Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:4629

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-08-2017
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
15_2267E
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft de afwijzing van een tegemoetkoming in planschade in verband met een mestverwerkings- en vergistingsinstallatie. Op verzoek van de rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) een vergelijking gemaakt tussen blootstellingsduur aan geur op grond van de oude planologische situatie (uitrijden van mest) en de nieuwe situatie (mestvergisting). De rechtbank is van oordeel dat geen aanleiding bestaat te oordelen dat de StAB met haar methode de geurhinder op onjuiste wijze heeft beoordeeld. Door de toename van geurhinder is sprake van een planologisch nadeliger situatie. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en geeft verweerder de opdracht een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 6.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2017/229 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 15/2267 E, SHE 15/2534 E en SHE 15/2535 E

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2017 in de zaken tussen

[eiser 1] , te [woonplaats] , eiser 1 (SHE 15/2267 E),

(gemachtigde: mr. drs. F.K. van den Akker),

[eiser 2] , te [woonplaats] , eiser 2 (SHE 15/2534 E),

(gemachtigde: mr. drs. J.M. Stedelaar),

[eiser 3] , te [woonplaats] , eiser 3 (SHE 15/2535 E),(gemachtigden: mr. drs. J.M. Stedelaar en mr. Y. Schönfeld),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad, verweerder

(gemachtigde: mr. T.T.M. Linotte-de Louw).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] , te [vestigingsplaats] , gemachtigden: mr. F.H. Damen en [gemachtigde] .

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2014 heeft verweerder het verzoek afgewezen van eiser 3 om tegemoetkoming in planschade ex artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dat betrekking heeft op het vrijstellingsbesluit en de omgevingsvergunningen voor het vergroten van het bouwblok, het realiseren van een mestverwerkings- en vergistingsinstallatie, de bouw van een loods, silo’s en sleufsilo’s aan [adres 1] , het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Oedenrode” en de omgevingsvergunning van

13 augustus 2012. Eiser 3 heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 maart 2014 heeft verweerder het verzoek van eiser 2 om tegemoetkoming in planschade ex artikel 6.1 van de Wro dat betrekking heeft op dezelfde hierboven genoemde schadeoorzaken, afgewezen. Eiser 2 heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij afzonderlijke besluiten van 29 juli 2014 heeft verweerder de besluiten van
25 februari 2014 en 18 maart 2014 ingetrokken en nieuwe besluiten genomen, waarin de verzoeken om tegemoetkoming in planschade ex artikel 6.1 van de Wro wederom zijn afgewezen.

Bij besluit van dezelfde datum heeft verweerder het verzoek van eiser 1 om tegemoetkoming in planschade ex artikel 6.1 van de Wro dat betrekking heeft op dezelfde hierboven genoemde schadeoorzaken afgewezen. Eiser 1 heeft tegen het aan hem gerichte besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 juli 2015 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder de bezwaren van

eiser 1 ongegrond verklaard, het besluit van 29 juli 2014 met aanvulling van de motivering in stand gelaten en het verzoek om vergoeding van proceskosten afgewezen. Eiser 1 heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit is geregistreerd onder zaaknummer

SHE 15/2267.

Bij besluit van 13 juli 2015 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder de bezwaren van
eiser 2 ongegrond verklaard en het besluit van 18 maart 2014 respectievelijk 29 juli 2014 met aanvulling van de motivering in stand gelaten. Tevens heeft verweerder het verzoek om vergoeding van proceskosten en het verzoek om een maximale uitkering dwangsom afgewezen. Eiser 2 heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit is geregistreerd onder zaaknummer SHE 15/2534.

Bij besluit van 13 juli 2015 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder de bezwaren van
eiser 3 ongegrond verklaard en het besluit van 25 februari 2014 respectievelijk 29 juli 2014 met aanvulling van de motivering in stand gelaten. Tevens heeft verweerder het verzoek om vergoeding van proceskosten en het verzoek om een maximale uitkering dwangsom afgewezen. Eiser 3 heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit is geregistreerd onder zaaknummer SHE 15/2535.

Verweerder heeft naar aanleiding van de beroepschriften in elke zaak een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van 16 februari 2016. De rechtbank heeft op 31 mei 2016 een beschikking genomen, waarin de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) is verzocht een onderzoek in te stellen naar het planologisch nadeel voor eisers als gevolg van het vrijstellingsbesluit en de daaropvolgende planologische regimes en hierover verslag uit te brengen.

Op 30 september 2016 heeft de StAB het gevraagde deskundigenbericht uitgebracht. Partijen hebben hierop gereageerd.

Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door mr. M. van der Made van Antea Group (Antea). Derde-partij is vertegenwoordigd door mr. G.J.M. de Jager, kantoorgenoot van mr. Damen, en door [gemachtigde] . Mr. H.P. Nijhoff, ing. E.P. Feringa en mr. R.H. van Marle (allen werkzaam bij de StAB) zijn als deskundigen gehoord.

Overwegingen

Beschikking 31 mei 2016

1. In de beschikking van deze rechtbank van 31 mei 2016 is geoordeeld dat verweerder de adviezen van Antea niet ten grondslag heeft kunnen leggen aan de bestreden besluiten. Zo is ten aanzien van de mestverwerkingsinstallatie die in het vrijstellingsbesluit met een onbeperkte capaciteit is vergund, niet onderzocht wat de absolute bovengrenzen aan geurhinder en veiligheidsaspecten zijn, noch in het planologische regime van het vrijstellingsbesluit noch in het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Oedenrode”. Ook is Antea er ten onrechte vanuit gegaan dat de in de ruimtelijke onderbouwing beschreven wijze van uitvoering van de mestvergistingsinstallatie een planologische beperking vormt van de mestvergistingsinstallatie. Antea heeft deze beperking ten onrechte betrokken bij de waardering van het planologisch nadeel. Tevens is geoordeeld dat de ligging van de woning [adres 2] evenmin de door Antea beoogde milieuhygiënische beperking van de toegelaten geuremissies van het agrarisch bedrijf vormt, waardoor Antea’s inschatting van het planologische nadeel vanwege de geurhinder van de mestvergistingsinstallatie onjuist is. Voorts is geoordeeld dat het vrijstellingsbesluit geen verplichting omvat tot het aanleggen van een nieuwe ontsluiting, zodat het advies van Antea met betrekking tot de verkeershinder is gebaseerd op een onjuist uitgangspunt. Ten slotte is niet onderbouwd wat de gevolgen zijn van de bestaande geluidhinder van de A50.
Omdat verweerders conclusies met betrekking tot de vraag of de schade tot het normaal maatschappelijk risico van eisers behoort mede zijn gebaseerd op de adviezen van Antea en het daarin opgenomen standpunt met betrekking tot de omvang van het planologisch nadeel kunnen deze, aldus is geoordeeld, evenmin in stand blijven. De bestreden besluiten komen voor vernietiging in aanmerking. Vervolgens heeft de rechtbank aanleiding gezien om de StAB een deskundigenbericht te laten uitbrengen over het planologisch nadeel voor eisers als gevolg van het vrijstellingsbesluit en de daaropvolgende planologische regimes.

