Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:4560

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
16_3877
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mestverwerkingsinstallatie Oss. Merbeoordeling, geuronderzoek en volksgezondheid. In deze uitspraak worden een groot aantal beroepen tegen de omgevingsvergunning voor een mestverwerkingsinstallatie in de gemeente Oss behandeld. De rechtbank stelt voorop dat dit niet zo maar een mestverwerkingsinstallatie is. Het is de grootste installatie in Noord-Brabant van een omvang die veel groter is dan de mestverwerkingsinstallaties waarover de afgelopen jaren voor deze rechtbank procedures hebben gespeeld. Het is ook de eerste installatie op een industrieterrein bij een stad, voor zover de rechtbank bekend. Het is tot slot een installatie waarop het nieuwe mestverwerkingsbeleid van de provincie Noord-Brabant, zoals dat is vastgelegd in de nieuwe Verordening Ruimte Noord-Brabant 2017, is toegepast. Zeker bij een dergelijke mestverwerkingsinstallatie past het verweerder niet om risico’s te nemen of uit te gaan van de meest rooskleurige verwachtingen rondom rendement. Verweerder (GS van Noord-Brabant) heeft weliswaar een geuremissienorm voor de mestverwerkingsinstallatie als doelvoorschrift 7.4.1 aan het bestreden besluit verbonden, maar dat acht de rechtbank onvoldoende. Als niet op voorhand duidelijk(er) is of de installatie dit doelvoorschrift kan halen, kan het leiden tot grote geuroverlast in Oss en (als de installatie wordt stilgelegd) een mestoverschot in Noord-Brabant. Uit het onderzoek van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak blijkt dat onder meer dat het biofilter in de luchtwasser veel te klein wordt uitgevoerd. Verweerder heeft het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder voorafgaand aan het nemen van het besluit had moeten beoordelen of een milieueffectrapportage had moeten worden opgesteld. Dit kan niet tijdens of na vergunningverlening. De rechtbank oordeelt tot slot dat er geen indicaties bekend zijn voor onaanvaardbare volksgezondheidsrisico’s door mestverwerkingsinstallaties. De aanvraag en besluitvorming rond de mestverwerkingsinstallatie heeft voor veel onrust gezorgd in de omgeving. Een groot aantal mensen heeft beroep ingesteld. Gelet op het verhandelde ter zitting betwijfelt de rechtbank of de maatschappij de vestiging van een mestverwerkingsinstallatie van deze omvang en/of binnen de bebouwde kom wel aanvaardbaar vindt. Het is echter niet aan de maatschappij om hierover te beslissen. Dat moet verweerder doen. Verweerder kan echter wel de maatschappelijke onrust wegnemen door een transparante en overzichtelijke besluitvorming. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er beter aan doet om één nieuw besluit te nemen op een nieuwe aanvraag, die voorziet in de biomassavergassingsinstallatie alsmede in voldoende voorzieningen en duidelijke voorschriften om de geurhinder van het bedrijf, in het bijzonder de mestverwerkingsinstallatie, te beperken. Een snelle besluitvorming over een gewijzigde aanvraag, respectievelijk de aanvraag tweede fase, gewenst is omdat veel veehouders afhankelijk zijn van deze mestverwerkingsinstallatie. Daarom kan verweerder bij het nemen van een nieuw besluit de uitgebreide voorbereidingsprocedure buiten toepassing laten.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7587
JAF 2017/744 met annotatie van Van der Meijden
JBO 2017/220 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats '’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 16/3877, SHE 16/3882, SHE 16/3887, SHE 16/3894, SHE 16/3895 en SHE 16/3903

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 augustus 2017 in de zaak tussen

1 het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss, eiser 1
(gemachtigden: mr. dr. V.M.Y. van ’t Lam en J. Wingens), zaaknummer SHE 16/3877,

2. [namen] te [woonplaats] en
[namen] te [woonplaats] , eisers 2
(gemachtigde: mr. E.T. Stevens), zaaknummer SHE 16/3882,

3 [namen] , te [woonplaats] , eiser 3, zaaknummer SHE 16/3887,

4. [namen], te [woonplaats] , en [namen], te [woonplaats] , eisers 4,

(gemachtigden: drs. E.M. Korevaar), zaaknummer SHE 16/3894,

5 [namen]
, te [woonplaats] ,

[namen] , te [woonplaats] , eisers 5,
(gemachtigde mr. M.M.H. van Kuijk), zaaknummer SHE 16/3895,

6 [namen] , te [woonplaats] , eisers 6, zaaknummer
SHE 16/3903.

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, verweerder

(gemachtigden: P. Wintjes, M. Pijnenburg, N. van den Wijngaard, M. Jacobs, S. Brouwer, G.W.M. van de Burgt-van Berlo, E.F.M. Vos, mr. R. Aerts en mr. L.van der Meulen).

Als derde-belanghebbenden hebben aan het geding deelgenomen: O.O.C. Beheer B.V., (verder: vergunninghoudster) te Oss (gemachtigde: E. Nooijen), en Mineralen Afzet Coöperatie Elsendorp U.A. (verder: de derde-partij) te Elsendorp, gemachtigde dr. J.J.J. de Rooij.

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder een beschikking eerste fase voor de activiteit milieu (revisievergunning) op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend aan de derde-partij (OOC) voor een opslag-, overslag- en transportbedrijf ten behoeve van bulk- en stukgoederen met een biomassacentrale en een installatie voor het be- en verwerken van mest, aan de Merwedestraat 5 te Oss. Verweerder heeft bij dit besluit tevens maatwerkvoorschriften gesteld.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De beroepen zijn geregistreerd onder de hierboven genoemde zaaknummers.

Er heeft een inlichtingencomparitie plaatsgevonden op 9 maart 2017. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 29 mei 2017 heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) verslag ex artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgebracht. Een aantal partijen heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2017. Verschenen zijn eisers, bijgestaan door hun gemachtigden, verweerders gemachtigden, en de gemachtigden van vergunninghoudster en de derde-partij. Voor eiser 1 is R. Jansen als deskundige verschenen. De rechtbank heeft ing. J.H. Grit en ing. E.P. Feringa van de StAB gehoord als deskundigen.

Overwegingen

Feiten

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Vergunninghoudster exploiteert een op- en overslagbedrijf op het gezoneerde industrieterrein Elzenburg-De Geer te Oss. Het bedrijfsterrein heeft een ingang aan de Waalkade 75 en een ingang aan de Merwedestraat 5. Op 3 juni 2010 is aan vergunninghoudster een revisievergunning verleend voor op- en overslag en bewerking van afvalstoffen en de oprichting en het in werking hebben van een biomassa energiecentrale, BMEC (voor een termijn van 10 jaar).

1.2

Nadien zijn de vergunde activiteiten aan de Waalkade 75 ondergebracht bij afvalverwerkingsbedrijf SITA Recycling Services B.V. (SITA). De resterende activiteiten en voorzieningen aan de Merwedestraat vinden plaats op een perceel dat in het vervolg als locatie T2 wordt aangeduid. Aan de Waalkade 17c, 800 m ten zuiden van locatie T2, beschikt vergunninghoudster over een container-onderhoud en –overslagbedrijf (locatie T1). Vergunninghoudster beschikt inmiddels ook over een braakliggend stuk terrein tussen de locaties T1 en T2 (locatie T3). De locatie T2 wordt ten noorden en westen begrensd door het Burgemeester Deelenkanaal. Vanuit het zuiden is er aansluiting op een spoorlijn en wordt de inrichting over de weg ontsloten via de Merwedestraat en de Waalkade.

1.3

Op 24 maart 2016 heeft OOC Beheer B.V. een aanvraag om een beschikking eerste fase milieu op grond van de Wabo ingediend voor de locatie T2. De aanvraag ziet onder meer op het oprichten en in werking hebben van een mestverwerkingsinstallatie en een BMEC. De mestverwerkingsinstallatie zal worden gerealiseerd in een gebouw dat wordt opgericht ten oosten van de spoorlijn. Voor het exploiteren van de mestverwerkingsinstallatie is vergunninghoudster een samenwerking aangegaan met de derde-partij. De mest wordt aangeleverd door agrariërs die een contract hebben met de derde-partij. De aanvraag (voor de omgevingsvergunning eerste fase) heeft concreet betrekking op de volgende activiteiten op de locatie T2:

- het op- en overslaan van (droge) bulk- en stukgoederen in de openlucht en in de loodsen;

- het op- en overslaan van diverse recycling- en afvalstoffen;

- in een nieuw te bouwen (reeds vergunde) biomassa en energiecentrale (BMEC) worden organische reststromen en reststromen uit bouw- en sloopafval omgezet in thermische energie (stoom);

- het op- en overslaan van biomassa (in een loods);

- overslag vanuit schepen (kadefaciliteiten);

- spooroverslag;

- het overslaan van zware stookolie (ADR) van trein naar schip en van vrachtwagen naar trein;

- in een nieuw op te richten gebouw mag ca. 500.000 ton ruwe drijfmest per jaar worden verwerkt tot gecomposteerde vaste mest.

Het betreft een inrichting met een IPPC-installatie.

1.4

Het bestreden besluit is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpbesluit heeft met ingang van 2 juni 2016 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Eisers hebben hiertegen tijdig zienswijzen ingediend bij verweerder.

1.5

Voor het project is vóór het indienen van deze aanvraag een aanvraag om een vergunning op basis van de Wet natuurbescherming 1998 ingediend bij verweerder en het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, vanwege de aanwezigheid van een nabijgelegen natuurmonument. De hierop verleende vergunning is inmiddels ingetrokken omdat het natuurmonument met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming op 1 januari 2017 haar beschermde status heeft verloren. Het dagelijks bestuur van het Waterschap Aa en Maas heeft ten behoeve van het project een vergunning op grond van de Waterwet voor het lozen van afvalwater op oppervlaktewater verleend. Hiertegen zijn geen beroepen ingediend.

1.6

Vergunninghoudster heeft op 9 september 2016 een aanvraag ingediend voor een beschikking tweede fase op grond van de Wabo voor het oprichten van het gebouw waarin de mestverwerkingsinstallatie wordt gerealiseerd. Deze aanvraag is op 28 december 2016 aangevuld met onder andere met een mer-beoordelingsnotitie. Ten tijde van de zitting was op de aanvraag om een beschikking tweede fase nog niet beslist. Wel heeft verweerder in een besluit van 4 juli 2017 beslist op de mer-beoordelingsnotitie.

2.1

Het bestreden besluit is een beschikking eerste fase, waarin het besluitonderdeel ‘veranderen van (de werking van) de inrichting’ is vergund. Het is een revisievergunning als bedoeld in artikel 2.6 van de Wabo.

