Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:4296

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-08-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
01/879254-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren voor witwassen, meermalen gepleegd, het aanwezig hebben van cocaïne en overtreding van de Geneesmiddelenwet (Kamagra aanwezig hebben zonder vergunning).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879254-16

Datum uitspraak: 14 augustus 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te Eindhoven op [geboortedatum] 1953,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 juli 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 juni 2017.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 31 juli 2017 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 04 april 2016 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 04 april 2016 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten kamagra, te weten een aanzienlijke hoeveelheid van

  • -

    90 doosjes met in ieder doosje 7 cachets Kamagra Atanta Oral Jelly

  • -

    600 blisters met 4 tabletten met opschrift Kamagra 100 mg

  • -

    65 blisters met 4 tabletten met opschrift Kamagra 100 mg

  • -

    13 blisters met 4 tabletten met opschrift Kamagra 100 mg

  • -

    2 blisters met 4 tabletten met opschrift Super Kamagra 100 mg,

zijnde/althans een middel bevattende sildenafil, in voorraad heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben verkocht en/of heeft/hebben afgeleverd en/of ter hand heeft/hebben gesteld en/of heeft/hebben ingevoerd;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2014 tot en met 04 april 2016, te Eindhoven en/of een of meerdere (andere) plaats(en) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) van (een) voorwerp(en), te weten: een of meer hoeveelheid/hoeveelheden (contant) geld en/of (een) hoeveelheid/hoeveelheden (contant) geld ten behoeve van de aanschaf van en/of de betaling van:

- de kosten van levensonderhoud en/of brandstofkosten en/of medische kosten en/of de kosten van onderhoud en/of reparatie van (een) personenauto('s) en/of motor(en) en/of de aanschaf van kamagra pillen en/of

- bouwmaterialen en/of bouwkosten en/of inventaris, al dan niet bestemd voor de (ver)bouw en/of aankleding en/of inrichting van een woning gelegen aan de [adres] en/of

- een personenauto, een Honda, voorzien van [kenteken] , althans enig(e) voorwerp(en),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad,heeft overgedragen en/omgezet, althans van dat/die (een) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt

en/of

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Onder feit 1 wordt verdachte verweten op 4 april 2016 te Eindhoven opzettelijk een hoeveelheid van ongeveer 10 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid cocaïne voorhanden te hebben gehad.

Ten aanzien van 2 wordt verdachte verweten het in de tenlastelegging genoemde geneesmiddel in voorraad te hebben gehad.

Onder feit 3 is ten laste gelegd dat verdachte zich, tezamen met een ander of anderen, heeft schuldig gemaakt aan witwassen dan wel schuldwitwassen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht onder feit 1 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een hoeveelheid cocaïne voorhanden heeft gehad. Tevens acht zij het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Voor wat betreft feit 3 acht de officier van justitie medeplegen van witwassen wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit, nu er alleen een indicatieve test met betrekking tot de aangetroffen stof aanwezig is.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Voor wat betreft feit 3 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Verdachte heeft in het verleden veel geld verdiend, dat hij contant onder zich had. Dat er op 1 januari 2014 er vanuit is gegaan dat er op dat moment geen contanten waren, klopt niet.

Er zijn ook uitgaven bij de Harley-Davidson motorzaak gedaan voor andere personen. Verdachte fungeerde als een soort tussenpersoon omdat hij bij die zaak korting kreeg.

Verdachte heeft nog aangegeven dat hij vaak voor vrienden naar Schiphol reed, waarbij deze vrienden de brandstof voor hem betaalden.

Indien de rechtbank vindt dat er toch sprake is van witwassen, dan valt het in de woning aangetroffen en aan verdachte toebehorende contante geldbedrag van € 5.000,-- niet onder het witwassen. Onder de oude wetgeving is het niet verhullend voorhanden hebben van contant geld, afkomstig uit een eigen misdrijf of misdrijven, onvoldoende voor het aannemen van witwassen.

Het oordeel van de rechtbank.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage (pag. 13 tot en met 24) bij dit vonnis, en dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Nadere bewijsoverwegingen en de bewijsbeoordeling.

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat het feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen omdat er alleen een indicatieve test is.