2. De rechtbank legt de overwegingen in de beschikking van 31 mei 2016 mede ten grondslag aan deze uitspraak.

Deskundigenbericht StAB

3. De StAB heeft in haar deskundigenbericht twee planvergelijkingen gemaakt, te weten tussen het bestemmingsplan “Buitengebied 1997” en het vrijstellingsbesluit van 2008 en tussen het bestemmingsplan “Buitengebied 1997” inclusief het vrijstellingsbesluit van 2008 en het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Oedenrode” van 2012. De omgevings-vergunning van 13 augustus 2012 heeft de StAB, evenals Antea, niet (direct) in de planvergelijking betrokken, omdat door deze wijziging ten opzichte van het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Oedenrode” de situatie voor eisers volgens de StAB niet verslechtert. Bij de planvergelijkingen heeft de StAB de volgende, door eisers aangedragen schadefactoren bezien: toename van geurhinder, toename van geluidhinder, meer hinder van verkeersbewegingen, brand- en explosiegevaar, gevaar voor de gezondheid door verspreiding van ziektes door mest(stof), lichtvervuiling door onder andere het affakkelen van gas, toename van fijn tof in de lucht en wijziging van de omgevingskarakteristiek. Gezien de beschikking van 31 mei 2016 is de aangevoerde schadefactor ‘verslechtering van het uitzicht’ niet in de advisering betrokken.
De StAB concludeert dat bij beide planvergelijkingen sprake is van een planologisch nadeliger situatie voor eisers door de toename van geurhinder. De andere schadefactoren die de StAB bij de advisering heeft betrokken leiden volgens de StAB niet tot een planologisch nadeliger situatie voor eisers.

4. Partijen hebben op het deskundigenbericht gereageerd. De rechtbank zal hierna ingaan op deze reacties.

Schadefactor verslechtering van uitzicht

5. Eiser 3 stelt dat weliswaar de juistheid van de beschrijving door Antea van de planologische bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan “Buitengebied 1997” niet langer in geschil is, maar dat dit onverlet laat dat de conclusie van Antea dat sprake is van een toename van de bebouwingsmogelijkheden, tot planologisch nadeel kan leiden.

6. In het advies van Antea is bij de vergelijking tussen het bestemmingsplan “Buitengebied 1997” en het vrijstellingsbesluit van 2 april 2008 ten aanzien van de woningen van eisers gesteld dat binnen het plangebied het maximaal te bebouwen oppervlak in verband met de toegestane bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet toeneemt, maar dat wel sprake is van een toename van de bouwhoogte.
Verder wijst Antea er op dat de bebouwing binnen het noordelijke deel van het plangebied, op respectievelijk ongeveer 135, 110 en 175 meter van het perceel van eisers 1, 2 en 3, weliswaar toeneemt van 2 dan wel 4 meter naar maximaal 10,5 meter hoogte in de vorm van zes silo’s, maar dat in het gedeelte van het plangebied waar voorheen al een bouwvlak lag, op respectievelijk ongeveer 195 en 110 meter van de woningen van eisers 1 en 2 en 185 meter van het bedrijfsperceel van eiser 3, reeds 9 meter hoge gebouwen konden worden opgericht.

7. Antea stelt dat de toename van de bouwmogelijkheden binnen het plangebied geen invloed heeft op de waarde van de bedrijfswoning van eiser 3 en evenmin op de waarde van zijn (overige) bedrijfsgronden. Doorslaggevend acht Antea dat de woning van eiser 3 enigszins schuin op het plangebied is georiënteerd en dat aan de [adres 2] en naastgelegen gronden zodanige bouwmogelijkheden bestonden dat het uitzicht op het plangebied in planologische zin al zeer beperkt was. Bovendien is volgens haar van belang dat de woning van eiser 3 een bedrijfswoning betreft, waarbij het woongenot ondergeschikt is aan de bedrijfsfunctie waartoe het pand behoort. Voor de gronden speelt het uitzicht geen rol.

8. Ook bij de vergelijking tussen de bouwmogelijkheden op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied 1997” inclusief het vrijstellingsbesluit van 2 april 2008 en het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Oedenrode”, waarbij de bouwhoogte op 175 meter afstand van het perceel van eiser 3 toeneemt met 9 dan wel 7 meter (wat betreft bedrijfsgebouwen) en met 10 dan wel 8 meter (wat betreft toren- en mestsilo’s), is volgens Antea geen sprake van een wezenlijke verslechtering van het uitzicht die invloed heeft op de waarde van de onroerende zaak van eiser 3.

9. De rechtbank stelt voorop dat de waardegevoeligheid van een bedrijfswoning voor aspecten als het uitzicht minder groot is dan bij een burgerwoning het geval is, omdat bij een burgerwoning het wonen en het genot daarvan voorop staat en bij een bedrijfswoning het woongenot weliswaar niet onbelangrijk, maar wel ondergeschikt is aan de bedrijfsfunctie waartoe het pand behoort. In dit verband wijst de rechtbank op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraken van 30 mei 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA6002, en van 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5973.

