Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:4561

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-08-2017
Datum publicatie
04-09-2017
Zaaknummer
6113542
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Doorbetaling van loon bij ziekte. Schriftelijke aok voor 128 uur per periode van 4 weken. Loon naar analogie van artikel 7:610b BW gebaseerd op rechtsvermoeden van arbeidsomvang van 136,6 uur per periode (gemiddelde van drie voorafgaande periodes).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1080

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Zaaknummer: 6113542 CV EXPL 17-4755

Uitspraak: 28 augustus 2017

vonnis in kort geding

in de zaak van:

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

verder te noemen: ‘ [eiseres] ’,

gemachtigde: mr. A.E. Burggraaf,

toevoeging: 1HY2555,

tegen

E.C.P. Helftheuvelpassage B.V.,

gevestigd te ‘s-Hertogenbosch,

gedaagde,

verder te noemen: ‘ECP’,

gemachtigde: mr. F.H. Oosterloo.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 juli 2017 met producties en nagezonden producties;

  • -

    de producties ten behoeve van de mondelinge behandeling van ECP;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 14 augustus 2017, waarvan deel uitmaken de pleitaantekeningen van ECP.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

In dit kort geding kan voorlopig als zijnde gesteld en onvoldoende gemotiveerd weersproken van de navolgende feiten worden uitgegaan:

2.1.

[eiseres] , geboren [geboortedatum] , heeft uit hoofde van een proefplaatsing voor 32 uur per week via het UWV gewerkt bij ECP in de periode van 13 juli 2016 tot en met 4 oktober 2016.

2.2.

Op 10 oktober 2016 is [eiseres] bij ECP in dienst getreden in de functie van Algemeen Medewerkster. De arbeidsovereenkomst (productie 1 bij dagvaarding) is aangegaan voor de bepaalde tijd van 12 maanden.

Artikel 2.2 van de arbeidsovereenkomst luidt: “De overeengekomen arbeidsduur bedraagt 32 uur per week. Het aantal overeengekomen uren worden gespreid ingeroosterd over de 6 productiedagen per week.”

En artikel 2.2.2: “Indien er in het verband met het werken op zondag of het verrichten van overwerk recht bestaat op compensatie in tijd, zal de Vennootschap, na overleg met u, aanwijzen wanneer de compensatie in tijd kan worden opgenomen.”

In artikel 4.1 is vermeld: “Het aanvangssalaris bedraagt € 10,15 bruto per uur in functiegroep A, exclusief 8% vakantietoeslag. De betaling van het salaris zal geschieden per 4 weken, onder aftrek van de wettelijke verplichte en overeengekomen inhoudingen, na afloop van de betaalperiode.”

En in artikel 5.1 staat: “U heeft aanspraak op een vakantietoeslag van acht procent (8%) van het bruto salaris, uit te keren in de maand mei van ieder jaar.”

En in artikel 15.1: “Op deze arbeidsovereenkomst zijn de bepalingen van de telkens geldende CAO voor het Bakkersbedrijf van toepassing. De werknemer verklaart met de inhoud hiervan, voor zover van toepassing op de werknemer, akkoord te gaan.”

2.3.

In de CAO Bakkersbedrijf (productie 6 bij dagvaarding) staan onder meer de volgende artikelen genoemd:

Artikel 1.1: Loonbestanddelen

Het loon bestaat uit:

a. functieloon: het functieloon wordt gevonden door het aantal uren dat de werknemer in

dienst is te vermenigvuldigen met het toepasselijke functie-uurloon; (...)

Artikel 1.2: Loonbetaling

Het functieloon dient betaald te zijn voor het einde van een loonbetalingstijdvak. De toeslagen dienen betaald te zijn uiterlijk voor het einde van het loonbetalingstijdvak volgend op het loonbetalingstijdvak waarin het recht daarop is ontstaan.

Artikel 2.12: Overwerk (…)

b. Voor in overwerk verrichte arbeid ontvangt de werknemer:

- voor de eerste 8 overuren per 4 weken: 125% van het functie-uurloon;

- voor de verdere overuren per 4 weken: 150% van het functie-uurloon.

