Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:4182

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-08-2017
Datum publicatie
09-08-2017
Zaaknummer
01/860179-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als bestuurder van een bestelauto een aanrijding met een voor hem van rechts komende personenauto veroorzaakt. Verdachte verkeerde op dat moment onder invloed van alcoholhoudende drank. De rechtbank merkt het rijgedrag van verdachte aan als aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend. Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke rijontzegging van 18 maanden met een proeftijd van twee jaar. De rijontzegging is voorwaardelijk opgelegd omdat verdachte beroepschauffeur is en hij niet eerder is veroordeeld maar daarom wordt een hogere taakstraf opgelegd dan de officier van justitie heeft gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: 01/860179-17

[verdachte]

Strafrecht

Parketnummer: 01/860179-17

Datum uitspraak: 09 augustus 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [Geboortedatum]

wonende te [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 juli 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht

.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 juni 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 december 2016 te Volkel, gemeente Uden,, in elk geval in

Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(te weten een personenauto), daarmede rijdende over de weg, (Antoniusstraat),

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend,(terwijl hij verkeerde onder aanmerkelijke

invloed van (een) stof(fen) die de rijvaardigheid beïnvloedde)

rijdende op die Antoniusstraat en/of gekomen bij de kruising of splitsing van

die Antoniusstraat met de Nieuwstraat geen voorrang te verlenen aan de

bestuurder van een van rechts komende personenauto (Opel Corsa) die aldaar

voorrang had,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffers] )

zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in

artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het

feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede,

zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

a)

hij op of omstreeks 10 december 2016 te Volkel, gemeente Uden, als bestuurder

van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Antoniusstraat

en/of gekomen bij de kruising of splitsing van die Antoniusstraat met de

Nieuwstraat geen voorrang heeft verleend aan de bestuurder van een van rechts

komende personenauto (Opel Corsa) die aldaar voorrang had, door welke

gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon

worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon

worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

en/of

b)

hij op of omstreeks 10 december 2016 te Volkel, gemeente Uden, als bestuurder

van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig

gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij

een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994, 620 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram,

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsoverweging.

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat zij van mening is dat verdachte zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen.

De raadsman heeft vrijspraak voor het primair ten laste gelegde bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: art. 6 WVW 1994). De raadsman stelt dat voor een bewezenverklaring daarvan sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en daarvan is naar zijn mening geen sprake.

De raadsman heeft ook aangevoerd dat het causaal verband tussen het alcoholgebruik en het ongeval ontbreekt; indien verdachte geen alcohol zou hebben gedronken, dan zou het ongeluk alsnog hebben plaatsgevonden. Verdachte is immers niet tegen de Opel Corsa aangereden, de Opel Corsa is in de flank van de auto van verdachte gereden.

De rechtbank overweegt als volgt. Van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994. Uitsluitend het gebruik van een stof die de rijvaardigheid kan verminderen, zoals alcohol, zal doorgaans onvoldoende zijn voor het oordeel dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 (vgl. Hoge Raad 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3616). Bij de beoordeling of sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Verdachte heeft - op een overzichtelijk gelijkwaardig kruispunt binnen de bebouwde kom - ten onrechte geen voorrang verleend aan de voor hem van rechts komende Opel Corsa, met daarin [slachtoffer 1] als bestuurder en [slachtoffer 2] als passagier. Hierdoor is een aanrijding ontstaan. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de auto pas zag op het moment dat hij al midden op de kruising reed. Het was toen te laat om nog adequaat te kunnen reageren.

Verdachte heeft erkend dat hij ten tijde van het ongeval onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde. Dit blijkt ook uit de ademanalyse; het alcoholgehalte was ten tijde van de analyse 620 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, waar 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht was toegestaan.

