Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:4832

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
18-09-2017
Zaaknummer
5673499 / 17-986
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongeval plezierfiets, aansprakelijkheid voor schade, zorgplicht verhuurder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer : 5673499

Rolnummer : 17-986

Uitspraak : 14 september 2017

in de zaak van:

[Van de W.] , tevens handelend onder de naam Partybike,

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mr. V. Liemburg,

t e g e n

[P.] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mr. M. Struik.

Partijen zullen hierna “[Van de W.]” en “[P.]” worden genoemd.

1 Het verloop van het geding

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

a. het tussenvonnis van 13 april 2017, waarin een comparitie van partijen is gelast, en de daarin genoemde processtukken;

b. de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie;

c. de akte indiening producties van [P.] van 9 augustus 2017;

d. de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 17 augustus 2017.

1.2.

Tot slot is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende

weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast.

2.2.

[Van de W.], handelend onder de naam Partybike, biedt particulieren en bedrijven de mogelijkheid een plezierfiets te huren. [P.] heeft op 20 april 2015 bij [Van de W.] een plezierfiets gehuurd.

2.3.

Op de dag waarop [P.] de plezierfiets heeft gehuurd, is deze tijdens het gebruik daarvan door [P.] op de spoorwegovergang aan de Tongelresestraat te Eindhoven in botsing gekomen met een trein van de NS. Als gevolg van dit ongeval is één persoon overleden.

2.4.

De politie heeft het ongeval met de plezierfiets onderzocht. Zij heeft de plezierfiets

in beslag genomen. In augustus 2015 heeft de politie de plezierfiets vrijgegeven en heeft [Van de W.] de plezierfiets bij de politie opgehaald.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[Van de W.] vordert – samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat [P.] aansprakelijk is voor de door [Van de W.] geleden schade als gevolg van het ongeval met de plezierfiets en veroordeling van [P.] tot betaling van € 16.576,30, te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.

3.2.

[Van de W.] legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

Partijen hebben een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de plezierfiets. De Algemene huurvoorwaarden Partybike zijn van toepassing op de huurovereenkomst. [P.] is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichting de plezierfiets in goede staat te retourneren. Op grond van de artikelen 6:74 BW en 7:218 lid 1 BW is [P.] aansprakelijk voor de door [Van de W.] geleden schade. Subsidiair is sprake van een onrechtmatige daad van [P.] op grond van artikel 6:162 BW. De schade bedraagt een totaalbedrag van € 16.576,30, te weten: de waarde van de plezierfiets van € 12.632,40, de inhuur van een nieuwe plezierfiets van € 3.200,-, transportkosten van € 562,40 en kosten voor het ophalen van de plezierfiets bij de politie van € 181,50.

3.3.

[P.] heeft verweer gevoerd.

in voorwaardelijke reconventie

3.4.

[P.] vordert – samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, de huurovereenkomst te vernietigen, te verklaren voor recht dat niet aan het bepaalde in artikel 6:234 lid 1 BW is voldaan, waardoor de algemene voorwaarden, althans de bepalingen van de algemene voorwaarden van [Van de W.] vernietigbaar zijn en dat de door [P.] ingeroepen vernietiging van deze voorwaarden slaagt, met veroordeling van [Van de W.] in de proceskosten.

3.5.

[P.] legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

De huurovereenkomst is onder invloed van dwaling tot stand gekomen en de algemene voorwaarden zijn niet (tijdig) ter hand gesteld, waardoor [P.] de vernietiging van de overeenkomst en/of de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden heeft ingeroepen. Voor zover dit niet bij wege van conventie kan worden ingeroepen, wordt dit gevorderd in (voorwaardelijke) reconventie.

3.6.

[Van de W.] heeft verweer gevoerd.

in conventie en reconventie

3.7.

Op hetgeen partijen verder hebben aangevoerd zal, voor zover van belang, onder de beoordeling worden teruggekomen.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

[P.] heeft aangevoerd dat de overeenkomst dan wel de uitvoering daarvan in strijd is met de openbare orde en derhalve nietig, aangezien de plezierfiets gelet op de afmetingen daarvan niet de openbare weg op had gemogen.

4.2.

