Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:4434

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
20-08-2017
Zaaknummer
C/01/312885 / HA ZA 16-624
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 8:36 Awb i.h.k.v. Provinciale Beleidsregeling verplaatsing intensieve veehouderijen 2005. Verkoper wordt geacht te hebben ingestemd met de voorwaarden, waaronder bepaling koopsom. Door latere bedrijfsverplaatsing lagere koopsom. Geen tekortkoming Provincie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/312885 / HA ZA 16-624

Vonnis van 16 augustus 2017

in de zaak van

1. de maatschap

[eiser 1] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 2] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 3] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

4. [eiser 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [eiiser 5],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE NOORD-BRABANT,

zetelend te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.M. van Heijningen te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eisers] (mannelijk enkelvoud) en de Provincie genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 januari 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 april 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] exploiteerde in het verleden een varkensbedrijf aan de [adres 1] (hierna: het bedrijf).

2.2.

Op 23 november 2004 heeft het College van Gedeputeerde Staten van de Provincie (hierna: GS) een Beleidsregeling Verplaatsing Intensieve Veehouderijen vastgesteld. In 2005 is deze Beleidsregeling vervangen door de Provinciale Beleidsregeling verplaatsing intensieve veehouderijen 2005 (de Beleidsregeling 2005). De Beleidsregeling 2005 is op 13 oktober 2005 in werking getreden. Het doel van beide regelingen was/is het bevorderen van verplaatsing van intensieve veehouderijen uit zogenaamde extensiveringsgebieden.

2.3.

[eisers] heeft op 3 februari 2005 een Aanbiedingsformulier Verplaatsing Intensieve Veehouderij Provincie Noord-Brabant 2005 ingediend bij de Provincie.

2.4.

Bij brief van 11 oktober 2005 heeft de Provincie aan [eisers] mededeling gedaan van het door GS genomen besluit om het bedrijf van [eisers] te selecteren voor deelname aan de Beleidsregeling 2005. In deze brief deelt de Provincie onder meer aan [eisers] mee dat de Beleidsregeling van 23 november 2004 van kracht blijft, met uitzondering van de vergoedingensystematiek.

2.5.

De toe te passen vergoedingensystematiek luidt als volgt:

  1. Vergoeding van de bedrijfsgebouwen op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde (volledige vergoeding, tenzij een bedrijf locaties samenvoegt, dan 80%).

  2. Vergoeding van ondergrond + erf van de bedrijfsgebouwen op de uitplaatsingslocatie tegen cultuurgrondwaarde.

  3. Vergoeding van de sloopkosten van de bedrijfsgebouwen op de uitplaatsingslocatie ad € 25,-- per m².

  4. .... 5. ….”

2.6.

In Bijlage 1 bij de Beleidsregeling 2005 is onder 24. de volgende definitie gegeven van het begrip “gecorrigeerde vervangingswaarde”: “de gecorrigeerde vervangingswaarde overeenkomstig artikel 17, derde lid, tweede volzin, van de Wet waardering onroerende zaken. Bij het bepalen van deze gecorrigeerde vervangingswaarde wordt voor het bepalen van de vervangingswaarde per dierplaats de afschrijvingstermijnen en de percentages op moment van openstelling (van de Beleidsregeling 2005, rb.) meest recente versie van de Kwantitatieve Informatie voor de Veehouderij (KWIN), als uitgangspunt genomen.”

2.7.

In Bijlage 1 bij de Beleidsregeling 2005 is onder 24. de volgende definitie gegeven van het begrip “overeenkomst”: “een rechtshandeling naar burgerlijk recht waarbij twee partijen, aan de ene zijde de aanmelder en aan de andere zijde de provincie Noord-Brabant zich op basis van wilsovereenstemming verbinden om een intensieve veehouderij te verplaatsen van de ene locatie .. naar een andere …, waarbij de bedrijfsgebouwen en gronden op de uitplaatsingslocatie tegen betaling van een aankoopprijs aan de aanmelder worden aangekocht door de provincie Noord-Brabant.”