Na overleg met de werknemer kan de werkgever deze vergoeding geheel of gedeeltelijk verlenen in de vorm van vrije tijd. Deze vrije tijd dient door de werkgever verleend te worden uiterlijk in de periode van 4 weken volgende op de periode van 4 weken waarin de overuren zijn gemaakt. (…)

Artikel 9.1: Uitkering bij arbeidsongeschiktheid in 1e en 2e ziektejaar

a. In afwijking van wat in artikel 7:629 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald over de omvang van het loon bij arbeidsongeschiktheid, keert de werkgever bij arbeidsongeschiktheid uit gedurende:

1. het 1e half jaar van de arbeidsongeschiktheid: 100% van het loon; (…)

b. Onder loon wordt hier verstaan: het gemiddelde functieloon met toeslagen, exclusief overuren, dat in de aan de eerste ziektedag voorafgaande laatste (…) 3 volledige periodes van 4 weken is verdiend. Bij de berekening van dit loon wordt met een eventuele aanpassing van de arbeidsduur in deze referteperiode naar rato rekening gehouden (…)”

2.4.

Op 3 april 2017 heeft [eiseres] een gesprek gehad met de twee directeuren van ECP, [naam directeur 1] en [naam directeur 2] , over (tijdige) loonbetaling.

2.5.

[eiseres] heeft zich op 4 april 2017 ziek gemeld.

2.6.

Op 20 april 2017 en op 4 mei 2017 heeft bedrijfsarts [naam bedrijfsarts 1] geoordeeld dat [eiseres] op dat moment geen benutbare arbeidsmogelijkheden had. Op 11 mei 2017 heeft bedrijfsarts [naam bedrijfsarts 1] met [eiseres] overleg gehad, onder andere over de uitnodiging aan [eiseres] om op 12 mei 2017 op het spreekuur van een andere bedrijfsarts in Nijmegen te verschijnen.

2.7.

Bedrijfsarts [naam bedrijfsarts 2] heeft in zijn rapportages d.d. 16 juni 2017, 11 juli 2017 en 14 juli 2017 vermeld dat [eiseres] niet in staat is om te werken en dat sprake is van een arbeidsconflict.

2.8.

In haar brief van 16 mei 2017 heeft ECP aan de gemachtigde van [eiseres] – voor zover van belang – geschreven:

“(…) Het klopt dat [eiseres] in de periode tot aan 31 december 2016 gemiddeld 49,5 uur per week gewerkt heeft. De oorzaak van dit overwerk was gelegen in de ernstige ziekte van een collega. In de daarop volgende periode heeft zij echter gemiddeld 34,2 uur per week gewerkt. Ook heeft [eiseres] ons aangegeven dat zij juist uren wilde ‘overhouden’ voor een familiebezoek in Marokko. (…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ECP te veroordelen:

I om aan [eiseres] te betalen:

a. het achterstallig loon, de vakantietoeslag en de vergoeding vakantiedagen vanaf 10 oktober 2016 tot en met 18 juni 2017 (periode 6) ad totaal € 5.913,34 bruto;

b. de wettelijke verhoging over het sinds 10 oktober 2016 te laat betaalde loon en vakantiegeld ad € 7.490,43 bruto;

c. de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf de dag van dagvaarding tot aan de betaling;

II om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres] bruto/netto loonstroken te verstrekken van voornoemde bedragen, op straffe van een dwangsom;

III om vanaf 5 april 2017 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd tijdig, uiterlijk op de dag van de betreffende loontijdvakperiode van 4 weken, aan [eiseres] het loon te betalen, gebaseerd op een arbeidsomvang van 152 uur per periode, conform het geldende bruto uurloon (ad € 10,15), onder gelijktijdige verstrekking van een loonstrook op straffe van een dwangsom;

IV tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 726,00;

V in de proceskosten.

[eiseres] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Zij heeft recht op doorbetaling van haar loon, omdat zij arbeidsongeschikt is wegens ziekte. Op 3 mei 2017 heeft ECP echter voor het laatst loon aan haar betaald.

