Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:4047

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-07-2017
Datum publicatie
31-07-2017
Zaaknummer
SHE 17/1814 en SHE 17/1977
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek van verzoeker 1 om schorsing van het tegen hem uitgevaardigde gebiedsverbod. Spoedeisend belang aanwezig. De burgemeester heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van herhaaldelijke verstoring van de openbare orde en ernstige vrees voor verdere verstoring daarvan. Het dossier bevat hiervoor voldoende aanknopingspunten. De voorzieningenrechter acht ook van belang dat verzoeker 1 geen toestemming heeft verleend om de 8:29-stukken bij haar oordeel te betrekken. De gevolgen daarvan komen voor zijn rekening en risico. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het gebiedsverbod in bezwaar waarschijnlijk stand zal houden. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding het gebiedsverbod te schorsen.

Verzoek van de overburen van verzoeker 1 om uitbreiding van het tegen verzoeker 1 uitgevaardigde gebiedsverbod. Spoedeisend belang aanwezig. De burgemeester heeft geen rekening gehouden met het verzoek van de overburen van verzoeker 1 om een ruimer gebiedsverbod op te leggen. Dit levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter een zorgvuldigheidsgebrek op. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester het geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek in bezwaar kan herstellen. Omdat het gebiedsverbod in bezwaar waarschijnlijk stand zal houden en de gevraagde voorziening verstrekkend is, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het gebiedsverbod hangende de bezwaarfase uit te breiden. Daarbij is van belang dat zich vóór het uitvaardigen van het gebiedsverbod nog geen concrete verstoringen van de openbare orde op de openbare weg hadden voorgedaan. Het perceel waarop het gebiedsverbod ziet, ligt aan de rand van de gemeente Someren en het perceel van de overburen aan de rand van de gemeente Nederweert. De burgemeester van Someren is niet bevoegd om maatregelen te nemen op het grondgebied van de gemeente Nederweert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 17/1814

SHE 17/1977

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 juli 2017 in de zaken tussen

SHE 17/1814

[naam] , zonder bekende woon- of verblijfplaats, hierna: [naam]

(gemachtigde: mr. P.J.A. van de Laar),

en

de burgemeester van de gemeente Someren, hierna: de burgemeester

(gemachtigden: mr. A.A.M. Kuijken en mr. B.M.C. Mutsaerts).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam] , hierna: [naam] ,

[naam] , hierna: [naam] ,

beiden wonende in Nederweert,

hierna worden [naam] en [naam] samen de familie [naam] genoemd

(gemachtigde: mr. H.J.J. Verhoeven),

SHE 17/1977

De familie [naam]

(gemachtigde: mr. H.J.J. Verhoeven),

en

de burgemeester

(gemachtigden: mr. A.A.M. Kuijken en mr. B.M.C. Mutsaerts).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam]

(gemachtigde: mr. P.J.A. van de Laar),

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2017 (bestreden besluit) heeft de burgemeester [naam] met ingang van 30 mei 2017 een gebiedsverbod voor drie maanden opgelegd voor het perceel [adres] in Someren.

Zowel [naam] als de familie [naam] hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende dat bezwaar voorlopige voorzieningen te treffen. [naam] wil daarmee bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst tot verweerder heeft beslist op het bezwaar. De familie [naam] wil dat het gebiedsverbod hangende de bezwaarfase gaat gelden voor al het grondgebied binnen een straal van drie kilometer rondom het middelpunt van het perceel aan de [adres] te Someren, dus inclusief de openbare wegen en terreinen alsmede de binnen die straal gelegen private percelen, althans een in alle redelijkheid te bepalen straal of gebied.

Bij beslissingen van 4 juli 2017 (SHE 17/1814) en 14 juli 2017 (SHE 17/1977) hebben andere rechters van deze rechtbank bepaald dat de door de burgemeester op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzochte beperking van de kennisneming van de overgelegde stukken (de 8:29-stukken) gerechtvaardigd is.