2.8.

In Bijlage 4 bij de Beleidsregeling 2005 zijn de volgende voorwaarden opgenomen:

“A. Termijnen van verplaatsing

  1. Afronding van de verplaatsing dient op een tussen provincie en aanmelder in de koopovereenkomst vast te stellen datum te hebben plaatsgevonden. Deze datum ligt in alle gevallen voor 1 januari 2013.

  2. Minimaal twee en maximaal drie jaar voor de overeengekomen datum van afronding van de verplaatsing vindt de juridische overdracht van het eigendom plaats.

B. Bepaling koopsom

De koopsom wordt opgebouwd uit de volgende elementen:

1. De gecorrigeerde vervangingswaarde van de bedrijfsgebouwen op basis van een zakelijke taxatie door de provincie Noord-Brabant na aanmelding voor deelname. Voor de leeftijd van de gebouwen en inrichting geldt het moment van openstelling (van de Beleidsregeling 2005, rb.) Indien de afrondingsperiode meer dan drie kalenderjaren beslaat, wordt deze leeftijd vermeerderd met het aantal volledige kalenderjaren dat de afrondingsperiode later dan na drie kalenderjaren eindigt.

2. De waarde van ondergrond en erf, bepaald op basis van de waarde in het economisch verkeer, uitgaande van cultuurgrond. …”

2.9.

De Provincie heeft opdracht gegeven tot taxatie van het bedrijf.

2.10.

In het taxatierapport van 25 juli 2006 is de waarde van de ondergrond vastgesteld op € 82.337,50 en de bijdrage in de sloopkosten op € 170.975,--. De gecorrigeerde vervangingswaarde van de bedrijfsgebouwen c.a. is vastgesteld op € 1.419.986,--. In hoofdstuk 3 van het taxatierapport staat vermeld dat het taxatierapport is gebaseerd op een in 2009 of eerder gerealiseerde verplaatsing en dat, om inzicht te krijgen in de gevolgen voor de getaxeerde waarde bij latere verplaatsing, in hoofdstuk 7 tevens de Gecorrigeerde Vervangingswaarde (GVW) voor verplaatsing in 2010 t/m 2012 is opgenomen.

2.11.

In hoofdstuk 7 van genoemd taxatierapport is alleen de waarde van de bedrijfsgebouwen bij gerealiseerde verplaatsing in 2009 of eerder vermeld (€ 1.419.986,--).

2.12.

[eisers] heeft met de Provincie een overeenkomst gesloten waarbij hij het bedrijfsperceel aan de Provincie heeft verkocht voor een koopsom van € 1.502.323,50 (hierna: de overeenkomst). [eisers] heeft de overeenkomst ondertekend op 19 oktober 2006 en de Provincie op 15 november 2006. GS heeft de overeenkomst bij besluit van 28 november 2006 bevestigd.

2.13.

Blijkens de considerans van de overeenkomst zijn partijen deze aangegaan in het kader van het provinciale project Verplaatsing Intensieve Veehouderij conform het besluit tot vaststelling van de Beleidsregeling 2005.

2.14.

In artikel 15 van de overeenkomst is bepaald dat [eisers] voor 31 december 2009 verplicht is tot afronding van de verplaatsing van zijn bedrijf naar een alternatieve locatie.

2.15.

[eisers] en de Provincie hebben tegelijkertijd met het sluiten van de overeenkomst een “Overeenkomst van voortgezet gebruik van een registergoed (bedrijfsgebouwen)” gesloten met betrekking tot het bedrijfsperceel. Op grond hiervan was [eisers] gerechtigd om maximaal drie jaar na levering van de eigendom van het bedrijfsperceel aan de Provincie zijn bedrijf aldaar voort te zetten, zonder enige vergoeding verschuldigd te zijn aan de Provincie voor deze bruikleen.

2.16.

De levering van het bedrijfsperceel aan de Provincie heeft plaatsgevonden op 13 maart 2008. De Provincie heeft op dat moment een gedeelte van € 751.161,75 van de koopsom aan [eisers] voldaan.