Sinds haar indiensttreding heeft [eiseres] structureel meer uren per periode van 4 weken gewerkt dan in de arbeidsovereenkomst is overeengekomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:610b BW wordt de arbeidsovereenkomst van [eiseres] daarom vermoed een voltijds omvang te hebben van 38 uur per week, in plaats van de overeengekomen 32 uur. [eiseres] heeft bijgevolg vanaf 5 april 2017 recht op doorbetaling van het loon tot een bedrag van 152 maal het overeengekomen bruto uurloon van € 10,15 per 4 weken.

Daarnaast vordert [eiseres] betaling van door haar gewerkte (over)uren en de vakantietoeslag. Omdat ECP deze (over)uren en de vakantietoeslag niet tijdig heeft betaald, vordert [eiseres] daarover ook de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.

Zij heeft alleen over periode 10 van 2016 van ECP een loonstrook ontvangen, maar die sluit niet aan bij de arbeidsovereenkomst en bij de daadwerkelijk door haar gewerkte uren.

3.2.

ECP voert het verweer dat [eiseres] geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering, omdat ECP inmiddels alle openstaande loonvorderingen en het vakantiegeld heeft voldaan. [eiseres] beschikt nu dus over voldoende geld om in haar levensonderhoud te voorzien. ECP erkent dat haar handelswijze jegens [eiseres] niet netjes is geweest.

[eiseres] heeft op grond van artikel 9.1 cao recht op een ziekengeld van € 1.127,73 per 4 weken, omdat zij dat bedrag in de aan de eerste ziektedag voorafgaande 3 periodes van 4 weken heeft ontvangen.

[eiseres] wilde overuren opbouwen om haar echtgenoot in Marokko langere tijd te kunnen bezoeken. ECP is mondeling met [eiseres] overeengekomen dat zij extra uren mocht werken. [eiseres] komt daarom geen beroep toe op artikel 7:610b BW. Voor het geval dat een dergelijk beroep wel gedaan kan worden, zou de referteperiode drie maanden moeten zijn. ECP merkt op dat de uren in de tabel op pagina 16 van de dagvaarding niet overeenkomen met de uren uit productie 9 van de dagvaarding.

ECP betwist dat de overuren van [eiseres] uitbetaald moeten worden. Van de minimumregeling uit de cao omtrent uitbetaling van overuren wordt in het voordeel van [eiseres] afgeweken in artikel 2.2.2. van de arbeidsovereenkomst. Bij ECP worden overuren gecompenseerd in tijd. Bij einde dienstverband zullen overuren worden uitbetaald.

ECP verzoekt om matiging van de wettelijke verhoging. De reden voor de vertraagde loonbetaling was dat het in 2016 financieel veel slechter ging met ECP. Daardoor was een tijdelijk liquiditeitsprobleem ontstaan. Het personeel van ECP – waaronder [eiseres] - heeft ingestemd met een vertraagde betaling van het loon. Overigens heeft [eiseres] de wettelijke verhoging niet correct berekend. Zij is steeds uitgegaan van 50%, terwijl de betalingstermijn in periode 3 en 4 van 2017 slechts 10 dagen overschreden is. ECP is niet in gebreke gesteld voor de betaling van de wettelijke verhoging; de gevorderde wettelijke rente daarover is daarom niet toewijsbaar.

De loonstroken heeft ECP steeds voor [eiseres] in een postvakje bij de bakkerij gelegd. Zij had ze daar kunnen ophalen. ECP heeft de loonstroken nogmaals aan [eiseres] verstrekt.

3.3.

De overige door partijen aangevoerde argumenten worden, voor zover van belang, hierna in de beoordeling betrokken.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt vast dat de vordering onder meer betrekking heeft op (door)betaling van het loon en dus uit zijn aard geacht kan worden spoedeisend te zijn. Dat ECP na dagvaarding achterstallig vakantiegeld en loon heeft betaald en loonstroken heeft verstrekt, maakt dit niet anders. Immers, kennelijk was er een procedure voor nodig om ECP daartoe te bewegen. [eiseres] is ontvankelijk in haar vordering.

4.2.

In de onderhavige procedure, strekkende tot het treffen van een voorlopige voorziening, dient de vordering slechts te worden toegewezen indien met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen, dat de kantonrechter de overeenkomstige vordering in de bodemprocedure zal toewijzen. Daarover wordt het volgende overwogen.

