 [bewijsbijlage]

26 [bewijsbijlage]

27 [bewijsbijlage]

28 [bewijsbijlage]

29 [bewijsbijlage]

30 [bewijsbijlage]

31 [bewijsbijlage]

32 [bewijsbijlage]

33 [bewijsbijlage]

34 [bewijsbijlage]

35 [bewijsbijlage]

36 [bewijsbijlage]

37 [bewijsbijlage]

38 [bewijsbijlage]

39 [bewijsbijlage]

40 [bewijsbijlage]

41 [bewijsbijlage]

42 [bewijsbijlage]

43 [bewijsbijlage]

44 [bewijsbijlage]

45 [bewijsbijlage]

46 [bewijsbijlage]

47 [bewijsbijlage]

48 [bewijsbijlage]

49 [bewijsbijlage]

50 [bewijsbijlage]

51 [bewijsbijlage]

52 [bewijsbijlage]

53 [bewijsbijlage]

54 [bewijsbijlage]

55 [bewijsbijlage]

56 [bewijsbijlage]

57 [bewijsbijlage]

58 [bewijsbijlage]

59 [bewijsbijlage]

60 [bewijsbijlage]

61 [bewijsbijlage]

62 [bewijsbijlage]

63 [bewijsbijlage]

64 [bewijsbijlage]

65 [bewijsbijlage]

66 [bewijsbijlage]

67 [bewijsbijlage]

68 [bewijsbijlage]

69 [bewijsbijlage]

70 [bewijsbijlage]

71 [bewijsbijlage]

72 [bewijsbijlage]

73 [bewijsbijlage]

74 [bewijsbijlage]

75 [bewijsbijlage]

76 [bewijsbijlage]

77 [bewijsbijlage]

78 [bewijsbijlage]