[naam] heeft meegedeeld dat hij geen toestemming verleent om mede op grond van de 8:29‑stukken uitspraak te doen. De familie [naam] heeft die toestemming wel gegeven.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2017. [naam] en [naam] zijn zelf verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

De feiten

1. Bij brief van 21 december 2016 heeft de familie [naam] het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren (het college) verzocht om [naam] een gebiedsverbod op te leggen. In dat verzoek heeft (de gemachtigde van) de familie [naam] onder meer het volgende vermeld:

Zoals u ongetwijfeld bekend, is op 10 maart 2015 een groot drugslaboratorium ontdekt in de stallen op het perceel van de buurman, de heer [naam] . Daarnaast is in diezelfde

periode geconstateerd dat de woning en de aangrenzende schuur van de buurman zich in

een dermate slechte staat bevonden, dat deze uiteindelijk dienden te worden gesloopt.

Sindsdien ondervinden cliënten (en hun kinderen) veel overlast van hem, onder meer door

middel van fysieke bedreigingen, intimidatie, het veroorzaken van stank en ongedierte,

handel in drugs en diverse andere overtredingen van de wet. Als gevolg daarvan

ondervinden cliënten en hun kinderen onder meer gezondheidsklachten, milieuschade,

omzetderving en verminderd woongenot.

(…)

Verzoek om gebiedsverbod

Hoewel de heer [naam] al een tijd niet meer aldaar woont, is hij nog bijna dagelijks op en

rond het perceel en in de buurt aanwezig, zowel overdag als ‘s nachts. Het is u ongetwijfeld

bekend dat diverse buurtbewoners door hem moedwillig van de weg zijn gereden, zijn

bedreigd en geïntimideerd. De politie is hierover al vele malen ingelicht, maar zij kunnen

hier kennelijk weinig aan doen. Gezien de hele voorgeschiedenis komt de huidige

aanwezigheid van [naam] voor cliënten erg intimiderend en dreigend over. In de gedachte

van [naam] zijn zij verantwoordelijk voor zijn huidige situatie en is het wachten op een

moment waarop het echt mis gaat.

Op grond van art. 172 Gemeentewet is de burgemeester gerechtigd een gebiedsverbod in

te stellen, wanneer er gevreesd wordt voor verstoringen van de openbare orde (voor zover

mij bekend bevat de APV van Someren-Heide niet een dergelijke bevoegdheid). Het staat

buiten kijf dat de stelselmatige aanwezigheid van [naam] op de locatie waar hij niets meer

heeft te zoeken, zal leiden tot een verstoring van de openbare orde dan wel een aantasting

van de veiligheid van cliënten.

Ik verzoek u met klem – al dan niet in samenspraak met de burgemeester van de gemeente

Nederweert – zo spoedig mogelijk een gebiedsverbod in te stellen in de omgeving van de

Booldersdijk/ Nederweertseweg , zodat de politie daadwerkelijk kan optreden wanneer de

heer [naam] dit verbod overtreedt. Cliënten en/of ondergetekende zijn bereid met u in

overleg te treden en dit verzoek nader toe te lichten voordat u een besluit hierover neemt.(…)”

2. Op 12 april 2017 heeft de politie, eenheid Oost-Brabant, basisteam Peelland, de burgemeester verzocht om [naam] een gebiedsverbod op te leggen voor de [adres] in Someren en/of de directe omgeving daarvan.

3. Uit een proces-verbaal van bevindingen van 27 april 2017 van twee wijkagenten van de eenheid Oost‑Brabant blijkt dat [naam] op 27 april 2017, zoals meerdere andere keren, zonder toestemming van de eigenaresse (de moeder van [naam] ) zijn voormalige percelen aan de [adres] en Dooleggersbaan te Someren heeft betreden. [naam] was met een frees zijn voormalige gronden aan het bewerken. De eigenaresse heeft haar schoonzoon, [naam] , toestemming gegeven namens haar aangifte te doen wat vervolgens ook is gedaan.

