Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:4512

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-08-2017
Datum publicatie
25-08-2017
Zaaknummer
01/865060-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het treffen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot productie van amfetamine. De rechtbank veroordeelt verdachte tot twaalf maanden gevangenisstraf met aftrek waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865060-17

Datum uitspraak: 25 augustus 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [verdachte] 1996,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht

.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 juli 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 mei 2017 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde

lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden,

bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen

het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of

te bevorderen (in een bestelbus) 24 tonnen/kokers met in totaal (ongeveer) 600

kilogram APAA, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes

mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die

bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

Bewijsoverweging.

Verdachte heeft in opdracht van een ander tegen betaling 600 kilo APAA vervoerd in een bestelbus. In de bus stonden 24 tonnen/kokers gevuld met APAA. Volgens het NFI wordt APAA gebruikt bij de productie van BMK. BMK is een grondstof voor amfetamine.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij door een hem nagenoeg onbekende persoon op straat werd aangesproken en dat hem werd gevraagd of hij iets wilde verdienen. Hij kreeg een aanzienlijk geldbedrag (naar zijn zeggen vijfhonderd euro) voor het met een bestelbus vervoeren van een aantal vaten. Verdachte verklaart dat hij voor vertrek achter in de bestelbus de bewuste vaten heeft zien staan en dat hij vermoedde dat hetgeen hij moest vervoeren, niet in de haak was. Hij zegt gedacht te hebben aan gestolen goederen of iets dergelijks.

Het voorhanden hebben van APAA is onder omstandigheden strafbaar als het voorhanden hebben dient ter voorbereiding of ter bevordering van de productie van of de handel in harddrugs. Vereist is dat verdachte er wetenschap van had dat zijn handelingen daarop waren gericht.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet had op het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen tijdens het vervoer van de stoffen in de bus.

De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.

Verdachte wist dat wat hij deed niet in de haak was. Hij kreeg er veel geld voor, het werd hem gevraagd door een nagenoeg onbekend persoon, verdachte heeft in de bus gekeken en zag daar vaten staan. Verdachte is op aanwijzingen van de opdrachtgever achter die opdrachtgever aangereden en werd onderweg staande gehouden door de politie. Verdachte is toen gevlucht. Tijdens de vlucht bood verdachte een willekeurige bewoner in de straat waar hij zich wilde verschuilen, duizend euro aan om hem in haar woning toe te laten.

De rechtbank neemt ook in aanmerking dat verdachte heeft erkend via de media bekend te zijn met de problemen die samenhangen met de drugsproductie en het dumpen van drugsafval en dat daar veel chemische stoffen, opgeslagen in vaten, gebruikt worden .

Het is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen hoogst onwaarschijnlijk dat de gedachte aan drugs niet bij verdachte is opgekomen.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het voorbereiden en/of bevorderen van de productie van drugs gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans dat de stoffen die hij vervoerde gebruikt zouden worden bij de productie van drugs heeft aanvaard.

Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.

Het tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

op 24 mei 2017 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden,

bewerken of verwerken van amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en te bevorderen, in een bestelbus 24 tonnen/kokers met in totaal 600 kilogram APAA voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededader ernstige redenen hadden te vermoeden, dat die

bestemd waren tot het plegen van die feiten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarden toezicht van de jeugdreclassering, een meldplicht, een verplichting tot medewerking aan een ambulante behandeling, een locatiegebod gedurende de eerste twee maanden van de proeftijd en de verplichting inzicht te verschaffen in dagbesteding, sociaal netwerk en financiƫn, een en ander zoals verwoord in het adviesrapport van de reclassering van 1 augustus 2017.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich (samen met zijn mededader) schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen met betrekking tot de productie van amfetamine door het voorhanden hebben van de daartoe benodigde stof. Hij heeft in opdracht van een ander tegen betaling met een bestelbus een zeer grote hoeveelheid APAA vervoerd teneinde die ergens te gaan afleveren.

Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in drugs gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit: niet alleen vermogenscriminaliteit als diefstal of inbraak door gebruikers, maar ook zeer ernstige gewelddelicten met als uiterste vorm liquidaties. Een en ander heeft te maken met de enorme bedragen die met de productie van drugs kunnen worden verdiend. Ook de straatwaarde van de hoeveelheden drugs die kunnen worden geproduceerd met de onder verdachte aangetroffen grondstoffen is zeer groot. Verdachte heeft zich willens en wetens met dergelijke criminele activiteiten ingelaten.

Verdachte heeft bij het plegen van het feit gehandeld uit puur winstbejag.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder (in 2013) voor een soortgelijk feit werd veroordeeld.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee de jeugdige leeftijd van verdachte (te weten 20 jaar).

De raadsman heeft verzocht aan verdachte een taakstraf en een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest (43 dagen) en daarbij eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

De rechtbank is echter van oordeel dat deze straf geen recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde, temeer nu verdachte al eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding, het voorkomen van algemene en bijzondere recidive en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van 12 maanden op zijn plaats.

De rechtbank zal deze gevangenis straf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Aan deze voorwaardelijke straf zal (zullen) na te noemen bijzondere voorwaarde(n) worden gekoppeld.

Volgens de reclassering is het recidiverisico hoog/gemiddeld. Er zijn duidelijk aanwijzingen voor problemen ten aanzien van de impulsbeheersing en het behouden van structuur en verdachte maakt ondoordachte keuzes. De reclassering acht het wenselijk dat verdachte eventueel na diagnostiek handvatten aangereikt krijgt om met zijn beperkingen om te gaan.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 47.

Opiumwet art. 10, 10a.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:

medeplegen van: een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf:

gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het

Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen

van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de

Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de

medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden

gegeven door de reclassering;

- zich (uiterlijk) op de derde werkdag na het onherroepelijk worden van dit vonnis

(telefonisch) zal melden bij de reclassering, afdeling Novadic Kentron, Korte Raamstraat 3

te Breda (telefoonnummer: 076-5236300) en zich daarna gedurende een door die

reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal

blijven melden zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

- zich verplicht medewerking te verlenen aan het afnemen van diagnostiek en zich

aansluitend gedurende de proeftijd zal laten behandelen bij de forensische psychiatrische

polikliniek van "het Dok", of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter

beoordeling van de reclassering, en zich gedurende de behandeling zal houden aan de

aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling zullen worden gegeven door of

namens de instelling/behandelaar;

- zich gedurende de eerste twee maanden van de proeftijd dagelijks tussen 23.00 uur en

09.00

uur de volgende dag zal bevinden op het woonadres van zijn ouders ( [geboorteplaats]

) zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal worden ondersteund door

middel van RFID (elektronisch toezicht);

- gedurende de proeftijd inzicht zal geven omtrent zijn financiƫn en sociale netwerk en zijn

medewerking zal verlenen aan een nader te bepalen dagbesteding/dagstructuur,

waarbij Reclassering Nederland, afdeling Novadic Kentron, Korte Raamstraat 3

te Breda, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Bossink, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. C.P.C. Kuijs, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 25 augustus 2017.