Op basis van het aantreffen van de betreffende stoffen, de indicatieve narcoticatesten (MMC kleur-reactietest) die positief reageerden op cocaïne en de verklaring van verdachte ter terechtzitting acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 4 april 2016 te Eindhoven opzettelijk een hoeveelheid cocaïne voorhanden heeft gehad.

De rechtbank is van oordeel dat de indicatieve testen voldoende worden ondersteund door de verklaring van verdachte. Verdachte heeft immers verklaard dat hij op 4 april 2016 te Eindhoven cocaïne in zijn bezit had.

Ten aanzien van feit 2:

Verdachte heeft het onder 2 ten laste gelegde ter terechtzitting bekend.

Op grond van de in de bewijsbijlage vermelde opgave van bewijsmiddelen acht de

rechtbank het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bewezen is verklaard.

Ten aanzien van feit 3:

Beoordelingskader witwassen. De rechtbank stelt allereerst vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat alle voorwerpen/gelden waarop de witwasgedragingen van verdachte betrekking zouden hebben uit een concreet misdrijf afkomstig zijn.

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals het onderhavige, waarin geen direct bewijs voor de herkomst van geld of goederen uit brondelicten aanwezig is, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld of de goederen direct of indirect uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien van een dergelijk vermoeden sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de (legale) herkomst van het geld of de goederen. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Indien en voor zover een aan die eisen beantwoordende verklaring van de verdachte daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte af te leiden, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Ook de onderhavige verwijten zullen aan de hand van dit toetsingskader worden beoordeeld.

Vermoeden van witwassen De rechtbank is van oordeel dat de hierna te noemen feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Kort samengevat blijkt uit de door de politie opgemaakte kasopstelling dat verdachte gedurende de onderzoeksperiode van 1 januari 2014 tot en met 3 april 2016 minimaal € 38.608,25 meer heeft uitgegeven dan hem ter beschikking stond middels uit het onderzoek gebleken legale inkomsten. Daarnaast werd in de woning van verdachte en de medeverdachte op 4 april 2016 een groot contant geldbedrag van € 12.290,-- aangetroffen.

Verklaring van verdachte en de beoordeling daarvan Na de doorzoeking van 4 april 2016 is verdachte door de politie gehoord op 5 april 2016 en 6 april 2016. Verdachte heeft toen aangegeven dat de aangetroffen envelop met € 5.000,-- van hem was. De overige gelden waren niet van hem. Voorts heeft hij verklaard dat hij naast zijn uitkering geen inkomsten had, behalve wat hij af en toe los verdiende. Op 13 juli 2016 is verdachte wederom door de politie gehoord als verdachte terzake de verdenking van witwassen. Aan verdachte is duidelijk gemaakt dat hij verdacht werd van -kort gezegd- witwassen. Ook is hem uitgelegd wat de consequenties kunnen zijn als hij geen uitleg geeft over de herkomst van de gelden. Verdachte heeft zich desondanks beroepen op zijn zwijgrecht. Hij heeft geen antwoord willen geven op vragen van de verbalisanten over de herkomst van de gelden. Nu er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen, mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van de gelden. Verdachte heeft dit op 13 juli 2016 echter nagelaten.

Verdachte heeft eerst ter terechtzitting van 31 juli 2017 een verklaring afgelegd naar aanleiding van de verdenking van witwassen. Hij heeft -kort gezegd- verklaard dat:

-hij in het verleden op een legale wijze veel geld heeft verdiend; dat hij in de loop van de tijd dit geld contant onder zich heeft gehad en er de laatste jaren goed van heeft geleefd. Door de politie is ten onrechte als uitgangspunt genomen dat er op 1 januari 2014 geen contanten waren;

- de uitgaven bij de Harley-Davidson motorzaak te Veghel zijn ook gedaan voor andere personen, die de koopsommen dan weer contant aan hem terugbetaalden. Verdachte fungeerde slechts als een soort tussenpersoon omdat hij bij deze zaak korting kreeg;

- hij reed vaak voor vrienden naar Schiphol, waarbij zij de brandstof voor de auto betaalden.

Verdachte heeft zijn verklaring niet onderbouwd met stukken.