Dat volgens eiser 3 op zijn perceel geringe agrarische mogelijkheden zijn en nagenoeg geen bedrijfsgebouwen aanwezig zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Een bedrijfswoning mag niet als burgerwoning worden gebruikt en er zullen dan ook agrarische activiteiten moeten worden ontplooid om de woning te mogen gebruiken.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn besluit wat betreft de schadefactor ‘verslechtering van uitzicht’ heeft mogen baseren op het advies van Antea, gezien de reeds bestaande bouwmogelijkheden op grond van zowel het bestemmingsplan “Buitengebied 1997” als het vrijstellingsbesluit van 2 april 2008 en de afstand van de woning van eiser 3 tot de mestverwerkingsinstallatie en het feit dat zijn woning een bedrijfswoning betreft.
Schadefactor geurhinder

10. De StAB heeft bij de eerste planvergelijking een vergelijking gemaakt tussen enerzijds de blootstellingsduur aan geur op grond van de oude planologische situatie (uitrijden van mest) en anderszijds de blootstellingsduur aan geur op grond van de nieuwe planologische situatie (mestvergisting).
Deze vergelijking wijst volgens de StAB uit dat als gevolg van de planologische mutatie de tijd dat de geur waarneembaar is ter plaatse van de woning [adres 2] toeneemt van

19 uur per jaar tot 440 uur per jaar. Voor de woning [adres 3] neemt de blootstellingsduur aan geur volgens de StAB toe van 4 uur per jaar naar 220 uur per jaar en voor de woning [adres 4] neemt dit toe van 9 uur per jaar naar 130 uur per jaar.
Bij de tweede planvergelijking heeft de StAB het gebruik van de gronden voor een mestvergistingsinstallatie in 2008 vergeleken met het gebruik van de gronden voor een mestvergistingsinstallatie in 2012. Volgens de StAB is hier, anders dan bij de eerste planvergelijking, sprake van gelijksoortige activiteiten, namelijk het vergisten van (onder andere) mest waardoor warmte en elektriciteit wordt geproduceerd. Daarbij is de maatstaf voor deze planvergelijking niet de blootstellingsduur, maar de maximaal vergunbare geurimmissie. Uit de tweede planvergelijking volgt, aldus de StAB, dat als gevolg van de planwijziging bij de woningen van eisers een hogere geurconcentratie is toegestaan.
Bij beide planvergelijkingen is volgens de StAB dan ook sprake van een planologisch nadeliger situatie.

12. Eisers kunnen zich vinden in de conclusie van de StAB ten aanzien van deze schadefactor, al stelt dat eiser 1 dat uit de resultaten van de planvergelijkingen door de StAB blijkt dat zowel in planvergelijking 1 als planvergelijking 2 sprake is van een aanzienlijk planologisch nadeel.

12. Verweerder en derde-partij zijn daarentegen op dit punt niet akkoord met het deskundigenbericht.

14. Derde-partij stelt zich niet te kunnen vinden in het feit dat de StAB in haar deskundigenrapport enkel de blootstellingsduur van beide situaties bij de planvergelijkingen heeft betrokken, omdat het ervaren van geurhinder een combinatie is van alle factoren. Verder heeft derde-partij opgemerkt dat het voorkomen van een concentratie van 1 ge/m³ niet gelijk staat aan het waarnemen van de geuren en zeer zeker niet aan het ervaren van geurhinder.
15. In het StAB-verslag is vermeld dat het ervaren van geurhinder afhankelijk is van een aantal factoren, zoals hedonische waardering, gewenning, incidenteel of continu optredend, waardoor de component geurconcentratie lastig is te duiden en hoe dan ook subjectief van aard is. In die zin is dit criterium minder bruikbaar. De blootstelling aan geur in uren per jaar (hierna: de blootstellingsduur), de andere component van een geurnorm, is volgens de StAB een objectiever criterium.
16. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2396, en van

7 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3255, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de StAB met deze methode de geurhinder op onjuiste wijze heeft beoordeeld.
17. Verweerder wijst erop dat de StAB bij het bepalen van de geurhinder in de oude planologische situatie het destijds geldende provinciaal geurbeleid heeft betrokken. Naar zijn mening dient echter uitgegaan te worden van de maximale juridisch-planologische mogelijkheden, tenzij deze mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn uitgesloten, waarvan niet gebleken is dat hiervan sprake is wegens het genoemde beleid.
18. De StAB heeft gesteld dat de provincie Noord-Brabant wat betreft het aspect geurhinder zich ten tijde van de peildatum, mei 2008, aansloot bij het landelijk geurbeleid. Op basis van het landelijk geurbeleid voor verspreid liggende woningen alsmede voor bedrijfswoningen, werd (in de regel) een geurimmissienorm van 1 ge/m³ als

95-percentielwaarde gehanteerd. Aangezien dit neerkomt op een geurbelasting van

1. geureenheid per m³ als 95-percentielwaarde als maximaal vergunbare norm, heeft de StAB hieraan een blootstellingsduur gerelateerd van 440 uur geurwaarneming per jaar voor de meest nabijgelegen woning in eigendom van derden, zijnde de woning [adres 2] .

19. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1712, volgt dat een reële prognose dient te worden gemaakt van het gebruik dat redelijkerwijs te verwachten is met de daaruit voortvloeiende geurbelasting. Verweerder heeft niet nader onderbouwd waarom het hanteren van een geurbelasting van

1. geureenheid per m³ als 95-percentielwaarde als maximaal vergunbare norm geen reële prognose zou zijn.

20. Verweerder en derde-partij voeren verder aan dat de StAB ten onrechte niet uitgaat van een maximale invulling van de oude planologische situatie. Op basis van het bestemmingsplan “Buitengebied 1997” waren op grond van de bestemming “Agrarisch gebied” ook onder meer mestsilo’s of mestzakken en sleufsilo’s toegestaan binnen het plangebied, alsmede het weiden van dieren en het uitrijden van droge mest, terwijl de StAB alleen benoemt dat het in de oude planologische situatie mogelijk was de bodem te bemesten door hierop gier uit te rijden. Daarbij acht verweerder nog van belang dat de mestverwerkingsinstallatie een vaste plek heeft, terwijl voorheen een flexibele en roulerende situering van de diverse planologische mogelijkheden was toegestaan.
21. De StAB heeft hierover ter zitting opgemerkt dat het uitrijden van mest en de biovergisting bepalend zijn voor de geurhinder en dat het weiden van vee en een sleufsilo qua geur niet zijn te kwantificeren. Bovendien zijn de door verweerder en derde-partij genoemde activiteiten nog steeds mogelijk.
22. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het uitgangspunt van de StAB dat het uitrijden van drijfmest bepalend is in het kader van de beoordeling van de geurhinder bij een maximale invulling van de oude planologische situatie onjuist is. Bovendien gaat verweerder er aan voorbij dat de door verweerder en derde-partij genoemde activiteiten mogelijk zijn in de nieuwe planologische situatie.

