Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:4546

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
C/01/317373 / HA ZA 17-100
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Paragraaf 45 UAV 1989 geldt alleen voor de betaling van de primaire prestatie. Over een (wettelijke of contractuele) schadevergoeding is de wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW niet verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4558
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/317373 / HA ZA 17-100

(voorheen 214221 / HA ZA 10-1506)

Vonnis van 23 augustus 2017

in de zaak van

de stichting

CASADE WOONSTICHTING,

gevestigd te Waalwijk,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J. van Zinnicq Bergmann te 's-Hertogenbosch,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOUWBEDRIJF [gedaagde],

gevestigd te Hooge Mierden, gemeente Reusel-De Mierde,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna Casade en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de doorhaling van de procedure met zaak- en rolnummer 214221 / HA ZA 10-1506

- de heropvoering op de rol van die procedure onder het nieuwe zaak- en rolnummer C/01/317373 / HA ZA 17-100

  • -

    de akte na deskundigenbericht tevens houdende wijziging van eis in reconventie van [gedaagde] van 1 februari 2017

  • -

    de antwoordakte na (voorlopig) deskundigenbericht, tevens houdende wijziging van eis in reconventie van Casade van 1 maart 2017

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde] van 26 april 2017

  • -

    de antwoordakte van Casade van 24 mei 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Casade als opdrachtgever en [gedaagde] als aannemer hebben een aannemingsovereenkomst gesloten. Over de uitvoering van die overeenkomst zijn geschillen ontstaan, waarover twee procedures aanhangig zijn gemaakt waaronder deze procedure.

2.2.

In april 2015 hebben partijen een eerste vaststellingsovereenkomst gesloten (bijlage bij prod. 148 [gedaagde] ), waarin zij overeenstemming hebben bereikt over een groot deel van hun geschilpunten. Buiten die eerste vaststellingsovereenkomst vielen de vorderingen van Casade in conventie ter zake minderwerk CV-installatie en vertragingskorting en de vorderingen van [gedaagde] in reconventie ter zake stagnatieschade en buitengerechtelijke kosten.

2.3.

Op 12 december 2016 hebben partijen een tweede vaststellingsovereenkomst gesloten (prod. 148 [gedaagde] ), waarbij zij in verband met de resterende geschilpunten (samengevat) zijn overeengekomen:

1) partijen stellen de hoogte van de per saldo resterende vordering van [gedaagde] vast op een bedrag van € 2.700.000,, dat Casade op 15 december 2016 aan [gedaagde] zal betalen;

2) Casade betaalt aan [gedaagde] de (volgens Casade verschuldigde) wettelijke rente van artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 10 juli 2010 tot 15 december 2016, totaal € 535.169,38;

3) de aanspraak van [gedaagde] op de wettelijke handelsrente vermeerderd met 2% over dat bedrag valt buiten de overeenkomst; partijen zullen dat geschil aan de rechtbank Oost‑Brabant voorleggen;

4) aan die rechtbank zal ook worden voorgelegd het subsidiaire standpunt van Casade dat de imputatieregeling van artikel 6:44 BW niet geldt;

5) partijen dragen ieder de eigen kosten die gemaakt zijn met betrekking tot de tweede vaststellingsovereenkomst; zij zullen de rechtbank vragen de in het rentegeschil in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van de proceshandelingen met betrekking tot dat geschil overeenkomstig het daarvoor geldende liquidatietarief.

3 Het geschil

3.1.

Casade heeft haar eis in conventie gewijzigd in die zin dat zij al haar vorderingen in conventie heeft ingetrokken, behoudens de proceskostenvergoeding vanaf de voortzetting van de procedure na het deskundigenbericht.

3.2.

[gedaagde] heeft haar eis in reconventie gewijzigd in die zin dat zij nu (samengevat) vordert om Casade te veroordelen tot betaling van een rentebedrag van € 1.460.165,12, te vermeerderen met rente en (nieuwe) proceskosten.