De rechtbank constateert dat verdachte tijdens het verhoor op 13 juli 2016, ook op de vraag ‘hoeveel contant geld hij had op 1 januari 2014’ en vragen over de aanschaf van de brandstof, zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Verdachte heeft geen enkele verklaring gegeven waarom hij bij de politie op 13 juli 2016, na te zijn geconfronteerd met de mogelijke consequenties van het niet geven van een uitleg over de herkomst van de gelden, niet hierover heeft willen verklaren als de gelden daadwerkelijk een legale herkomst hebben, terwijl verdachte hier op de zitting wel over verklaart.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte ter zitting omtrent de contanten op 1 januari 2014 en de brandstof onvoldoende concreet en verifieerbaar is. Ook de verklaring van verdachte omtrent de aankoop van goederen voor anderen bij de Harley-Davidson zaak is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet en verifieerbaar. Verdachte volstaat met een enkele mededeling hierover. Deze verklaring wordt niet met stukken onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen verdachte dienaangaande naar voren heeft gebracht niet als een concrete, min of meer verifieerbare verklaring kan gelden en dit onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een nader onderzoek door het openbaar ministerie naar de herkomst van het geld.

Conclusie

De rechtbank volgt de berekening zoals opgenomen in de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2016 (minimaal) een bedrag van € 38.608,25 meer heeft uitgegeven dan hem ter beschikking stond vanuit bekende beschikbare geldmiddelen.

Op grond hiervan acht de rechtbank geen andere conclusie mogelijk dan dat het niet anders kan zijn dan dat de contante gelden en de gelden ten behoeve van de aanschaf van en de betaling van kosten van levensonderhoud en/of brandstofkosten en/of medische kosten en kosten van onderhoud en/of reparatie van een personenauto, motoren, aanschaf Kamagra pillen en de kosten met betrekking tot -kort gezegd- bouwmaterialen en/of bouwkosten en/of inventaris, al dan niet voor de (ver)bouw en/of aankleding en/of inrichting van de woning aan de [adres] onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dat moet hebben geweten.

Is er sprake van medeplegen?

De rechtbank acht onvoldoende bewijs voorhanden voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte. De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met medeverdachte [naam medeverdachte] heeft gepleegd en zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.

Het verweer met betrekking tot de aangetroffen € 5.000,--

De raadsman heeft aangevoerd dat het niet verhullend voorhanden hebben van contant geld, afkomstig uit een eigen misdrijf of misdrijven onvoldoende is voor het aannemen van witwassen.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

De rechtbank acht bewezen dat de voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig zijn uit enig misdrijf. De rechtbank vindt in deze zaak geen direct bewijs aanwezig voor de herkomst van geld/voorwerpen uit brondelicten gepleegd door verdachte. Het verweer van de raadsman treft dan ook geen doel. De rechtbank is van oordeel dat ook het aanwezig hebben van het onder verdachte aangetroffen contante geldbedrag van € 5.000,-- onder het witwassen valt.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in de bewijsbijlage, het onder 3 ten laste gelegde witwassen bewezen, voor zover hierna bewezen is verklaard.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderlinge samenhang en verband komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

op 04 april 2016 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

op 04 april 2016 te Eindhoven opzettelijk, een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten Kamagra, te weten een aanzienlijke hoeveelheid van

  • -

    90 doosjes met in ieder doosje 7 cachets Kamagra Atanta Oral Jelly

  • -

    600 blisters met 4 tabletten met opschrift Kamagra 100 mg

  • -

    65 blisters met 4 tabletten met opschrift Kamagra 100 mg

  • -

    13 blisters met 4 tabletten met opschrift Kamagra 100 mg

  • -

    2 blisters met 4 tabletten met opschrift Super Kamagra 100 mg,

zijnde een middel bevattende Sildenafil, in voorraad heeft gehad.