4. In een civiele procedure tussen [naam] (de moeder van [naam] ) en [naam] heeft de voorzieningenrechter bij vonnis van 18 mei 2015 onder meer het volgende bepaald:

“(…)5.1 - veroordeelt [naam] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de

volgende onroerende zaken te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken tenzij

deze zaken van [naam] zijn, en de sleutels af te geven aan [naam] :

a. een boerderij met ondergrond, erf tuin, schuren, cultuurgrond en verdere

aanhorigheden te [postcode] Someren, [adres] , kadastraal bekend

gemeente Someren sectie [sectienummer] , groot 72 are en 20 centiare (hierna te

noemen: de boerderij);(…)”

5. Bij brief van 1 mei 2017 heeft het college de familie [naam] het volgende meegedeeld:

“(…)De heer [naam] is ambtshalve uitgeschreven van het adres [adres] . Zijn huidige woonadres is mij niet bekend. Over uw verzoek om het gebiedsverbod in te stellen is de politie om advies gevraagd. Uit haar advies blijkt dat er gronden zijn op basis waarvan het verzoek om het gebiedsverbod gehonoreerd zou kunnen worden.

Na ampel beraad heeft de burgemeester besloten om hem te waarschuwen dat er een gebiedsverbod opgelegd gaat worden zodra hij zich weer gaat ophouden op het perceel [adres] .

Het voornemen bestond om hem dit in een ambtelijk overleg op 21 april 2017 mede

te delen en hem daarna schriftelijk te berichten. Na enig overleg is besloten om dit

gesprek te houden in het bijzijn van zijn huidige advocaat, de heer Van de Laar te

Eindhoven. Zodra dit overleg heeft plaats gehad zullen wij u nader berichten.(…)”

6. In reactie op de brief van het college van 1 mei 2017 heeft (de gemachtigde van) de familie [naam] bij brief van 5 mei 2017 het volgende meegedeeld:

“(…) in de laatste brief kondigt de burgemeester aan dat hij voornemens is een

gebiedsverbod in te stellen als [naam] zich weer op het betreffende perceel bevindt.

Om met de laatste brief te beginnen: ten eerste stel ik vast dat het gevraagde besluit nog

steeds niet is genomen. Hierbij stel ik op voorhand de gemeente nogmaals in gebreke wat

betreft dit besluit. Cliënten hopen van harte dat het gebiedsverbod er komt. Cliënten

begrijpen niet waarom er eerst weer een gesprek moet worden gevoerd met deze man, en

dat zijn advocaat daar perse bij moet zijn. Zoals u bekend, is er de laatste dagen weer

bijzonder veel onrust geweest op de locatie. Het heeft zelfs geleid tot een arrestatie en een

aantal dagen hechtenis. [naam] is echter weer op vrije voeten en cliënten zijn doodsbang

dat hij wraak zal komen nemen. Het lijkt me dan ook goed het gebiedsverbod zo spoedig

mogelijk in te stellen en dat verbod uitdrukkelijk NIET te beperken tot enkel het betreffende

perceel. Cliënten verzoeken bij het verbod ook de omliggende wegen mee te nemen, zodat

hij ook niet in de buurt van de omwonenden mag komen.

Daarnaast heb ik van cliënte, omwonenden en klanten van cliënten weer diverse klachten

van stankoverlast ontvangen. Deze klachten kunnen niet los worden gezien van de

dagelijkse bezoeken van [naam] aan het perceel. Hij is immers de enige die daar komt.

Wat hij daar iedere dag komt doen is niet duidelijk, maar het heeft kennelijk wel

stankoverlast tot gevolg. Ook in dit opzicht is het dus goed dat het gebiedsverbod er zo

spoedig mogelijk komt. Cliënten handhaven dan ook hun verzoek om een gebiedsverbod

en verzoeken de burgemeester nogmaals zo spoedig mogelijk een besluit hieromtrent te

nemen. (…)”

7. Op 30 mei 2017 heeft de burgemeester het bestreden besluit genomen en daarbij het nu aan de orde zijnde gebiedsverbod opgelegd.

