Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:4483

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-08-2017
Datum publicatie
24-08-2017
Zaaknummer
17 _ 1051
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor strijdig gebruik t.b.v. een minicamping. Perceel met bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch".

Kampeermiddelen zijn toegestaan op gronden met de bestemming "Agrarisch" (tot) op een afstand van 100 m van het eigen bestemmingsvlak Wonen. Deze bepaling biedt de mogelijkheid voor strijdig gebruik van gronden voor een minicamping op agrarische gronden, gelegen naast gronden die zijn bestemd tot "Wonen", die bij de bewoner van het perceel in gebruik zijn. Ook de planregels van de bestemming "Wonen" geven hiervan blijk.

Twee woningen binnen hetzelfde bestemmingsvlak zijn geen eigendom van eisers en bevinden zich op afzonderlijke kadastrale percelen. Het betreft hiermee wel degelijk bestemmingen "Wonen" van derden. Aan de minimumafstand van kampeermiddelen tot die bestemmingen wordt daardoor niet voldaan.

Het perceel met de bestemming "Agrarisch" behoort niet tot het bouwperceel, omdat de inrichting daarvan niet ten dienste zal staan van de woning en daardoor van een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing geen sprake kan zijn. De oppervlakte van het bouwperceel voldoet daardoor niet aan het daaraan in de planregels voor de bestemming "Wonen" gestelde minimum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4449
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/1051

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2017 in de zaak tussen

1 a

[eiseres] , te [woonplaats] , eisers,

(gemachtigden: mr. M.P. Wolf en mr. E.C.J. Wouters),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eersel, verweerder,

(gemachtigde: mr. P.M.H.M. Bakermans).

Aan het geding heeft als derde-partij deelgenomen: [belanghebbende], te [woonplaats] , (vergunninghouder).

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, ten behoeve van het oprichten van een minicamping voor maximaal acht plaatsen op het perceel [adres 1] in [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente Eersel, [nummers] .

Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 9 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers, in afwijking van het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften, ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.

Tegen dit besluit hebben eisers op 31 maart 2017 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep de op zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 15 juni 2017, waar eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is in persoon verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van de zaak uit van de volgende feiten.

Het terrein waarop vergunninghouder de minicamping wil realiseren, bestaat uit drie kadastrale perceelsgedeelten.

De perceelsgedeelten met de kadastrale [nummers] hebben in het geldende bestemmingsplan "Buitengebied" gedeeltelijk de bestemming "Wonen" en gedeeltelijk de bestemming "Agrarisch". Het perceelsgedeelte met kadastraal [nummers] heeft geheel de bestemming "Wonen".

Op het perceelsgedeelte met kadastraal [nummers] rust tevens de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2". Op de perceelsgedeelten met de kadastrale [nummers] rust tevens de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4.2".

De realisering van de minicamping is niet in overeenstemming met de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch". Op grond van de voor die bestemmingen geldende planregels zijn recreatieve activiteiten niet bij recht toegestaan.

Op grond van de planregels kunnen ontheffingen worden verleend. Verweerder heeft de omgevingsvergunning voor het strijdig gebruik, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend met toepassing van de artikelen 3.4.1 en 20.6.2 van de planregels (binnenplanse afwijking). De afwijking heeft betrekking op de percelen [nummers] en op een gedeelte van het perceel [nummers] met de bestemming "Wonen" (in verband met de sanitaire voorzieningen die in de bestaande woning zullen worden gerealiseerd). De vergunning betreft een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 3.030 m2.

2. Het gaat in deze zaak om een omgevingsvergunning voor met het bestemmingsplan strijdig gebruik. Een dergelijke vergunning kan onder meer, zoals in dit geval, worden verleend, als de bepalingen van een bestemmingsplan dat mogelijk maken. In het bestemmingsplan "Buitengebied" wordt steeds de term "ontheffing" gebruikt. Gemakshalve gebruikt de rechtbank in deze uitspraak deze terminologie, waar de omgevingsvergunning voor strijdig gebruik is bedoeld.