De rechtbank constateert verder dat de maximumsnelheid ter plaatse 30 kilometer per uur bedroeg. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij destijds in de veronderstelling verkeerde dat de toegestane maximumsnelheid 50 kilometer per uur was. Naar zijn inschatting heeft hij gereden met een snelheid van tussen de 30 kilometer per uur en

50 kilometer per uur. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte op zijn minst harder reed dan de toegestane 30 kilometer per uur. De rechtbank vindt hiervoor steun in de verklaring van [getuige] . Deze getuige heeft verklaard dat het busje van verdachte ongeveer 70 tot 80 kilometer per uur reed.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze concrete, hiervoor uiteengezette, omstandigheden sprake is van dusdanige ernstige verkeersfouten dat gesproken kan worden van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag. Verdachte heeft onder invloed van alcohol, met overschrijding van de maximumsnelheid, geen voorrang verleend aan de personenauto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , ten gevolge waarvan een botsing is ontstaan. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte schuld heeft aan het ongeval, in de zin van art. 6 WVW 1994.

De raadsman heeft gesteld dat het ongeval ook zou hebben plaatsgevonden als verdachte geen alcohol zou hebben gedronken én dat het ongeval door [slachtoffer 1] voorkomen had kunnen worden. De rechtbank is echter van oordeel dat - nog daargelaten of hetgeen de raadsman stelt juist is, maar zelfs indien dit al zo zou zijn - dit de schuld van verdachte aan het ongeval op geen enkele wijze wegneemt.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het letsel dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten gevolge van het ongeval hebben opgelopen niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht het letsel wel zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op 10 december 2016 te Volkel, gemeente Uden, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Antoniusstraat,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend,

rijdende op die Antoniusstraat en gekomen bij de kruising of splitsing van die Antoniusstraat met de Nieuwstraat, geen voorrang te verlenen aan de

bestuurder van een van rechts komende personenauto (Opel Corsa) die aldaar

voorrang had, waardoor anderen, genaamd [slachtoffers] ,

zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist ten aanzien van het primair ten laste gelegde een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis, een gevangenisstraf voor de duur van

1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als bestuurder van zijn bestelauto een aanrijding veroorzaakt met de personenauto waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten. Dit is aan zijn schuld te wijten. Verdachte had bijna driemaal zoveel alcohol op als was toegestaan, reed harder dan ter plaatse was toegestaan en heeft ten onrechte geen voorrang verleend. Het ongeval heeft veel impact op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gehad. Uit hun schriftelijke slachtofferverklaringen blijkt dat zij nog steeds nadelige gevolgen van het ongeval ondervinden.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte er blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem gepleegde feit inziet en spijt heeft betuigd. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Het uitgangspunt voor een feit als het onderhavige is een taakstraf voor de duur van 140 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden. Omdat verdachte zelfstandig vrachtwagenchauffeur van beroep is, en hij voor zijn inkomen van zijn rijbewijs afhankelijk is, acht de rechtbank in dit geval, alles afwegende, een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid niet passend. De rechtbank zal de ontzegging van de rijbevoegdheid dan ook voorwaardelijk aan verdachte opleggen. De rechtbank hoopt verdachte er hiermee van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Omdat de ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk zal worden opgelegd, acht de rechtbank het passend en geboden om een hogere taakstraf op te leggen. De rechtbank acht een taakstraf voor de duur van 180 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden voorwaardelijk passend en geboden.

De rechtbank legt hiermee een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf. Dit komt omdat rechtbank – anders dan de officier van justitie – niet bewezen acht dat verdachte zich zeer onoplettend heeft gedragen, maar dat hij zich aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de straf die wordt opgelegd de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en, alles afwegende, een passende en geboden straf is.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 22c, 22d

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175, 179.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:

primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en de schuldige verkeert in de toestand bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

T.a.v. primair:

Taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.

T.a.v. primair:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 18 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig

artikel 179 lid 6 Wegenverkeerswet 1994 met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Bossink, voorzitter,

mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging en mr. A.E. van der Eijk, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F. van Hulst, griffier,

en is uitgesproken op 9 augustus 2017.