Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:4545

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-08-2017
Datum publicatie
28-08-2017
Zaaknummer
4866461 CV EXPL 16-2076
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De kantonrechter volgt strikt het Hofmodel in de Waiver zaken. 2/3 deel van de restschuld wordt toegewezen en niet 2/3 deel van het koersverlies. De door Dexia gevorderde verklaring voor recht dat zij niets meer is verschuldigd wordt toegewezen. De betaling die Dexia op 18 januari 2012 reeds heeft gedaan is berekend volgens het Hofmodel. Dexia is hierover geen buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd aan gedaagde, omdat die betaling het gevolg is van de sanctionering door de Hoge Raad in april 2011 van het Hofmodel en niet van incassohandelingen van de gemachtigde van gedaagde. Voor zover er al sprake zou zijn van cold calling door Vero, geldt dat Vero niet is opgetreden als adviseur. Vero heeft slechts informatie toegestuurd aan gedaagde en vragen beantwoord. Er is onvoldoende causaal verband tussen de (eerste) cold call en de door gedaagde geleden schade als gevolg van het aangaan van de leaseovereenkomsten, omdat die overeenkomsten die niet tijdens dat telefoongesprek tot stand zijn gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel recht

Zittingsplaats ‘s Hertogenbosch

zaaknummer: 4866461

rolnummer CV EXPL 16-2076

vonnis van 3 augustus 2017

Vonnis van de kantonrechter:

i n z a k e

Dexia Nederland B.V.

gevestigd te Amsterdam

eiseres

gemachtigde: mr T.R. van Ginkel

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

gemachtigde: mr G. van Dijk

Partijen zullen hierna ook Dexia en [gedaagde] worden genoemd.

Dit vonnis is gewezen in vervolg op het tussenvonnis van deze rechtbank van 9 maart 2017.

De procedure

1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- een akte zijdens [gedaagde]

- een akte zijdens Dexia

- een akte zijdens [gedaagde] .

Daarna is wederom vonnis bepaald.

De verdere beoordeling van het geschil

2.
Bij voormeld tussenvonnis zijn partijen verzocht zich uit te laten over de berekening van de schadevergoedingsplicht die op Dexia rustte, die de kantonrechter aan hen heeft voorgelegd. Beide partijen hebben daarop uitvoerig gereageerd.

3. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis aan partijen verzocht zich uit te laten over de berekening van de door Dexia te betalen schadevergoeding zoals in dat vonnis opgenomen. De kantonrechter was daarbij niet uitgegaan van 2/3 deel van de restschuld, maar van 2/3 deel van het koersverlies van de effecten, omdat zij meende dat voor de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding het niet zou mogen uitmaken of iemand heeft afgelost of niet. Aldus zouden de meer speculatieve beleggers, die weinig of niets aflosten immers bevoordeeld worden boven de spaarzamer beleggers, die wel aflosten.

[gedaagde] heeft aangegeven zich wel in die berekening te kunnen vinden.

Dexia heeft tegen de berekening bezwaar gemaakt, omdat deze niet conform het door de Hoge Raad gesanctioneerde Hofmodel is.

De kantonrechter is het met Dexia eens dat die berekening niet volgens het Hofmodel is.

De aflossingen kunnen ook niet worden aangemerkt als “betaalde restschuld” zoals [gedaagde] beweert. De kantonrechter komt thans tot de conclusie dat vanwege de rechtszekerheid en rechtseenheid het Hofmodel strikt gevolgd moet worden. De achterliggende gedachte voor de vergoedingsplicht van Dexia en de berekening ervan is blijkens de motivering in onder meer het arrest Hof Amsterdam 1 december 2009 ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4983 onder B 4.10 en 4.13 het niet voldaan hebben aan de plicht om te waarschuwen voor de mogelijkheid van een restschuld, met andere woorden dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald, ongeacht de waarde van de effecten op dat moment. Daarom heeft het hof die restschuld als de basis voor de berekening van de schadevergoeding genomen, en niet het koersverlies dat mede oorzaak was van de restschuld (naast te weinig (periodieke) aflossing door de huurkoper).

De kantonrechter komt dan ook terug op de berekening van het tussenvonnis.

Die afwijkende wijze van berekening van de vergoedingsplicht van Dexia is overigens in meerdere vonnissen van deze rechtbank gevolgd. Voortaan zal dus in beginsel volgens het Hofmodel worden uitgegaan van de vergoeding van 2/3 deel van de restschuld en niet meer van 2/3 deel van het koersverlies.

4. De kantonrechter zal thans nog ingaan op de overige stellingen van partijen.

4.1.

[gedaagde] stelt dat hij destijds is geadviseerd door Vero, die niet beschikte over de benodigde vergunning en evenmin over de verplichte vrijstelling, en dat hij ten onrechte zich niet zou hebben kunnen uitlaten over de gevolgen van de arresten van de HR van

2 september 2016 in [naam] /Dexia.