2.17.

[eisers] heeft op 12 oktober 2006 een perceel grond gekocht aan de [adres 2] te Someren, met als doel om daar een nieuw gesloten varkensbedrijf op te richten. Op het aangekochte perceel was geen bouwblok aanwezig. [eisers] heeft daarom op 13 oktober 2006 aan het College van Burgemeesters en Wethouders van de gemeente Someren (hierna: B&W) verzocht in het bestemmingsplan een agrarisch bouwblok op te nemen voor de locatie aan de [adres 2] .

2.18.

B & W heeft bij brief van 2 juli 2007 aan [eisers] laten weten dat het op dat moment niet mogelijk was om het verzoek om een bouwblok aan de [adres 2] op te nemen af te handelen, in verband met de impasse die was ontstaan in de besluitvorming door de Provincie rond het landbouwontwikkelingsgebied waarin de locatie aan de [adres 2] is gelegen.

2.19.

[eisers] heeft op 11 november 2008 aan de Provincie uitstel van de afronding VIV overeenkomst verzocht, omdat de vergunningverlening voor de locatie aan de [adres 2] nog niet was afgerond.

2.20.

De Provincie heeft bij brief aan [eisers] van 9 januari 2009, verzonden op 14 januari 2009 meegedeeld dat het verzoek om uitstel wordt ingewilligd. In deze brief wijst de Provincie erop dat als [eisers] het verplaatsingstraject op een later moment afrondt dan in de overeenkomst vermeld, dit leidt tot een aanpassing van de vergoeding voor de verplaatsingskosten waarvoor zij in aanmerking komt. Welke aanpassingen van de vergoeding in de situatie van [eisers] van toepassing kunnen zijn, is volgens de Provincie te vinden in het taxatierapport.

2.21.

Op 19 mei en 23 juni 2010 heeft [eisers] B & W (wederom) verzocht om een bouwvergunning ten behoeve van het oprichten van een agrarisch bedrijf op de locatie aan de [adres 2] .

2.22.

Bij besluit van 2 november 2010 heeft B&W een projectbesluit genomen met betrekking tot de locatie aan de [adres 2] en een bouwvergunning verleend ten behoeve van het oprichten van een agrarisch bedrijf aldaar.

2.23.

De levering van de locatie aan de [adres 2] aan [eisers] heeft plaatsgevonden op 28 februari 2011.

2.24.

Op 23 juli 2012 heeft rentmeester [naam rentmeester] formeel geconstateerd dat de beëindiging van de bedrijfsexploitatie en de sloop van de gebouwen op de locatie [adres 1] is gerealiseerd en dat een nieuw fokzeugen- en vleesvarkensbedrijf op de inplaatsingslocatie aan de [adres 2] te Someren in werking is.

2.25.

Bij brief van 12 februari 2013 heeft de Provincie aan [eisers] meegedeeld dat de vergoeding van de gecorrigeerde vervangingswaarde geen € 1.419.986,--, maar

€ 1.241.853,-- bedraagt, gelet op het feit dat de verplaatsing is gerealiseerd in 2012 en niet in 2009.

2.26.

[eisers] heeft bij de Provincie bezwaar gemaakt tegen de beschikking/het schrijven van 12 februari 2013. GS heeft dit bezwaar bij besluit van 30 juli 2013, verzonden op 5 augustus 2013, ongegrond verklaard. [eisers] heeft tegen dit besluit beroep aangetekend bij het team Bestuursrecht van deze rechtbank.

2.27.

Bij beslissing van 15 april 2014 heeft deze rechtbank het beroep van [eisers] ongegrond verklaard. Vervolgens heeft [eisers] hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). De Afdeling heeft bij beslissing van 8 april 2015 de uitspraak van de rechtbank van 15 april 2014 bevestigd.