3.1

Eiser vraagt zich af of het primaire besluit bevoegd is genomen, omdat het namens verweerder is genomen door de Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking Kempengemeenten, afdeling VTH de Kempen. Eiser vraagt zich af op grond van welke regeling de bevoegdheid is gedelegeerd of gemandateerd en op basis van welk besluit de Afdeling VTH bevoegd is om het besluit te ondertekenen.

3.2

Verweerder heeft ter zitting de "Mandaatregeling Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving de Kempen 2016 - Eersel" aan eiser getoond en de basis van de bevoegdheid aangeduid.

3.3

Eiser heeft in het beroepschrift zijn twijfel op geen enkele wijze handen en voeten gegeven.

De rechtbank ziet, gezien de mandaatregeling en de door verweerder gegeven toelichting, geen aanleiding om aan de bevoegdheid te twijfelen. De rechtbank deelt verweerders opvatting dat artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo, niet apart behoeft te worden vermeld. Zoals ook uit de tekst van dat artikellid kan worden opgemaakt, is de grondslag van de bevoegdheid tot vergunningverlening gelegen in het - wel in de mandaatregeling genoemde - artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.

Overigens kan deze beroepsgrond hoe dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, omdat het primaire besluit daarbij door verweerder zelf is gehandhaafd. Eventuele bevoegdheidsgebreken moeten worden geacht daarmee te zijn hersteld.

Dit betoog faalt.

4.1

Volgens eiser is verweerder onvoldoende gemotiveerd afgeweken van het advies van de Commissie van advies voor de bezwaarschriften gemeente Eersel (commissie). Het enkel herhalen van het standpunt uit het primaire besluit en uit het in bezwaar ingediende verweerschrift volstaat niet, gezien het uitgebreid gemotiveerde bezwaar. Verweerder had ook moeten ingaan op eisers stelling dat binnenplans afwijken niet mogelijk is, omdat niet wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden.

4.2

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat, voor zover verweerder is afgeweken van het advies, daarvoor in het bestreden besluit een motivering is gegeven. Ook zijn daarin overwegingen opgenomen met betrekking tot de voorwaarden waaraan moet worden voldaan. Voor het overige is geen sprake van een afwijking en is het advies overgenomen.

4.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom hij van het advies van de commissie is afgeweken. Uit de overwegingen kan worden opgemaakt dat verweerder het niet geheel met de commissie eens is over de uitleg van de planregels en vervolgens geen aanleiding heeft gezien om het besluit op dat punt te herroepen, omdat aan de voorwaarden voor de realisering van kampeervoorzieningen binnen de agrarische bestemming wordt voldaan. De rechtbank betrekt hierbij dat eiser in bezwaar, voor zover het de toepasselijke voorwaarden betreft, ook slechts de afstandseisen heeft genoemd. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn opvatting dat het bestreden besluit moet worden vernietigd vanwege strijdigheid met de artikel 3:46 (lees: 7:12) en 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Dit betoog faalt.

5.1

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 3.4.1 van de planregels.

Volgens eiser is er geen agrarisch bedrijf aanwezig, zodat artikel 3.4.1 van de planregels niet kan worden toegepast. Hierbij is van belang dat in artikel 1.84 van de planregels uitdrukkelijk is bepaald dat voor een nevenactiviteit een agrarisch bedrijf ter plaatse aanwezig dient te zijn. In artikel 3.4.1, onder g, van de planregels wordt, anders dan verweerder meent, geen verband gelegd met de bestemming "Wonen". De planwetgever heeft volgens eiser niet voor niets voor de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch" afzonderlijke afwijkingsbepalingen opgenomen. Artikel 1.81 van de planregels kan geen grondslag bieden voor de verlening van een omgevingsvergunning voor een minicamping bij de bestemming "Wonen" op gronden met de bestemming "Agrarisch".