8. Uit een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van een buitengewoon opsporingsambtenaar & toezichthouder van 31 mei 2017 blijkt het volgende:

“(…) Vervolgens wil ik verbalisant de enveloppe met daarin het besluit van de burgemeester overhandigen aan de heer [naam] . De heer [naam] nam die enveloppe niet in ontvangst. Ik verbalisant, heb de heer [naam] in begrijpelijke woorden het volgende medegedeeld. Dat hij vanaf nu een gebiedsverbod krijgt voor 3 maanden, tot het perceel [adres] te Someren. Dat zijn het perceel waar de loodsen staan en het perceel waar de voormalige boerderij heeft gestaan. Ik heb de heer [naam] ook twee kaartjes, luchtfoto’s laten zien, waarin duidelijk het gebied staat aangeven die voor hem verboden terrein zijn. Hij heeft die foto’s uitvoerig bekeken. De heer [naam] vroeg aan mij, of hij wel op de openbare weg mocht komen. Daarop heb ik geantwoord dat hij wel op de openbare weg mag komen. Ik heb de heer [naam] ook verteld dat in de brief ook de motivering staat, waarom de burgemeester dit gebiedsverbod heeft opgelegd en dat hij ook bezwaar kan maken tegen dit besluit. Ook heb ik tegen de heer [naam] vertelt dat de officier van justitie en de politie van dit besluit op de hoogte zijn.

De heer [naam] nam de enveloppe niet in ontvangst. Ik moest de enveloppe maar naar zijn

advocaat sturen. Ik verbalisant, heb drie keer tegen de heer [naam] vertelt dat het

gebiedsverbod nu ingaat en dat hij door het niet aannemen van het besluit de zaak niet kan

vertragen.(…)”

9. Bij brieven van 30 mei 2017 is het bestreden besluit naar de gemachtigde van [naam] , en de officier van justitie gestuurd. Bij brief van 7 juni 2017 is het bestreden besluit naar de gemachtigde van de familie [naam] gestuurd.

10. In het proces-verbaal van bevindingen van de politie, eenheid Oost-Brabant, district Helmond, basisteam Peelland, van 21 juni 2017 is het volgende vermeld:

“(…) Omstreeks genoemde tijd kregen wij van de regionale meldkamer te Eindhoven het

verzoek te rijden richting de [adres] te Someren. Enkele momenten daarvoor

was collega (…) gebe1d door één van de bewoners van de [adres] . Zij

vertelde collega (…) dat [naam] op zijn grond was, ondanks het verbod dat

hem eerder is opgelegd door de Officier van Justitie (…). Wij zijn

hierop ter plaatse gegaan.

Wij hoorden, onderweg naar genoemd adres, dat er nog een melding bij de meldkamer

binnen kwam omtrent [naam] die het gebiedsverbod overtrad. Er werd tevens in de

melding gezegd dat [naam] inmiddels in zijn auto was gestapt en op de melder en

enkele andere personen, die daar tevens ter p1aatse waren, was ingereden. [naam] zou

hierop met zijn auto tegen een geparkeerd voertuig aan zijn gereden en zijn auto total loss hebben gereden.

Wij zagen, eenmaa1 ter p1aatse, de ons ambtshalve bekende witte Citroën Berlingo

staan voorzien van kenteken (…), waarvan wij weten dat dit het voertuig van [naam]

betreft. Naarmate wij het voertuig naderde zagen wij dat [naam] bij het

rechtervoorwiel op de grond zat. Wij hebben hierop ons voertuig gestopt en, aan de

hand van genoemde feiten, [naam] aangehouden terzake poging doodslag dan wel zware

mishandeling. Ik, verbalisant (…), ben hierop bij verdachte [naam] blijven

staan waarop verbalisant (…)gegevens heeft genoteerd van zowel de aangever als

de 3 getuigen die bij het voorval waren.