4.3.

[eiseres] heeft voorafgaand aan de zitting producties overgelegd en meegedeeld dat zij van ECP:

- op 11 juli 2017 de loonstroken van periode 11 (2016) tot en met periode 5 (2017) heeft ontvangen;

- op 10 augustus 2017 de loonstrook van periode 6 (2017) heeft ontvangen;

- op 14 juli 2017 € 1.127,43 netto heeft ontvangen (periode 5);

- op 14 juli 2017 € 1.127,43 netto heeft ontvangen (periode 6);

- op 17 juli 2017 € 693,93 netto heeft ontvangen (vakantietoeslag);

- op 13 augustus 2017 € 1.127,43 netto heeft ontvangen (periode 7).

Uurloon

4.4.

Op de in het geding gebrachte loonstroken is te zien dat ECP het loon van [eiseres] heeft berekend op basis van een bruto uurloon van € 10,12. [eiseres] maakt aanspraak op een uurloon van € 10,15, omdat partijen dat zijn overeengekomen. Nu ECP niet gemotiveerd heeft betwist dat partijen een uurloon van € 10,15 zijn overeengekomen en dit bedrag ook is vermeld in de schriftelijke arbeidsovereenkomst, zal bij de verdere beoordeling van een bruto uurloon van € 10,15 worden uitgegaan.

Overuren

4.5.

[eiseres] vordert op grond van de cao uitbetaling van de door haar sinds aanvang van het dienstverband gemaakte overuren. Volgens ECP heeft [eiseres] uit hoofde van de individuele arbeidsovereenkomst enkel recht op compensatie van die overuren in tijd, maar zullen resterende overuren bij einde dienstverband wel worden uitbetaald.

Op grond van artikel 2.12 lid b cao heeft [eiseres] in beginsel recht op betaling van loon voor gemaakte overuren, maar kan de werkgever na overleg met de werknemer deze vergoeding geheel of gedeeltelijk verlenen in de vorm van vrije tijd. De werkgever is verplicht die vrije tijd te verlenen uiterlijk in de periode volgend op die waarin de overuren zijn gemaakt. Van laatstgenoemde verplichting is in artikel 2.2.2 van de individuele arbeidsovereenkomst afgeweken in die zin dat de werkgever zal aanwijzen wanneer de compensatie in tijd kan worden opgenomen.

ECP heeft aangevoerd dat mondeling met [eiseres] is overeengekomen dat deze extra uren mocht werken, omdat [eiseres] overuren wilde opbouwen om haar echtgenoot in Marokko langere tijd te kunnen bezoeken. [eiseres] heeft een dergelijke afspraak betwist. Volgens haar deed ECP juist een beroep op haar om extra te werken, dit in verband met de ernstige ziekte van een collega, zoals ECP ook heeft vermeld in haar brief d.d. 16 mei 2017. De kantonrechter oordeelt het bevrijdend verweer van ECP, dat partijen hebben afgesproken dat [eiseres] extra mocht werken en dat die overuren in tijd zouden worden gecompenseerd, in het licht van de gemotiveerde betwisting van [eiseres] , onvoldoende onderbouwd. Het staat daarom niet vast dat sprake is van een afspraak na overleg tussen werknemer en werkgever - zoals bedoeld in artikel 2.12 lid b cao – om de overuren te vergoeden in vrije tijd in plaats van in loon.

4.6.

In de tabel op pagina 16 van de dagvaarding heeft [eiseres] genoteerd hoeveel uren zij heeft gewerkt. ECP heeft aangevoerd dat voor wat betreft de periodes 12 en 13 van 2016 het aantal uren niet overeenkomt met de gegevens uit de e-mail van [eiseres] d.d. 10 januari 2017 aan ECP (productie 9 bij dagvaarding). Na berekening stelt de kantonrechter vast dat het aantal uren in de tabel op pagina 16 van de dagvaarding wel overeenkomt met de gegevens in voornoemde e-mail van [eiseres] .