2.2

In het bestreden besluit is tevens vergunning verleend voor de BMEC. Deze was ook al vergund in 2010 maar nog niet gerealiseerd. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat vergunninghoudster de BMEC wil gaan bouwen als biomassavergassingsinstallatie. Ook deze installatie is eerder vergund in 2014 in een milieuneutrale wijziging.

Vergunninghoudster heeft aangegeven dat de aanvraag voor het bestreden besluit abusievelijk niet zag op de biomassavergassingsinstallatie zodat, in plaats daarvan, opnieuw de BMEC is vergund. Zij is van plan de biomassavergassingsinstallatie alsnog aan te vragen bij de beschikking tweede fase. Het bestreden besluit is echter niet ingetrokken voor zover het ziet op de BMEC noch gewijzigd. De BMEC zoals deze is vergund, zal daarom bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit worden betrokken en de biomassavergassingsinstallatie zal bij deze beoordeling buiten beschouwing worden gelaten.

Ontvankelijkheid

3.1

Verweerder heeft opgemerkt dat een aantal van eisers 2, 4 en 5 op meer dan 1.400 meter afstand woont van de inrichting en dat het niet aannemelijk is dat zij gevolgen van enige betekenis vanwege de inrichting kunnen ondervinden.

3.2

De rechtbank stelt vast, dat een aantal van eisers 2, 4 en 5 inderdaad op geruime afstand, namelijk meer dan 1.200 meter van locatie T2 woont. Om belanghebbende te zijn bij een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een inrichting moet aannemelijk zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van eiser naar objectieve maatstaven gemeten gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, verder: Afdeling, van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737). Mede gelet op de aard van de inrichting (in het bijzonder de oprichting van de mestverwerkingsinstallatie van deze omvang) en de mogelijk optredende geurhinder van de mestverwerkingsinstallatie is de rechtbank van oordeel dat alle eisers gevolgen van enige betekenis kunnen ondervinden vanwege de inrichting en dus als belanghebbende kunnen worden aangemerkt.

3.3

De Stichting Geen mestverwerking in Oss (de Stichting) is een rechtspersoon. Hierbij is ten aanzien van de ontvankelijkheid van belang of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. Volgens de statuten van de Stichting heeft deze onder meer als statutaire doelstelling het opkomen voor de belangen van de inwoners van Oss e.o. die direct geraakt worden door geluidhinder, fijnstof, aantasting van de volksgezondheid of (...) als gevolg van de voorgenomen vestiging van mestverwerkingsinstallaties in Oss. Deze statutaire doelstelling is voldoende concreet. De rechtbank maakt uit de website op dat de Stichting naast het voeren van procedures zich ook bezig houdt met het vergroten van het bewustzijn van inwoners van Oss en omstreken, het indienen van zienswijzen tegen de provinciale verordening en het benaderen van diverse politieke partijen en het voeren van overleg met alle betrokkenen. Gelet op de statutaire doelstelling, acht de rechtbank deze voldoende. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de Stichting lijkt te zijn opgericht om de collectieve belangen van inwoners van Oss te beschermen waarmee de werkzaamheden voor deze procedure tevens voldoende feitelijke werkzaamheden omvatten (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS: 2016:1626).

4. De rechtbank stelt verder vast dat alle eisers zienswijzen hebben ingediend.

5.1

In het verweerschrift wordt opgemerkt dat met de overlegging van een deskundigenrapport door eisers 2, 4 en 5 buiten de beroepstermijn over de geuraspecten, eisers 2 en 5 in strijd met artikel 1.6a van de Crisis en Herstelwet (Chw) nieuwe beroepsgronden hebben aangevoerd. Eisers 2 en eisers 5 hebben volgens verweerder geen beroepsgronden naar voren gebracht over de formulering van voorschriften over geur en de voorzieningen ten behoeve van geur, alsmede de best beschikbare technieken (BBT).

5.2

Eisers 2, 4 en 5 hebben allen in het beroepschrift binnen de beroepstermijn gronden aangevoerd met betrekking tot geurhinder. De later ingediende deskundigenrapporten dienen ter onderbouwing van deze gronden en kunnen niet als een nieuwe beroepsgrond worden beschouwd. De opmerking in het deskundigenrapport van februari 2017, dat de voorschriften geen toereikende bescherming bieden tegen geurhinder, is een uitwerking van de beroepsgronden van eisers 2 en 5 inzake geurhinder. In het deskundigenrapport van februari 2017 worden wel enkele opmerkingen gemaakt over de voorzieningen die worden getroffen, het ontbreken van een BBT-toets en de uitgevoerde BBT-toets. In de beroepschriften van eisers 2 en 5 zijn hierover geen grieven naar voren gebracht. Deze opmerkingen betreffen ook een ander milieuaspect dan het aspect geurhinder. De rechtbank beschouwt het deskundigenrapport van 2017 in zoverre als een nieuwe beroepsgrond en zal de beroepen van eisers 2 en 5, voor zover deze betrekking hebben op BBT, gelet op artikel 1.6a Chw niet-ontvankelijk verklaren.

Formele beroepsgronden.

6.1

Eisers 2, 3 en 4 stellen dat voor het nemen van het bestreden besluit een milieueffectrapportage (mer) moet worden gemaakt, omdat het project mer-plichtig is. Eisers 2 merken mest aan als een gevaarlijke afvalstof en beschouwen het project als een activiteit in de zin van onderdeel 18.2 bijlage C van het Besluit mer. Ter zitting hebben eisers 2 ook gewezen op categorie 18.4 van bijlage C van het Besluit mer. Eiser 3 en eisers 4 beschouwen het project als de oprichting van een geïntegreerde chemische installatie als bedoeld in categorie 21.6 van bijlage C van het Besluit mer.

6.2

Verweerder ziet niet in waarom mest een gevaarlijke afvalstof zou zijn. Daarnaast vindt in het aangevraagde chemische proces van mestverwerking geen chemische omzetting plaats, in die zin dat chemische eigenschappen van de stoffen veranderen.

6.3

In categorie 21.6 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer is als activiteit waarvoor bij de voorbereiding van een besluit het opstellen van een milieueffectrapport verplicht is, onder meer aangewezen: de oprichting van een geïntegreerde chemische installatie, dat wil zeggen een installatie voor de fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van organische basischemicaliën.

6.4

De rechtbank is van oordeel dat mest géén gevaarlijke afvalstof is. Eisers 2 hebben hun stelling dienaangaande niet onderbouwd. Bovendien gaat het om de mest, zoals deze wordt aangeleverd, niet de producten na het mestverwerkingsproces.

6.5

De rechtbank is verder van oordeel dat de aangevraagde mestverwerkingsinstallatie géén geïntegreerde chemische installatie is. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2013 (ECLI:NL:RVS: 2013:BZ4974) leidt de rechtbank af dat niet iedere installatie waarbij in het productieproces de chemische samenstelling van stoffen wijzigt, een chemische installatie als bedoeld in categorie 21.6 van onderdeel C van het Besluit mer is. In het aangevraagde productieproces wijzigt de samenstelling van de betrokken stoffen over het algemeen niet maar vindt slechts een mechanische scheiding van mest plaats. Eisers 3 en 4 wijzen nog op de processtap verdamping, waar ammoniumsulfaat wordt gevormd door het toevoegen van zwavelzuur aan de ammoniak in waterdamp, maar deze processtap maakt nog niet dat sprake is van een geïntegreerde chemische installatie waar op industriële schaal door chemische omzetting stoffen worden gevormd. Er vindt ook geen chemische behandeling plaats als bedoeld in categorie 18.4 van onderdeel C van het Besluit mer. De rechtbank vindt bevestiging voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2016 (ECLI:NL:RVS: 2016:3057) waarin de Afdeling de door de derde-partij aangevraagde soortgelijke mestverwerkingsinstallatie in Landhorst als een installatie als bedoeld in categorie 18.1 van onderdeel D van het Besluit mer kwalificeerde en daarmee niet een installatie als bedoeld in categorie 18.6 van onderdeel D van het Besluit mer. Deze beroepsgrond faalt.

7.1

Alle eisers hebben aangevoerd dat mest een afvalstof is en dat verweerder ten onrechte voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit niet heeft beoordeeld of een MER moest worden opgesteld. Eiser 1 heeft daarnaast gesteld dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van een mer-beoordeling vanwege de aanwezigheid van de BMEC, omdat ter voorbereiding van de milieuvergunning uit 2010 al een mer-beoordeling heeft plaatsgevonden. Deze mer-beoordeling is volgens eiser 1 verouderd.

7.2

Verweerder erkent dat mest een afvalstof is en dat een mer-beoordeling had moeten worden opgesteld. Verweerder merkt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2535) op, dat het ook mogelijk is om na het verlenen van een beschikking eerste fase een mer-beoordeling te verrichten. Verweerder heeft tijdens de inlichtingencomparitie aangegeven dat hij voornemens is om het mer-beoordelingsbesluit gelijktijdig met het ontwerpbesluit tweede fase ter inzage te leggen. In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat hij een mer-beoordelingsbesluit gaat nemen en hierbij ook een herstelbesluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb zal gaan nemen. In het verweerschrift heeft verweerder nog niet willen vooruitlopen op het mer-beoordelingsbesluit. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat het besluit van 5 juli 2017 geen besluit is als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb.

7.3

Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit van 4 juli 2017 géén besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb. Uit niets blijkt dat verweerder met het besluit van 4 juli 2017 heeft beoogd het bestreden besluit in te trekken, te wijzigen of aan te vullen. Het lijkt ook niet de intentie van verweerder te zijn geweest, gelet op de bedoeling van verweerder om het mer-beoordelingsbesluit in de vergunningverlening tweede fase mee te nemen. Bovendien wordt in het mer-beoordelingsbesluit een oordeel gegeven over twee varianten van de BMEC. In het bestreden besluit is slechts de eerste variant vergund.

7.4

Anders dan verweerder veronderstelt, kan uit de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016 niet worden afgeleid dat een mer-beoordelingsbesluit alsnog kan worden genomen na het nemen van het betrokken besluit. In de eerste plaats is dit in strijd met artikel 7.17 van de Wet milieubeheer (Wm) en artikel 5.3 van de Richtlijn industriële emissies (2010/75/EU). In de tweede plaats gaat het voorbij aan de bedoeling van een mer-beoordeling, namelijk het beoordelen of een MER moet worden opgesteld. Een MER bevat onder meer een beschrijving met alternatieven. Tot slot betrof de genoemde uitspraak van de Afdeling een vormvrije mer-beoordeling en betreft het hier een mer-beoordeling als bedoeld in artikel 7.17 van de Wm. Dat neemt niet weg dat onder omstandigheden een mer-beoordeling die is opgesteld na het bestreden besluit alsnog aanleiding kan zijn om het bestreden besluit niet te vernietigen dan wel de rechtsgevolgen in stand te laten. Of hiervoor aanleiding bestaat, zal aan het einde van deze uitspraak worden beoordeeld.