3.3.

Casade voert in reconventie verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal de rechtbank voor zover nodig onder de beoordeling ingaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Nu Casade al haar vorderingen in conventie heeft ingetrokken, hoeft de rechtbank in conventie niet meer te beslissen. De rechtbank begrijpt dat de door Casade gemaakte uitzondering voor nieuwe proceskosten alleen betrekking heeft op de kosten in reconventie. In conventie zijn immers geen proceshandelingen meer verricht in verband met het rentegeschil waarvoor de schikking over de proceskosten niet gold.

in reconventie

4.2.

[gedaagde] stelt dat het bedrag van € 2.700.000, was berekend door op de vordering van [gedaagde] wegens stagnatiekosten van € 3.219.520, in mindering te brengen de vordering van Casade wegens een boete vanwege te late oplevering van € 519.520,. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat over haar vordering wegens stagnatiekosten de wettelijke handelsrente plus 2% verschuldigd is op grond van paragraaf 45 van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken 1989 (UAV 1989).

4.3.

Paragraaf 45 UAV 1989 luidt:

“1. Indien de opdrachtgever de ingevolge de overeenkomst verschuldigde betalingen niet tijdig verricht en de vertraging niet het gevolg is van een omstandigheid waarvoor de aannemer verantwoordelijk is, heeft deze aanspraak op vergoeding van rente tegen het wettelijk percentage met ingang van de dag, waarop de betaling uiterlijk had moeten geschieden. De rentevordering van de aannemer zal nimmer omvatten rente van rente.

2. Indien na verloop van twee weken sedert de dag waarop de betaling uiterlijk had moeten geschieden, deze nog niet heeft plaats gevonden en een nadien door de aannemer verzonden schriftelijke aanmaning na verloop van veertien dagen evenmin tot betaling heeft geleid, wordt het in het voorgaande lid bepaalde percentage na het verstrijken van die veertien dagen met 2 verhoogd, en is de aannemer bevoegd, mits hij zulks in de aanmaning heeft vermeld, hetzij de uitvoering van het werk te schorsen tot de opdrachtgever het door hem verschuldigde heeft betaald, hetzij het werk in onvoltooide staat te beëindigen. Met in onvoltooide staat is het bepaalde in paragraaf 14 van overeenkomstige toepassing.

(…)”

4.4.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad van Arbitrage van de Bouw geeft paragraaf 45 UAV 1989 ingeval van een handelsovereenkomst aanspraak op de wettelijke handelsrente. Ook heeft de Raad van Arbitrage van de Bouw al diverse malen beslist dat paragraaf 45 UAV 1989 gelet op de formulering daarvan alleen ziet op de overeengekomen betalingsverplichting voor de primaire prestatie en niet geldt voor de (wettelijke of contractuele) verplichting tot schadevergoeding. De rechtbank verwijst daartoe onder meer naar de uitspraak van 14 december 2010, nr. 32.335. De rechtbank sluit zich bij deze oordelen aan en neemt deze over. Dit is ook in overeenstemming met de jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van artikel 6:119a BW.

4.5.

[gedaagde] verwijst in haar akte van 1 februari 2017 naar een uitspraak van de Raad van Arbitrage van 22 juni 2013, nr. 32.305, waarin is overwogen dat de uitzondering voor een schadeloosstelling geen betrekking heeft op kosten die vergelijkbaar zijn met kostensoorten waarop de aannemingsovereenkomst betrekking heeft. Dat oordeel neemt de rechtbank niet over. Doorslaggevend is slechts of de vordering juridisch gezien moet worden aangemerkt als een verbintenis tot betaling van de primaire prestatie dan wel als een verplichting tot schadevergoeding. Er blijkt ook niet dat de verplichting tot betaling van stagnatiekosten rechtstreeks uit het contract voortvloeit.

4.6.