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [eiseres] meegedeeld dat zij meerdere keren aan ECP heeft gevraagd om een deugdelijke (over)urenregistratie, maar dat zij deze niet heeft ontvangen. De onduidelijke kopie zonder toelichting die ECP in het geding heeft gebracht als urenregistratie van week 14 (2017) is niet als zodanig aan te merken. Nu ECP de (over)urenregistratie van [eiseres] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zal bij de verdere beoordeling worden uitgegaan van de (over)urenregistratie zoals vermeld in de tabel op pagina 16 van de dagvaarding. De beloning van de overuren zal geschieden conform het bepaalde in artikel 2.12 cao.

Omvang arbeidsovereenkomst- Loon bij arbeidsongeschiktheid

4.7.

[eiseres] vordert vanaf periode 4 van 2017 een loon van € 1.542,80 per periode van 4 weken, dat is gebaseerd op een arbeidsovereenkomst van 38 uur per week (152 uur per periode van 4 weken). Zij doet voor wat betreft de omvang van haar arbeidsovereenkomst een beroep op artikel 7:610b BW waarin is bepaald, dat indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, de bedongen arbeid in enige maand vermoed wordt een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. Artikel 7:610b BW kan van toepassing zijn in situaties waarin de feitelijke omvang van de arbeid zich structureel op een hoger niveau bevindt dan de oorspronkelijk overeengekomen arbeidsduur. In artikel 2.2 van de arbeidsovereenkomst is een arbeidsduur van 32 uur per week overeengekomen. Uit de urenregistratie van [eiseres] blijkt dat zij vanaf de aanvang van de arbeidsovereenkomst (aanzienlijk) meer heeft gewerkt dan deze 32 uur per week (= 128 uur per periode van 4 weken), met uitzondering van periode 1 van 2017. Zij heeft gesteld – en dit is door ECP niet weersproken - dat het aantal gewerkte uren in de periodes 1, 2 en 3 van 2017 lager is dan in de periodes 11, 12 en 13 van 2016, doordat zij in eerstgenoemde periodes vakantie-uren genoot. ECP stelt zich op het standpunt dat [eiseres] geen beroep kan doen op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW, omdat dit overwerk in overleg met en op verzoek van [eiseres] heeft plaatsgevonden. Zoals hiervoor onder 4.5 is overwogen, gaat dit verweer niet op.

[eiseres] onderbouwt haar stelling dat sprake is van een arbeidsovereenkomst van 152 uur per periode van 4 weken, door het gemiddelde aantal uren te nemen over de periode vanaf periode 11 van 2016 tot en met periode 3 van 2017: 167,4 uren (zie tabel op pagina 12 van de dagvaarding). Zij heeft aldus een referteperiode van 6 periodes aangehouden. ECP heeft erop gewezen dat naar analogie van artikel 7:610b BW uitgegaan zou moeten worden van de gemiddelde omvang van de arbeid in de drie voorafgaande periodes. Aangezien [eiseres] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld ter onderbouwing van haar verzoek om een refertetermijn van 6 periodes, zal dit verzoek niet worden gehonoreerd en zal worden uitgegaan van de gemiddelde omvang van de arbeid in de drie voorafgaande periodes van 4 weken. De omvang van de arbeidsovereenkomst van [eiseres] zal met ingang van periode 4 van 2017 voorshands worden vastgesteld op 136,6 uur per periode (= (124 uur [periode 1, 2017] + 150 uur [periode 2, 2017] + 136 uur [periode 3, 2017]) : 3), wat aansluit bij de gemiddelde arbeidstijd van 34,2 uur per week die ECP in haar brief van 16 mei 2017 noemt.

Dit leidt tot een bruto loon van € 1.386,49 (= 136,6 x € 10,15) per periode van 4 weken gedurende het eerste half jaar van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. Artikel 9.1 cao staat hieraan niet in de weg. Volgens dit artikel vormt het functieloon, exclusief overuren, de basis voor het uit te keren ziekengeld. Echter, in dit geval van structureel overwerk worden de overuren geacht deel uit te maken van de arbeidsomvang en dienen deze aldus als basis voor de berekening van het functieloon.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft ECP erkend dat [eiseres] recht heeft op

doorbetaling van loon. Nu de kantonrechter de kans op toewijzing van de vordering van de

werknemer tot doorbetaling van loon in de bodemprocedure groot acht, zal die vordering

thans in kort geding worden toegewezen zoals bij de beslissing te omschrijven.