7.5

De enkele omstandigheid dat in het verleden reeds een mer-beoordelingsbesluit is genomen met betrekking tot de BMEC, ontslaat verweerder niet zonder meer van de verplichting om dit nogmaals te beoordelen reeds omdat, anders dan verweerder veronderstelt, de omstandigheden wel zijn gewijzigd na de mer-beoordeling van de BMEC. De BMEC wordt nu aangevraagd samen met een mestverwerkingsinstallatie. Bovendien hebben in de directe omgeving wijzigingen van inrichtingen plaatsgevonden. Ofschoon het bedrijventerrein als zodanig niet in een andere milieucategorie is komen te vallen, wil dat niet zeggen dat deze wijzigingen zonder meer buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Ingevolge bijlage III bij de richtlijn milieueffectbeoordeling (2014/52/EU) zal ook de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten in aanmerking moeten worden genomen. Ook om deze reden kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

7.6

Deze beroepsgrond slaagt.

8.1

Volgens eisers 4 heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat de mestverwerkingsinstallatie en de BMEC met bijbehorende op- en overslag één inrichting vormen. Volgens hen zijn er onvoldoende bindingen tussen de mestverwerkingsinstallatie en de andere activiteiten op locatie T2. De mestverwerkingsinstallatie is ook fysiek en ruimtelijk gescheiden van de andere activiteiten. Ook behoren ze niet tot dezelfde onderneming.

8.2

Verweerder heeft aangegeven dat vergunninghoudster door middel van een huurovereenkomst de zeggenschap heeft over de werking van de mestverwerkingsinstallatie, waarmee sprake is van een organisatorische binding. Er vindt een uitwisseling plaats van personeel en transportmiddelen. De weegbrug en inrit worden gemeenschappelijk gebruikt voor de afvoer van mestproducten. De kantine, de op- en overslagkades, het parkeerterrein en de nutsvoorzieningen worden gezamenlijk gebruikt. Daarom is sprake van één inrichting.

8.3

Vergunninghoudster heeft ter zitting daar aan toegevoegd dat beide installaties ook gebruik maken van dezelfde rioolvoorziening. De aanlevering van mest geschiedt via een aparte ingang naar aparte aanleverpunten bij de mestverwerkingsinstallatie.

8.4

In artikel 1.1, vierde lid van de Wm worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

8.5

Naar het oordeel van de rechtbank zijn voldoende technische en functionele bindingen aanwezig om de installaties, die in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen, als één inrichting te beschouwen. Het gebruik van dezelfde nutsvoorzieningen is een voldoende technische samenhang. De inzet van personeel en transportmiddelen en de weegbrug is een voldoende functionele samenhang. De rechtbank betwijfelt verder niet dat vergunninghoudster zeggenschap heeft over de mestverwerkingsinstallatie, in die zin dat zij aanwijzingen kan geven en zo nodig de installatie kan stilleggen. Verweerder geeft terecht aan dat dit verder gaat dan gebruikelijk is in een normale verhuurdersrelatie. Verweerder maakt ook terecht een vergelijking met de situatie in de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2001 (ECLI:NL:RVS: 2001:AN6885) waar de Afdeling een organisatorische samenhang heeft aangenomen in een soortgelijk geval. Deze beroepsgrond faalt.

9.1

Volgens eisers 4 vormen de locaties T1 en T2 zijn één inrichting. De aanvraag en het besluit zien ten onrechte alleen op T2. Beide locaties behoren tot de onderneming OOC Terminals. De afstand bedraagt ongeveer 750 meter. Er is sprake van functionele binding en organisatorische binding.

9.2

Volgens verweerder liggen beide locaties niet in elkaars nabijheid.

9.3

De rechtbank is van oordeel dat beide locaties te ver van elkaar liggen om ze als één inrichting te beschouwen. Bovendien liggen er enkele bedrijven, waaronder SITA tussen. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2016 (ECLI:NL:RVS: 2016:3468). In hoeverre sprake is van functionele of organisatorische samenhang, laat de rechtbank daarom buiten beschouwing.

10.1

Eisers 1 en 4 hebben gesteld dat de aanvraag voor het bestreden besluit onvolledig is. In de aanvraag is geen actuele en juiste toets van de BBT opgenomen. Verweerder kon niet afgaan op de BBT-toets die is aangeleverd ten behoeve van de vergunning uit 2010, omdat deze volgens eiser 1 is verouderd.

10.2

Verweerder is van mening dat er geen verplichting is om een BBT-toets bij aanvraag te overleggen. Verweerder heeft hetgeen is aangevraagd, zelf getoetst aan de toepasselijke BBT en Referentie Documenten (BREFs) en daarmee is voldaan aan artikel 4.20 juncto artikel 4.1, eerste lid onder g, van de Regeling omgevingsrecht (Mor).

10.3

Vergunninghoudster heeft na de inlichtingencomparitie een BBT-toets overgelegd, waarin is getoetst aan de BREF Afvalbehandeling, Afvalbewerking, Op- en overslag bulkgoederen en Energie-efficiëntie. Aan deze BREFs heeft verweerder in het bestreden besluit ook getoetst.

10.4

De rechtbank oordeelt dat verweerder niet zonder meer voorbij heeft kunnen gaan aan het ontbreken van een BBT-toets bij de aanvraag. In artikel 4.1, eerste lid onder g van de Mor wordt de verplichting om een overzicht te geven van de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de nadelige gevolgen voor het milieu van de inrichting te voorkomen of te beperken juist bij de aanvrager gelegd, omdat de aanvrager het beste in staat is om een goed en gedetailleerd overzicht te geven. Het ontbreken van een BBT-toets wil niet zeggen dat verweerder niet in staat is om te toetsen aan de relevante BREFs, maar legt wel een extra motiveringsplicht op verweerder. Verweerder dient zich er namelijk van te vergewissen, dat vergunninghoudster voornemens is de maatregelen en voorzieningen te treffen, die volgens verweerder noodzakelijk zijn om te voldoen aan de BREFs. Aan deze extra motiveringsplicht is in het bestreden besluit niet voldaan. Deze beroepsgrond slaagt.

11.1

Eiser 1 stelt verder dat verweerder de grondslag van de aanvraag heeft verlaten door het opnemen van voorschrift 2.5.5. Dit voorschrift acht eiser 1 niet voldoende. Bovendien snapt eiser 1 dan niet welke stoffen worden gebruikt als brandstof voor de BMEC en vraagt eiser 1 zich af of de stortbunker van de BMEC voldoende capaciteit heeft.

11.2

Verweerder heeft met het voorschrift willen voorkomen dat de opslagloodsen op het terrein niet als geurbron worden aangemerkt. De brandstof voor de BMEC wordt rechtstreeks opgeslagen in de stortbunker en deze stortbunker heeft een toereikende capaciteit.

11.3

De rechtbank ziet, gelet op de uitleg van verweerder niet in waarom door het voorschrift de grondslag van de aanvraag wordt verlaten. In hoeverre het voorschrift toereikend is, zal bij de bespreking van de beroepsgronden met betrekking tot geurhinder worden besproken. Deze beroepsgrond faalt.

12.1

Eiser 1 stelt verder dat uit de aanvraag volgt dat in de mestverwerkingsinstallatie alleen drijfmest wordt verwerkt, maar dat er in het bestreden besluit van uit wordt gegaan dat slechts bewerkte mest wordt verwerkt. Eiser 1 verwijst naar een passage in het bestreden besluit waarin wordt getoetst aan de Verordening Ruimte 2014 van de Provincie Noord-Brabant (VR2014).

12.2

Verweerder stelt in het bestreden besluit te zijn uitgegaan van de aanlevering van ruwe drijfmest die nog moet worden bewerkt. Dit volgt ook uit voorschrift 9.3.1, uit de aanvraag en uit het geuronderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit.

12.3

De rechtbank ziet in de door eiser 1 aangehaalde passage geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit een onjuiste voorstelling van zaken heeft gehad. In de voorschriften worden geen eisen gesteld aan de aan te leveren mest, behoudens dat het moet gaan om dierlijke drijfmest (voorschrift 9.3.1). Deze beroepsgrond faalt.

13.1

Eiser 3 stelt dat de aanvraag in strijd is met artikel 33 van de VR2014 en een overbelasting geeft van het milieu. Het gaat om een nieuw initiatief dat pas na 25 november 2015 is ingediend. Ook eisers 4 betogen in dit verband dat de planologische aanvaardbaarheid van het project onvoldoende is onderbouwd, onder verwijzing naar de zienswijzen. Hierin hebben zij gesteld dat niet duidelijk is of kan worden voldaan aan de in artikel 4.7 van de VR2014 genoemde voorwaarden. Verder ligt een deel van het bedrijf buiten de geluidzone van het bedrijventerrein.

13.2

Verweerder is in de considerans van het bestreden besluit ingegaan op de planologische aanvaardbaarheid van het project, ook al is dat volgens hem formeel nog niet aan de orde. In het verweerschrift benadrukt verweerder dat het niet mogelijk is een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu te weigeren wegens strijd met de VR2014.

13.3

De rechtbank is van oordeel dat binnen het toetsingskader van een vergunning als bedoeld in artikel 2.5 juncto artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wabo (dat is gegeven in artikel 2.14 van de Wabo) niet kan worden getoetst of het project in strijd is met het bestemmingsplan of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening. De rechtbank beschouwt de passage in het bestreden besluit over de planologische aanvaardbaarheid daarom als een overweging ten overvloede. De juistheid van deze overweging is niet van invloed op de rechtmatigheid van het bestreden besluit. In hoeverre het project in strijd is met het bestemmingsplan, zal aan de orde komen bij de beoordeling van de aanvraag voor de beschikking tweede fase op grond van de Wabo, waarin de toestemming voor het bouwen van onderdelen van het bedrijf wordt gevraagd. Hierbij wordt wel getoetst aan het bestemmingsplan op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Deze beroepsgrond faalt.

Inhoudelijke beroepsgronden

14.1

Alle eisers zijn van oordeel dat in het bestreden besluit onvoldoende bescherming wordt geboden tegen de geurhinder vanwege de inrichting. Deze beroepsgronden worden hieronder als eerste besproken. Eiser 1 heeft ter onderbouwing gewezen op een rapportage van het bureau Witteveen en Bos van 23 december 2016. Eisers 2, 4 en 5 hebben gewezen op een rapportage van Van Belois van februari 2017. Eiser 5 verwijst ook naar een rapport van Peutz van 22 december 2016.