Ik, verbalisant (…), kreeg voor mij [naam] , eigenaar van de zwarte Volkswagen

Caddy, voorzien van kenteken (…), die verdachte [naam] , in zijn poging om de

personen te raken, ook heeft geraakt. Ik zag dat er op de rechter zijde schade op het

voertuig zat. Ik hoorde dat [naam] zei dat hij aangifte wilde doen. Ik, verbalisant

(…), zag dat er op de bijrijderszijde van het voertuig van [naam] een lange

zwarte veeg zat. Ik zag in de verte dat de Volkswagen Caddy zwart van kleur was, wat

correspondeerde met de schade op het voertuig van [naam] .

Ik, verbalisant (…), hoorde verdachte [naam] zeggen dat het belachelijk was dat

hij werd aangehouden. Ik hoorde hem zeggen dat hij het gebiedsverbod niet had

overtreden. Ik hoorde hem zeggen dat hij zich bedreigd voelde en dat er mensen op

zijn auto aan het slaan waren. Hij zei dat hij daarom hard was weg gereden omdat hij

zich bedreigd voelde. Hij zei dat hij nu ook nog schade aan zijn voertuig had en ook

nog werd aangehouden. Hij zei dat hij niet opzettelijk op de personen was ingereden

die daar stonden. Hij zei dat één van de personen zijn zwager betrof en dat die hem

altijd wilde pakken. Hij zei dat de personen hem probeerde te pakken en dat hij

altijd de slechterik was.(…)”

11. Voor de overige feiten verwijst de voorzieningenrechter naar het procesverloop.

12. De burgemeester heeft in het bestreden besluit vermeld dat het gebiedsverbod is opgelegd omdat uit recente informatie van de politie en anderen is gebleken dat [naam] al langere tijd verantwoordelijk is voor overlastgevende gedragingen die hebben geleid tot herhaalde verstoring van de openbare orde in de omgeving van de [adres] in Someren.

13. Over het herhaaldelijk verstoren van de openbare orde door [naam] heeft de burgemeester het volgende in het bestreden besluit opgenomen:

  • -

    “(…) u veroorzaakt overlast doordat u zich herhaaldelijk ophoudt op – of in de directe nabijheid van – de percelen [adres] in Someren en daarbij op onrechtmatige wijze toegang verschaft of probeert te verkrijgen tot beide percelen en de zich daarop bevindende opstallen. Deze gedragingen vinden zowel overdag als in de nachtelijke uren plaats en veroorzaken een groot gevoel van onveiligheid bij de omwonenden. U heeft dit gedrag onder meer vertoond op 10 april 2016, 2 mei 2016, 11 december 2016, 30 december 2016, 15 maart 2017, 1 april 2017 en 13 april 2017;

  • -

    u vertoont intimiderend gedrag naar de bewoners van [adres] te Nederweert door nadrukkelijk aanwezig te zijn c.q. zich op te houden in de directe nabijheid van de woning van melders. U heeft dit gedrag onder meer vertoond op 30 mei 2016, 12 juli 2016 en 22 oktober 2016. Ook heb ik kennis genomen van een melding, ontvangen op 18 juli 2016, waarbij sprake is van het saboteren van machines van de bewoners. Daarnaast veroorzaakt het feit dat er met enige regelmaat personen komen vragen naar uw woon- en of verblijfplaats een groot gevoel van onveiligheid bij de bewoners van [adres] te Nederweert. Dit gevoel van onveiligheid staat in rechtstreeks verband met het in maart 2015 ontmantelde xtc laboratorium in de landbouwstallen op de [adres] in Someren, alwaar u woonachtig was ten tijde van het aantreffen van voornoemd laboratorium;

  • -

    u maakt zich schuldig aan vernieling, strafbaar gesteld bij wet in artikel 350, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, door op 27 april 2017 een perceel grasland, kadastraal bekend Dooleggersbaan ongenummerd te Someren, te betreden en met een tractor het weiland zodanig te bewerken dat er sprake is van voornoemd strafbaar feit. U had daarvoor geen toestemming en handelde daarmee onrechtmatig naar de eigenaresse van de gronden.