Een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de openbare orde is nietig, zo bepaalt artikel 3:40 lid 1 BW. Als zodanig is de overeenkomst, te weten het verhuren van een plezierfiets niet in strijd met de openbare orde. Voor zover [P.] heeft betoogd dat de uitvoering van de overeenkomst in strijd is met de openbare orde, geldt dat de wet niet in een dergelijke vorm van nietigheid voorziet. Als sprake is van een geldige overeenkomst kan de uitvoering daarvan niet leiden tot nietigheid vanwege strijd met de openbare orde.

4.3.

[P.] heeft aangevoerd dat [Van de W.] (toerekenbaar) tekort is geschoten in zijn zorg- en inlichtingenplicht, waardoor de door hem gevorderde schade voor zijn rekening dient te komen en blijven.

4.4.

Voor zover [P.] heeft aangevoerd dat op [Van de W.] een zorg- en inlichtingenplicht rust die meebrengt dat [Van de W.] meer voorlichting over de risico’s van het gebruik van de plezierfiets aan het verkeer had moeten geven, wordt als volgt overwogen. Vast staat dat [P.] uitleg heeft gekregen over de positionering van de plezierfiets op de weg (‘voor zoveel mogelijk gebruik maken van het fietspad en bij gebreke hiervan zoveel mogelijk rechts houden’) en uitleg heeft gekregen over de bediening en besturing van de plezierfiets. Een verdergaande verplichting tot het geven van uitleg over mogelijke gevaren bij drukte, smalle straten, passages en overgangen, kan niet worden aangenomen. [P.] heeft ook niet aangevoerd wat dergelijke instructies dan zouden moeten hebben ingehouden en evenmin aangevoerd dat dergelijke instructies een noodlottig ongeval als het onderhavige zouden hebben (kunnen) voorkomen.

4.5.

Voor zover [P.] heeft aangevoerd dat op [Van de W.] een zorg- en inlichtingenplicht rust die meebrengt dat [Van de W.] had moeten aangeven dat de bierfiets niet verzekerd was voor schade als de onderhavige en [P.] expliciet de gelegenheid had moeten bieden om daarvoor een verzekering af te sluiten, wordt als volgt overwogen. In de door [P.] ondertekende overeenkomst zijn bepalingen opgenomen over aansprakelijkheid. Voor zover [P.] heeft aangevoerd de overeenkomst te hebben getekend zonder die te lezen, dient dat voor zijn eigen rekening te komen. De overeenkomst is immers beperkt van omvang (één pagina) en gesteld noch gebleken is dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om de overeenkomst te lezen. Aangenomen mag worden dat [Van de W.] inderdaad niet expliciet erop gewezen heeft dat de plezierfiets niet verzekerd is voor schade als de onderhavige. Een dergelijke verstrekkende verplichting kan echter niet worden aangenomen. Uit het contract kan al worden afgeleid dat door [Van de W.] aansprakelijkheid voor schade aan de huurder en gebruikers alsmede derden is uitgesloten. Niet gesteld of gebleken is dat [P.], die aanvoert het contract niet te hebben gelezen, enige vragen heeft gesteld over verzekering van schade. Dat [Van de W.] onder die omstandigheden nog verdere informatie over (de mogelijkheid tot) verzekering van de plezierfiets diende te verstrekken, kan niet worden aangenomen. Van een tekortkoming van [Van de W.] op dit punt is daarom geen sprake.

4.6.

Door [P.] is in dit verband tevens een beroep gedaan op dwaling. Niet aangevoerd is op welke in artikel 6:228 lid 1 BW genoemde situatie [P.] een beroep doet, zodat al deze gronden zullen worden beoordeeld. Van de onder sub a genoemde situatie is geen sprake, nu gesteld noch gebleken is dat de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij. Van de onder sub b genoemde situatie is geen sprake, nu [P.] niet heeft gesteld dat [Van de W.] had moeten weten dat de verzekering van de plezierfiets van belang was voor [P.]. Niet gesteld of gebleken is dat [P.] daaromtrent enige opmerking heeft gemaakt. De bepalingen omtrent aansprakelijkheid in het contract heeft [P.] naar eigen zeggen – ten tijde van het tekenen van dat contract – niet gelezen. Voor zover [Van de W.] derhalve enige bepaling omtrent de verzekering voor schade als de onderhavige in het contract zou hebben gezet, zou [P.] die bepaling derhalve ook niet hebben gelezen. [Van de W.] wist of behoorde niet te weten dat [P.] dwaalde op dit punt. Van de onder sub c genoemde situatie is geen sprake, nu gesteld noch gebleken is dat de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan. Het beroep op dwaling slaagt daarom niet.

