Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:4502

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-08-2017
Datum publicatie
24-08-2017
Zaaknummer
01/880491-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in de kelder van een café. Daardoor is het pand waarin het café was gevestigd, de inboedel daarvan en de naast dit pand gelegen woonruimten en de zich daarin bevindende goederen volledig verwoest. Tijdens de brandstichting waren er personen in de woonruimten aanwezig. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaren. Aan vier benadeelde partijen wordt in totaal een schadevergoeding van ruim € 12.000,-- toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01/880491-16

Datum uitspraak: 24 augustus 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

thans gedetineerd in de P.I. Limburg Zuid - De Geerhorst.

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 juni 2017 en 10 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht

.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 april 2017. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 10 augustus 2017 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. Met inachtneming van deze wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 juni 2016 in [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur café [naam 3] ( [adres 1] ) en/of de boven en/of naast dat café gelegen woonruimtes in brand gestoken door een (licht) ontvlambare (vloei)stof, althans een brandbaar voorwerp in brand te steken, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander of anderen, te weten voor [slachtoffer] en/of andere personen die zich in genoemd pand en/of woonruimte(s) en/of de belendende percelen bevonden en/of terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor het café en/of de boven en/of naast dat café gelegen woonruimtes en/of de belendende percelen (woning en/of appartement) en/of de inboedel van dat café en/of van die woonruimtes en/of van die belendende percelen te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Bron.

Een dossier van de politie-eenheid Oost-Brabant, Districtsrecherche Eindhoven, met proces-verbaalnummer AB1R016067, onderzoeksnaam Bamberg, afgesloten op 6 april 2017, in totaal 807 doorgenummerde bladzijden (hierna te noemen: eindproces-verbaal).

Bewijsbijlage.

Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bijlage A bij dit vonnis (pagina’s 17 tot en met 24).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten is.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

In de nacht van 24 juni 2016 is café “ [naam 3] ”, gevestigd aan de [adres 1] in [plaats 1] , door brand verwoest. Ook de daarboven gelegen woonruimtes zijn als gevolg van de brand verloren gegaan en de rest van het monumentale pand liep forse schade op.

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat sprake is geweest van opzettelijke brandstichting. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de conclusies van het technisch onderzoek, uitgevoerd door Onafhankelijk onderzoeksbureau I-TEK B.V., in combinatie met de beelden van de verschillende bewakingscamera’s ter plaatse, bezwaarlijk anders worden uitgelegd. De omstandigheid dat niet vastgesteld kon worden dat er een brand versnellende vloeistof is gebruikt, maakt dit oordeel niet anders.

Door de verdediging is verder het verweer gevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet onomstotelijk volgt dat de verdachte de onderhavige brand heeft gesticht.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

De bewakingsbeelden ter plaatse zijn door verbalisanten bekeken en geanalyseerd. Zij hebben daarover onder meer het volgende gerelateerd. Op de bewakingsbeelden is te zien dat er in de nacht van 24 juni 2016 (02.35 uur) een auto het café voorbij rijdt en even later terugkomt. Aan de bijrijderszijde stapt een persoon uit (02.36 uur), die een achterportier van de auto opent en vervolgens in de richting van de kelderdeur van het café loopt. De persoon heeft dan een voorwerp vast, gelijkend op een tas of rugzak. Kort daarna (02.37 uur) gaat het alarm van de kelderdeur af en binnen een minuut is er voor de entree van het café een lichtschijnsel waarneembaar. Op dat moment gaat ook het brandalarm af (02.38 uur). Op de beelden is vervolgens de dader van de brandstichting zichtbaar die – zonder het eerdergenoemde voorwerp – de trap op rent in de richting van de auto (02.38uur).

Op de beelden afkomstig van de bewakingscamera van het pand aan de [adres 2] is te zien dat op het raam aan de linker binnenzijde van de auto een op een zonnescherm gelijkend voorwerp is bevestigd ter hoogte van de achterbank. Ook wordt waargenomen dat de kentekenplaatverlichting aan de linkerzijde van het nummerbord niet brandt en dat de auto is voorzien van een trekhaak.

