Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:4069

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
01/845602-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring diefstal met geweld tegenover winkelpersoneel.

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van het voorarrest voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren op en onder meer de voorwaarden toezicht van de reclassering, meewerken aan een ambulante behandeling en het zich onthouden van het gebruik van drugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845602-16
Parketnummer vordering: 01/108323-16

Datum uitspraak: 01 augustus 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1978,

wonende te [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 juli 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht

.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 juni 2017. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 september 2016 te Oss, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, in elk geval één of meer blikje(s) drank (zijnde Bacardi cola), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte zich los heeft proberen te trekken en/of te rukken en/of zich in tegengestelde richting heeft bewogen als waar voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] hem trachtten te bewegen en/of vervolgens die voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (meermalen) heeft gebeten;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 september 2016 te Oss, althans in Nederland met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, in elk geval één of meer blikje(s) drank (zijnde Bacardi cola), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de winkel [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

en/of

hij op of omstreeks 28 september 2016 te Oss, althans in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (meermalen) te bijten.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01/108323-16 is aangebracht bij vordering van 1 mei 2017. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te Oost-Brabant d.d.
21 juli 2016. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat het primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de primair ten laste gelegde diefstal met geweld. Hij heeft daartoe aangevoerd - kort samengevat - dat verdachte weliswaar heeft gebeten toen hij werd vastgepakt, maar dat hij dit niet deed met de bedoeling om uit de supermarkt te vluchten, maar enkel met de bedoeling om los te raken uit de op hem toegepaste nekklem.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aldus sprake is van twee afzonderlijke gebeurtenissen, te weten de diefstal en de mishandeling, zodat de subsidiair ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen verklaard.

Het oordeel van de rechtbank. 1

Bewijsmiddelen.

De aangifte van [slachtoffer 2] mede namens [bedrijf] te Oss2:

Ik ben namens benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Op 28 september 2016 is geconstateerd dat betrokkene zonder de goederen te betalen de onderneming verliet.

Ik werd door de heer [slachtoffer 1] ingelicht dat meneer gestolen had en ik werd gevraagd hierbij ondersteuning te verlenen. Voorbij de kassa heb ik meneer aangesproken dat hij nog twee blikjes Bacardi in zijn zak had zitten. Meneer gaf aan dat hij deze terug in het schap had gezet, waarop ik en de heer [slachtoffer 1] met hem mee zijn gelopen naar het schap. Bij het cosmetica-schap zag ik dat hij een blikje uit zijn broekzak haalde. Meneer deed alsof hij deze uit het schap vandaan haalde. Hierop hebben wij meneer aangehouden wegens winkeldiefstal. Meneer wilde niet meewerken, hij rende richting de uitgang. Wij zijn achter meneer aangegaan en hebben hem moeten tegenhouden. Hierdoor is er een worsteling ontstaan en probeerde meneer te ontkomen door ons te bijten. Meneer heeft ons meerdere malen gebeten. Meneer heeft mij tijdens de aanhouding in mijn linker wijsvinger gebeten.

De verklaring van getuige [slachtoffer 1]3:

Op 28 september 2016 was ik werkzaam als beveiliger bij [bedrijf] te Oss. Er was een persoon door ons aangehouden ter zake van winkeldiefstal. Deze persoon trachtte te vluchten. Ik zag dat de verdachte langs de kassa’s rende in de richting van de uitgang. Ik heb een sprongetje gemaakt waardoor ik hem kon vastpakken. Ik voelde dat de verdachte zich trachtte los te rukken. Ik voelde dit doordat de verdachte zich in tegengestelde richting bewoog. Ik ben vervolgens achter de verdachte gaan staan met mijn armen om zijn borst. Dit met de intentie om de verdachte hier te houden. Ik zag dat de verdachte met zijn hoofd naar beneden ging. Ik voelde pijn. Ik heb hierop mijn hand uit de mond van de verdachte getrokken. Collega [slachtoffer 2] was op dat moment bezig om de verdachte tegen te houden. Ik zag dat de verdachte opnieuw probeerde weg te komen. Ik heb de verdachte toen opnieuw vastgepakt. Ik voelde op dat moment weer dat de verdachte mij beet. Hij heeft mij ongeveer vijf keer gebeten.

De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 juli 2017:

Het klopt dat ik op 28 september 2016 bij [bedrijf] in Oss twee blikjes Bacardi-cola heb weggenomen. Het klopt dat ik nadat ik was betrapt heb geprobeerd om weg te rennen. Daarna is er geduw en getrek ontstaan. Het klopt dat ik toen ik werd vastgepakt heb gebeten. Ik heb gebeten omdat ik wilde dat men mij losliet.