De Afdeling heeft hiertoe onder meer het volgende overwogen:

“4.4. …Voor zover de maatschap ( [eisers] , rb.) heeft betoogd dat zij door het college (GS, rb.) niet op de hoogte is gesteld van een mogelijke verlaging van de subsidie bij verplaatsing na 31 december 2009, had zij, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, uit het taxatierapport en uit het besluit van het college van 9 januari 2009 (hiervoor onder 2.20 genoemd, rb.) kunnen opmaken dat de gecorrigeerde vervangingswaarde zou worden aangepast indien de afrondingsperiode meer dan drie kalenderjaren zou beslaan. Bovendien is dit met zoveel woorden vermeld in Bijlage 4, onder B, aanhef en onder 1, bij de Beleidsregeling (de Beleidsregeling 2005, rb.) waarnaar zowel in het besluit van 11 oktober 2005 als in de uitvoeringsovereenkomst is verwezen.”

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert samengevat –

I. te verklaren voor recht dat de Provincie toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst

II. primair:

de Provincie te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst door betaling van € 178.133,--, vermeerderd met rente,

subsidiair:

de Provincie te veroordelen tot vergoeding van de door [eisers] geleden schade ten bedrage van € 178.133,--, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, vermeerderd met rente,

III. de Provincie te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 2.646,--, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, vermeerderd met rente,

IV. de Provincie te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten.

3.2.

[eisers] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag.

Op grond van de overeenkomst was de Provincie na afronding van de verplaatsing verplicht om een besluit te nemen tot vaststelling van de subsidie op het bedrag van de tussen [eisers] en de Provincie overeengekomen koopsom, althans om over te gaan tot uitbetaling van deze koopsom. Weliswaar heeft het besluit van GS formele rechtskracht verkregen met de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2015. Dat staat er echter niet aan in de weg dat de burgerlijke rechter kan oordelen dat het besluit niet beantwoordt aan de overeenkomst. [eisers] verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2011 in de zaak Gemeente Zoetermeer/Etam Groep (ECLI:NL:PHR:2011:BP3057)

[eisers] heeft aan alle op grond van de overeenkomst op haar rustende verplichtingen voldaan. De Provincie was verplicht een besluit te nemen waarbij de subsidie werd vastgesteld op een bedrag van € 1.502.323,50, althans is de Provincie verplicht dit bedrag als koopprijs te voldoen. Blijkens de definitie in de Beleidsregeling 2005 is de tussen [eisers] en de Provincie gesloten overeenkomst immers een rechtshandeling naar burgerlijk recht. Daarbij hebben [eisers] en de Provincie zich op basis van wilsovereenstemming verbonden om het bedrijf van [eisers] te verplaatsen. De wilsovereenstemming had betrekking op een koopsom van € 1.502.323,50 en niet op € 1.241,853,--. De Provincie is te kort geschoten in de nakoming van deze verplichting uit de overeenkomst. [eisers] vordert primair nakoming van de overeenkomst. Subsidiair vordert [eisers] vergoeding van de schade die hij heeft geleden, doordat de Provincie het in de overeenkomst overeengekomen bedrag niet volledig heeft voldaan. De schade bedraagt € 178.133,--.

3.3.

De Provincie voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst een zogeheten uitvoeringsovereenkomst (een overeenkomst ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 4:36 lid 1 Awb) betreft. De burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen over geschillen over dergelijke overeenkomsten. In zoverre gaat het door de Provincie gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer niet op. Dit laat echter onverlet dat de bestuursrechter bevoegd blijft ten aanzien van de subsidiebeschikking (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2006, AB 2006/326).

4.2.