Verweerder heeft ten onrechte in artikel 3.4.1, onder g, van de planregels een aanknopingspunt gezien voor het mogelijk maken van sanitaire voorzieningen in bestaande bebouwing binnen de bestemming "Wonen" ten behoeve van de minicamping op agrarische gronden. De planwetgever heeft niet de bedoeling gehad om de ontheffingsregels uit artikel 3.4.1 ook te laten gelden voor burgerwoningen.

5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat, gezien artikel 1:81 van de planregels, een minicamping zowel bij een burgerwoning, als bij een agrarisch bedrijf mogelijk is. Artikel 3.4.1 van de planregels geeft aan wanneer een ontheffing kan worden verleend, als deze minicamping (naar de rechtbank begrijpt: bij de burgerwoning) zich op de bestemming "Agrarisch" bevindt. Het project voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.4.1 van de planregels.

Ook binnen de agrarische bestemming is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Hoewel de minicamping zich bevindt op gronden met de bestemming "Agrarisch", betreft het geen minicamping bij een agrarisch bedrijf, zodat artikel 1.84 niet van toepassing is. Nergens valt uit af te leiden dat de sanitaire voorzieningen alleen in bestaande agrarische bebouwing zouden mogen worden gerealiseerd.

5.3

In artikel 1.81 van de planregels wordt "minicamping" gedefinieerd als: een kleinschalig kampeerterrein als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf of een burgerwoning.

In artikel 1.84 van de planregels wordt "nevenactiviteiten" gedefinieerd als: het ontplooien van activiteiten bij een agrarisch bedrijf, die niet rechtstreeks de uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering betreffen.

De definitiebepalingen zijn innerlijk tegenstrijdig. Op grond van de definitie van "nevenactiviteiten" zou kunnen worden geconstateerd dat een nevenactiviteit bij een burgerwoning niet mogelijk is. Uit de definitie van "minicamping" zou kunnen worden opgemaakt dat een minicamping als nevenactiviteit bij een burgerwoning wel mogelijk is.

Aan de hand van alleen de definitiebepalingen in de planregels van een bestemmingsplan kunnen geen conclusies worden getrokken over de bevoegdheid tot verlening van vergunningen voor strijdig gebruik. Uit de toelichting bij het bestemmingsplan blijkt overigens dat het de bedoeling van de raad is geweest om kleinschalige recreatieve ontwikkelingen als nevenactiviteit bij zowel bedrijfs- als burgerwoningen toe te staan.

5.4

Voor zover hier van belang zijn, ingevolge artikel 3.1.1, aanhef en onder b, van de planregels, de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor nevenactiviteiten, voor zover die via ontheffing kunnen worden toegestaan.

Op grond van artikel 3.4.1 van de planregels kan het college ontheffing verlenen, ten einde minicampings en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen, zoals sanitaire voorzieningen, toe te staan, waarbij aan - onder meer - de volgende voorwaarden moet worden voldaan:

a. kampeermiddelen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" of tot maximaal 100 m uit de aanduiding "bouwvlak", gerekend vanaf de achtergrens van dit bouwvlak, of op een afstand van 100 m van het eigen bestemmingsvlak Wonen, Bedrijf of Bedrijf-Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf en op een afstand van minimaal 25 m van de bestemming Wonen van derden;

g. de sanitaire voorzieningen worden, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing, of anders aansluitend aan de bestaande bebouwing.

5.5

Voor zover hier van belang zijn, ingevolge artikel 20.1.1, aanhef en onder b, van de planregels, de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor recreatieve voorzieningen in de vorm van kleinschalig kamperen (…), overeenkomstig de in 20.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming.

In artikel 20.1.2, onder d, (nadere detaillering) is bepaald dat het gebruik van gronden en bouwwerken voor een minicamping uitsluitend is toegestaan via ontheffing als bedoeld in 20.6.2.