23. Verweerder stelt tevens dat de StAB ten onrechte de planologische mogelijkheden op de tussenliggende en omliggende gronden niet lijkt te hebben meegewogen in de beoordeling van de geurhinder. Door slechts de geurhinder vanaf het plangebied te benaderen ontstaat volgens verweerder een eenzijdig beeld.

24. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 26 november 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:6777, is de rechtbank van oordeel dat de StAB de cumulatie van geurhinder van de installatie met omliggende agrarische bedrijven achterwege heeft kunnen laten, omdat gesteld noch gebleken is dat voor deze bedrijven pas na de peildatum vergunningen zouden zijn afgegeven, zodat de aanwezigheid van deze omliggende agrarische bedrijven zowel voor als na de peildatum een gegeven is.
25. Voor zover verweerder stelt dat het aanwezig zijn van een open systeem met geurhinder als gevolg met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten omdat het gehele systeem erop gericht is om verlies van potentieel biogas te voorkomen, overweegt de rechtbank dat zij op dit aspect reeds is ingegaan onder overweging 6.3 van de beschikking van 31 mei 2016. De rechtbank verwijst naar deze overweging.

Overigens heeft de StAB in dit kader nog opgemerkt dat bij de vergelijking tussen de maximale geurimmissie die het uitrijden van mest over de (landbouw)gronden nabij de woningen van eisers veroorzaakt, dient te worden vergeleken met de maximaal vergunbare geurimmissie vanwege de mestverwerkingsinstallatie. De maximaal vergunbare immissie is de immissie die ter plaatse van de dichtstbijzijnde woning in eigendom van derden is toegestaan op grond van het ten tijde van de peildatum gebruikelijke en algemeen aanvaarde normerings- of beleidskader voor geur door bedrijven. Bij deze vergelijking is, aldus de StAB, de capaciteit noch de uitvoering van de installatie (gesloten of open systeem) van belang.

26. Verweerder en derde-partij brengen voorts naar voren dat de StAB bij de planologische vergelijking ten onrechte is uitgegaan van drie keer mest uitrijden per jaar. Volgens hen is dit geen maximale invulling voor het plangebied en wordt in de praktijk 5 tot 10 maal uitrijden van drijfmest mogelijk geacht.

27. In het deskundigenbericht is hierover gesteld dat bij het maximaal benutten van de agrarische gronden er vanuit wordt gegaan dat het land tot drie maal per jaar kan worden bemest. Ter zitting heeft de StAB toegelicht dat het getal drie in feite al ruim genomen is, omdat bij meer dan drie keer uitrijden wordt aangelopen tegen beperkingen in tijd en meststof en risico bestaat op overbemesting. Ook anderszins acht de StAB drie keer uitrijden een reëel uitgangspunt, omdat vaker uitrijden duurder is.

28. De rechtbank beschouwt drie keer mest uitrijden per jaar, mede gezien de regelgeving hierover, als een reële prognose en geen onjuist uitgangspunt voor de planologische vergelijking.

29. Verweerder en derde-partij betogen tevens dat het verspreidingsmodel V-Stacks niet het juiste programma is om geurhinder als gevolg van het uitrijden van mest en een mestverwerkingsinstallatie te berekenen. Dit uit zich volgens derde-partij in het deskundigenbericht onder meer doordat er alleen in 98-percentielen gerekend kan worden, maar het omrekenen van 1 ge/m³ als 95-percentiel naar een concentratie als 98-percentiel is niet zonder meer mogelijk, aangezien dit volgens derde-partij sterk afhangt van de duur waarop de emissie optreedt.

30. De StAB heeft ter zitting hierover gesteld dat het model V-Stacks een vereenvoudiging van het door derde-partij genoemde model Stacks-G module is. Volgens de StAB is het model V-Stacks voor het doel waarvoor het hier gebruikt is goed bruikbaar. Daarbij heeft de StAB aangegeven het model te hebben “opgevuld” door middel van “trial and error”. Ten aanzien van de omrekening van 1 ge/m³ als 95-percentiel naar een concentratie van

98-percentiel heeft de StAB ter zitting gesteld dat het weliswaar geen vaste rekenregel betreft, maar dat gebruik is gemaakt van een tabel in de NTA 9065, waarbij is uitgegaan van een bedrijf dat fulltime in werking is.
31. De StAB is zich bewust van de tekortkomingen in het model V-Stacks en heeft hiermee rekening gehouden. De rechtbank acht dit niet onjuist. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder en derde-partij niet inzichtelijk hebben gemaakt dat met een ander model ook wezenlijk andere resultaten zouden kunnen worden behaald, maar hebben volstaan met het noemen van enkele andere modellen.

32. Verweerder heeft verder naar voren gebracht dat de StAB bij de invulling van het oude planologische regime rekening heeft gehouden met de windrichting. Uit het deskundigenrapport blijkt op geen enkele wijze dat dit ook ten aanzien van de biogasinstallatie in de nieuwe planologische situatie is toegepast, wat wel had gemoeten.
Derde-partij merkt in dit kader op dat rekening had moeten worden gehouden met een 100% windrichting naar de woningen van eisers.

33. Ter zitting heeft de StAB hierover opgemerkt dat in het model V-Stacks de heersende windrichting is begrepen en dat de windrichting bovendien in het rapport van Buro Blauw is vermeld.
Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat zowel bij het bepalen van de geurhinder ten gevolge van het uitrijden van de mest als bij het inwerking zijn van de mestverwerker rekening is gehouden met de windrichting. Een 100% windrichting naar de woningen van eisers komt de rechtbank niet voor als een reële prognose.

