Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:4076

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
17_1365
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Verweerder heeft daarbij gebruik gemaakt van de Sociaal Medische Beoordeling Arbeidsvermogen (SMBA)-systematiek. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres ten tijde in geding beschikt over arbeidsvermogen, zodat vanaf 1 januari 2018 de hoogte van de Wajong-uitkering wordt aangepast naar 70% van het minimumloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/1365

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam] ),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. B.H.C. de Bruijn).

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres verleende uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) met ingang van 1 januari 2018 verlaagd van 75% naar 70% van het wettelijk minimumloon.

Bij besluit van 22 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bij brief van 17 juli 2017 verweerder een vraag voorgelegd. Verweerder heeft daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op 22 november 1980. Verweerder heeft met ingang van

22 november 1998 aan eiseres een Wajong-uitkering verleend. Verweerder heeft verschillende keren, laatstelijk op 26 januari 2007, het recht van eiseres op een Wajong-uitkering herbeoordeeld. Dat heeft telkens ertoe geleid dat de indeling van eiseres in de arbeidsongeschikheidsklasse 80 tot 100% is gehandhaafd. Vervolgens heeft verweerder in het kader van de Invoeringswet Participatiewet een herindelingsonderzoek verricht. Hierbij is beoordeeld of eiseres arbeidsvermogen heeft.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit het standpunt gehandhaafd dat eiseres arbeidsvermogen heeft.

3. Eiseres voert aan dat zij geen arbeidsvermogen heeft. Zij kan niet aaneengesloten werken gedurende ten minste een periode van een uur en zij is niet ten minste vier uur per dag belastbaar. Daarbij wijst zij erop dat zij ten tijde van het onderzoek door de primaire verzekeringsarts op 17 oktober 2016 zwanger was en rugklachten had. Zij heeft al van jongs af aan rugklachten, maar omdat rugklachten ook het gevolg kunnen zijn van zwangerschap, heeft zij gewacht om die klachten te melden totdat ze na de bevalling zijn blijven aanhouden. Ook heeft eiseres psychische klachten door waarschijnlijk een traumatisch verleden. Verder heeft haar huisarts voor haar depressieve klachten medicatie voorgeschreven en is sprake van alcoholproblematiek. Voor een onderbouwing van het voorgaande verwijst eiseres naar een verklaring van haar huisarts van 2 mei 2017. Eiseres brengt verder naar voren dat zij vanwege haar medische problemen niet in staat is een taak in een arbeidsorganisatie te verrichten, ook niet de door verweerder uitgelichte voorbeeldtaak. Ten slotte voert eiseres aan dat zij niet beschikt over basale werknemersvaardigheden. Zij is altijd al voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt verklaard en zij heeft geen arbeidsverleden. Op de basisschool ging het slecht tot matig. Eiseres moest worden gedwongen om naar de afspraak met de verzekeringsarts (bedoeld zal zijn: arbeidsdeskundige) op 11 oktober 2016 te gaan en kwam daar 20 minuten te laat. Verder heeft eiseres altijd intensieve hulp ontvangen van haar familie en partner en is dus nooit zelfstandig gaan wonen.

4. In artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit is bepaald dat betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong heeft indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

5. Voor de toetsing of eiseres aan de hierboven genoemde voorwaarden voldoet, maakt verweerder gebruik van de Sociaal Medische Beoordeling Arbeidsvermogen (SMBA)-systematiek. Bij deze beoordeling staat de ‘International Classification of Functioning, Disability and Health’ centraal. Voor het toepassen van de SMBA-systematiek heeft verweerder het ‘Compendium Participatiewet’ vastgesteld. Blijkens de toelichting betreft dit Compendium deels een werkinstructie/naslagwerk en deels een beschrijving van verweerders beleid.

6. De rechtbank zal allereerst het medisch oordeel van verweerder bespreken dat eiseres in staat is om één uur aaneengesloten te werken en ten minste vier uur per dag belastbaar is.

7. Het uitgangspunt is dat verweerder zijn besluitvorming mag baseren op rapportages van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Eiseres kan echter dit uitgangspunt aanvechten door aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapportages niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, niet concludent zijn, dan wel dat de in de rapportages gegeven beoordeling onjuist is. Eiseres heeft alleen de gegeven beoordeling aangevochten. Voor het aannemelijk maken dat de medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapportage van een regulier medicus noodzakelijk.

8. Verweerders verzekeringsartsen zijn uitgegaan van de beperkingen zoals die werden vastgesteld bij de laatste herbeoordeling van het recht van eiseres op een Wajong-uitkering in 2007. Toen werd door de verzekeringsarts gesteld dat sprake was van een normale rugfunctie en dat er niet langer beperkingen werden aangenomen voor rugbelastend werk. Ook heeft de verzekeringsarts toen aangegeven dat eiseres stelde een drankprobleem te hebben maar dat dit niet was te objectiveren en dat uit onderzoek niet bleek van uiterlijke kenmerken die een drankprobleem deden vermoeden. Bij de huidige beoordeling hebben verweerders verzekeringsartsen zich hierbij aangesloten en geen reden gezien beperkingen op te nemen vanwege rug- of alcoholproblematiek. De rechtbank heeft geen reden aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen. Met name het feit dat de huisarts aan zijn verklaring van 2 mei 2017 met de hand geschreven heeft toegevoegd “rugklachten” en “alcoholproblematiek” brengt die twijfel niet. Op geen enkele manier is immers in die verklaring onderbouwd dat in dit opzicht sprake is van ziekte of gebrek.