Uit onderzoek is gebleken dat de auto op de beelden een Peugeot Partner of een Citroën Berlingo van vóór 2009 betreft.

Op het woonadres van de verdachte staan twee personenauto’s geregistreerd: een Citroën Berlingo, voorzien van kenteken [kenteken] , uit 2004 op naam van de echtgenote van de verdachte, en een Fiat Punto op naam van de verdachte.

Door de politie is de Citroën Berlingo op 8 oktober 2016 geobserveerd. Waargenomen werd toen dat er aan de linker binnenzijde van de auto op het raam een zonnescherm was bevestigd ter hoogte van de achterbank. Ook werd gezien dat de auto was voorzien van een trekhaak.

Op 18 oktober 2016, daags nadat in de programma’s Opsporing Verzocht en Bureau Brabant aandacht was besteed aan de onderhavige brand en waarbij de betreffende camerabeelden waren getoond, vond er wederom een observatie plaats. Waargenomen werd toen dat het zonnescherm op het raam van de Citroën Berlingo was verwijderd.

De verdachte heeft in eerste instantie ontkend dat er op het raam van de Citroën Berlingo een zonnescherm was bevestigd. Nadat hij was geconfronteerd met foto’s van de auto die tijdens beide observaties waren genomen, heeft hij verklaard dat hij het zonneschermpje zelf had verwijderd, omdat hij niets met de brandstichting te maken had en geen gezeik wilde.

Uit onderzoek bij garagebedrijf [naam 1] in [plaats 2] is gebleken dat op 3 augustus 2016, ruim een maand na de brandstichting, bij een APK keuring is vastgesteld dat de kentekenplaatverlichting van de Citroën Berlingo niet werkte.

De politie heeft vervolgens op 22 december 2016, in de avonduren, met de Citroën Berlingo, voorzien van een zonnescherm aan het raam aan de linkerzijde van de auto, verschillende malen langs de bewakingscamera van het pand aan de [adres 2] gereden. Op de screenshots genomen tijdens dit onderzoek was het tweede brandende kentekenlicht goed te onderscheiden. Verder viel het zonnescherm links achter op en was de vorm van de carrosserie gelijk aan die van de auto op de bewakingsbeelden.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank dat voldoende vast is komen te staan dat bij de brandstichting gebruik gemaakt is van de Citroën Berlingo van de verdachte, die geregistreerd staat op naam van zijn echtgenote.

De Fiat Punto van de verdachte is op enig moment voorzien van afluisterapparatuur. Op 10 december 2016 werd een vertrouwelijk gesprek tussen de verdachte en zijn collega, [getuige 2] , in de auto, opgenomen en afgeluisterd. In dit gesprek wordt naar het oordeel van de rechtbank door beiden onmiskenbaar gesproken over de brandstichting in café “ [naam 3] ” in [plaats 1] .

De verdachte heeft in dit gesprek tegen [getuige 2] onder meer gezegd: “Het enige wat ik hoop is dat ik gewoon buiten blijf, da’k gewoon kan blijven werken”. En op de opmerking van [getuige 2] : “Nou. Ik weet het, wat er gebeurd is en je ziet jou op videobeelden”, heeft de verdachte geantwoord: “Ja maar ze kunnen het niet hard maken”.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dit gesprek bezwaarlijk anders worden uitgelegd dan als een feitelijke bevestiging van de verdachte van zijn betrokkenheid bij de brandstichting. Met de officier van justitie acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij met dit gesprek slechts heeft bedoeld dat ‘ze het maar moeten uitzoeken’ en niet dat hij op de camerabeelden te zien is, gelet op de aard en inhoud van het gesprek, volstrekt onaannemelijk.

[getuige 2] voornoemd is door de politie als getuige gehoord. Hij herkende op de hem getoonde bewakingsbeelden meteen de auto van de verdachte. De verdachte herkende hij op de beelden niet, maar hij heeft wel verklaard dat drie andere personen, onder wie [getuige 1] , de verdachte wel op de beelden hebben herkend.