34.
Ten aanzien van planvergelijking 2 (peildatum september 2012) stelt derde-partij ook hier dat de omrekening van 95-percentiel normen naar 98-percentiel normen niet is onderbouwd en dat de normstelling van 1 ge/m³ als 95-percentiel zich niet zonder meer laat vertalen naar de normstelling van 1 ou/m³ als 98-percentiel, aangezien de factor hedonische waarde onderdeel uitmaakt van de gehele beoordeling. De StAB is ten onrechte uitgegaan van een hedonische weegfactor gelijk aan 1. Gezien de Beleidsregel geurhinder is de hedonische weegfactor, als de hedonische waarde van de geur niet of onvoldoende bekend is, gelijk aan 0,5. Weliswaar is bij toepassing van deze weegfactor de getalswaarde van de nieuwe geurnorm gelijk aan de ‘oude norm’, maar er is sprake van een aanscherping van de toegestane overschrijdingsduur van 5% naar 2% doordat niet langer sprake is van een 95-percentiel maar een 98-percentiel. Hier gaat de StAB, aldus derde-partij, volledig aan voorbij.

35. De StAB heeft in dit verband gewezen op het sinds 1 november 2011 geldende geurbeleid “Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant” (de Beleidsregel) dat door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant is vastgesteld. Ten tijde van de peildatum was dit beleid van kracht. Op grond van de Beleidsregel gelden voor de omgevingscategorie “Gemengd”, die hier aan de orde is, een richtwaarde van 1,0 ouE(H)/m³ als 98-percentiel en een grenswaarde van

2,0 ouE(H)/m³ als 98-percentiel. In het geuronderzoek van Buro Blauw van februari 2012 is de hedonische waarde voor H = -1 voor de bepalende geurbronnen vastgesteld op

1,0 ouE/m³. Dit betekent, aldus de StAB, dat Buro Blauw wat betreft de relevante geurbronnen in de voorliggende situatie ervan is uitgegaan dat 1,0 ouE/m³ gelijk staat aan 1,0 ouE(H)/m³. Omdat de hedonische waarde kan worden vastgesteld en daadwerkelijk is vastgesteld, is er geen aanleiding om uit te gaan van een hedonische waarde H= 0,5. Dit is, gelet op de toelichting van de Beleidsregel slechts aan de orde indien de hedonische waarde van de geur niet of onvoldoende bekend is. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het geuronderzoek van Buro Blauw ten grondslag heeft gelegen aan de onherroepelijke omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de capaciteit van de co-vergistingsinstallatie tot 80.000 ton per jaar van 13 augustus 2012.
36. De rechtbank concludeert dat bij beide planvergelijkingen wat betreft het aspect geur voor eisers sprake is van een planologisch nadeliger situatie. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een aanzienlijk planologisch nadeel.

Schadefactor geluid van de installatie en geluid vanwege verkeersbewegingen

37. In het deskundigenbericht is gesteld dat uit het akoestisch rapport van 17 april 2012 van G&O Consult, dat is opgesteld voor de vergunning van 13 augustus 2012 voor de mestverwerkingsinstallatie, volgt dat bij de woning van eisers 1, 2 en 3 een referentieniveau van het omgevingsgeluid heerst van respectievelijk 55,1, 56,6 en 55,7 dB(A). In het kader van de bepaling van deze waarden is onderzoek gedaan naar het verkeerslawaai van de Rijksweg A50 in 2010.
Onder verwijzing naar de verleende milieuvergunningen in 2008, 2009 en 2012 en de daarbij behorende akoestische onderzoeken concludeert de StAB dat als gevolg van de planwijzigingen in mei 2008 en september 2012 de toetsmaatstaf van 55 dB(A) etmaalwaarde, die is vastgesteld op basis van het heersende referentieniveau ter plaatse van de woningen van eisers, niet wordt overschreden door het in werking zijn van de inrichting, zodat wat betreft de schadefactor geluid vanwege de installatie volgens haar geen sprake is van een planologisch nadeliger situatie voor eisers.
38. Ten aanzien van het wegverkeerslawaai stelt de StAB eveneens dat als gevolg van de planwijzigingen in mei 2008 en september 2012 de toetswaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde niet wordt overschreden door de verkeersbewegingen van en naar de inrichting langs de woningen van eisers, zodat ook wat betreft de schadefactor verkeersgeluid volgens de StAB geen sprake is van een planologisch nadeliger situatie voor eisers. Daarbij is de StAB ervan uitgegaan dat de route van alle aan- en afvoerbewegingen plaatsvindt langs de woningen van eisers.
39. Eisers 1 en 3 betogen dat uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat voor het bepalen van de geluidniveaus van de mestvergistingsinstallatie en vanwege de met deze installatie gepaard gaande verkeersbewegingen in een planologische vergelijking niet kan worden aangesloten bij de normen dan wel de gegevens die in de milieuvergunningen voor deze installatie en de verkeersbewegingen zijn opgenomen en deze vergunningen derhalve niet bij de te verrichten planvergelijking dienen te worden betrokken. Er dient in dat kader volgens eisers 1 en 3 een reële prognose te worden gemaakt van het gebruik van de mestvergistingsinstallatie met de daaruit voortvloeiende geluidbelasting en met de daarmee gepaard gaande geluidhinder vanwege verkeersbewegingen die bij een maximale invulling van de achtereenvolgende planologische besluiten redelijkerwijs te verwachten zijn.

Eiser 1 stelt verder dat de StAB op zichzelf de maximaal vergunbare geluidbelasting heeft kunnen bepalen op basis van het heersende referentieniveau indien dat hoger is dan de richtwaarden in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, maar hij betwijfelt of ten tijde van de peildatum van het vrijstellingsbesluit van 2 april 2008 het geluid van de Rijksweg A50 inderdaad hoger was dan de richtwaarden uit de Handreiking. De StAB heeft het referentieniveau vanwege de A50 namelijk gebaseerd op continumetingen uit maart/april 2010 en het is volgens eiser 1 zeer aannemelijk dat de verkeersintensiteit in mei 2008 en daarmee ook de geluidbelasting nog aanmerkelijk lager lag dan in maart/april 2010.