Met deze handelingen c.q. gedragingen wordt de openbare orde door u verstoord. Soms is dit ook een strafrechtelijke overtreding of misdrijf. Het geeft in ieder geval, op zich en als combinatie van gedragingen, ernstige overlast en verstoort de normale gang van zaken. Het gaat om meerdere incidenten, in een patroon, waarmee dus sprake is van herhaaldelijke openbare ordeverstoring.(…)

14. Over de ernstige vrees voor verdere verstoring heeft de burgemeester het volgende in het bestreden besluit opgenomen:

“(…) Het structurele karakter van uw ongewenste gedrag en de ernst van de gedragingen maken dat ik ernstig vrees voor verdere verstoring van de openbare orde in het gebied waarop het gebiedsverbod van toepassing is. Gelet op het bovenstaande is er sprake van een dermate ernstige verstoring van de openbare orde in het genoemde gebied dat het nemen van bestuurlijke maatregelen noodzakelijk en gerechtvaardigd wordt geacht.(…)”

15. Ten slotte heeft de burgemeester een belangenafweging gemaakt tussen het belang van [naam] en het maatschappelijk belang. Daarbij heeft de burgemeester het volgende betrokken:

“(…) Het gebiedsverbod strekt zich uit over percelen alwaar u eerder woonachtig was en een agrarisch bedrijf uitoefende. Deze percelen zijn eigendom van uw moeder, mevrouw [naam] . Het gebiedsverbod is noodzakelijk omdat uit het dossier blijkt dat een groot deel van de overlastgevende gedragingen zich voordoet op of vanaf voornoemd terrein. Het gebiedsverbod heeft geen gevolgen voor uw huisvesting, werk of inkomen.

U heeft geen eigendomsrechten of anderszins zakelijke rechten met betrekking tot de percelen waarop het gebiedsverbod ziet. Dat volgt ook uit het vonnis in kort geding van de Rechtbank Oost-Brabant van 18 mei 2015.

Uit de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) blijkt dat u niet meer in Someren woont. Er is ook geen verblijfplaats in Someren van u bekend. Uw huisrecht komt door dit gebiedsverbod dus klaarblijkelijk niet in het geding.

In zoverre wordt u dan ook niet rechtstreeks in uw belangen getroffen. Dit zou anders kunnen zijn voor wat betreft uw bewegingsvrijheid ware het niet dat u geen rechten kunt doen gelden op een perceel waarop voor u geen enkel zakelijk recht rust.

Uit het bovenstaande concludeer ik dat u door het gebiedsverbod niet in uw persoonlijke belangen getroffen wordt. Daarmee kan dan ook niet worden volgehouden dat het gebiedsverbod onevenredig is in verhouding tot het algemeen belang dat met de maatregel wordt gediend. De reeds veroorzaakte en de gevreesde verdere verstoring van de openbare orde zijn van dusdanig ernstige aard dat ik de gevolgen van een bestuurlijke maatregel in deze situatie gerechtvaardigd acht. (…)”

Karakter van deze procedure: een voorlopige voorziening

16. Het gaat hier om verzoeken om een voorlopige voorziening. Uitgangspunt van de wet is dat het maken van bezwaar de werking van een besluit niet opschort (artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daartoe is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. In dat artikel is vermeld dat als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Verzoekers moeten dus goede redenen hebben die maken dat zij de beslissing op het bezwaar niet kunnen afwachten en een uitzondering op de hoofdregel dat het bezwaar de uitvoering van het besluit niet schorst, rechtvaardigen. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de beslissing op het bezwaar. De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die in een later stadium op het eventuele beroep beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.

Ten aanzien van het verzoek van de familie [naam] (SHE 17/1977)

Onverwijlde spoed?

17. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de familie [naam] aannemelijk heeft gemaakt dat en waarom zij niet kan wachten tot de burgemeester een beslissing op het bezwaar heeft genomen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter van belang geacht dat uit het dossier blijkt dat er diverse incidenten hebben plaatsgevonden waarbij de familie [naam] in meer of mindere mate het lijdend voorwerp was. De enkele niet onderbouwde stelling van [naam] dat deze incidenten niet hebben plaatsgevonden, is onvoldoende om die stelling als waar aan te nemen. Overigens heeft de voorzieningenrechter ook bij haar oordeel betrokken dat [naam] geen toestemming heeft verleend om de 8:29-stukken bij haar oordeel te betrekken, waardoor de voorzieningenrechter niet in de gelegenheid is om na te gaan of de stelling van [naam] wordt ondersteund door de 8:29-stukken. De gevolgen daarvan komen voor rekening en risico van [naam] . Gelet hierop is sprake van ‘onverwijlde spoed’ in de zin van artikel 8:81 van de Awb.

Beoordeling van het bestreden besluit

18. Volgens artikel 172a, eerste lid, van de Gemeentewet kan de burgemeester, onverminderd artikel 172, derde lid, en hetgeen bij gemeentelijke verordening is bepaald omtrent de bevoegdheid van de burgemeester om bevelen te geven ter handhaving van de openbare orde, aan een persoon die individueel of in groepsverband de openbare orde ernstig heeft verstoord of bij groepsgewijze ernstige verstoring van de openbare orde een leidende rol heeft gehad, dan wel herhaaldelijk individueel of in groepsverband de openbare orde heeft verstoord of bij groepsgewijze verstoring van de openbare orde een leidende rol heeft gehad, bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde een bevel geven:

a. zich niet te bevinden in of in de omgeving van een of meer bepaalde objecten binnen de gemeente, dan wel in een of meer bepaalde delen van de gemeente;

b. zich niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een voor het publiek toegankelijke plaats zonder redelijk doel met meer dan drie andere personen in groepsverband op te houden, of

c. zich op bepaalde tijdstippen te melden op of vanaf bepaalde plaatsen, al dan niet in een andere gemeente.

19. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de familie [naam] in haar brief van 5 mei 2017 expliciet heeft verzocht om het gebiedsverbod niet te beperken tot enkel het betreffende perceel, maar daarbij ook de omliggende wegen mee te nemen, zodat [naam] ook niet in de buurt van de omwonenden mag komen. Ook de politie heeft bij brief van 12 april 2017 verzocht om [naam] een gebiedsverbod op te leggen voor de [adres] in Someren en/of de directe omgeving daarvan. Op de zitting is gebleken dat de burgemeester geen rekening heeft gehouden met het verzoek van de familie [naam] om een ruimer gebiedsverbod op te leggen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de burgemeester evenmin rekening heeft gehouden met het overeenkomstige verzoek van de politie. Dit levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter een zorgvuldigheidsgebrek op.

Op de zitting heeft de gemachtigde van de burgemeester gezegd dat de omvang van het gebied waarop het gebiedsverbod desondanks niet zal worden uitgebreid. In dat verband heeft hij erop gewezen dat de meeste incidenten zich op de “rand” van het perceel hebben voorgedaan. Voor het uitvaardigen van het gebiedsverbod hadden zich nog geen concrete verstoringen van de openbare orde op de openbare weg voorgedaan. Na ingaan van het gebiedsverbod heeft er wel een incident plaatsgevonden dat kan worden gezien als verstoring van de openbare orde op de openbare weg, maar de naar aanleiding daarvan gedane aangifte is geseponeerd. Ten slotte heeft de gemachtigde van de burgemeester erop gewezen dat het perceel [adres] aan de rand van de gemeente Someren ligt en het perceel van de familie [naam] aan de rand van Nederweert. De burgemeester is niet bevoegd om maatregelen te nemen op het grondgebied van de gemeente Nederweert. Een verzoek om een gebiedsverbod uit te vaardigen voor een perceel op het grondgebied van de gemeente Nederweert, zal de familie [naam] moeten richten aan de burgemeester van die gemeente.