In artikel 20.6.2 van de planregels is bepaald dat het college ontheffing kan verlenen als bedoeld in 20.1.2, onder d, ten einde kleinschalig kamperen en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen, zoals sanitaire voorzieningen, toe te staan binnen de reguliere bebouwingsmogelijkheden, waarbij aan - onder meer - de volgende voorwaarden:

a. de ontheffing vindt niet plaats ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied primair" of ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied secundair";

b. kampeermiddelen zijn uitsluitend toegestaan op een afstand van minimaal 25 m van de bestemming Wonen van derden;

f. het bouwperceel, waarvoor de ontheffing wordt verleend, mag niet kleiner zijn dan 3000 m2;

g. gebouwde voorzieningen ten behoeve van kleinschalig kamperen zoals sanitaire voorzieningen, zijn uitsluitend toegestaan binnen het bestemmingsvlak.

5.6

Artikel 3.4.1, aanhef en onder a, van de planregels heeft betrekking op gronden binnen de bestemming "Agrarisch". Omdat in dit onderdeel van de planregels is bepaald dat kampeermiddelen zijn toegestaan (tot) op een afstand van 100 m van het eigen bestemmingsvlak Wonen, kan niet worden gezegd dat op grond van deze bepaling geen ontheffing voor een minicamping kan worden verleend op agrarische gronden, gelegen naast gronden die zijn bestemd tot "Wonen", die bij de bewoner van het perceel in gebruik zijn. Er is, anders dan eisers aangeven, geen sprake van het doen gelden van de ontheffingsregels van artikel 3.4.1 als ontheffingsregels voor burgerwoningen. Wel is er sprake van een relatie tussen beide regelingen. Ook artikel 20.6.2, aanhef en onder a, van de planregels geeft er blijk van dat bij gronden met de bestemming "Wonen" een minicamping kan worden gerealiseerd op gronden met een agrarische bestemming. Verweerder heeft daarom met juistheid overwogen dat een minicamping zich gelijktijdig op de woonbestemming en de agrarische bestemming mag bevinden.

In zoverre faalt het betoog van eisers.

5.7

De rechtbank volgt verweerder echter niet in zijn opvatting dat artikel 3.4.1, aanhef en onder g, van de planregels in dit geval impliceert dat sanitaire voorzieningen moeten worden gerealiseerd in bestaande bebouwing op gronden met de bestemming "Wonen". Deze bepaling heeft immers betrekking op gronden met de bestemming "Agrarisch" en er is, anders dan in artikel 3.4.1, aanhef en onder a, van de planregels, geen relatie gelegd met gronden met een andere bestemming.

Eisers betoog slaagt in zoverre.

6.1

Eisers voeren aan dat, als artikel 3.4.1 van de planregels van toepassing is, niet wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden voor de toepassing ervan.

Zo is op perceel [nummers] geen bouwvlak aanwezig en is de minicamping gesitueerd binnen 25 meter van de bestemming "Wonen" van derden, te weten de percelen [adres 2] (artikel 3.4.1, onder a van de planregels). Er had een voorschrift aan de vergunning verbonden moeten worden.

6.2

Volgens verweerder heeft de in artikel 3.4.1, onder a, van de planregels genoemde afstand tot de bestemming "Wonen" van derden enkel betrekking op [adres 2] en wordt deze afstand in acht genomen. Als kampeermiddelen op minder dan 25 meter worden geplaatst, zal handhavend worden opgetreden. Het opnemen van een voorschrift voegt niets toe.

De woningen met de nummers [adres 2] bevinden zich binnen het bestemmingsvlak van de woning van vergunninghouder op [adres 3] , zodat ze niet zijn aan te merken als woonbestemmingen van derden.