4.7.

[P.] heeft aangevoerd dat de algemene voorwaarden van [Van de W.] niet van toepassing zijn dan wel vernietigbaar zijn. Vastgesteld wordt dat uit het door [P.] ondertekende contract volgt dat de algemene voorwaarden van [Van de W.] van toepassing zijn. Erkend is door [Van de W.] dat deze algemene voorwaarden niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand zijn gesteld. Dat de voorwaarden te raadplegen waren op de website van [Van de W.] is in dit verband niet voldoende, te meer nu een expliciete verwijzing naar de website van [Van de W.] op dit punt ontbreekt in de overeenkomst. Het beroep van [P.] op vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden slaagt, zodat [Van de W.] geen beroep toekomt op het bepaalde in deze algemene voorwaarden.

4.8.

Op grond van het voorgaande wordt vastgesteld dat [P.] op grond van de artikelen 6:74 BW en 7:218 lid 1 BW aansprakelijk is voor de door [Van de W.] geleden schade, nu hij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichting de plezierfiets ongeschonden aan [Van de W.] te retourneren.

4.9.

[P.] heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van de door [Van de W.] gestelde geleden schade. De door [Van de W.] opgevoerde schadeposten zullen hierna achtereenvolgens worden besproken.

4.10.

[Van de W.] maakt aanspraak op de waarde van de plezierfiets van € 10.890,- (inclusief btw). Hij onderbouwt deze vordering door te verwijzen naar een rapportage van Achmea Claims Organisatie. In dit rapport wordt uitgegaan van een nieuwwaarde van een plezierfiets van € 18.000,- en een dagwaarde van de onderhavige plezierfiets van € 9.000,- (exclusief btw). De kantonrechter zal, nu [P.] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de nieuwwaarde van een plezierfiets inderdaad € 18.000,- bedraagt, uitgaan van een dergelijke nieuwwaarde. [P.] heeft in dit verband immers enkel in algemene zin betwist dat een nieuwe plezierfiets een dergelijke waarde vertegenwoordigt, daar waar van hem verwacht had mogen worden dat hij aangeeft welke nieuwwaarde een plezierfiets dan wel (ongeveer) zou hebben. Ten aanzien van de in het rapport gemelde leeftijd van de plezierfiets heeft [P.] verweer gevoerd. In het rapport wordt enerzijds uitgegaan van 2010 als bouwjaar, terwijl anderzijds in het rapport wordt aangegeven dat wanneer de plezierfiets is gebouwd en in gebruik is genomen niet meer valt vast te stellen. Op basis waarvan de rapporteur tot het bouwjaar 2010 en derhalve een leeftijd van (ongeveer) vijf jaren ten tijde van het ongeval is gekomen, is onduidelijk. De leeftijd van de plezierfiets is echter wel degelijk relevant om de hoogte van de schade te kunnen bepalen. Nu [Van de W.] een beroep doet op de inhoud van de rapportage van Achmea Claims Organisatie ligt het, gelet op de betwisting van de gestelde leeftijd van de plezierfiets, op zijn weg om te bewijzen dat het bouwjaar van de plezierfiets 2010 betreft. [Van de W.] zal bewijs van deze stelling worden opgedragen.

4.11.

[Van de W.] vordert voorts een bedrag van € 1.742,40 (inclusief btw) aan bedrijfsschade voor een periode van zes weken zoals opgenomen in voormeld rapport. Dit bedrag is niet toewijsbaar. Het betreft immers door de rapporteur geschatte bedrijfsschade. [Van de W.] maakt in deze periode aanspraak op de daadwerkelijk door hem geleden bedrijfsschade, te weten de kosten voor inhuren van een nieuwe plezierfiets. In zoverre is sprake van een dubbeltelling.

4.12.