14.2

Eiser 1 stelt dat in het bestreden besluit als geurbronnen ten onrechte alleen de BMEC, de mestverwerkingsinstallatie en de stookolieoverslag zijn meegenomen. Hierdoor is de geurbelasting onderschat. Eiser 1 doelt hierbij vooral op de geur afkomstig van de bulk opslagloodsen, de kadeoverslag en de spooroverslag. Eisers 2, 4 en 5 sluiten zich hierbij aan. Hierbij wordt benadrukt dat niet zonder meer uit kan worden gegaan van de onderzoeken bij de milieuvergunning uit 2010, omdat een bedrijfsonderdeel (SITA) is afgesplitst. Eiser 1 merkt daarnaast op dat door middel van voorschrift 2.5.5 mogelijk de opslag van de grondstoffen voor de BMEC wordt verboden.

14.3

Verweerder gaat bij de geuremissie van de BMEC uit van een onderzoek uit 2009 dat ten grondslag heeft gelegen aan de milieuvergunning van 2010. Verweerder heeft gesteld dat andere geurbronnen bij voorschrift zijn verboden dan wel dat sprake is van een zodanig kleine geuremissie dat deze verwaarloosbaar is te achten. Verweerder verwijst naar het geuronderzoek van 26 oktober 2016 dat ten grondslag heeft gelegen aan het bestreden besluit (het geuronderzoek).

14.4

In voorschrift 2.4.1 wordt een limitatieve opsomming van niet gevaarlijke afvalstoffen gegeven. In voorschrift 2.5.5 wordt verboden om stedelijk afval dat geurende componenten bevat op te slaan binnen de inrichting in de loodsen of op het buitenterrein. In voorschrift 2.7.1 dat wordt uitgewerkt in voorschrift 2.7.2 worden de maximale opslaghoeveelheden en doorzetten van diverse afvalstoffen genoemd. In voorschrift 9.3.1 wordt aangegeven dat de inrichting daarnaast 500.000 m³ dierlijke drijfmest mag be- en verwerken. Voorschrift 7.1.2 en 7.1.3 bevatten middelvoorschriften ter beperking van geurhinder. Verweerder heeft naast de geuremissievoorschriften vanwege de BMEC, de mestverwerkingsinstallatie en de overslag van stookolie (voorschriften 7.4.1 tot en met 7.4.3) ook een geurimmissievoorschrift 7.4.5 opgenomen. Ingevolge voorschrift 7.4.5 mag de hedonisch gewogen geurimmissie vanwege de inrichting niet meer bedragen dan de waarden in tabel 6.1 bij het geuronderzoek.

14.5

De rechtbank heeft de StAB gevraagd de geurbronnen te inventariseren. De StAB maakt uit de aanvraag op dat op- en overslag van diverse stoffen plaatsvindt waaronder diervoeders, veevoedergrondstoffen, biomassa en afvalstoffen als snoeihout en compost. De opsommingen in de voorschriften 2.4.1, 2.7.1 en 2.7.2 van het bestreden besluit sluiten geurhinder niet uit en geur afkomstig van de genoemde stoffen is meestal geurrelevant. Ook als stoffen niet worden opgeslagen, kan bij de overslag ervan relevante geurhinder optreden.

14.6

In reactie op het StAB advies merkt verweerder op dat de op- en overslag van de door de StAB genoemde stoffen geen relevante geurbron is omdat deze ondergeschikt is aan de geurhinder van de mestverwerking. De stoffen in voorschrift 2.4.1 worden direct opgeslagen in de stortbunker bij de BMEC en kunnen geen geurhinder veroorzaken. Dit staat ook vermeld in het projectdocument van de BMEC dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. De stoffen genoemd in voorschrift 2.7.1. vormen maximaal 0,8% van de totale emissie van de inrichting en zijn daarom niet geurrelevant. Bovendien bestaat het vooral uit verkleind snoeihout. In de vervallen bijzondere regeling diervoederindustrie op basis van de Nederlandse emissierichtlijn, werd de op- en overslag van diervoeders of veevoedergrondstoffen buiten beschouwing gelaten omdat deze niet geurrelevant was. De in voorschrift 2.7.2 genoemde stoffen gaan deels naar de BMEC (biologisch afbreekbaar afval). Teerhoudend asfalt geeft geurhinder bij hoge temperaturen en het asfalt wordt slechts opgeslagen. Ook rubbershredder is volgens verweerder slechts geurrelevant bij verwerking, niet bij opslag.

14.7

Indien stukken die behoren bij een omgevingsvergunning voor meerdere uitleg vatbaar kunnen zijn, ligt het op de weg van verweerder om de gewenste situatie of werking vast te leggen op de inrichtingstekening of in een voorschrift (zie de uitspraak van deze rechtbank van 10 februari 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:503).

14.8

De rechtbank is van oordeel dat in de voorschriften niet duidelijk wordt aangegeven wat onder reststromen en wat onder stedelijk afval moet worden verstaan. Zo heeft verweerder niet aangegeven of de in voorschrift 2.4.1 genoemde afvalstoffen (deels) stedelijke afvalstoffen zijn en of stedelijk afval kan bestaan uit reststromen en andersom. De rechtbank houdt het ervoor dat met stedelijk afval het afval met Euralcode 20.03.01 / 20.03.07 wordt bedoeld, zoals is vastgelegd in voorschrift 2.7.2. Evenmin valt in te zien waarom voorschrift 2.5.5 zich beperkt tot stedelijk afval en niet tot de andere afvalstoffen die in voorschrift 2.7.2 wel zijn genoemd en door de StAB op pagina 53 van het advies zijn genoemd als afvalstoffen die wel geurende componenten kunnen bevatten. Verweerder had ten minste de voorgestane wijze van opslag van deze stoffen moeten vastleggen in voorschriften teneinde geurhinder vanwege deze stoffen te voorkomen.
Het is evenmin duidelijk wat wordt bedoeld met voorschrift 7.1.2 inzake de opslag van reststromen. Voorschrift 7.1.2 schiet ook tekort omdat onduidelijk is of onder reststromen alle grondstoffen voor de BMEC vallen, welke reststroom in de stortbunker moet worden opgeslagen en welke reststroom elders mag worden opgeslagen. Uit het projectdocument van de BMEC blijkt niet eenduidig dat de grondstoffen voor de BMEC uitsluitend in de stortbunker worden opgeslagen. Het had in dit geval op de weg van verweerder gelegen om in een voorschrift vast te leggen dat de grondstoffen voor de BMEC uitsluitend in de stortbunker mogen worden opgeslagen.
Door de hierboven genoemde gebreken is voor vergunninghoudster en derden niet duidelijk wat vergunninghoudster moet doen en wat zij moet nalaten. Daarmee is niet allen onduidelijk of het milieu voldoende wordt beschermd (artikel 2.14 lid 3 van de Wm), maar dit kan ook tot problemen leiden bij de handhaving van het bestreden besluit.

14.9

De door de StAB genoemde bronnen zijn niet meegenomen in het geuronderzoek. Verweerder heeft niet weerlegd dat de door de StAB genoemde bronnen geurhinder kunnen veroorzaken. Verweerder zegt met zoveel woorden dat deze bronnen wegvallen tegen de geurhinder vanwege de mestverwerkingsinstallatie. Biedt het bestreden besluit daarmee onvoldoende bescherming? Dat is niet zonder meer het geval. De rechtbank begrijpt voorschrift 7.4.5 aldus dat de gehele inrichting, dus inclusief de geurbronnen die niet zijn meegenomen in het geuronderzoek, moet voldoen aan de waarden in tabel 6.1 bij het geuronderzoek. Deze normstelling acht de rechtbank niet onjuist. Een soortgelijke normstelling (emissievoorschriften naast imissievoorschriften) heeft de rechtbank eerder geaccepteerd in de uitspraak van 17 september 2015 (ECLI:NL:RBOBR:2015:5458). Echter, omdat in het geuronderzoek de door de StAB genoemde mogelijke geurhinder van de overige bronnen buiten beschouwing is gelaten, staat niet op voorhand vast dat de inrichting aan voorschrift 7.4.5 kan voldoen. Daarom kan niet op voorhand worden uitgesloten dat verweerder met het stellen van voorschrift 7.4.5 de aanvraag impliciet heeft geweigerd.

14.10

De rechtbank concludeert dat deze beroepsgrond slaagt.

15.1

Eisers stellen ook dat verweerder de geurhinder vanwege het gehele bedrijventerrein bij het bestreden besluit had moeten betrekken. Eiser 1 wijst hierbij in het bijzonder op de aanwezigheid van het bedrijf SITA, naast locatie T2.

15.2

Verweerder ziet de cumulatie van geurhinder meer als een aspect van goede ruimtelijke ordening. De aanvaardbaarheid van de geurhinder van een bedrijventerrein met meer bedrijven zal in een bestemmingsplan moeten worden beoordeeld. Bovendien verschillen de geurhinder van de BMEC en de mestverwerkingsinstallatie van de geurhinder van de andere bedrijven.

15.3

De rechtbank is van oordeel dat de cumulatie van geurhinder van andere bedrijven een aspect is dat in kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld. Aan een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu kunnen geen voorschriften worden verbonden met betrekking tot andere inrichtingen. Alleen bij de mer-beoordeling kan de aanwezigheid van andere bedrijven een rol spelen in de afweging of een MER moet worden gemaakt of niet. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2012 (ECLI:NL:RVS: 2012:BX8250). Dat SITA in de milieuvergunning van 2010 nog onderdeel uitmaakte van de inrichting leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat haar ambtshalve bekend is dat SITA inmiddels over een eigen omgevingsvergunning op grond van de Wabo voor de activiteit milieu beschikt.

16.1

Eisers stellen vraagtekens bij de specifieke geuremissie van de mestverwerkingsinstallatie, de werking van de luchtwassers en het biofilter en de hedonische weging van de geur. Zij zijn van mening dat de geuremissie vanwege de mestverwerkingsinstallatie niet voldoet aan de richtwaarden in het provinciale beleid.

16.2

Verweerder heeft onder verwijzing naar het geuronderzoek gesteld dat wordt voldaan aan de richtwaarden van het provinciale geurbeleid dat is vastgelegd in de provinciale ‘Beleidsregel industriële geur Noord-Brabant’ (de Beleidsregel). Hierbij is de hedonisch gewogen geurbelasting getoetst aan de richtwaarden voor nieuwe situaties in artikel 9 van de Beleidsregel en niet aan artikel 10 van de Beleidsregel (de richtwaarden voor de combinatie van een bestaande situatie en een nieuwe situatie). Verweerder komt bij de beoordeling van geurhinder een zekere beoordelingsvrijheid toe. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan artikel 9 van de Beleidsregel heeft kunnen toetsen. Dat artikel biedt overigens meer bescherming aan de omgeving dan artikel 10 van de Beleidsregel.

