Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:413

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-01-2017
Datum publicatie
30-01-2017
Zaaknummer
01/845757-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tenuitvoerlegging van een bij vonnis van 16 februari 2015 voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel omdat veroordeelde tijdens de proeftijd een nieuw strafbaar feit heeft gepleegd. Het vonnis waarop deze tenuitvoerlegging is gebaseerd, is gepubliceerd onder ECLI:NL:RBOBR:2017:412. Aan de behandeling ter openbare terechtzitting in plaats van behandeling in openbare raadkamer, verbindt de rechtbank geen gevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845757-14 Uitspraakdatum: 30 januari 2017

Beslissing ex artikel 509ee Wetboek van Strafvordering na vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling ISD-maatregel

Beslissing ex artikel 509ee Wetboek van Strafvordering na vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling ISD-maatregel, betreffende veroordeelde:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Het onderzoek van de zaak.

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank van 16 februari 2015 onder bovengenoemd parketnummer is aan de veroordeelde onder meer opgelegd:

de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van 2 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Aan deze voorwaardelijke maatregel zijn aan veroordeelde algemene en bijzondere voorwaarden gesteld.

De vordering is door deze rechtbank behandeld op 16 januari 2017; van deze behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

De vordering van de officier van justitie strekt tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde maatregel wegens overtreding van de algemene voorwaarde dat veroordeelde zich niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en hetgeen van de zijde van veroordeelde naar voren is gebracht.

De rechtbank constateert met de verdediging dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel door het Openbaar Ministerie bij de rechtbank is ingediend als een vordering tot tenuitvoerlegging ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht. Ter zitting heeft de officier van justitie de vordering alsnog gebaseerd op artikel 38r van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal de vordering opvatten als een vordering ex artikel 38r van het Wetboek van Strafrecht. Veroordeelde is daardoor niet in enig belang geschaad.

De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering is aangebracht ter openbare terechtzitting van de rechtbank terwijl de wet voorschrijft dat deze ter openbare raadkamer had moeten worden aangebracht overeenkomstig artikel 509dd Wetboek van Strafvordering. De verdediging concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vordering.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of, en zo ja welke, consequenties verbonden dienen te worden aan het feit dat de openbare behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting in plaats van in openbare raadkamer.

De rechtbank stelt vast dat door of namens veroordeelde niet is aangevoerd dat en in welke belangen hij daardoor is geschaad. Daarvan is de rechtbank ook zelf niet gebleken.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de zittingsvoorschriften voor een behandeling in raadkamer beperkter zijn dan die voor een onderzoek ter terechtzitting, zodat de veroordeelde ook op dat punt niet in zijn belangen geschaad is.

Bij deze stand van zaken dient de door de raadsman van veroordeelde

niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vordering achterwege te blijven.

Voor de goede orde concludeert de rechtbank dat de vordering voorts aan alle wettelijke eisen voldoet. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het reclasseringsrapport van [reclassseringsmedewerker] d.d. 20 december 2016 en het psychiatrisch advies van [naam psychiater] d.d. 2 november 2016.

De beoordeling.

De rechtbank heeft [verdachte] , voornoemd, bij haar vonnis van 30 januari 2017 veroordeeld wegens strafbare feiten, gepleegd gedurende de proeftijd van deze voorwaardelijke veroordeling. Daarmee heeft veroordeelde de algemene voorwaarde overtreden.

De rechtbank heeft in haar oordeel betrokken dat deze rechtbank veroordeelde in haar vonnis van 23 september 2015 in de strafzaak met parketnummer 01/845439-15 nog een laatste kans heeft gegeven om binnen het kader van de voorwaardelijke ISD mee te werken aan de hem opgelegde voorwaarden en met hulp van de reclassering zijn leven een positieve wending te geven. De rechtbank heeft toen nadrukkelijk afgezien van oplegging van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel.Ondanks deze laatste kans die veroordeelde van de rechtbank kreeg en de begeleiding door de reclassering die veroordeelde is geboden om te voldoen aan de voorwaardelijke veroordeling, is veroordeelde er niet in geslaagd zich te houden aan de algemene voorwaarde, geen strafbare feiten te plegen binnen de proeftijd.

De beoogde strekking van de ISD-maatregel – te weten beveiliging van de maatschappij en het tegengaan van overlast – is redengevend voor de beslissing van de rechtbank om de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde maatregel te gelasten.

Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig.

DE BESLISSING

Gelast de tenuitvoerlegging van de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelmatige daders voor de duur van 2 jaar.

Deze beslissing is genomen door:

mr. H.M. Hettinga, voorzitter,

mr. W. Schoorlemmer en mr. R. van den Munckhof, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. de Bruijn-van der Sluijs, griffier,

en is uitgesproken op 30 januari 2017.