Vast staat dat de subsidiebeschikking in deze zaak formele rechtskracht heeft gekregen. [eisers] heeft onderkend (dagvaarding sub 13.1) dat een vordering tot vaststelling van de subsidie op het bedrag van de koopprijs afstuit op de formele rechtskracht van het besluit van 12 februari 2013 waarbij de subsidie werd vastgesteld op € 1.241.853,--. Hij stelt echter dat de formele rechtskracht er niet aan in de weg staat dat de burgerlijke rechter tot het oordeel kan komen dat de subsidiebeschikking niet beantwoordt aan de uitvoeringsovereenkomst. In het arrest van de Hoge Raad waar [eisers] zich op beroept (HR 8 juli 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP3057) is naar het oordeel van de rechtbank geen steun voor dat standpunt te vinden. In die zaak ging het immers niet om een geschil over een uitvoeringsovereenkomst ter uitvoering van een subsidiebeschikking, maar om een zogeheten bevoegdhedenovereenkomst, waarbij de betrokken gemeente zich verplicht had haar publiekrechtelijke bevoegdheden op een bepaalde wijze uit te oefenen. Bij dergelijke overeenkomsten is kort gezegd het te nemen besluit de door de betrokken overheid te leveren prestatie. Die situatie is niet vergelijkbaar met deze zaak waarbij de uitvoeringsovereenkomst gesloten wordt voor de uitvoering van een (te nemen) subsidiebeschikking. Voor zover [eisers] heeft willen stellen, dat de Provincie is tekortgeschoten in haar contractuele verplichtingen door het subsidiebedrag op een lager bedrag vast te stellen dan vermeld in de uitvoeringsovereenkomst, wordt deze stelling verworpen.

4.3.

Voor zover [eisers] het standpunt inneemt dat (uitsluitend) wilsovereenstemming is bereikt over een koopsom van € 1.502.323,50 overweegt de rechtbank als volgt. [eisers] moet geacht worden bij het sluiten van de overeenkomst te hebben ingestemd met de voorwaarden van de Beleidsregeling 2005. Het feit dat sprake is van een rechtshandeling naar burgerlijk recht doet daaraan niet af. Immers partijen zijn de overeenkomst, zoals blijkt uit de considerans daarvan, aangegaan in het kader van het provinciale project Verplaatsing Intensieve Veehouderij conform het besluit tot vaststelling van de Beleidsregeling 2005. Onder de voorwaarden valt de in Bijlage 4 opgenomen bepaling van de koopsom, zoals hiervoor onder 2.8. weergegeven. Daaruit volgt dat de koopsom (althans de gecorrigeerde vervangingswaarde van de bedrijfsgebouwen) wijzigt als de bedrijfsverplaatsing niet binnen drie kalenderjaren is afgerond, zoals in de onderhavige zaak het geval is. Niet valt in te zien waarom [eisers] daaraan niet gebonden zou zijn. Ook uit het in opdracht van de Provincie opgemaakte taxatierapport blijkt dat latere bedrijfsverplaatsing gevolgen heeft voor de vervangingswaarde van de gebouwen, al is (kennelijk abusievelijk) in hoofdstuk 7 alleen de waarde van de bedrijfsgebouwen bij gerealiseerde verplaatsing in 2009 of eerder vermeld en niet ook de gecorrigeerde vervangingswaarde voor verplaatsing in 2010 t/m 2012.

Nu [eisers] geacht moet worden bij het sluiten van de overeenkomst te hebben ingestemd met de voorwaarden van de Beleidsregeling 2005, gaat zijn standpunt dat de Provincie ook bij een latere bedrijfsverplaatsing gebonden zijn zou aan een koopsom van € 1.502.323,50 niet op. Er bestaat uit hoofde van de overeenkomst dan ook geen grond voor betaling van een hoger bedrag dan het door de Provincie vastgestelde subsidiebedrag. Dat betekent dat geen sprake is van een tekortkoming van de Provincie of een plicht tot betaling van een schadevergoeding.

4.4.

De conclusie is dat de vorderingen van [eisers] reeds op grond van het bovenstaande worden afgewezen. Dat betekent dat hetgeen de Provincie overigens heeft aangevoerd buiten beschouwing kan blijven.

4.5.

[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Provincie worden begroot op:

- explootkosten € 0,00

- griffierecht 3.903,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 6.745,00

4.6.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van de Provincie tot op heden begroot op € 6.745,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eisers] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.B. van Daalen en in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2017.