Bewijsoverwegingen van de rechtbank.

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte bij [bedrijf] twee blikjes Bacardi-cola heeft gestolen. Toen hij door (beveiligings-)medewerkers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werd aangehouden, heeft verdachte geprobeerd om uit de winkel te vluchten. Daarbij heeft verdachte zich getracht los te rukken van [slachtoffer 1] . Daarnaast heeft verdachte, toen hij om zijn borst en om zijn nek werd vastgepakt, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gebeten.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat, onder deze omstandigheden, vastgesteld kan worden dat verdachte de medewerkers heeft gebeten om zichzelf de vlucht mogelijk te maken. Immers heeft verdachte verklaard dat hij heeft gebeten met de bedoeling om los te komen, welk doel onlosmakelijk is verbonden met de wil van verdachte om weg te komen van de plaats delict, zoals dat ook naar voren kwam uit het onmiddellijk voorafgaand aan het bijten gepleegde geweld van verdachte tegen de medewerkers van [bedrijf]

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 28 september 2016 te Oss met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee blikjes drank (zijnde Bacardi-cola), toebehorende aan [bedrijf] , welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte zich los heeft proberen te trekken en/of te rukken en vervolgens die voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermalen heeft gebeten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een voorwaardelijke maatregel Inrichting Stelselmatige Daders (hierna: ‘ISD-maatregel’) zal worden opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar en met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals genoemd in het reclasseringsadvies van 15 december 2016. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft aangevoerd dat uit de rapportages van de reclassering en van de psycholoog volgt dat er omtrent verdachte zorgen bestaan. Het is evident dat verdachte behandeling nodig heeft en verdachte is gemotiveerd om die behandeling te ondergaan. Gelet op de inhoud van de e-mail van [naam reclasseringswerker] d.d. 10 juli 2017 verloopt het huidige (reclasserings-)toezicht goed.

Verder heeft de raadsman aangevoerd dat hij de door de officier van justitie geëiste voorwaardelijke ISD-maatregel, gelet op het onderliggende feit en op de persoon van verdachte, een te zware sanctie vindt. Weliswaar vermeldt het strafblad van verdachte eerdere veroordelingen - op grond waarvan de (voorwaardelijke) ISD-maatregel kan worden opgelegd - maar de hoeveelheid feiten en de ernst daarvan is relatief gering, aldus de raadsman.

Concluderend heeft de raadsman verzocht om aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur op te leggen, met daaraan verbonden de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geformuleerd. De raadsman heeft daarbij te kennen gegeven dat hij moeite heeft met de voorwaarden betreffende het drugsverbod en de kortdurende klinische opname, nu door de reclassering onvoldoende is geconcretiseerd of en in hoeverre het drugsgebruik het recidivegevaar zou beïnvloeden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal waarbij hij, nadat hij door winkelmedewerkers werd aangehouden, heeft geprobeerd te vluchten. Daarbij heeft hij tegen die medewerkers geweld heeft gebruikt.

Het betreft een zeer ernstig feit. Winkeldiefstallen berokkenen de gedupeerde winkeliers naast schade ook veel overlast en hinder. Bovendien draagt een delict als het onderhavige een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengt het bij de burgers, waaronder winkelpersoneel en aanwezige klanten, angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg. In het bijzonder rekent de rechtbank het verdachte aan dat het [slachtoffer 1] geruime tijd in onzekerheid heeft verkeerd in verband met mogelijk ten gevolge van de door de verdachte toegebrachte bijtwond opgelopen ziektes.

Voor dergelijke ernstige feiten worden in de regel onvoorwaardelijke gevangenisstraffen van aanzienlijke duur opgelegd.