In haar akte van 26 april 2017 stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat haar vordering tot vergoeding van stagnatiekosten geen verplichting tot schadevergoeding betreft maar een verbintenis tot betaling van de primaire prestatie van [gedaagde] , omdat [gedaagde] als gevolg van de door Casade veroorzaakte vertragingen recht heeft op een vergoeding voor meerwerk in de zin van paragraaf 35 lid 1 UAV 1989.

4.7.

De rechtbank verwerpt dat standpunt. [gedaagde] heeft eerder in deze procedure onder meer aanspraak gemaakt op bedragen voor goedgekeurd meerwerk, voor niet goedgekeurd meerwerk, en voor de schade die [gedaagde] heeft geleden door stagnatie ondervonden tijdens het bouwproces (punt 9 eis in reconventie). In haar conclusie van eis in reconventie heeft [gedaagde] daarmee haar vordering wegens stagnatiekosten zelf niet aangemerkt als meerwerk maar als een schadevergoeding. In de eerste vaststellingsovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat Casade aan [gedaagde] het saldo van het door partijen vastgestelde meer- en minderwerk van € 439.219,47 zou betalen (artikel 1.1) en dat partijen na effectuering van de overeenkomst niets meer van elkaar te vorderen hebben ter zake meer- en minderwerk (artikel 5.1). In beide vaststellingsovereenkomsten wordt consequent gesproken over een vordering van [gedaagde] uit hoofde van vertragingsschade. Omdat [gedaagde] haar vordering heeft ingesteld als een vordering tot schadevergoeding en omdat partijen er ook in twee vaststellingsovereenkomsten vanuit zijn gegaan dat de vordering van [gedaagde] wegens stagnatiekosten geen meerwerk betrof maar een schadevergoeding, kan [gedaagde] daarop nu niet meer terugkomen.

4.8.

Die beslissing betekent dat alleen de wettelijke rente van artikel 6:119 BW verschuldigd is over het bedrag van € 2.700.000,. Omdat die wettelijke rente al volledig door Casade is betaald, is Casade niets meer aan [gedaagde] verschuldigd.

4.9.

De rechtbank hoeft niet te beslissen over het geschil tussen partijen over de vraag of de rente verschuldigd is over het bedrag van € 2.700.000,, zoals Casade meent, of over een bedrag van € 3.219.520,, zoals [gedaagde] meent. [gedaagde] heeft immers in haar berekening van haar rentevordering de gewone wettelijke rente over de vordering van Casade van € 519.520, in mindering gebracht. Het geschil over de hoogte van de hoofdsom zou daarom alleen relevant zijn geweest als de rechtbank zou hebben beslist dat Casade de wettelijke handelsrente plus 2% verschuldigd was. Nu de rechtbank heeft beslist dat Casade alleen de gewone wettelijke rente verschuldigd is, kan de gewone rente over een eventueel € 519.520, hogere vordering van [gedaagde] worden weggestreept tegen de gewone rente over een eventuele vordering van Casade van € 519.520,.

4.10.

Omdat het primaire verweer van Casade slaagt, komt de rechtbank evenmin toe aan het subsidiaire verweer van Casade dat de imputatieregeling van artikel 6:44 BW niet geldt.

4.11.

Op grond van het vorenstaande moet de gewijzigde vordering van [gedaagde] worden afgewezen.

4.12.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten die zijn gemaakt in verband met het rentegeschil. De kosten aan de zijde van Casade worden begroot op:

- explootkosten € 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 3.211,00 (1,0 punt × factor 1,0 × tarief € 3.211,00)

Totaal € 3.211,00

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verstaat dat de vorderingen in conventie zijn ingetrokken en dat niet meer over de proceskosten in conventie hoeft te worden beslist,

in reconventie

5.2.

wijst de vorderingen van [gedaagde] af,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Casade tot op heden begroot op € 3.211,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Bik en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2017.