40. Over het geluid van de installatie overweegt de rechtbank dat in de akoestische onderzoeken is uitgegaan van een bedrijfssituatie die volgens deze onderzoeken representatief is voor de inrichting. Uit de onderzoeken uit 2007 volgt dat de berekende etmaalwaarde bij een representatieve bedrijfssituatie van de inrichting bij de woning van eiser 2 38 dB(A) en bij eiser 1 32 dB(A) bedraagt. In het akoestisch onderzoek uit 2012, dat aan de vergunning van 13 augustus 2012 ten grondslag ligt, is berekend dat bij de woning van eiser 2 een geluidbelasting heerst van 42, 36 en 36 dB(A) gedurende de dag-, avond- en nachtperiode en bij de woning van eiser 1 29, 27 en 27 dB(A). De rechtbank is van oordeel dat de berekende geluidbelasting voor de woningen van eisers de toetsmaatstaf van

55 dB(A) zowel in 2008 als in 2012 dermate onderschrijden dat zelfs indien de representatieve bedrijfssituatie een onderschatting zou zijn van de reële prognose van het gebruik van de mestvergistingsinstallatie bij een maximale invulling niet aannemelijk is dat de toetsmaatstaf van 55 dB(A) zou worden overschreden. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat in de akoestische onderzoeken is uitgegaan van de representatieve bedrijfssituatie bij het in werking zijn van de gehele inrichting en dus niet alleen rekening is gehouden met het in werking zijn van de mestverwerkingsinstallatie.

41. Ten aanzien van de toetsmaatstaf van 55 dB(A) in relatie tot het hiertoe verrichte onderzoek naar wegverkeerslawaai in 2010 overweegt de rechtbank dat de StAB ter zitting heeft gesteld dat een 3 dB hogere geluidbelasting een verdubbeling van het verkeerslawaai betekent, wat in de praktijk nooit voorkomt. Eisers hebben dit als zodanig niet betwist. Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat het referentieniveau in 2008 aanmerkelijk minder zou bedragen dan 55 dB(A), in elk geval niet dusdanig veel minder dat de geluidbelasting vanwege de installatie ter plaatse van de woningen van eisers in 2008 meer zou bedragen dan het destijds heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid.

42. Wat de toename van de verkeersbewegingen betreft overweegt de rechtbank als volgt. In de akoestische onderzoeken voor de milieuvergunningen van 2008 en 2009 is vanwege de verkeersbewegingen van de inrichting een geluidbelasting ter plaatse van de woning [adres 5] berekend van 48, 35 en 29 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In het akoestisch rapport voor de vergunning van 2012 bedraagt deze geluidbelasting 47, 43 en 42 dB(A).
De rechtbank is niet aannemelijk geworden dat de toetswaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde ter plaatse van de woningen ten gevolge van de achtereenvolgende planologische besluiten wordt overschreden door de verkeersbewegingen van en naar de inrichting, omdat de rechtbank niet aannemelijk acht dat bij een maximale invulling van de planologische besluiten veel meer kan worden geproduceerd dan de capaciteit die bij de milieuvergunning in 2012 is vergund. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het feit dat in de berekeningen in de akoestische onderzoeken ten behoeve van de milieuvergunningen van 2008, 2009 en 2012 de transportbewegingen van en naar de inrichting in zijn geheel zijn meegenomen, dus niet alleen de verkeersbewegingen ten behoeve van de biogasinstallatie.

43. Voor zover eiser 3 stelt dat planologisch niet is vastgelegd dat de fakkel slechts in noodgevallen wordt gebruikt, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de stukken bij de verleende vergunning in 2008 volgt dat indien door omstandigheden biogas niet kan worden omgezet in warmte en elektriciteit waardoor een overschot aan biogas ontstaat, het noodzakelijk is dat de vergistingsinstallatie wordt uitgerust met een voorziening om het biogas op een verantwoorde wijze af te voeren. Een mestvergistingsinstallatie kan daartoe met een fakkelinstallatie worden uitgerust. Nu wordt beoogd met het biogas elektriciteit en warmte op te wekken en het verbranden van biogas in een fakkelinstallatie rendementsverlies betekent, is bij een normale werking van de inrichting het gebruik van de fakkelinstallatie niet rendabel en niet gewenst. De fakkelinstallatie zal slechts in noodgevallen worden gebruikt. Het uitgangspunt in het akoestisch onderzoek dat de fakkelinstallatie, die ter plaatse van de dichtstbijzijnde woning [adres 2] een geluidbelasting van 26 dB(A) in de dag-, avond en nachtperiode veroorzaakt, alleen in noodgevallen wordt gebruikt, wat neer zou komen op maximaal 5 dagen per jaar, is een reële prognose voor een maximale invulling van de achtereenvolgende planologische besluiten. Eiser 3 heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit veel meer zal zijn.

44.
Eiser 2 brengt ten slotte naar voren dat de StAB in haar verslag alleen heeft benoemd dat er een toename van het geluid zal zijn vanwege een toename van het aantal verkeersbewegingen, maar ten onrechte niet heeft benoemd dat er tevens sprake is van een nadelige wijziging wat betreft de verkeersintensiteit, zowel qua toename van het aantal verkeersbewegingen als qua wijziging van de zwaarte van het verkeer. Ter zitting heeft hij toegelicht dat daarbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld trillinghinder.

45. De rechtbank is van oordeel dat het in strijd is met de goede procesorde om het aspect trillinghinder thans naar voren te brengen. Dit is niet eerder aan de orde gesteld en de StAB heeft dit aspect daarom niet kunnen meenemen in haar advisering. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2012, ECLI:NL:RVS: 2012:BV7287. Naar deze uitspraak is reeds verwezen in de beschikking van 31 mei 2016.

46. Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank geen aanleiding ziet voor het oordeel dat wat de schadefactor geluid betreft sprake is van een planologisch nadeliger situatie voor eisers.