9. De verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) heeft over de psychische klachten van eiseres gerapporteerd dat verweerder in het kader van de herbeoordelingen ermee bekend is dat eiseres psychische klachten heeft en heeft hiervoor ook beperkingen aangenomen. Deze klachten zijn door verweerder eerder gediagnosticeerd als een angststoornis. De huisarts van eiseres heeft in zijn verklaring van 2 mei 2017 de klachten gediagnosticeerd als recidiverende depressies. Deze wijziging in diagnose betekent volgens de verzekeringsarts B&B niet dat dit moet leiden tot meer beperkingen. Zij heeft erop gewezen dat de depressies van eiseres niet ernstig zijn, gelet op de voorgeschreven medicatie en het feit dat de behandeling wordt verricht vanuit de huisartsenpraktijk. De rechtbank heeft ook ten aanzien van de psychische klachten geen reden aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen. Voor verdergaande beperkingen op grond van psychische problemen heeft eiseres geen medische gegevens ingebracht ter onderbouwing daarvan.

10. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres, met inachtneming van haar beperkingen, in staat geacht kan worden om ten minste vier uur per dag belastbaar te zijn en ten minste één uur per dag aaneengesloten te werken.

11. De rechtbank zal vervolgens ingaan op het arbeidskundig oordeel van verweerder dat eiseres beschikt over basale werknemersvaardigheden.

12. Met betrekking tot de vraag of iemand over basale werknemersvaardigheden beschikt, heeft verweerder beleid geformuleerd dat is neergelegd in het Compendium Participatiewet. Gelet op dit beleid wordt onder basale werknemersvaardigheden verstaan: het begrijpen, onthouden en uitvoeren van instructies van de werkgever en het nakomen van afspraken.

13. Volgens de arbeidsdeskundige B&B beschikt eiseres over basale werknemersvaardigheden, omdat zij in staat is geweest regulier onderwijs te volgen. Zij heeft de basisschool afgerond en een jaar vervolgonderwijs genoten. Eiseres woont zelfstandig, voert een eigen huishouding en kookt eten. Dat zij hulp krijgt van familie die in de buurt woont, maakt dat niet anders. De arbeidsdeskundige B&B heeft verder in aanmerking genomen dat er volgens de verzekeringsartsen geen aanleiding is om te veronderstellen dat eiseres niet in staat is om een opdracht te begrijpen en uit te voeren of dat zij niet in staat is om afspraken na te komen. Gelet op dat laatste gaat de arbeidsdeskundige B&B voorbij aan de stelling dat eiseres 20 minuten te laat op een afspraak kwam. De rechtbank ziet geen aanleiding om de bevindingen van de arbeidsdeskundige B&B voor onjuist te houden. Verweerder heeft dan ook terecht het standpunt ingenomen dat eiseres beschikt over basale werknemersvaardigheden.

14. De rechtbank zal ten slotte ingaan op het arbeidskundig oordeel van verweerder dat eiseres in staat is een taak uit te voeren in een arbeidsorganisatie.

15. De arbeidsdeskundige B&B acht eiseres met de bij haar bestaande medische beperkingen, zoals tot uitdrukking gebracht in de functionele mogelijkheden lijst (FML) van 26 januari 2007, in staat de taak ‘ophangen van producten’ (taak 1901, versie 2 september 2016) te verrichten. Deze taak betreft routinematige arbeid met een vaste en bekende werkwijze en enkelvoudige opdrachten. Onverwachte gebeurtenissen en strategieën die telkens sterk veranderen, komen in dit werk niet voor. In het werk is geen sprake van een dwingend hoog handelingstempo en ook komen er geen deadlines en/of beperkingen voor. Er is geen sprake van klantcontacten. Het is geen solistische functie. Er wordt gewerkt onder leiding van een leidinggevende, die op de werkvloer aanwezig is. De werknemer werkt in de nabijheid van collega’s. Er wordt niet in een grote groep gewerkt. In genoemde FML is het item samenwerken gescoord als: “beperkt, kan met anderen werken, maar met een eigen, van te voren afgebakende deeltaak (…) En bijkomend mogen dit geen grote groepen van mensen zijn. (<10)”. De arbeidsdeskundige B&B heeft naar aanleiding van een verzoek van de rechtbank nader toegelicht dat bij deze taak de medewerker voorwerpen ophangt aan een transportband en dat alleen als het gaat om het ophangen van een zwaar onderdeel dit samen met een collega wordt gedaan. Hoewel niet uit te sluiten is dat in de fabriekshal meer dan 10 personen werken, werken deze niet allemaal bij elkaar in een groep. De rechtbank ziet geen aanleiding deze toelichting van de arbeidsdeskundige B&B voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat eiseres met inachtneming van de vastgestelde medische beperkingen in staat is een taak uit te voeren in een arbeidsorganisatie.

16. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat eiseres ten tijde in geding beschikt over arbeidsvermogen, zodat vanaf 1 januari 2018 de hoogte van de Wajong-uitkering wordt aangepast naar 70% van het minimumloon.

17. Het beroep is ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D.M. Michael, voorzitter, en mr. Y.S. Klerk en mr. C.F.E. van Olden-Smit, leden, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.