[getuige 1] , eveneens een collega van de verdachte, is vervolgens ook als getuige gehoord. Aan hem zijn de beelden van de bewakingscamera getoond. Hij heeft aan de hand daarvan verklaard dat de persoon op de beelden ‘verdomd veel lijkt’ op de verdachte en dat de auto op de beelden erg overeenkomt met de auto die de verdachte heeft.

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is overwogen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte café “ [naam 3] ” in [plaats 1] in brand heeft gestoken. Naast het oordeel van de rechtbank dat er overduidelijk sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen, is er eveneens levensgevaar voor anderen te duchten geweest, onder wie slachtoffer [slachtoffer] . Hij bevond zich ten tijde van de brandstichting in zijn kamer in het woonhuis grenzend aan het café en lag te slapen. Hij is door de brandweer uit zijn bed gehaald en kwam hoestend naar buiten. Maar ook andere personen die zich in en in de nabijheid van dat woonhuis bevonden moesten door de politie worden gewaarschuwd en geëvacueerd.

Partiële vrijspraak medeplegen.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het onderdeel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op het medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Uit de processtukken volgt immers niet dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een ander of anderen, zoals bijvoorbeeld de chauffeur van de Citroën Berlingo.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierna in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte

op 24 juni 2016 in [plaats 1] opzettelijk brand heeft gesticht, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur café [naam 3] ( [adres 1] ) in brand gestoken door een brandbaar voorwerp in brand te steken, terwijl daarvan levensgevaar voor anderen, te weten voor [slachtoffer] en andere personen die zich in genoemd pand en/of woonruimtes en/of de belendende percelen bevonden, en terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor het café en de boven en naast dat café gelegen woonruimtes en de belendende percelen (woning en/of appartement) en de inboedel van dat café en van die woonruimtes en van die belendende percelen, te duchten was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De motivering van de beslissing.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Door de verdediging is geen strafmaatverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting in de kelder van café “ [naam 3] ” in [plaats 1] . De verdachte heeft hiermee een zeer omvangrijke schade veroorzaakt. Naast het café, dat gevestigd was in een monumentaal pand, en de inboedel daarvan, zijn ook de daarboven en daarnaast gelegen woonruimtes en de zich daarin bevindende goederen volledig verwoest.

De rechtbank rekent het de verdachte bovendien zeer aan dat hij door zijn handelen welbewust levensgevaar heeft veroorzaakt voor de aanwezige personen in de woonruimtes boven het café en in de aan het café grenzende panden. Hij heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de slachtoffers. Daarnaast werden hulpverleners (de brandweer) gedwongen tot het nemen van zeer grote risico’s om levens te redden of ten minste te onderzoeken of er levens gevaar liepen. Dat er geen zwaar gewonden of doden zijn gevallen, is een omstandigheid die niet aan de verdachte te danken is geweest.

Brandstichting is een bijzonder ernstig feit dat vanwege het gevaarzettende karakter daarvan gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt, niet alleen en in het bijzonder bij de bewoners van de woonruimtes boven het café en de belendende woningen, maar ook en meer in het algemeen in de samenleving als geheel.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het voorgaande daarom slechts een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Hoewel de rechtbank de verdachte vrijspreekt van het ten laste gelegde medeplegen, zal zij aan de verdachte dezelfde straf opleggen als door de officier van justitie is geëist. De rechtbank zal in die zin aldus aan de verdachte een zwaardere straf opleggen dan de officier van justitie heeft gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is de op te leggen straf in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde.

De vorderingen van benadeelde partijen [slachtoffer] , [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] .

De vorderingen.