Schadefactor veiligheid

47. In het deskundigenbericht is gesteld dat het veiligheidsrisico voor eisers vrijwel verwaarloosbaar is, zodat in zoverre niet kan worden gesteld dat de planwijzigingen uit 2008 en 2012 hebben geleid tot een planologisch nadeliger situatie. Daarbij is gewezen op een rapport van het RIVM uit 2010 “Veiligheid grootschalige productie van biogas” en het nadien daaraan toegevoegde erratum. In dit rapport wordt aangegeven dat de afstand tot de PR-contour van 10-6 per jaar voor een grootschalige installatie maximaal 50 meter is, gemeten vanaf het midden van de gasopslag/vergister. Deze afstand geldt voor grootschalige installaties met biogas waarvan het H2S-gehalte maximaal 1 vol% is. De StAB wijst erop dat de afstand tot de dichtstbijzijnde woning van eisers ongeveer 135 meter is en dat in alle vergunningen een H2S-gehalte in het biogas van maximaal 0,025 vol% is voorgeschreven. In de vergunningvoorschriften zijn volgens de StAB voldoende waarborgen om te voldoen aan de eis van een volumepercentage H2S van maximaal 1 vol%.
De StAB stelt verder dat wat de toxische effecten betreft in het rapport van het RIVM wordt gesteld dat deze in veel gevallen niet reiken tot buiten de terreingrens van de inrichting waarbij een effectafstand van maximaal 35 meter wordt aangehouden. Wat betreft de effecten van een wolkbrand blijkt volgens de StAB uit het erratum dat de maximale effectafstand 140 meter bedraagt voor alle volumepercentages H2S. De dichtstbijzijnde woning van eisers aan de [adres 2] ligt, aldus de StAB, nog juist binnen deze effectafstand. De andere woningen liggen op grotere afstand.
48. Eisers 1 en 3 stellen ook hier dat de StAB ten onrechte uitgaat van de verleende milieu(omgevings)vergunningen en de daarbij gestelde voorschriften en ten onrechte geen reële prognose heeft gemaakt van een maximale invulling van de planologische besluiten.

Eiser 3 brengt naar voren dat nu er een biogasinstallatie met een onbeperkte capaciteit is voorgeschreven, niet kan worden uitgesloten dat de PR-contour meer bedraagt dan

50 meter. Verder stelt hij, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van

26 november 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:6777, dat ook als wordt voldaan aan richtafstanden, dat niet wil zeggen dat geen sprake is van een nadeliger positie.
Eiser 1 merkt nog op dat de StAB ten onrechte concludeert dat alleen de woning [adres 2] binnen de kennelijk door het RIVM gecorrigeerde effectafstand ligt, maar dat is in elk geval niet het geval bij het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Oedenrode” uit 2012, omdat de afstand van de rand van het bouwvlak met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch-mestbewerking’ in dat bestemmingsplan tot aan zijn woning slechts ongeveer 110 meter bedraagt.

49. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat de planwijzigingen uit 2008 en 2012 in zoverre niet hebben geleid tot een planologisch nadeliger situatie.
Ook als buiten beschouwing wordt gelaten dat in de vergunningen een H2S-gehalte in het biogas van maximaal 250 ppm (0,025 vol%) is voorgeschreven, acht de rechtbank het een reële prognose als uitgegaan wordt van een H2S-gehalte van minder dan 1 vol%. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat op pagina 6 in het RIVM-rapport staat dat in de praktijk het H2S-gehalte meestal lager zal zijn dan 1 vol% . Uitgaande van maximaal 1 vol% aan H2S-gehalte acht de rechtbank het hanteren van een afstand van maximaal 50 meter tot de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar een reëel uitgangspunt. Voorts worden bij dit percentage de effectafstanden die in tabel 2 en 3 van het erratum zijn vermeld bij eisers’ woningen niet overschreden, met uitzondering van de effectafstand van 140 meter bij instantaan falen, weerklasse D9, ten gevolge van een wolkbrand. In dit kader acht de rechtbank het mede van belang dat de StAB onweersproken heeft gesteld dat weertype D5 het meest voorkomend is in Nederland.

Hoewel eiser 3 op zichzelf terecht stelt dat het feit dat aan bepaalde richtafstanden wordt voldaan niet per definitie hoeft te betekenen dat er dan geen sprake is van een planologisch nadeel, acht de rechtbank niet aannemelijk dat een redelijk denkend en handelend koper zich in dit geval bij zijn bod zal laten beïnvloeden door het hier bestaande veiligheidsrisico.

50. Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank geen aanleiding ziet voor het oordeel dat wat de schadefactor veiligheid betreft sprake is van een planologisch nadeliger situatie voor eisers.
Schadefactor wijziging van de omgevingskarakteristiek