16.3

De StAB heeft vastgesteld dat zowel verweerder, vergunninghoudster als de deskundige van eiser 1 (Witteveen en Bos) uitgaan van dezelfde bronsterktes voor de geurbronnen van de mestverwerkingsinstallaties. De StAB heeft vervolgens de werking van de luchtwasser beschreven. Eerst wordt de geur geleid langs twee zure wassers om ammoniak te verwijderen en vervolgens langs een biofilter om geur te verwijderen. De StAB accepteert met enige terughoudendheid het rendement van 99% in ammoniakreductie in de twee zure wassers, maar is van mening dat de twee zure wassers slechts ten hoogste 30% geurreductie kunnen opleveren en niet 85% zoals wordt aangenomen in het geuronderzoek. De StAB merkt voorts op dat de biofilter is ondergedimensioneerd. De lucht kan slechts 3,7 seconden in de biofilter blijven, terwijl deze minimaal 20 tot 45 seconden in de biofilter zou moeten blijven. Bij een juiste dimensionering van de biofilter levert deze een geurreductie van 75% op en niet van 85% zoals wordt aangenomen in het geuronderzoek. Dit heeft de StAB onderbouwd met een vergelijking met een aantal andere bedrijven. De aangevraagde biofilter met een inhoud van 104 m³ is met een factor 15 kleiner gedimensioneerd dan noodzakelijk is voor een toereikende verwerking van de luchtstroom uit de mestverwerking.

16.4

In reactie op het StAB advies heeft verweerder aangegeven dat de dimensionering van de biofilter inderdaad te klein is. Op 27 juni 2017 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor de wijziging van de biofilter. Verweerder denkt dat met de biofilter wel een rendement van 85% geurreductie kan worden gehaald. De inschatting van de StAB is niet terug te voeren op een bedrijfsvoering zoals aangevraagd, en bovendien niet onderbouwd. Verweerder merkt ook op dat de StAB ten onrechte een onderscheid maakt tussen de geurreductie van de zure wassers en de geurreductie van het biofilter. De StAB had volgens verweerder moeten bekijken of het gehele systeem in staat is een geurreductie van 85% te halen. Dat kan volgens verweerder wel. Verweerder verwijst hiervoor naar een rapportage van Royal HaskoningDHV.

16.5

De derde-partij heeft aangegeven dat het door de StAB genoemde biofilter niet is aangevraagd, maar dat zij bereid is het biofilter aan te vragen en te realiseren dat noodzakelijk is.

16.6

Ter zitting heeft de StAB aangegeven dat een rendement van 40% van de zure wassers mogelijk is, maar dat dit de meest optimale inschatting is. Een rendement van 75% van de biofilter bij een juiste dimensionering is ook mogelijk, maar de StAB plaatst hierbij de kanttekening dat door een grotere dimensionering weliswaar de verblijfstijd van de lucht in de biofilter wordt verlengd maar dat het de vraag is of dit daadwerkelijk leidt tot een hogere geurreductie. De StAB kent geen praktijkvoorbeelden.

16.7

De rechtbank stelt voorop dat dit niet zo maar een mestverwerkingsinstallatie is. Het is de grootste installatie in Noord-Brabant van een omvang die veel groter is dan de mestverwerkingsinstallaties waarover de afgelopen jaren voor deze rechtbank procedures hebben gespeeld. Het is ook de eerste installatie op een industrieterrein bij een stad, voor zover de rechtbank bekend. Het is tot slot een installatie waarop het nieuwe mestverwerkingsbeleid van de provincie Noord-Brabant, zoals dat is vastgelegd in de nieuwe Verordening Ruimte Noord-Brabant 2017, is toegepast. Zeker bij een dergelijke mestverwerkingsinstallatie past het verweerder niet om risico’s te nemen of uit te gaan van de meest rooskleurige verwachtingen rondom rendement. Verweerder heeft weliswaar een geuremissienorm voor de mestverwerkingsinstallatie als doelvoorschrift 7.4.1 aan het bestreden besluit verbonden, maar dat acht de rechtbank onvoldoende. Als niet op voorhand duidelijk(er) is of de installatie dit doelvoorschrift kan halen, kan het leiden tot grote geuroverlast in Oss en (als de installatie wordt stilgelegd) een mestoverschot in Noord-Brabant.

16.8

Verweerder had in het proces van vergunningverlening beter moeten onderzoeken of een luchtwasser kan worden gerealiseerd met voldoende rendement waarmee het doelvoorschrift kan worden gehaald. De enkele inschatting van Royal HaskoningDHV is hiervoor onvoldoende. De rechtbank is niet overtuigd van de weerlegging van het advies van de StAB en volgt het advies van de StAB wat betreft de inschatting van het rendement van de geurreductie van de zure wassers en de biofilter. Ook een beter onderzoek naar de dimensionering van de luchtwasser was op zijn plaats geweest. Het bestreden besluit is daarmee onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

16.9

Gelet op de onjuiste dimensionering van de luchtwasser kan de installatie zoals aangevraagd nooit voldoen aan doelvoorschrift 7.4.1 van het bestreden besluit. Dit voorschrift vormt daarmee de impliciete weigering van de aangevraagde vergunning. Weliswaar is een monitoringsvoorschrift 7.5.1 aan het bestreden besluit verbonden, maar dit verplicht vergunninghoudster tot slechts één onderzoek in bedrijfsrepresentatieve omstandigheden. Gelet op het unieke karakter van de installatie had verweerder nadere specificaties moeten verlangen, zoals de specificatie dat ook de rendementen van de zure wassers en de biofilter in geurreductie worden onderzocht, alsmede de mogelijkheid van herhalingsonderzoek.

16.10

Gelet op het bovenstaande slagen de beroepsgronden van eisers op dit punt.

17.1

Eisers betwisten de juistheid van de hedonische wegingsfactor van de mestverwerkingsinstallatie. Dit moet F=0,5 zijn.

17.2

Verweerder heeft verwezen naar het geuronderzoek en aangegeven niet te twijfelen aan de juistheid van de daarin gehanteerde hedonische wegingsfactor F=1,8.

17.3

De StAB stelt dat in het algemeen een hedonische wegingsfactor van F=2 acceptabel is en dat verweerder de hedonische wegingsfactor conservatief heeft bepaald. De StAB acht dit acceptabel omdat de hedonische wegingsfactor niet is gebaseerd op ter plaatse uitgevoerde metingen. Nu de aangevraagde biofilter ondergedimensioneerd is, zal deze niet werken en zal de resterende geuremissie wel hinderlijk zijn vanwege de aanwezige zwavelverbindingen. Het is niet duidelijk hoe hinderlijk de geur is, daarom moet volgens de StAB de hedonische wegingsfactor F=0,5 worden toegepast.

17.4

Partijen hebben op dit onderdeel van het StAB advies niet gereageerd.

17.5

De rechtbank verstaat de beroepsgrond van eisers aldus dat deze zich uitsluitend richt tegen de hedonische wegingsfactor, niet tegen de hedonische wegingsfactor in combinatie met de uitvoering van de luchtwasser. Gelet op het advies van de StAB heeft verweerder dan een juiste hedonische wegingsfactor bij de mestverwerkingsinstallatie toegepast. Dit laat onverlet dat verweerder de aangevraagde uitvoering van de luchtwasser onvoldoende heeft onderzocht.

18.1

Eiser 1 stelt dat het object [adres] ten onrechte een beschermingsniveau ‘laag’ heeft gekregen. Eiser 5 stelt dat het object [adres] ten onrechte een beschermingsniveau ‘beperkt’ heeft gekregen. Eisers 4 vinden dat bedrijfsgebouwen op het industrieterrein geurgevoelige objecten zijn die minimaal beoordeeld moeten worden op grond van de omgevingscategorie ‘beperkt’.

18.2

Verweerder is in het verweerschrift gebleven bij de kwalificatie van de objecten [adres] en [adres] die is gegeven in het bestreden besluit.

18.3

In artikel 3 van de Beleidsregel wordt onderscheid gemaakt in objecten. De omgevingscategorie ‘hoog’ omvat de volgende geurgevoelige objecten: woningen, ziekenhuizen en sanatoria, bejaarden- en verpleeghuizen, woonwagenterreinen, asielzoekerscentra, dagverblijven en scholen, alsmede objecten die met bovengenoemde geurgevoelige objecten gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de functie van het object, de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daar aanwezig is en de omgeving van het object. De omgevingscategorie ‘beperkt’ omvat de volgende geurgevoelige objecten: bedrijfswoningen, woningen in het landelijk gebied, verspreid liggende woningen, recreatiegebieden voor dagrecreatie, accommodaties voor verblijfsrecreatie, zelfstandige kantoren, winkels alsmede objecten die met bovengenoemde geurgevoelige objecten gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de functie van het object, de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daar aanwezig is en de omgeving van het object. De omgevingscategorie ‘laag’ omvat geurgevoelige objecten voor zover die niet behoren tot de omgevingscategorieën als bedoeld onder a en b.

18.4

De StAB heeft een onderzoek ingesteld naar de objecten [adres] en [adres] . Beide objecten liggen in het buitengebied. Het object [adres] is een pannenkoekenrestaurant met binnenspeeltuin, terras en speeltuin en parkeerplaats, dat doordeweeks door ongeveer 30 tot 40 mensen wordt bezocht en in het weekend door 250 tot 300 mensen, oplopend tot 400 mensen tijdens feestdagen. De gemiddelde verblijfstijd is vaak een dagdeel, zeker door de aanwezigheid van de binnenspeeltuin. De StAB plaatst dit object in de categorie ‘hoog’. Het object [adres] ligt op 180 meter van de locatie T2. Hier zijn twee loodsen en een clubgebouw aanwezig voor twee roeiverenigingen met twee terrassen. Gemiddeld zijn er 15 tot enkele tientallen personen aanwezig gedurende enkele uren of een dagdeel. Op twee dagdelen vinden naast roeiactiviteiten en fitnessactiviteiten ook onderhoudsactiviteiten plaats. Er vindt ook verhuur plaats aan een bedrijf dat begeleiding aan hulpbehoevende mensen verzorgt. De StAB plaatst dit object in de categorie ‘hoog’.