Benadeelde partij [slachtoffer] voornoemd heeft een civiele vordering ingediend ten bedrage van € 4.780,00, bestaande uit € 3.350,00 voor materiële schade en € 1.430,00 voor immateriële schade. De verzochte materiële schadevergoeding is (kort weergegeven) als volgt opgebouwd:

  • -

    bromscooter Peugeot Vivacity: € 500,00;

  • -

    Samsung TV: € 400,00;

  • -

    pc met monitor en accessoires: € 550,00;

  • -

    dvd-speler: € 50,00;

  • -

    computertafel met stoel: € 100,00;

  • -

    100 dvd’s, cd’s en boeken: € 150,00;

  • -

    éénpersoonsledikant met twee kastjes: € 200,00;

  • -

    zitbank en stoelen: € 350,00;

  • -

    diverse kleding, schoenen, foto’s: € 1.000,00;

  • -

    ventilator: € 50,00.

Benadeelde partij [benadeelde 1] voornoemd heeft een civiele vordering ingediend ten bedrage van € 3.992,32 voor materiële schade. De verzochte materiële schadevergoeding is (kort weergegeven) als volgt opgebouwd:

  • -

    gebitsprothese: € 1.192,32;

  • -

    TV: € 500,00;

  • -

    PS-3: € 400,00;

  • -

    laptop: € 300,00;

  • -

    huisraad: € 300,00;

  • -

    diverse kleding, schoenen, foto’s: € 1.000,00;

  • -

    ventilator: € 300,00.

Benadeelde partij [benadeelde 2] voornoemd heeft een civiele vordering ingediend ten bedrage van € 8.440,00 voor materiële schade. De verzochte materiële schadevergoeding is (kort weergegeven) als volgt opgebouwd:

  • -

    bankstel set: € 2.500,00;

  • -

    iPad: € 590,00;

  • -

    magnetron: € 200,00;

  • -

    tafel en met stoelen: € 400,00;

  • -

    twee bedden: € 500,00;

  • -

    een kast: € 400,00;

  • -

    TV met Dolby Surround: € 2.000,00;

  • -

    koelkast: € 300,00;

  • -

    servies: € 300,00;

  • -

    kleine tafel: € 100,00;

  • -

    glazen en bestek: € 200,00;

  • -

    laptop: € 550,00;

  • -

    diverse kleding: € 600,00.

Benadeelde partij [benadeelde 3] voornoemd heeft een civiele vordering ingediend ten bedrage van € 8.915,17 voor materiële schade. De verzochte materiële schadevergoeding is (kort weergegeven) als volgt opgebouwd:

  • -

    meubels: € 1.340,00;

  • -

    witgoed: € 628,97;

  • -

    stoffering: € 555,30;

  • -

    bedden: € 689,00;

  • -

    lampen: € 93,90;

  • -

    bankstel en stoelen: € 850,00;

  • -

    audioapparatuur: € 1.598,00;

  • -

    visspullen: € 2.000,00;

  • -

    biljartkeu en dartpijlen: € 360,00;

  • -

    sieraden: € 800,00.

Benadeelde partij [benadeelde 4] voornoemd heeft een civiele vordering ingediend ten bedrage van € 1.150.000,00 (exclusief btw) voor materiële schade. Tevens heeft zij een proceskostenvergoeding ad. € 31.587,31 gevorderd. De verzochte materiële schadevergoeding is (kort weergegeven) als volgt opgebouwd:

  • -

    opstal (basis herstelkosten): € 855.000,00;

  • -

    huurderving: € 150.000,00;

  • -

    inventaris: € 35.000,00;

  • -

    opruimingskosten: € 75.000,00;

  • -

    extra kosten op last overheid: € 35.000,00.

Ter terechtzitting van 10 augustus 2017 heeft de benadeelde partij, met inachtneming van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2017, haar vordering mondeling verlaagd tot € 948.982,95 (exclusief btw). Bij genoemd vonnis is de verzekeraar van de benadeelde partij, China Taiping Insurance (UK) Co. Ltd., in kort geding veroordeeld tot betaling van € 201.017,05 aan de benadeelde partij. Benadeelde partij [benadeelde 4] heeft ter terechtzitting van 10 augustus 2017 verklaard dat de verzekeraar laatstgenoemd bedrag inmiddels aan haar heeft uitgekeerd.

Alle benadeelde partijen hebben voorts de wettelijke rente vanaf 24 juni 2016 gevorderd. Verder hebben de benadeelde partijen, met uitzondering van benadeelde partij [benadeelde 4] , verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de officier van justitie.