Bij het bepalen van de strafmaat zal de rechtbank echter eveneens rekening met de persoon van verdachte. In de omtrent de geestvermogens van verdachte opgemaakte Pro Justitia-rapportage van 12 december 2016 concludeert psycholoog H.G.M. Kok-Schellekens dat verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit lijdende was aan een ziekelijke stoornis in termen van cannabisafhankelijkheid, een aanpassingsstoornis met een angstige en depressieve stemming en een gebrekkige ontwikkeling waarbij er sprake is van ernstige persoonlijkheidsproblematiek met antisociale en paranoïde kenmerken. Omdat de

doorwerking van bovengenoemde stoornissen de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde behoorlijk beïnvloedden, adviseert de deskundige om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De deskundige concludeert verder dat de kans op recidive van geweldpleging hoog is indien behandeling van de psychopathologie achterwege blijft. Het recidiverisico ten aanzien van stelen is zeer hoog. In dat verband adviseert de psycholoog een ambulante intensieve behandeling van verdachte bij een GGZ-instantie, gericht op de persoonlijkheids-, verslavings- en aanpassingsproblematiek. Daarbij is het van belang dat er voldoende mogelijkheden zijn om begeleiding te bieden op verschillende levensgebieden. De deskundige concludeert dat een verplicht langdurig kader en toezicht noodzakelijk zijn om verdachte te motiveren voor en daarna te binden aan behandeling en begeleiding. Dit kan dan in de vorm van een ISD-maatregel onder voorwaarden, waarbij de reclassering toezicht kan houden op het in te zetten behandel- en begeleidingstraject. Indien een ISD-maatregel niet mogelijk is, dan rest een (deels) voorwaardelijke detentie.

De rechtbank slaat tevens acht op het reclasseringsadvies van 15 december 2016 waarin - in navolging van de Pro Justitia-rapportage - een aantal voorwaarden worden geadviseerd.

De rechtbank neemt de voormelde conclusie en adviezen grotendeels over, waarbij de rechtbank het volgende in aanmerking neemt.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat verdachte voldoet aan de wettelijke criteria voor oplegging van de (voorwaardelijke) ISD-maatregel. Evenwel acht de rechtbank de oplegging van de een voorwaardelijke ISD-maatregel in de onderhavige zaak niet passend, temeer nu de ISD-maatregel dient te gelden als “ultimum remedium”, terwijl er in de onderhavige zaak alternatieve strafrechtelijke reacties voorhanden zijn.

Ter terechtzitting is gebleken dat het huidige reclasseringstoezicht en de ambulante behandeling bij Kairos (in het kader van de geschorste voorlopige hechtenis van verdachte) goed verlopen. Verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard om zich te houden aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend acht de rechtbank het passend om aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur op te leggen. Daaraan zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals genoemd in het reclasseringsadvies, met uitzondering van de kortdurende klinische opname.

De rechtbank zal de duur van de proeftijd bepalen op drie jaren.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij integraal toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman acht de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar. Verdachte heeft kenbaar gemaakt dat hij bereid is om de door het slachtoffer gevorderde schade te betalen.

Beoordeling.

Het gestelde schadebedrag is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam onderbouwd en wordt door de verdediging niet betwist. Gelet daarop acht de rechtbank de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2016 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte voorts veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2016 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01/108323-16.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

In hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen en in de persoon van veroordeelde, ziet de rechtbank aanleiding thans geen tenuitvoerlegging te gelasten, doch de vastgestelde proeftijd te verlengen met één jaar.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 63, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

t.a.v. primair:

diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij

betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

t.a.v. primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht met een proeftijd van 3 jaren;

stelt daarbij als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen

van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de

Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid,

van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder

begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd blijft melden bij de reclassering, zo frequent en zolang de

reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich laat behandelen bij de forensische GGZ, waarbij gedacht kan worden aan Kairos of

soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering,

waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die

behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- gedurende de proeftijd geen drugs gebruikt, zolang de reclassering dit noodzakelijk

acht. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund

worden door middel van middelencontrole.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 30 september 2016 reeds geschorst.

t.a.v. primair:Maatregel van schadevergoeding van € 109,06 subsidiair 2 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] van een bedrag van € 109,06 (zegge: honderdnegen euro en zes eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis. Het totale bedrag, bestaande uit materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 109,06 (zegge: honderdnegen euro en zes eurocent). Het toegewezen bedrag, bestaande uit materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 01/108323-16

Verlengt de proeftijd, bepaald bij vonnis van de politierechter te Oost-Brabant d.d. 21 juli 2016, gewezen onder parketnummer 01/108323-16, met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.E.L. Hendriks, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. B. Damen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. P. Susijn, griffier,

en is uitgesproken op 1 augustus 2017.

Mr. Damen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, district ’s-Hertogenbosch, basisteam Maasland, met registratienummer PL2100-2016217847, afgesloten op 12 april 2017, aantal doorgenummerde pagina’s 51.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] mede namens [bedrijf] te Oss d.d. 28 september 2016, pagina’s 30 en 31.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 28 september 2016, pagina 49.