De voorzieningenrechter is, gelet op deze nadere toelichting op de zitting, van oordeel dat de burgemeester het geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek in bezwaar kan herstellen. De familie [naam] heeft op de zitting gesteld dat er nog andere incidenten met [naam] zijn geweest, maar die stelling is niet onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet daarom in die stelling geen grond voor het oordeel dat het gebiedsverbod moet worden uitgebreid. Omdat het gebiedsverbod in bezwaar waarschijnlijk stand zal houden en de voorziening die de familie [naam] heeft gevraagd verstrekkend is, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de door de familie [naam] gevraagde voorziening te treffen. Het gebiedsverbod wordt dus hangende de bezwaarfase niet uitgebreid.

Ten aanzien van het verzoek van [naam] (SHE 17/1814)

Onverwijlde spoed?

20. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [naam] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat en waarom hij niet kan wachten tot de burgemeester een beslissing op het bezwaar heeft genomen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter van belang geacht dat [naam] als gevolg van het gebiedsverbod geen toegang tot het perceel [adres] in Someren heeft. De burgemeester heeft gesteld dat [naam] nooit toestemming krijgt van de eigenaresse om op het perceel te komen en daar dus sowieso niet mag komen, maar dat kan de voorzieningenrechter op basis van de stukken niet vaststellen. De mededeling van [naam] dat hij op het betreffende perceel wel iets te doen heeft en dat hij daar wel mag komen, is niet onderbouwd. De tegenargumenten zijn echter evenmin onderbouwd. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat geen sprake is van ‘onverwijlde spoed’ in de zin van artikel 8:81 van de Awb.

Beoordeling van het bestreden besluit

21. Uit het bij nummer 18 vermelde artikel 172a, eerste lid, van de Gemeentewet volgt dat de burgemeester bevoegd is om bij herhaaldelijke verstoring van de openbare orde een gebiedsverbod op te leggen als hij ernstig vreest voor verdere verstoring van de openbare orde. Dit is dus een bestuursrechtelijke maatregel en geen civielrechtelijke. Dat dit een civielrechtelijke aangelegenheid is, zoals [naam] stelt, volgt de voorzieningenrechter dan ook niet. Ook blijkt uit dat artikel dat het opleggen van een gebiedsverbod een zelfstandige bevoegdheid van de burgemeester is. Of er dus een verzoek tot opleggen van een gebiedsverbod wordt gedaan door derden is in beginsel dan ook niet relevant.

22. De vraag of de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van herhaaldelijke verstoring van de openbare orde en ernstige vrees voor verdere verstoring daarvan, beantwoordt de voorzieningenrechter bevestigend. Het dossier bevat hiervoor voldoende aanknopingspunten. Uit een proces-verbaal van 14 mei 2015 blijkt dat [naam] met een tractor een reclamebord van de familie [naam] heeft vernield. Verder wijst de voorzieningenrechter op wat is vermeld bij nummers 3, 10 en 13. Waarbij uitdrukkelijk van belang wordt geacht dat het bij nummer 11 vermelde incident heeft plaatsgevonden na het van kracht worden van het gebiedsverbod. De stelling van [naam] dat alles waarvan hij wordt beschuldigd niet waar is, is, gelet op alle informatie van de politie en de gemeente, onvoldoende om dit enkel op grond van die stelling voor waar aan te nemen. Hierbij acht de voorzieningenrechter ook weer van belang dat [naam] geen toestemming heeft verleend om de 8:29-stukken bij haar oordeel te betrekken, zodat de voorzieningenrechter niet kan nagaan of de stelling van [naam] wordt ondersteund door de 8:29-stukken. De gevolgen daarvan komen voor rekening en risico van [naam] .

Onder verwijzing naar wat is overwogen bij nummer 19 is de voorzieningenrechter van oordeel dat het gebiedsverbod in bezwaar waarschijnlijk stand zal houden. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding de gevraagde voorziening te treffen. Het gebiedsverbod wordt dus hangende de bezwaarfase niet geschorst.

Ten aanzien van beide verzoeken (SHE 17/1814 en SHE 17/1977)

23. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.