3.

op tijdstippen in de periode van 01 januari 2014 tot en met 04 april 2016 in Nederland,

telkens van voorwerpen, te weten:

hoeveelheden contant geld en hoeveelheden (contant) geld ten behoeve van de aanschaf van en/of de betaling van:

- de kosten van levensonderhoud en brandstofkosten en medische kosten en de kosten van onderhoud en reparatie van een personenauto en motoren en de aanschaf van Kamagra pillen en

- bouwmaterialen en/of bouwkosten en/of inventaris, al dan niet bestemd voor de (ver)bouw en/of aankleding en/of inrichting van een woning gelegen aan de [adres] en

- een Honda, voorzien van [kenteken] ,

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en omgezet,

en de werkelijke aard en de herkomst heeft verhuld, terwijl hij telkens wist, dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3:

  • -

    een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    onttrekking aan het verkeer van de goederen vermeld onder 20, 21 en 25 tot en met 30 op de lijst van in beslag genomen goederen;

  • -

    verbeurdverklaring van de goederen vermeld onder 22 tot en met 24 op de lijst van in beslag genomen goederen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman vindt de eis buiten proportie. Bij een eventuele strafoplegging dient rekening te worden gehouden met het nagenoeg blanco strafblad van verdachte en zijn medische toestand. Bij een bewezenverklaring vindt de raadsman een taakstraf op zijn plaats met daarnaast eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De raadsman verzoekt teruggave van de assimilatielampen en het verpakkingsmateriaal aan verdachte. Deze goederen zijn legaal. Ten aanzien van de afdoening met betrekking tot de in beslag genomen horloges refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een hoeveelheid cocaïne. Harddrugs als cocaïne leveren grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers op.

Verdachte heeft tevens een grote hoeveelheid van een geneesmiddel, te weten Kamagra, voorhanden gehad. De hoeveelheid is zodanig, dat de rechtbank deze hoeveelheid als een handelshoeveelheid beschouwt. Het ongecontroleerd in voorraad hebben van geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning geldt, vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid. Het gebruik van dergelijke geneesmiddelen kan immers fatale gevolgen hebben.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen gedurende een aanzienlijke periode.
Door zijn gedragingen heeft verdachte bijgedragen aan het verhullen en daarmee aan het zicht van de opsporingsautoriteiten onttrekken van verdiensten uit criminele activiteiten. Dit opsporingsbelang is tevens een breed gedragen maatschappelijk belang en raakt daarmee de samenleving als zodanig. Dit verhullen vindt plaats op zodanige wijze dat daar een maatschappij-ontwrichtende werking van uit gaat. Het vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig aan.
Daarbij lijkt verdachte uitsluitend gedreven door eigen materieel gewin, zonder zich te bekommeren om de gevolgen van zijn gedragingen voor de samenleving waar hij deel van uitmaakt.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. De rechtbank zal een gedeelte van 6 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank een taakstraf, zoals door de raadsman is geopperd, niet passend. In deze zaak ziet de rechtbank in de door de raadsman naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van verdachte ook geen aanleiding een taakstraf op te leggen of de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk op te leggen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen aan het verkeer onttrokken dienen te worden verklaard, omdat blijkens het onderzoek ter terechtzitting deze voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane misdrijven zijn aangetroffen, terwijl deze voorwerpen (verpakkingsmateriaal en assimilatielampen) kunnen dienen tot het begaan of ter voorbereiding van soortgelijke misdrijven, namelijk een drugsdelict en deze voorwerpen toebehoren aan verdachte en van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

De rechtbank stelt vast dat de in het dictum genoemde horloges, horloges zijn waarbij sprake is van merkvervalsing. De rechtbank zal deze goederen onttrekken aan het verkeer nu deze goederen aan verdachte toebehoren en deze van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36b, 36d, 57, 420bis

Geneesmiddelenwet art. 1, 40 en 134

Opiumwet art. 2, 10

Wet op de economische delicten art. 1,2, 6 en 87.

DE UITSPRAAK

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod. T.a.v. feit 2: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40, lid 2, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan. T.a.v. feit 3: witwassen, meermalen gepleegd verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

 Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

De goederen vermeld op de lijst van in beslag genomen goederen d.d. 19 juni 2017 onder de nummers: 20 (verpakkingsmateriaal), 21 (16 lampen), 22 (horloges Breitling), 23 (horloge Bm Cccp1161), 24 (horloge Night Rider), 25 (certificaat en rekening), 26 (horloge Audemars Piquet Royal Oax), 27 (horloge Rolex), 28 (horloge Rolex), 29 (horloge Cartier Roadster) en 30 (horloge Armani).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.M. Hettinga, voorzitter,

mr. H.A. van Gameren en mr. C.P.C. Kuijs, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 14 augustus 2017.

[bewijsbijlage]