Met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van de vordering met uitzondering van de gevorderde kosten voor het eenpersoonsledikant, de zitbank en de stoelen.

Met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

Ten aanzien van de vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] heeft de officier van justitie met verwijzing naar de schattingsbevoegdheid van de rechtbank op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek zich voor wat betreft de hoogte van de toe te wijzen bedragen telkens gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De officier van justitie heeft ten aanzien van genoemde vorderingen steeds geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedings-maatregel.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 4] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de benadeelde partij daarom in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Gelet hierop heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen in hun afzonderlijke vorderingen niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemene overweging ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoedingen.

Voor zover de omvang van de gevorderde schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zal de rechtbank bij het vaststellen van de hoogte van de schade gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] .

De rechtbank acht de door de benadeelde partij geschatte hoogte van de schade ten aanzien van de volgende materiële posten voldoende aannemelijk geworden:

  • -

    bromscooter Peugeot Vivacity: € 500,00;

  • -

    Samsung TV: € 400,00;

  • -

    pc met monitor en accessoires: € 550,00;

  • -

    dvd-speler: € 50,00;

  • -

    computertafel met stoel: € 100,00;

  • -

    100 dvd’s, cd’s en boeken: € 150,00;

  • -

    diverse kleding, schoenen, foto’s: € 1.000,00;

  • -

    ventilator: € 50,00

De overige gevorderde materiële posten, te weten éénpersoonsledikant met twee kastjes

(€ 200,00) en zitbank en stoelen (€ 350,00), zal de rechtbank afwijzen, omdat op grond van het verhandelde ter terechtzitting voldoende is komen vast te staan dat deze goederen ten tijde van het bewezen verklaarde niet aan de benadeelde partij toebehoorden, maar eigendom waren van de verhuurder van het pand.

Naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank tevens voldoende aannemelijk geworden dat [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde feit nadeel van niet-vermogensrechtelijke aard heeft ondervonden. Deze schade valt naar zijn aard niet exact vast te stellen en dient derhalve te worden begroot. De rechtbank heeft hierbij acht geslagen op de bedragen die, gelet op de gepubliceerde rechtspraak, door rechtbanken en gerechtshoven plegen te worden toegekend in min of meer vergelijkbare gevallen. De rechtbank begroot de immateriële schade op € 1.000,00. De rechtbank zal de overig gevorderde immateriële schadevergoeding afwijzen.

De rechtbank acht aldus, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, toewijsbaar een bedrag van € 3.800,00.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde [benadeelde 1] ,

De rechtbank acht voor wat betreft de volgende materiële posten de door de benadeelde partij geschatte hoogte van de schade voldoende aannemelijk geworden:

  • -

    gebitsprothese: € 1.192,32;

  • -

    laptop: € 300,00;

  • -

    diverse kleding, schoenen, foto’s: € 1.000,00.

De rechtbank schat de hoogte van de schade van de volgende materiële schadeposten als volgt:

  • -

    TV: € 400,00;

  • -

    PS-3: € 100,00;

  • -

    ventilator: € 50,00.

De rechtbank acht aldus, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, toewijsbaar een bedrag van € 3.042,32.

De rechtbank zal de overig gevorderde materiële schadevergoeding afwijzen.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] .

De rechtbank schat de hoogte van de schade van de volgende materiële schadeposten als volgt:

  • -

    iPad: € 300,00;

  • -

    magnetron: € 100,00;

  • -

    een kast: € 200,00;

  • -

    TV met Dolby Surround: € 400,00;

  • -

    laptop: € 300,00;

  • -

    overige huisraad (koelkast, servies, kleine tafel, glazen en bestek): € 300,00.

De rechtbank acht voor wat betreft de volgende materiële post de door de benadeelde partij geschatte hoogte van de schade voldoende aannemelijk geworden:

- diverse kleding: € 600,00.

De rechtbank acht aldus, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, toewijsbaar een bedrag van € 2.200,00.