18.5

In reactie op het StAB advies benadrukt verweerder dat beide objecten aan de [adres] in het buitengebied liggen, nabij een industrieterrein en dat ze reeds daarom niet in de categorie ‘hoog’ thuishoren. Aan de [adres] zijn niet iedere dag grote groepen mensen aanwezig. Het restaurant met binnenspeeltuin past eerder in de categorie ‘beperkt’ waar ook winkels of kantoorgebouwen worden genoemd. Gelet op de beperkte verblijfsduur kan het object [adres] niet gelijk worden gesteld met een recreatiegebied voor dagrecreatie. Het terrein heeft niet eens deze bestemming. Het is ook geen terrein voor verblijfsrecreatie, omdat er niet wordt overnacht. Bovendien ligt het terrein naast een industrieterrein met zware industrie.

18.6

De StAB heeft geen onderzoek ingesteld naar de verblijfsduur op de verschillende bedrijven op het industrieterrein. Deze bedrijven hebben geen beroep ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank strekt de Beleidsregel kennelijk niet tot bescherming van de belangen van eisers 4. De bedrijven liggen niet in de directe omgeving van eisers 4. De rechtbank laat deze beroepsgrond daarom buiten beschouwing. De Beleidsregel strekt wel tot bescherming van de belangen van eiser 1 en eisers 5. Ofschoon de roeiverenigingen zelf geen beroep hebben ingesteld, liggen de roeiverenigingen wel in de gemeente Oss.

18.7

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het object [adres] terecht heeft ingedeeld in de categorie ‘beperkt’. Weliswaar komen er wel grote groepen mensen, het object ligt ook in het buitengebied en niet binnen de bebouwde kom. In zoverre kan het eerder gelijk worden gesteld met een winkel of een kantoorgebouw waar ook grotere aantallen mensen kunnen komen, maar die toch een beperkt beschermingsniveau genieten. De rechtbank neemt hierbij de uitbreidingsplannen van het restaurant niet in beschouwing. Deze uitbreidingsplannen waren ten tijde van het bestreden besluit niet zo concreet dat verweerder deze bij de besluitvorming had moeten betrekken. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder het object [adres] ten onrechte in de categorie ‘laag’ heeft ingedeeld. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat dit kan worden aangemerkt als een recreatiegebied voor dagrecreatie. Er is een meer dan gemiddelde verblijfsduur gedurende de gehele week door diverse groepen mensen (twee roeiverenigingen en het bedrijf voor hulpbehoevende mensen). Weliswaar vindt dit vooral plaats buiten werktijden maar dat is voor veel andere recreatiegebieden voor dagrecreatie niet anders. Verweerder had het object [adres] moeten indelen in de categorie ‘beperkt’. De beroepsgrond van eiser 1 en eisers 5 slaagt in zoverre.

19.1

Eisers stellen vraagtekens bij de berekende geurhinder afkomstig van de BMEC en de stookolie-overslag.

19.2

Verweerder is van mening dat de juiste emissiegegevens in het geuronderzoek zijn gehanteerd.

19.3

De StAB is van mening dat verweerder een te lange bedrijfsduur heeft aangehouden en daarmee de geurbijdrage door de overslag van stookolie heeft overschat. De hedonische weegfactor voor de overslag van stookolie is juist bepaald. De StAB constateert dat niet alleen wordt uitgegaan van de strenge hedonische weegfactor F= 0,5 bij een onbekende hedonische waarde, maar ook nog een straffactor 2 is toegepast zodat de geuremissie vanwege de BMEC dubbel is gecorrigeerd. De geuremissie van de geurrelevante biomassa van de BMEC is echter niet meegewogen.

19.4

Eisers hebben op dit onderdeel niet gereageerd op het advies van de StAB. Verweerder denkt dat voorschrift 7.12 een voldoende borging biedt dat de geuremissie van de geurrelevante biomassa van de BMEC niet hoeft te worden meegewogen.

19.5

Hierboven is al geoordeeld dat voorschrift 7.1.2 onvoldoende duidelijk is. Het voorschrift bevat geen verplichting om geurrelevante biomassa op te slaan in de stortbunker van de BMEC. Als vergunninghoudster wel zou worden verplicht om dit altijd te doen, ziet de rechtbank overigens geen reden waarom de geurrelevante biomassa zou moeten worden meegewogen, gelet op de wijze van uitvoering van de stortbunker bij de BMEC. De rechtbank ziet verder geen reden voor twijfel aan de juistheid van het advies van de StAB. Gelet op het advies van de StAB is de rechtbank van oordeel dat in het geuronderzoek de geurbijdragen van de BMEC zelf en de overslag van stookolie juist zijn bepaald. De bijdrage van de geuremissie van de geurrelevante biomassa is ten onrechte niet meegewogen, vanwege de onduidelijke redactie van voorschrift 7.1.2.

20.1

Volgens eisers 4 is voorschrift 1.3.2 onvoldoende om hinder te voorkomen en bieden ook de overige voorschriften onvoldoende borging om geurhinder te voorkomen. Ze zijn onduidelijk/onvolledig en onvoldoende handhaafbaar.

20.2

Verweerder heeft aangegeven dat voorschrift 1.3.2 hem in staat stelt vooraf te beoordelen welke maatregelen moeten worden genomen om geurhinder te voorkomen. Verweerder verwijst verder naar voorschrift 7.1.1 dat vergunninghoudster verplicht om onderzoek te doen naar geurklachten.

20.3

Naar het oordeel van de rechtbank biedt voorschrift 1.3.2 voldoende bescherming aan omwonenden tegen geurhinder tijdens onderhoudswerkzaamheden. Deze beroepsgrond faalt.

21.1

Volgens eisers 5 zijn ook voor de luchtkwaliteitsberekeningen mogelijk onjuiste invoergegevens voor de BMEC, loaders en kranen gehanteerd, omdat de gegevens niet consistent zijn met de gegevens uit andere onderzoeken. Voorts is niet gerekend met de meest actuele generieke invoergegevens voor luchtkwaliteit, zodat geen goed inzicht is gegeven in de te verwachten luchtkwaliteit in de omgeving, en is gerekend met een oud model.

21.2

Verweerder had ten tijde van het bestreden besluit nog niet de beschikking over de meest recente generieke invoergegevens. De verschillen tussen de gegevens van 2015 en 2016 zijn echter dermate gering dat verweerder niet verwacht dat dit tot andere conclusies zou leiden. Bovendien wordt ruimschoots aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit voldaan.

21.3

De StAB heeft ten aanzien van luchtkwaliteit aangegeven dat bij de beoordeling van de effecten van de inrichting op de luchtkwaliteit gebruik is gemaakt van een oud rekenmodel en van afwijkende invoergegevens en modellering van de mobiele bronnen. Bij toepassing van de nieuwe versie en juiste gegevens zijn er weinig verschillen in resultaten en wordt ook in dat geval aan de grenswaarden voldaan. De StAB heeft ook inzage gehad in een luchtkwaliteitsonderzoek van maart 2017 van vergunninghoudster, dat naar aanleiding van de kritiek van eisers 5 is opgesteld.

21.4

Gelet op het advies van de StAB is de rechtbank van oordeel dat de inrichting aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit voldoet. Deze beroepsgrond faalt.

22.1

Eiser 1 vraagt zich af in hoeverre de voorschriften in hoofdstuk 7 en 8 van het bestreden besluit nog gelden.

22.2

Volgens verweerder zijn de voorschriften in hoofdstuk 7 en 8 niet vervallen, omdat er BBT-conclusies gelden voor de emissies van lucht en geur van de inrichting.

22.3

Ingevolge artikel 2.3a, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) is, in afwijking van het eerste lid afdeling 2.3 (Lucht en geur), met uitzondering van de artikelen 2.4, tweede lid, niet van toepassing op emissies naar de lucht van een IPPC-installatie indien en voor zover voor de activiteit of het type productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld op grond van artikel 13, vijfde en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies. Indien de BBT-conclusie van toepassing is op een groep van stoffen, geldt de eerste volzin voor alle stoffen die tot die groep van stoffen behoren.

22.4

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de voorschriften in hoofdstuk 7 en 8 van het bestreden besluit niet zijn vervallen indien en voor zover BBT-conclusies van toepassing zijn op emissies naar de lucht van de inrichting, zoals hier aan de orde.

23.1

Eiser 1 en eiser 4 hebben ook inhoudelijke gronden naar voren gebracht over de door verweerder uitgevoerde BBT-toets. Volgens eiser 1 is de BBT-toets van verweerder onvolledig ten aanzien van geur, lucht en energie. Er is niet getoetst aan de BREF Energie-efficiëntie en niet alle aspecten van de vier relevante BREFs zijn zichtbaar getoetst. Ook eiser 4 wijst hier op, en wijst in het bijzonder op enkele passages uit de BREF Afvalbehandeling. Eisers 4 kunnen zich niet vinden in de wijzigingsprocedure voor AV en AO/IC beleid, als opgenomen in voorschrift 2.7.6. Bovendien is eiser 4 van mening dat BREF “Anorganische bulkchemicaliën – ammoniak, zuren en kunstmest” (BREF Anorganische bulkchemie) ten onrechte niet bij de toets is betrokken. Voorschriften omtrent de emissie van PM en CxHy uit de mestverwerkingsinstallatie ontbreken ten onrechte, evenals voorschriften over de minimalisatie van de uitstoot van dioxines en kwik.

23.2

Verweerder is van mening dat de BREF Anorganische bulkchemie niet van toepassing is, omdat geen sprake is van een chemische industrie. De ammoniaksulfaat is niet het resultaat van een geheel productieproces. Voor het overige is verweerder van mening dat de BBT- conclusies van vooral de BREF Afvalbehandeling voldoende zijn betrokken bij de beoordeling. Verweerder erkent dat een emissienorm voor de emissie van PM en CxHy, dioxines en kwik ontbreken. Wel blijven de emissies van deze stoffen binnen de BREF-ranges.

23.3

Vergunninghoudster heeft na de inlichtingencomparitie alsnog een BBT-toets overgelegd. Hierin zijn dezelfde voorzieningen en maatregelen genoemd als die waarvan verweerder is uitgegaan. Er is niet getoetst aan de BREF Anorganische bulkchemie. Deze BREF dekt de activiteiten 4.2 en 4.3 van bijlage I van de EU-Richtlijn industriële emissies (RIE), uitgezonderd 4.2d en 4.2e.

23.4

Eisers 1 en 4 hebben in reactie op de BBT-toets van vergunninghoudster aangegeven dat verweerder geen zelfstandige beoordeling van de BBT-toets heeft verricht en dat het ontbreken van een BBT-toets niet kan worden hersteld. Verweerder heeft in het verweerschrift in reactie op de BBT-toets aangegeven dat hieruit blijkt dat wordt voldaan aan de toepasselijke BBT.