6.3

Uit het van de vergunning deel uitmakende inrichtingsplan met nummer 114-029, kan worden opgemaakt dat de kampeermiddelen zodanig zullen worden geplaatst dat deze op minimaal 25 meter vanaf het perceel [adres 2] worden geplaatst. Ook zullen zij worden geplaatst tot op maximaal 100 meter vanaf het eigen bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen". In zoverre wordt aan artikel 3.4.1, onder a, van de planregels voldaan.

De rechtbank volgt verweerder evenwel niet in zijn opvatting dat de woningen [adres 2] niet zijn aan te merken als woonbestemmingen van derden. Weliswaar bevinden deze woningen zich binnen hetzelfde bestemmingsvlak, maar zij zijn geen eigendom van eisers en bevinden zich op afzonderlijke kadastrale percelen. Het betreft hiermee wel degelijk bestemmingen "Wonen" van derden.

Uit het inrichtingsplan kan worden opgemaakt dat vijf van de zeven kampeermiddelen binnen 25 meter afstand van de woning Heibloem 6b bevinden. Daarmee wordt in zoverre allerminst voldaan aan artikel 3.4.1, onder a, van de planregels.

Ook dit betoog van eisers slaagt.

7.1

Volgens eisers is het plan strijdig met de bestemming "Wonen", omdat perceel [nummers] niet voldoet aan de voorwaarde in artikel 20.6.2, onder f, van de planregels, dat het bouwperceel waarvoor de ontheffing wordt verleend niet kleiner mag zijn dan 3.000 m2.

7.2

Volgens verweerder bedraagt de oppervlakte van het bouwperceel wel degelijk meer dan 3.000 m2. De vergunning heeft betrekking op een oppervlakte van ongeveer 3.030 m2. Dit is de totale oppervlakte van het terrein waarop de minicamping zich zal bevinden, bestaande uit de in het feitenoverzicht genoemde kadastrale percelen/perceelsgedeelten. Bestemmingsplantechnisch is er volgens verweerder overigens sprake van één woonperceel, waarop zich behalve [adres 3] ook [adres 2] bevinden. Als ook die perceelsgedeelten in de berekening worden betrokken, is sprake van een bouwperceel dat ruimschoots aan de voorwaarden voldoet.

7.3

Ingevolge artikel 1.31 van de planregels wordt onder bouwperceel verstaan: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

De rechtbank acht aannemelijk dat de in de aanvraag begrepen gronden in totaal een oppervlakte hebben van ongeveer 3.030 m2. Niet alle gronden behoren echter tot het bouwperceel. Het perceel [nummers] en gedeelten van de percelen [nummers] hebben de bestemming "Wonen". In het bestemmingsplan is geen bouwvlak of bouwblok opgenomen, zodat deze percelen/perceelsgedeelten ten behoeve van de bestemming mogen worden bebouwd. Het zijn deze percelen en perceelsgedeelten, met een oppervlakte van ruim 2.000 m2, die behoren tot het bouwperceel. Het gedeelte van perceel [nummers] met de bestemming "Agrarisch", behoort niet tot het bouwperceel, alleen al omdat de inrichting daarvan niet ten dienste zal staan van de woning en daardoor van een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing geen sprake kan zijn.

Ook dit betoog van eisers slaagt.

8. Het beroep is, gelet op het voorafgaande, gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Wat eisers verder hebben aangevoerd, behoeft daarmee geen beoordeling.

9. De rechtbank ziet, gelet op de aard van de geconstateerde gebreken, geen aanleiding voor toepassing van de bestuurlijke lus. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen.

10. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eisers. Deze kosten worden vastgesteld op in totaal € 990,00 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 495,00, wegingsfactor 1).

11. Verder zal de rechtbank bepalen dat verweerder eisers het door hen betaalde griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op om, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw op het bezwaar te beslissen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten, vastgesteld op € 990,00;

  • -

    bepaalt dat verweerder eisers het door hen betaalde griffierecht van € 168,00 moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

21 augustus 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.