De overige gevorderde materiële posten, te weten bankstel set (€ 2.500,00), tafel met stoelen (€ 400,00) en twee bedden (€ 500,00), zal de rechtbank afwijzen, omdat op grond van het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende is komen vast te staan dat deze goederen ten tijde van het bewezen verklaarde aan de benadeelde partij toebehoorden, en niet eigendom waren van de verhuurder van het pand.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 3] .

De benadeelde partij heeft zijn schade berekend aan de hand van de vervangingswaarde van de goederen. De rechtbank schat de hoogte van de gevorderde materiële schadeposten op een totaalbedrag van € 3.000,00 en acht aldus dit bedrag, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, toewijsbaar.

De rechtbank zal de vordering voor het overige deel afwijzen.

Wettelijke rente en overige kosten.

De toegewezen schadevergoedingen worden telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de verdachte telkens veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte telkens veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerleggingen nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, telkens tevens de schadevergoedings-maatregel opleggen, omdat de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert.

Aangezien aldus aan de verdachte telkens meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat de verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelden telkens is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 4] .

Naar het oordeel van de rechtbank kan enkel op basis van de aan de vordering ten grondslag liggende stukken de gegrondheid van de vordering niet afdoende beoordeeld worden. Daarnaast overweegt de rechtbank dat uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat tussen de benadeelde partij en haar verzekeraar thans een civiele (bodem)procedure loopt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal de benadeelde partij derhalve niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering en bepalen dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Ten aanzien van de vordering van China Taiping Insurance (UK) Co. Ltd.

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 10 augustus 2017 met toepassing van het bepaalde in artikel 333 van het Wetboek van Strafvordering de benadeelde kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De rechtbank zal de benadeelde veroordelen in de kosten van de verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 27, 36f, 57, 60a en 157 van het Wetboek van Strafrecht. De uitspraak.

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf:

gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren;

beveelt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf;

legt op de volgende maatregelen:

maatregel van schadevergoeding van € 3.800,00, te vervangen door 48 dagen hechtenis:

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van € 3.800,-, bestaande uit € 2.800,- voor materiële schade en € 1.000,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 48 dagen hechtenis;

bepaalt dat de toepassing van deze vervangende hechtenis de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet opheft;

beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van € 3.800,-, bestaande uit € 2.800,- voor materiële schade en € 1.000,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil;

veroordeelt de verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;

wijst de vordering voor het overige af;

maatregel van schadevergoeding van € 3.042,32, te vervangen door 40 dagen hechtenis;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] van een bedrag van € 3.042,32, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen hechtenis, voor materiële schade;

bepaalt dat de toepassing van deze vervangende hechtenis de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet opheft;

beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 1] , van een bedrag van € 3.042,32, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, voor materiële schade;

bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil;

veroordeelt de verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;

wijst de vordering voor het overige af;

maatregel van schadevergoeding van € 2.200,00, te vervangen door 32 dagen hechtenis;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] van een bedrag van € 2.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 32 dagen hechtenis, voor materiële schade;

bepaalt dat de toepassing van deze vervangende hechtenis de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet opheft;

beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 2] , van een bedrag van € 2.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, voor materiële schade;

bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil;

veroordeelt de verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;

wijst de vordering voor het overige af;

maatregel van schadevergoeding van € 3.000,00, te vervangen door 40 dagen hechtenis;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3] van een bedrag van € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen hechtenis, voor materiële schade;

bepaalt dat de toepassing van deze vervangende hechtenis de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet opheft;

beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 3] , van een bedrag van € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, voor materiële schade;

bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil;

veroordeelt de verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;

wijst de vordering voor het overige af;

verklaart benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

compenseert de kosten van partijen aldus dat elke partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt benadeelde China Taiping Insurance (UK) Co. Ltd. in de kosten van de verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.M. Klinkenbijl, voorzitter,

mr. C.J. Sangers-de Jong en mr. A.E. van der Eijk, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 24 augustus 2017.

Bijlage A – de bewijsmiddelen (verkort en zakelijk weergegeven).

(…)