23.5

Naar het oordeel van de rechtbank strekken de BBT-toets van vergunninghoudster en die van verweerder zich terecht niet uit over de BREF Anorganische bulkchemie. Deze BREF dekt de activiteiten 4.2 en 4.3 van bijlage I van de RIE, uitgezonderd 4.2d en 4.2e. De inrichting als geheel, of de mestverwerkingsinstallatie in het bijzonder, is geen chemische industrie zoals deze wordt genoemd in de activiteiten 4.2 en 4.3 van bijlage I van de RIE. De rechtbank verwijst verder naar rechtsoverweging 6 van deze uitspraak.

23.6

Eisers 4 richten zich in het bijzonder ook tegen de verplichting in voorschrift 2.7.3 voor een aangepast AO/IC en A&V beleid binnen drie maanden na inwerkingtreding van de vergunning. Zij beklagen zich erover dat zij hiertegen geen rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Daargelaten dat eisers 4 een verzoek om handhaving kunnen indienen, wordt in voorschrift 2.7.3 een duidelijke verplichting opgelegd voor overlegging van een AO/IC en A&V beleid waarmee wordt voldaan aan de desbetreffende passage van de BREF Afvalbehandeling. De rechtbank is verder van oordeel dat in hoofdstuk 9 van het bestreden besluit voldoende registratieverplichtingen zijn opgenomen met betrekking tot de binnenkomende mest. Eisers 4 en eiser 1 klagen verder in het algemeen dat niet duidelijk is of aan een aantal verplichtingen van de BREF Afvalbehandeling toepassing is gegeven. De betreffende beroepsgrond van eiser 1 is echter te algemeen gesteld en onvoldoende onderbouwd. De beroepsgrond van eisers 4 ziet vooral op de uitvoering van de installatie zelf. Eisers 4 hebben echter niet gereageerd op de door vergunninghoudster overgelegde BBT- toets. De rechtbank ziet in deze beroepsgrond geen aanleiding voor het oordeel dat de toegepaste technieken en voorzieningen in de mestverwerkingsinstallatie niet voldoen aan de BREF Afvalbehandeling. Dit doet overigens niets af aan het oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of de luchtwasser bij de mestverwerkingsinstallatie voldoende rendement heeft om aan het voorschrift 7.4.1 van het bestreden besluit te voldoen.

23.7

De rechtbank is tot slot van oordeel dat eisers 4 terecht opmerken dat ten onrechte emissienormen voor de emissie van PM en CxHy, dioxines en kwik ontbreken. Verweerder heeft aangegeven dat hij voorschriften aan het bestreden besluit zal verbinden die overeenkomen met de normering in het Abm, waarbij wordt gebleven binnen de BREF ranges. Deze voorschriften staan nu echter niet in het bestreden besluit en de beroepsgrond van eisers 4 op dit onderdeel slaagt.

24. Eisers 4 hebben nog gronden naar voren gebracht over de schoorsteenhoogte van de BMEC. De rechtbank zal niet inhoudelijk op deze beroepsgrond ingaan, omdat ter zitting is vast komen te staan dat de BMEC niet zal worden gerealiseerd.

25.1

Eiser 1 is van mening dat ten onrechte geen voorschriften aan het bestreden besluit zijn verbonden om hinder (geluid, trilling, licht) ten gevolge van verkeer van en naar de inrichting te beperken. Er hadden ten minste voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden die ertoe leiden dat de Dorpenweg, behoudens uitzonderingen, niet wordt gebruikt. De opmerking in de aanvraag dat vergunninghoudster met vervoerders afspraken zal maken dat de Dorpenweg zal worden ontzien, is onvoldoende.

25.2

Verweerder merkt op dat in de aanvraag staat dat afspraken worden gemaakt over het ontzien van de Dorpenweg en dat daarmee voldoende vast staat dat dit zal gebeuren. Geurhinder van de vrachtwagens die mest vervoeren acht verweerder niet aannemelijk, want de mest wordt in gesloten tankwagens aangevoerd. Bovendien kunnen er geen voorschriften over de verkeersroute worden opgenomen ten aanzien van verkeer dat is opgenomen in het algemene verkeersbeeld.

25.3

Naar het oordeel van de rechtbank staat met de opmerking in de aanvraag over afspraken niet vast dat er ook afspraken worden gemaakt over de gewenste route. Verweerder zal hierop niet kunnen handhaven. Niet is gebleken dat verweerder deze afspraken op andere wijze heeft geborgd, bijvoorbeeld door middel van een overeenkomst, anders dan bijvoorbeeld in de zaak waar deze rechtbank uitspraak in heeft gedaan op 18 november 2015 (ECLI:NL:RBOBR:6568) waar verweerder wel een overeenkomst had gesloten. Juist in deze overeenkomst zag de Afdeling in de uitspraak inzake het ingestelde hoger beroep van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2327) aanleiding om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. Ook de feitelijke situatie is niet zodanig dat het verkeer van en naar de inrichting zal rijden op de door eiser 1 en verweerder voorgestane wijze. Met verweerder is de rechtbank echter wel van mening dat geen voorschriften kunnen worden gesteld ten aanzien van het verkeer van en naar de inrichting op een moment dat dit verkeer zich niet meer onderscheidt van het heersende verkeersbeeld. Dat neemt echter niet weg dat verweerder had moeten bezien of door middel van een voorschrift dat het volgen van de Dorpenweg van en naar de inrichting onaantrekkelijk maakt, de Dorpenweg kan worden ontzien, temeer omdat verweerder dit kennelijk zelf ook voorstaat, of dat verweerder een overeenkomst had moeten sluiten. Deze beroepsgrond slaagt.

26.1

Eiser 3 heeft vraagtekens gesteld bij de opgevoerde ammoniakemissie van de mestverwerkingsinstallatie en de BMEC. Deze is volgens hem onwaarschijnlijk laag en niet onderbouwd. Verder stelt eiser dat verweerder onvoldoende heeft gereageerd op de mogelijk vrijkomende ammoniak bij het mengen van de gedroogde en gecomposteerde mestfractie met de geproduceerde ammoniumsulfaatslurry.

26.2

De rechtbank zal niet inhoudelijk op deze beroepsgrond ingaan voor zover deze ziet op de ammoniakemissie van de BMEC, omdat ter zitting is vast komen te staan dat de BMEC niet zal worden gerealiseerd.

26.3

Verweerder heeft geconstateerd dat de aangevraagde ammoniakemissie is gebaseerd op de gegevens van een bestaande composteerinrichting met vergelijkbare capaciteit en op een onderzoek van de Wageningen Universiteit naar de emissie van ammoniak uit mest na scheiding. Dit acht verweerder voldoende. Omdat het mengen van dikke mestfractie met ammoniumsulfaatslurry gebeurt bij kamertemperatuur, verwacht verweerder dat er maar zeer weinig ammonium zal vrijkomen. Het vrijkomende ammonium zal in het proces of anders in de luchtwasser worden opgevangen.

26.4

Het bestreden besluit voorziet in een maximale emissie-eis voor de ammoniakemissie van de mestverwerkingsinstallatie in voorschrift 8.3.1 van het bestreden besluit. Hiermee is voldoende geborgd dat vanwege de mestverwerkingsinstallatie geen onaanvaardbare ammoniakemissie optreedt. Dit zou alleen anders zijn indien kan worden betwijfeld of vergunninghoudster wel aan voorschrift 8.3.1 kan voldoen. Verweerder heeft de aangevraagde ammoniakemissie echter gecontroleerd en vergeleken met de gegevens uit andere onderzoeken en studies. Eiser 3 heeft hier weliswaar kritiek op geuit en verwezen naar een Duitse studie, maar hierop is verweerder ingegaan in het bestreden besluit. De vergelijking met het project in Landhorst kan niet worden gemaakt, want dat is een andersoortig project. De door eiser 3 voorgestelde contra-expertise door verweerder acht de rechtbank niet noodzakelijk, omdat het bestreden besluit in de voorschriften 8.3.3 en verder reeds voorziet in aanvullend onderzoek als uit metingen blijkt dat niet wordt voldaan aan voorschrift 8.3.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht geen nadere voorschriften heeft opgelegd voor het mengen van ammoniumsulfaat met de dikke mestfractie. Ook al komt daar ammonium vrij, de mestverwerkingsinstallatie als geheel zal moeten voldoen aan voorschrift 8.3.1. Eiser heeft in reactie op de weerlegging van verweerder geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om aannemelijk te maken dat er veel meer ammonium zal vrijkomen bij het mengen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

27.1

Eisers 4 merken op dat een deel van de inrichting (de kades) zich buiten het gezoneerde industrieterrein bevindt, zoals dit is begrensd in artikel 17.2 van het bestemmingsplan Bedrijventerreinen Elzenburg-De Geer-Oss-2011. Om te kunnen toetsen aan de Wet geluidhinder moeten de grenzen van het industrieterrein worden gewijzigd en een zone hierom worden vastgesteld. Pas daarna kan er een omgevingsvergunning milieu op grond van de Wabo worden verleend, waarbij getoetst kan worden aan de geldende grenswaarden. Het geluidsonderzoek is onvoldoende, eisers hebben twijfels over de ingevoerde bronnen. Ook geluidsemissies van de Vaarweg hadden in het onderzoek moeten worden betrokken. Tot slot zijn te hoge piekgeluidsniveaus vergund, volgens eisers 4 omdat de berekende piekniveaus veel lager liggen.

27.2

Verweerder merkt op dat de zonegrens van het gezoneerde industrieterrein is opgesteld met inbegrip van de geluidsbelasting van de gronden buiten de tekening van het bestemmingsplan. Het is juist dat een deel van de noordelijke en westelijke kades van de locatie T2 niet tot het gezoneerde deel van het industrieterrein behoren. Dat heeft echter geen gevolgen voor de geluidsbelasting op de zonegrens. Omdat de geluidsbelasting van de bronnen op deze kades niet wijzigt (naar de rechtbank begrijpt ten opzichte van de milieuvergunning uit 2010), moet deze als vergund recht worden beschouwd. Verweerder merkt op dat eisers 4 niet inzichtelijk hebben gemaakt waarom het geluidsonderzoek bij de aanvraag onjuist of onvolledig zou zijn. Verweerder heeft gekozen voor het vergunnen van de maximaal toegelaten piekgeluidsniveaus in de lijn met de normstelling voor piekgeluidsniveaus voor bedrijven op een gezoneerd industrieterrein. Verweerder merkt hierbij op dat de piekgeluiden van vergunninghoudster nauwelijks te onderscheiden zijn van de piekgeluiden van andere bedrijven. Door het verplicht stellen van een uitvoeren van een akoestisch onderzoek waarin drie maanden na ingebruikname van de mestverwerkingsinstallatie wordt getoetst of wordt voldaan aan voorschrift 6.2.2 van het bestreden besluit (de normering voor het piekgeluid), is volgens verweerder voldoende geborgd dat geen onaanvaardbare piekgeluidniveaus zullen optreden. Verweerder heeft nog een beroep gedaan op artikel 6:22 van de Awb, mocht sprake zijn van een gebrek.