Wettelijke verhoging

4.8.

[eiseres] vordert tevens de wettelijke verhoging over het achterstallige loon en het vakantiegeld. ECP betwist dat [eiseres] recht heeft op de wettelijke verhoging, omdat [eiseres] — net als de andere werknemers — heeft ingestemd met een vertraagde loonbetaling. Volgens ECP werd zij hiertoe gedwongen, doordat zij tijdelijk een liquiditeitsprobleem had. [eiseres] betwist dat zij heeft ingestemd met een latere betaling.

De kantonrechter stelt vast dat in ieder geval niet is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste

voor latere loonbetaling van artikel 7:623 lid 2 BW. Zelfs al zou [eiseres] een keer

hebben ingestemd met latere loonbetaling, dan betekent dat nog niet dat ECP steeds naar willekeur het loon, dat immers is bedoeld voor levensonderhoud, kan betalen.

Een opschorting van loon, waar ECP [eiseres] mee heeft gedreigd, was ook niet aan de orde. Vast staat immers dat [eiseres] arbeidsongeschikt was en dat zij steeds —

zoveel mogelijk — gevolg heeft gegeven aan de (veelvuldige) oproepen van de bedrijfsarts. ECP heeft bovendien erkend dat haar handelswijze jegens [eiseres] niet netjes is geweest.

De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat [eiseres] recht heeft op de wettelijke

verhoging ex artikel 7:625 BW, aangezien het loon tot en met periode 6 en het vakantiegeld

niet tijdig zijn betaald conform artikel 1.2 cao respectievelijk artikel 5.1 van de

arbeidsovereenkomst. De gevorderde wettelijke verhoging over het loon tot en met periode 6

en het vakantiegeld zal - met name gezien de — door [eiseres] niet weersproken -

financiële problemen van EPC - worden gematigd tot 10%. Het verweer van ECP dat de betalingstermijn in periode 3 en periode 4 met slechts 10 dagen is overschreden, doet – gelet op deze matiging - niet meer ter zake.

4.9.

Al het voorgaande leidt tot toewijzing van het volgende bedrag. Zoals hiervoor is overwogen, zal de tabel op pagina 16 van de dagvaarding als uitgangspunt worden genomen.

Periode Gewerkte uren Verloning Bruto loon

Periode 11 (2016): 181 uur: 128 x € 10,15 = 1.299,20

24 x € 10,15 = 243,60

8 x € 12,69 = 101,52

21 x € 15,23 = 319,83

Periode 12 (2016): 206 uur: 128 x € 10,15 = 1.299,20

24 x € 10,15 = 243,60

8 x € 12,69 = 101,52

46 x € 15,23 = 700,58

Periode 13 (2016): 207 uur: 128 x € 10,15 = 1.299,20

24 x € 10,15 = 243,60

8 x € 12,69 = 101,52

47 x € 15,23 = 715,81

Periode 1 (2017): 124 uur: 128 x € 10,15 = 1.299,20

Periode 2 (2017): 150 uur: 128 x € 10,15 = 1.299,20

22 x € 10,15 = 223,30

Periode 3 (2017): 136 uur: 128 x € 10,15 = 1.299,20

8 x € 10,15 = 81,20

Periode 4 (2017) 136,6 x € 10,15 = 1.386,49

Periode 5 (2017) 136,6 x € 10,15 = 1.386,49

Vakantietoeslag: 8% van € 12.604,39 (periode

vanaf 10 oktober 2016 tot en met 30 april 2017): 1.008,35

Periode 6 (2017) 136,6 x € 10,15 = 1.386,49

Periode 7 (2017) 136,6 x € 10,15 = 1.386,49+

17.425,59

Wettelijke verhoging over vakantietoeslag

en loon tot en met periode 6: 10% van € 16.039,10: 1.603,91+

19.029,50

Betaald:

Periode 11(2016) 1.126,06 netto 1.295,36 bruto

Periode 12 (2016) 1.126,06 netto 1.295,36 bruto

Periode 13 (2016) 1.126,06 netto 1.295,36bruto

Periode 1 (2017) 1.127,73 netto 1.295,36 bruto

Periode 2 (2017) 1.127,73 netto 1.295,36 bruto

Periode 3 (2017) 1.127,73 netto 1.295,36 bruto

Periode 4 (2017) 1.127,73 netto 1.295,36 bruto

Periode 5 (2017) 1.127,43 netto 1.295,36 bruto

Vakantietoeslag 693,93 netto 829,04 bruto

Periode 6 (2017) 1.127,43 netto 1.295,36 bruto

Periode 7 (2017) 1.127,43 netto 1.295,36 bruto-

€ 5.246,86 bruto

Dit bedrag van € 5.246,86 ter zake van loon - waaronder overuren - tot en met periode

7, vakantiegeld en wettelijke verhoging zal thans in kort geding worden toegewezen,

aangezien de kantonrechter de kans op toewijzing daarvan deze in de bodemprocedure groot

acht. De gevorderde wettelijke rente vanaf 3 juli 2017 over voornoemd bedrag, dus ook over

de wettelijke verhoging, is eveneens toewijsbaar, omdat ECP in ieder geval door de

dagvaarding in verzuim is geraakt.

Over de gevorderde vergoeding van vakantiedagen heeft [eiseres] niets gesteld, zodat

die vordering als onvoldoende onderbouwd zal worden afgewezen.

Loonstroken

4.10.

[eiseres] heeft na dagvaarding de loonstroken vanaf de aanvang van het

dienstverband van ECP ontvangen. ECP heeft aangevoerd dat die loonstroken steeds in een

postvakje bij de bakkerij werden gelegd en dat [eiseres] deze daar had kunnen ophalen, maar dat ECP deze nu nogmaals heeft verstrekt.

De kantonrechter oordeelt het wenselijk dat ECP in het vervolg, gezien de huidige

arbeidsongeschiktheid van [eiseres] , de loonstroken naar [eiseres] toestuurt in plaats

van ze in een postvakje te leggen. De gevorderde verstrekking van loonstroken zal worden

toegewezen. De daaraan verbonden dwangsom zal worden beperkt als na te melden.

4.11.

Het gevorderde bedrag ad € 726,00 ter zake van buitengerechtelijke werkzaamheden

is conform het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde

tarief en zal worden toegewezen. Dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, blijkt

onder meer uit de brief d.d. 12 mei 2017 van de gemachtigde van [eiseres] aan ECP.

4.12.

ECP zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de

proceskosten.

5 De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt ECP om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 5.246,86 bruto ter

zake van loon - waaronder overuren - tot en met periode 7 van 2017, vakantiegeld tot en met 30 april 2017 en wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juli 2017 tot aan de dag van betaling;

5.2.

veroordeelt ECP om binnen drie weken na betekening van dit vonnis aan [eiseres]

te verstrekken deugdelijke loonstroken van de onder 5.1 genoemde verschuldigde

bedragen ad in totaal € 5.246,86 bruto;

5.3.

veroordeelt ECP om vanaf periode 8 van 2017 (17 juli 2017 tot en met 13 augustus

2017) tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd,

uiterlijk op de dag van de betrokken loontijdvakperiode van vier weken, aan [eiseres]

het loon te betalen, gebaseerd op een arbeidsomvang van 136,6 uur per periode van vier

weken conform het geldende bruto uurloon (ad € 10,15), onder gelijktijdige verstrekking aan

[eiseres] van een deugdelijke loonstrook;

5.4.

veroordeelt ECP om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 25,00 voor iedere dag dat zij niet aan de hiervoor onder 5.2 en/of 5.3 uitgesproken veroordeling(en) tot

verstrekking van een loonstrook voldoet, tot een maximum van € 1.000,00 is bereikt;

5.5.

bepaalt dat geen dwangsommen zullen worden verbeurd voor zover dit naar

maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, in

aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding

en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

5.6.

veroordeelt ECP tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 726,00 ter zake

van buitengerechtelijke kosten;

5.7.

veroordeelt ECP in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot vandaag

begroot op € 97,31 ter zake van explootkosten, € 78,00 ter zake van griffierecht en € 600,00

ter zake van salaris gemachtigde;

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2017.