[Van de W.] maakt aanspraak op € 3.200,- voor de inhuur van een nieuwe plezierfiets. Hij heeft in dit verband gesteld dat hij om de (geplande) verhuuractiviteiten te kunnen voortzetten van RondjeRegio BV te Midwoud voor voornoemd bedrag een plezierfiets heeft ingehuurd. [P.] heeft de verschuldigdheid van deze kosten betwist.

Vastgesteld wordt dat het ongeval heeft plaatsgevonden op 20 april 2015, de rapportage van Achmea Claims Organisatie dateert van 13 oktober 2015 en de door [Van de W.] in dit verband overgelegde factuur van 23 april 2016. Op de factuur staat tevens vermeld dat het verhuur ziet op een periode van 8 weekenden, te beginnen op 23 april 2016. Aangenomen mag worden dat eventueel geleden bedrijfsschade ziet op een periode direct na het ongeval, waarbinnen door een kleinere capaciteit aan plezierfietsen schade is geleden. Uit het rapport van Achmea Claims Organisatie, waarop [Van de W.] een beroep doet, volgt immers dat het aanschaffen van een vervangende plezierfiets ongeveer zes weken zal duren. Voor zover vast komt te staan dat [Van de W.] als gevolg van het ongeval gedurende acht weken na het ongeval een vervangende plezierfiets heeft moeten inhuren om de volledige bedrijfsvoering op peil te kunnen houden is dat als zodanig schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Dit uitgaande van de omstandigheid dat [Van de W.] deze ingehuurde plezierfiets nodig had om – als ware het ongeluk niet gebeurd – op dezelfde wijze als voor het ongeval zijn bedrijf te kunnen uitoefenen en omzet te kunnen genereren. Op grond van het voorgaande staat echter niet vast dat die schade daadwerkelijk is geleden. Ook in dit verband zal aan [Van de W.] bewijs worden opgedragen. Tevens zal daarin worden meegenomen dat [Van de W.] dient te bewijzen dat hij een bedrag van € 3.200,- heeft voldaan, aangezien dat door [P.] wordt betwist en door [Van de W.] vooralsnog niet is aangetoond. In dit verband wordt [P.] niet gevolgd in zijn verweer dat gegenereerde omzet op de kosten van inhuur in mindering dient te worden gebracht. De omzet had [Van de W.] zonder het ongeval immers ook gehad, terwijl de kosten voor het inhuren van een plezierfiets om die omzet te kunnen genereren schade opleveren.

4.13.

[Van de W.] maakt aanspraak op transportkosten van € 562,40 voor de inhuur van de plezierfiets van RondjeRegio BV te Midwoud. De toewijsbaarheid daarvan is afhankelijk van de uitkomst van de bewijslevering ten aanzien van de inhuur van deze plezierfiets. Een beslissing daaromtrent wordt daarom aangehouden.

4.14.

[Van de W.] maakt aanspraak op de kosten voor het ophalen van de plezierfiets bij de politie van € 181,50. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en staan in rechtstreeks verband met het ongeval, zodat deze kosten toewijsbaar zijn.

4.15.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

in voorwaardelijke reconventie

4.16.

De vernietiging van de overeenkomst en de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden zijn in conventie aan de orde gekomen, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde voor de reconventionele vordering. Deze behoeft daarom geen bespreking.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

draagt [Van de W.] op te bewijzen:

­ dat het bouwjaar van de plezierfiets 2010 betreft;

­ dat [Van de W.] als gevolg van het ongeval acht weken lang een bierfiets heeft moeten inhuren om zijn bedrijfsuitvoering volledig te kunnen voortzetten en dat hij in dat verband een bedrag van € 3.200,- heeft betaald;

verwijst de zaak naar de terechtzitting van donderdag 12 oktober 2017 om 09:00 uur en bepaalt dat [Van de W.] op die terechtzitting stukken in het geding kan brengen en / of door een ander bewijsmiddel bewijs kan leveren;

bepaalt dat [Van de W.], indien hij het bewijs door middel van getuigen wil leveren, de namen van de getuigen en de verhinderdagen van de partijen (en hun gemachtigden) op de dinsdagen en donderdagen in de maanden november 2017 tot en met april 2018 op de hiervoor vermelde terechtzitting direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2017.