27.3

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de geluidsbelasting op de zonegrens hoger is dan de zonegrenswaarde, dan wel dat deze geluidsbelasting onjuist is vastgesteld in voorschrift 6.2.1 van het bestreden besluit. Dat neemt echter niet weg dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is voorzien in een geluidnormering van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van activiteiten binnen de inrichting op gronden of vaarwegen buiten de zonegrens. Met andere woorden, er is geen voorschrift over de geluidsbelasting van laad- en losactiviteiten op de loskades buiten de zonegrens, zodat de geluidsbelasting op deze kades in theorie onbeperkt hoog kan zijn. De aanvraag vormt hier onvoldoende begrenzing. Dat acht de rechtbank niet toelaatbaar. De enkele omstandigheid dat in het verleden kennelijk ook vergunning is verleend, leidt niet tot een ander oordeel, alleen al omdat het bestreden besluit ook laad- en losactiviteiten ten behoeve van de niet eerder vergunde mestverwerkingsinstallatie op de laad en loskades toelaat en hier geen sprake is van een eerder vergund recht. Zolang het geldende bestemmingsplan niet is aangepast en alle gronden of vaarwegen behorend bij de inrichting binnen de geluidszone liggen, zal verweerder een geluidnormering moeten stellen aan de activiteiten binnen de inrichting buiten de geluidzone. Dat heeft verweerder niet gedaan. In zoverre slaagt deze beroepsgrond. De rechtbank ziet geen reden dit gebrek te passeren met artikel 6:22 van de Awb, omdat omwonenden in hun belangen kunnen zijn geschaad door dit gebrek.

27.4

Ondanks de ligging van de inrichting op een gezoneerd industrieterrein valt niet in te zien waarom verweerder een hoger piekgeluidsniveau heeft vergund dan naar verwachting zal optreden binnen de inrichting. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat een piekgeluid juist eenvoudiger is te onderscheiden dan de algemene geluidsbelasting van de inrichting. Het bestreden besluit is op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd.

28.1

Eisers 2 en 6 hebben nog aangevoerd dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 21 van de Grondwet. Zij maken zich zorgen om hun gezondheid, niet alleen vanwege de verspreiding van geur, maar ook vanwege de verspreiding van eventuele ziekteverwekkende micro-organismen. Zij verwijzen naar het onderzoek van het RIVM ’Veehouderij en gezondheid omwonenden’ (het VGO onderzoek), het advies van de provinciale raad van gezondheid uit oktober 2014 en een artikel uit het blad H2Online, waarin wordt verwezen naar een nader onderzoek van het RIVM en de Wageningen Universiteit waarin staat dat micro-organismen beter kunnen overleven bij een procestemperatuur van 70 graden of lager die kan optreden bij een verstoring.

28.2

Verweerder heeft het RIVM en de Wageningen Universiteit onderzoek laten doen naar de gezondheidsrisico’s vanwege de mestverwerkingsinstallatie. Uit het rapport blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat mestverwerkingsinstallaties een bron zijn voor uitbraken van infectieziekten. Bovendien is sprake van een gesloten bedrijfsproces waardoor verspreiding van micro-organismen wordt tegengegaan. Ook al kunnen bij een procestemperatuur van minder dan 70 graden door een verstoring meer micro-organismen overleven, dan nog valt hieruit niet af te leiden dat hiermee sprake is van een zodanige blootstelling voor de omgeving dat sprake is van onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Eisers 2 en 6 hebben geen indicaties gegeven voor het tegendeel.

28.3

De rechtbank stelt voorop dat voor diverse milieuonderdelen die van invloed kunnen zijn op de volksgezondheid wettelijke en beleidsmatige toetsingskaders zijn gevormd, veelal op basis van heersende wetenschappelijke inzichten. Het ligt op de weg van degene die zich op het bestaan van een risico voor de volksgezondheid beroept om, aan de hand van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten, aannemelijk te maken dat deze toetsingskaders niet toereikend zijn om onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen. Er is nog geen wettelijk of beleidsmatig toetsingskader voor de verspreiding van micro-organismen vanwege mestverwerkingsinstallaties. Ook is er nog geen algemeen aanvaard wetenschappelijk inzicht. Het enkele ontbreken van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten is onvoldoende om de vergunning reeds daarom te weigeren vanwege een mogelijk volksgezondheidsrisico. Pas als er indicaties zijn dat een activiteit een risico voor de volksgezondheid zou kunnen hebben, zal het bevoegd gezag, mede gelet op het voorzorgsbeginsel, moeten onderzoeken of de mogelijke negatieve effecten op de volksgezondheid van een zodanige ernst kunnen zijn dat hierin aanleiding is gelegen om de vergunning te weigeren, of nadere voorschriften ter voorkoming van gezondheidsrisico’s aan de vergunning te verbinden. Deze indicaties hebben eisers 2 en 6 echter niet gegeven. In het VGO-onderzoek kan de rechtbank geen indicatie vinden voor volksgezondheidsrisico’s als gevolg van mestverwerkingsinstallaties. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voldoende invulling heeft gegeven aan het voorzorgsbeginsel door zelf onderzoek te laten doen door het RIVM en de Wageningen Universiteit naar de volksgezondheidsrisico’s als gevolg van mestverwerkingsinstallaties. Het bestreden besluit is op dit onderdeel voldoende zorgvuldig voorbereid.

Conclusie en vervolg van de zaak

29.1

Gelet op de rechtsoverwegingen 7, 10, 14, 16, 18, 23 en 27 komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Hieronder zal de rechtbank bezien of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of om een bestuurlijke lus toe te passen.

29.2

De aanvraag en besluitvorming rond de mestverwerkingsinstallatie heeft voor veel onrust gezorgd in de omgeving. Een groot aantal mensen heeft beroep ingesteld. Gelet op het verhandelde ter zitting betwijfelt de rechtbank of de maatschappij de vestiging van een mestverwerkingsinstallatie van deze omvang en/of binnen de bebouwde kom wel aanvaardbaar vindt. Het is echter niet aan de maatschappij om hierover te beslissen. Dat moet verweerder doen. Verweerder kan echter wel de maatschappelijke onrust wegnemen door een transparante en overzichtelijke besluitvorming. Een hersteloperatie waar tussen de bedrijven door een mer-beoordeling plaatsvindt en waar een ander essentieel onderdeel van de inrichting, de BMEC wordt vervangen door een biomassavergassingsinstallatie in de tweede fase van de verlening van de omgevingsvergunning, draagt niet bij aan het wegnemen van de maatschappelijke onrust. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er beter aan doet om één nieuw besluit te nemen op een nieuwe aanvraag, die voorziet in de biomassavergassingsinstallatie alsmede in voldoende voorzieningen en duidelijke voorschriften om de geurhinder van het bedrijf, in het bijzonder de mestverwerkingsinstallatie, te beperken. Gelet op de omstandigheid dat de BMEC zoals deze is vergund in het bestreden besluit, naar alle waarschijnlijkheid niet wordt uitgevoerd, ziet de rechtbank reeds op voorhand geen aanleiding voor een inhoudelijk oordeel over het besluit van 5 juli 2017 inzake de mer-beoordeling. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om in te gaan op de overgelegde wijziging van de aanvraag voor de biofilter van de mestverwerkingsinstallatie of de door vergunninghoudster overgelegde BBT-toets. De mer-beoordeling kan voorafgaand aan het nieuwe besluit worden genomen. Ook de wijziging van de aanvraag van de biofilter en de BBT-toets kunnen alsdan door verweerder worden betrokken in de besluitvorming.

29.3

Dat neemt niet weg dat snelle besluitvorming over een gewijzigde aanvraag, respectievelijk de aanvraag tweede fase, gewenst is omdat veel veehouders afhankelijk zijn van deze mestverwerkingsinstallatie. Mede gelet op de omstandigheid dat in deze procedure al zeer veel argumenten inhoudelijk zijn behandeld, ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid onder a, van de Awb bepalen dat afdeling 3.4 van de Awb buiten toepassing kan blijven. Het staat verweerder vrij om, indien hij dat gepast acht, afdeling 3.4 van de Awb wel toe te passen. De rechtbank zal verweerder opdragen binnen drie maanden na deze uitspraak een nieuw besluit te nemen.

29.4

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.237,50,- in het geval van eisers 2 en 5 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het verschijnen op de inlichtingencomparitie, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1),
€ 1.732,50 in het geval van eiser 1 (bovengenoemde punten alsmede het indienen van een zienswijze op het StAB advies en een schriftelijke reactie na de zitting), € 1.485,00 voor eisers 4 (bovengenoemde punten alsmede het indienen van een schriftelijke reactie na de zitting) en € 32,48 voor eisers 6 (reiskosten). Eisers 4 hebben ook nog een vergoeding gevorderd van kosten die de deskundige Belois heeft gemaakt. Eisers 2, en 5 hebben overigens ook naar deze deskundige verwezen. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder de gevorderde kosten voor de contra-expertise (€ 4.598,-, de extra uren (€ 484,-) en de quick-scan (€ 193,60) dient te vergoeden. De hoogte van deze kosten acht de rechtbank niet onredelijk. Om onduidelijke redenen worden de kosten van de quick-scan drie keer gevorderd. De rechtbank zal, gelet op het ontbreken van een toelichting hierop, volstaan met het toekennen van een enkele vergoeding. De deskundigenkosten komen slechts één keer voor vergoeding in aanmerking. Eisers 4 vorderen ook nog reiskosten (€ 8,40) welke voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen van eisers 2 en 5, voor zover deze betrekking hebben op BBT niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart de beroepen verder gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen drie maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

  • -

    bepaalt dat bij het nemen van dit nieuwe besluit toepassing van afdeling 3.4 van de Awb achterwege kan blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 1.174,00,- aan eisers te vergoeden (€ 334,00 aan eiser 1 en € 168,00 aan de overige eisers);

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser 1 tot een bedrag van € 1.732,50, de proceskosten van eisers 4 tot een bedrag van € 6.769,00, de proceskosten van eisers 2 en 5 tot een bedrag van € 1.237,50, en de proceskosten van eisers 6 tot een bedrag van € 32,48.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J.D. Streefkerk en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.