51. De StAB stelt dat het karakter van de omgeving niet wezenlijk verandert door het gebruik van de installatie en er daarom geen sprake is van planologisch nadeel voor eisers. Daarbij wijst zij erop dat het gebruik van mestvergistingsinstallaties bij agrarische bedrijven al enige tijd een toenemende ontwikkeling is in Nederland en dat silo’s, die het meest bepalende landschappelijke aspect zijn van de mestvergistingsactiviteit, geen ongewoon element zijn in een gebied met een agrarische functie. Ook in de oude planologische situatie was het plaatsen van (mest)silo’s in de omgeving van eisers al toegestaan.
52. Eisers 1 en 3 brengen naar voren dat de StAB ten onrechte voorbijgaat aan het feit dat de omgevingskarakteristiek wijzigt van agrarisch naar industrieel. Dat het volgens de StAB ook in de oude planologische situatie mogelijk was om silo’s op te richten gaat voorbij aan het feit dat deze silo’s alleen geplaatst mochten worden ten behoeve van agrarische activiteiten, terwijl de achtereenvolgende planologische besluiten mestvergisting en energie-opwekking toestaan op een wijze die niet meer als gebiedseigen kan worden aangemerkt in het landelijk gebied. Daarbij wijzen eisers 1 en 3 erop dat er planologisch gezien, zeker gezien het vrijstellingsbesluit uit 2008 dat geen beperkingen stelt aan de aanvoer van mest en coproducten, sprake is van een biovergistingsinstallatie met een onbeperkte capaciteit. Bovendien mochten deze silo’s, aldus eiser 3, op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied 1997” slechts 2 meter hoog zijn, terwijl de silo’s ten behoeve van de mestverwerkingsinstallatie 10,5 meter bedragen.
53. De rechtbank overweegt dat de omvang en de hoogte van de silo’s in de adviezen van Antea zijn betrokken bij het onderdeel “bebouwing” en ook het aspect extra verkeer afzonderlijk is bezien in het kader van het onderdeel “gebruik”. Deze aspecten kunnen niet nogmaals bij de schadefactor ‘wijziging omgevingskarakteristiek’ worden betrokken. Voor zover eisers onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3123, stellen dat hier sprake is van een industriële activiteit, overweegt de rechtbank dat in deze uitspraak alleen is geoordeeld dat niet is gebleken dat de taxateur/deskundige een mestvergister heeft beschouwd als agrarische activiteit.
Afgezien daarvan ziet de rechtbank in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder op dit punt het advies van Antea, waarin is gesteld dat de extra bouwmogelijkheden en het karakter van de nieuwe bebouwing er niet toe leiden dat het karakter van de omgeving niet meer als landelijk/agrarisch kan worden aangemerkt, niet aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. In het kader van de omgevings-karakteristiek is niet zozeer bepalend of mestverwerking een agrarische of industriële activiteit is, maar welke impact de aanwezigheid van de mestvergistingsactiviteit op de omgeving heeft. Nu silo’s niet ongebruikelijk zijn in een agrarische omgeving en de StAB er terecht op heeft gewezen dat het gebruik van mestvergistingsinstallaties bij agrarische bedrijven al enige tijd een toenemende ontwikkeling is, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat in zoverre geen sprake is van een planologisch nadeliger situatie voor eisers.
54. De rechtbank concludeert dat wat de schadefactor ‘wijziging omgevingskarakteristiek’ betreft geen sprake is van een planologisch nadeliger situatie voor eisers.
Schadefactor fijn stof

55. In het deskundigenbericht is, onder verwijzing naar het onderzoeksrapport van G&O Consult dat bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning van 13 augustus 2012 behoort, aangegeven dat bij de maatgevende woning [adres 2] een achtergrondconcentratie van 23,07 µg/m³ fijn stof is vastgesteld en dat in totaal de berekende bijdrage aan fijn stof van de inrichting en van het wegverkeer van en naar de inrichting de concentratie ter plaatse van deze woning met 1,44 µg/m³ verhoogt. Gelet op deze geringe toename van de concentratie ten opzichte van de achtergrondwaarde en de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³ kan volgens de StAB niet worden gesteld dat als gevolg van de planmutaties uit 2008 en 2012 de planologische situatie in dat opzicht is verslechterd.
56. Eiser 1 betoogt ook op dit punt dat de StAB ten onrechte uitgaat van de verleende milieu(omgevings)vergunningen en de daaraan ten grondslag gelegde luchtkwaliteits-berekeningen en niet van een reële prognose van een maximale invulling van de planologische besluiten.
57. Gelet op de ruime overschrijding van de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³ is de rechtbank van oordeel dat eisers onvoldoende hebben onderbouwd dat de bijdrage van de inrichting aan fijn stof hoger ligt dan waarvan G&O Consult is uitgegaan, ook niet in een reële prognose. Daarom zijn eisers vanwege het aspect fijn stof niet in een planologisch nadeliger situatie komen te verkeren.
58. Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank geen aanleiding ziet voor het oordeel dat wat de schadefactor ‘fijn stof’ betreft sprake is van een planologisch nadeliger situatie voor eisers.

Schadefactoren lichthinder en gezondheid

59. De rechtbank stelt vast dat partijen niet hebben gereageerd op hetgeen de StAB heeft gesteld over de aspecten lichthinder en gezondheid. Gelet op het deskundigenbericht heeft verweerder het standpunt kunnen innemen dat deze aspecten niet leiden tot een planologisch nadeliger situatie voor eisers.
Conclusie

60. De rechtbank volgt het standpunt van de StAB dat bij beide planvergelijkingen sprake is van een planologisch nadeliger situatie voor eisers door de toename van geurhinder, maar niet door de andere schadefactoren die de StAB bij de advisering heeft betrokken. Daarom zijn de beroepen gegrond en vernietigt de rechtbank de bestreden besluiten. Verweerder zal een nieuw besluit op de bezwaarschriften moeten gaan nemen. Hierbij geeft de rechtbank de volgende aanwijzingen.

Verweerder dient opnieuw een deskundige in te schakelen. Gelet op deze uitspraak dient deze deskundige de vermogensschade van eisers te waarderen op een bedrag aan de hand van de planologische vergelijking en de inschatting van het planologische nadeel met inachtneming van deze uitspraak, de beschikking en het advies van de StAB.

Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen binnen drie maanden na de dag van verzending van deze uitspraak.

61. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
62. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisersgemaakte proceskosten, waarbij verweerder tevens zal worden veroordeeld tot vergoeding van € 6.473,50 in verband met de door eiser 3 gemaakte kosten van Tonnaer, nu eiser 3 ervan heeft mogen uitgaan dat de adviezen van Tonnaer een relevante bijdrage zouden kunnen leveren aan een voor hem gunstige beantwoording van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. De hoogte van de door eiser 3 ingediende nota’s komt de rechtbank niet onredelijk voor, zodat deze nota’s voor vergoeding in aanmerking komen.
63. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op:
- ten aanzien van eiser 1 € 1.732,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek, 1 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1);
- ten aanzien van eiser 2 € 1.732,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek, 1 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1);
- ten aanzien van eiser 3 € 7.958,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1), waarbij de rechtbank geen 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek geeft, nu in deze zienswijze slechts is verwezen naar een rapport van Tonnaer en dit rapport voor vergoeding in aanmerking komt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de bezwaarschriften binnen drie maanden na de dag van verzending van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,00 aan eisers, elk afzonderlijk, te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser 1, 2 en 3 tot een bedrag van respectievelijk € 1.732,50, € 1.732,50 en € 7.958,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. J.H.G. van den Broek, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.