De kantonrechter wijst erop dat in het tussenvonnis van 9 maart 2017 onder 5.8.4 uitvoerig is ingegaan op de door [gedaagde] beweerde advisering door Vero en dat op grond van de stellingen van [gedaagde] zelf géén advisering door Vero is aangenomen.

Het door [gedaagde] aangehaalde arrest van 2 september 2016, had betrekking op een remisier die werkelijk geadviseerd had. Dit is dan ook niet relevant voor dit geschil. Het geven van voorlichting over een effectenproduct en het beantwoorden van vragen erover kan niet aangemerkt worden als advisering.

Daarnaast heeft Dexia uiteengezet dat Vero destijds belcapaciteit aan haar (rechtsvoorgangster) uitleende. Aldus kan Vero evenmin worden aangemerkt als een tussenpersoon die de indruk zou kunnen hebben gewekt onafhankelijk van Dexia te adviseren. [gedaagde] stelt immers zelf ook in zijn conclusie van antwoord onder alinea 160, dat Vero zich presenteerde als Dexia.

4.2.

Voorts heeft de kantonrechter reeds beslist onder 5.8.3. dat er hier geen verboden cold calling heeft plaatsgevonden, wat overigens alleen de totstandkoming van de eerste overeenkomst nummer 36010479 zou kunnen betreffen. De kantonrechter oordeelt dat er onvoldoende causaal verband tussen een eerste telefoongesprek en de door [gedaagde] geleden schade kan worden aangenomen, aangezien de overeenkomst niet tijdens dat gesprek tot stand is gekomen. Het heeft onbetwist alleen geleid tot het toesturen van informatie over het aangeboden product, waarna [gedaagde] heeft kunnen beslissen of hij dit interessant vond of niet, en daarover nadere vragen heeft kunnen stellen. Dit leidt niet tot een hogere schadevergoedingsverplichting voor Dexia. Dat de AFM heeft beslist dat Dexia telefoongesprekken over effectenleaseproducten met consumenten heeft geïnitieerd en dat er wel sprake zou zijn geweest van cold calling, doet aan het gebrek aan voldoende causaliteit niets af.

4.3.

[gedaagde] stelt dat hij vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten dient te krijgen over tenminste het bedrag dat Dexia aan hem heeft uitgekeerd. De kantonrechter wijst erop dat Dexia de uitkering, die zij begin 2012 heeft gedaan aan al degenen die een opt out verklaring hadden afgelegd, heeft aangekondigd in haar brief van 21 december 2011. Deze betaling is niet het gevolg geweest van buitengerechtelijke werkzaamheden door de gemachtigde van [gedaagde] , maar van de arresten van de Hoge Raad van 29 april 2011, waarin is geoordeeld dat het Hof Amsterdam geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met de vaststelling van het Hofmodel. Dit is reeds door Dexia aangevoerd onder alinea 7 van de inleidende dagvaarding. Over dit uitgekeerde bedrag zijn dan ook geen buitengerechtelijke incassokosten aan [gedaagde] verschuldigd.

In het tussenvonnis wordt inderdaad bij de beoordeling van de vraag of er buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd onder 5.9 de naam [naam] genoemd in plaats van [gedaagde] . Deze verschrijving is het gevolg van het feit dat de rechtbank, gelet op het groot aantal Dexia-zaken, niet aan een zekere standaardisering ontkomt van de vonnissen in die zaken, met name omdat beide procespartijen, althans hun gemachtigden, in alle zaken dezelfde argumenten opeenstapelen, relevant of niet. Het vonnis wordt bij dezen verbeterd: onder 5.9 wordt “ [naam] ” vervangen door “ [gedaagde] ”.

5. De kantonrechter berekent dat de hoogte van de door Dexia te betalen vergoeding gelijk is aan 2/3 deel van de restschuld ad € 635,96 in totaal, derhalve 2/3 x € 423,97. Vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 december 2004 was dit op de dag van betaling, 18 januari 2012, € 578,32. Het verschil van € 0,12 met het betaalde bedrag van

€ 578,20 is verwaarloosbaar. In rechte wordt derhalve vastgesteld dat Dexia aan al haar financiële verplichtingen jegens [gedaagde] heeft voldaan.

De gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen.

6. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten van dit geding. Er is geen wettelijke grond om daarvan af te wijken, zoals [gedaagde] betoogt.

Deze proceskosten ad in totaal € 513,01 zijn als volgt samengesteld:

  • -

    de kosten van het exploot van dagvaarding ad € 96,01;

  • -

    het door Dexia betaalde griffierecht ad € 117,-;

  • -

    het salaris van haar gemachtigde, te weten 3 punten x € 100,-= € 300,-.

De beslissing

De kantonrechter:

Verklaart voor recht dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomsten van effectenlease met nummers 36010479 en 38081827 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [gedaagde] is verschuldigd;

Veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding aan de zijde van Dexia, welke kosten tot op heden worden vastgesteld op € 513,01;

Verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. E.J. Spoor, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 augustus 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter