Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:4010

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
17_1772
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Woningsluiting 13b Opiumwet na vondst harddrugs. Stelling dat harddrugs voor eigen gebruik waren, niet aannemelijk gelet op de hoeveelheid. Voorziening wordt wel toegewezen, maar alleen voor wat betreft de ingangsdatum voor de sluiting. Dochter van verzoeker komt in de zomervakantie een maand logeren, sluiting gaat daarna in. De burgemeester is zonder berichtgeving vooraf niet naar de zitting gekomen. Het feit dat zij zich over het verzoek om de woning later te laten sluiten dus niet heeft kunnen uitlaten, brengt de voorzieningenrechter in dit geval voor haar rekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/1772

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 juli 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster,

[verzoeker 1] , verzoeker 1 en

[verzoeker 2] , verzoeker 2,

hierna te noemen verzoekers,

(gemachtigde: mr. A.P.M.A. Laeyendecker),

en

de burgemeester van de gemeente Oss, de burgemeester.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester besloten de woning aan de [adres] (hierna: de woning) op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten voor de duur van zes weken, met ingang van 29 juni 2017.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De gronden van het verzoek en het bezwaar dateren van 20 juni 2017.

Bij fax van 21 juni 2017 heeft de burgemeester de rechtbank laten weten te willen wachten met de sluiting van de woning tot twee weken nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2017. Verzoekster en verzoeker 1 zijn naar de zitting gekomen, bijgestaan door verzoekers gemachtigde. De burgemeester is niet naar de zitting gekomen en heeft zich ook niet laten vertegenwoordigen. De voorzieningenrechter heeft van de burgemeester daarover tevoren geen bericht gekregen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.

Verzoekers zijn de huurders/bewoners van de woning. [verzoekster] en [verzoeker 1] zijn gehuwd, [verzoeker 2] is de 20-jarige zoon van verzoekster.

Uit een op 28 oktober 2016 door de politie opgemaakte bestuurlijke rapportage blijkt dat op 28 oktober 2016 een onderzoek is gedaan in de woning van verzoeker. In de woning is aangetroffen:

- 8 snowseals met daarin 1 gram cocaïne,

- 20 XTC tabletten (positief getest op de werkzame stof MDMA),

-14,1 gram gedroogde hennep en

- 9,25 gram hasjiesj.

Verder is in de rapportage vermeld dat er meerdere signalen zijn ontvangen dat betrokkene [verzoeker 1] drugs zou verhandelen en dat de meest recente tip in oktober 2015 is binnengekomen.

De burgemeester heeft deze rapportage op 29 maart 2017 ontvangen. Naar aanleiding van deze rapportage heeft de burgemeester op 6 april 2017 aan verzoekers het voornemen kenbaar gemaakt de woning te sluiten voor een periode van drie maanden. Verzoekers hebben hiertegen een zienswijze ingebracht.

2. Vervolgens heeft de burgemeester het bestreden besluit genomen en daarbij besloten de woning met ingang van 29 juni 2017 voor een periode van zes weken te sluiten. Daarbij heeft de burgemeester gezegd dat de reden dat de sluiting van kortere duur is dan in het voornemen was aangekondigd, is gelegen in het tijdsverloop van vijf maanden tussen de datum van de constatering van de drugs in de woning en de datum van de ontvangst van de bestuurlijke rapportage.

3. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat hij, gelet op de in de woning aangetroffen harddrugs, op grond van artikel 13b van de Opiumwet en het op grond daarvan vastgestelde Beleid artikel 13b Opiumwet gemeente Oss 2016, de woning heeft kunnen sluiten. Voor de aangetroffen hoeveelheid softdrugs van minder dan 30 gram heeft de burgemeester een waarschuwing gegeven. Die waarschuwing maakt onderdeel uit van het bestreden besluit.

4. Verzoekers hebben aangevoerd dat geen sprake is van handel, maar dat de aangetroffen drugs voor eigen gebruik is door verzoeker 1. Volgens verzoekers is de aangetroffen hoeveelheid cocaïne minder dan in het rapport staat vermeld: 4 gram in plaats van 8 gram. Verder zijn volgens verzoeker 1 de XTC pillen van zodanig slechte kwaliteit dat die niet geschikt zijn voor handel. Met verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 januari 2017 (ECLI:NL:RBZWB:2017:418) stellen verzoekers dat gebruikershoeveelheden niet voor iedereen hetzelfde zijn en dat verzoeker 1 een forse gebruiker is. Volgens verzoekers kan op grond van de melding die volgens de rapportage aanleiding was voor het binnentreden en de signalen naar de politie, waarbij de meest recente tip van oktober 2015 dateert, niet worden gesteld dat sprake is handel. Ook treft de sluiting van de woning volgens verzoekers geen doel meer vanwege het tijdsverloop van 8 maanden na het aantreffen van de drugs. Verder hebben verzoekers aangevoerd dat de beperking van de sluitingsduur vanwege het tijdsverloop niet voorkomt dat verzoekers hun sociale huurwoning definitief kwijtraken en zij zich vijf jaar lang niet kunnen inschrijven. Een particuliere huurwoning is voor verzoekers onbetaalbaar. Het Verdihuis waar de burgemeester naar heeft verwezen is geen alternatief. Gebleken is dat er een wachttijd is van zes tot acht weken, dat de huisdieren niet mee mogen, dat verzoekers de verplichte dagelijkse bijdrage niet kunnen betalen en dat verzoeker 1 er niet mag verblijven omdat hij drugsverslaafd is. Ook is het Verdihuis volgens verzoekers ongeschikt voor kinderen. De burgemeester heeft hiermee geen dan wel onvoldoende rekening gehouden.

Karakter van deze procedure: een voorlopige voorziening

5. Uitgangspunt van de wet is dat het maken van bezwaar of beroep de werking van een besluit niet opschort (artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht ook als er bezwaar tegen is gemaakt of beroep tegen is ingesteld. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daartoe is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. In dat artikel is verwoord dat wanneer tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het karakter van een voorlopige voorziening is – zoals de term al zegt – dat van een tussenmaatregel, in afwachting van de bodemzaak. De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die in een later stadium in een eventuele bodemprocedure over de zaak beslist, wordt door het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebonden.

Onverwijlde spoed

6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers aannemelijk hebben gemaakt dat en waarom zij niet kunnen wachten tot de burgemeester een beslissing op het bezwaar heeft genomen. Er is daarom sprake van ‘onverwijlde spoed’ in de zin van artikel 8:81 van de Awb.

Beoordeling van het besluit

7. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de gronden van verzoekers zich alleen richten tegen de sluiting van hun woning en niet tegen de waarschuwing die is gegeven voor het aanwezig hebben van softdrugs. Het geschil ziet dus uitsluitend op de sluiting en de voorzieningenrechter zal dan ook alleen daarover oordelen.

8. De bevoegdheid uit artikel 13b van de Opiumwet is geen strafrechtelijke, maar een bestuursrechtelijke bevoegdheid om een veranderde situatie terug te draaien. Met de sluiting van de woning wil de burgemeester de openbare orde en rust in de omgeving van de woning herstellen. Dat verzoeker 1 strafrechtelijk niet is veroordeeld voor de harddrugs, maakt niet dat de burgemeester niet bestuursrechtelijk handhavend zou kunnen optreden.

9. Volgens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot, zo staat dat in dat artikel, oplegging van een last onder bestuursdwang als in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

10. Om de bevoegdheid uit artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet toe te passen, is het niet nodig dat er daadwerkelijk hard- of softdrugs zijn verkocht. Dat is onder andere zo geoordeeld in de uitspraak van 3 juni 2015 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), de hoogste Nederlandse rechter in dit soort zaken.1

Uit het woord "daartoe" in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, zoals dat is genoemd bij overweging 8, blijkt dat deze bevoegdheid er al is als in een woning of lokaal, dan wel in of op het daarbij behorende erf, een handelshoeveelheid (soft- of hard)drugs bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking aanwezig is. In beginsel is het aannemelijk dat de drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn als de gevonden drugs meer zijn dan de maximale hoeveelheid voor eigen gebruik, dat is 0,5 gram of 5 ml GHB, een bolletje, een ampul, een wikkel, een pil/tablet bij harddrugs, 5 gram bij softdrugs en 5 wiet- of hennepplanten.

11. Gelet op het zeer ingrijpende karakter van een woningsluiting voor bewoners is bij de

invulling die de burgemeester in dat geval geeft aan zijn bevoegdheid ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet van groot belang dat het uitgangspunt moet zijn: een waarschuwing of een soortgelijke maatregel (vergelijk de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 5 november 2014). In de Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8, en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2, is in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Van dit uitgangspunt mag in ernstige gevallen worden afgeweken.

12. In het beleid van burgemeester is in hoofdstuk 3 onder ad II onder het kopje harddrugs in woningen bepaald dat als in woningen of bij woningen behorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs), met een handelsvoorraad van meer dan 0,5 gram (voor GHB geldt een hoeveelheid van 5 ml), bij een eerste constatering een sluiting van drie maanden volgt.

Onder het kopje softdrugs in woningen is bepaald dat als in woningen of bij woningen behorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst II (softdrugs), met een handelsvoorraad van minder dan 30 gram of 5 tot 20 hennepplanten, de overtreder een op schrift gestelde waarschuwing ontvangt. Deze waarschuwing geldt voor een termijn van twee jaar.

13. De voorzieningenrechter acht dit beleid niet onredelijk. De voorzieningenrechter stelt vast dat de bij verzoeker aangetroffen hoeveelheid van zowel de soft- als de harddrugs de in het beleid neergelegde maximale hoeveelheid voor eigen gebruik in ruime mate overstijgt, zodat de burgemeester het aannemelijk heeft mogen achten dat sprake is van handel. Verzoekers hebben aangevoerd dat de cocaïne niet goed is gewogen en dat er geen 8, maar slechts 4 gram aanwezig zou zijn geweest, maar daaraan gaat de voorzieningenrechter voorbij. Wat er immers ook van die stelling zij, zij laat onverlet dat er – naast een handelshoeveelheid softdrugs – ook 20 XTC-tabletten zijn aangetroffen. De stelling van verzoeker dat de XTC-tabletten van slechte kwaliteit zouden zijn, kan daaraan niet afdoen.

Ook de stelling van verzoekers dat alle aangetroffen drugs voor eigen gebruik waren, is niet onderbouwd. Gelet op de forse overschrijding van de voor eigen gebruik toegestane hoeveelheid faalt het beroep van verzoekers op de uitspraak van de rechtbank Breda. In die uitspraak is in rechtsoverweging 5.5 immers overwogen: "Dat een hoeveelheid drugs in een woning of een lokaal wordt aangetroffen, kan op zichzelf al een voldoende indicatie zijn dat deze voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn en derhalve dat artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet van toepassing is, indien de hoeveelheid zodanig groot is dat vrijwel is uitgesloten dat de drugs voor eigen gebruik zijn bestemd. [onderstreping voorzieningenrechter]. In een dergelijk geval zal de burgemeester in beginsel geen nadere feiten en omstandigheden hoeven aannemelijk te maken die er ook op wijzen dat de drugs “daartoe aanwezig” zijn. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen." Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat dit volgens de rechtbank Breda alleen anders is als de aangetroffen hoeveelheden drugs niet meer zijn dan een beperkt aantal voor de belanghebbende gebruiker gebruikelijke doses. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt dat van een dergelijke situatie sprake is.

14. Nu de burgemeester conform het toepasselijke beleid heeft gehandeld, resteert de vraag of er omstandigheden zijn op grond waarvan de burgemeester in het specifieke geval van verzoekster op grond van artikel 4:84 van de Awb hiervan had moeten afwijken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester daartoe in de door verzoekers aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hoeven zien.

15. De stelling van verzoekers dat zij de eerste vijf jaar niet in aanmerking zullen komen voor een sociale huurwoning en de financiën niet hebben voor een particuliere woning of ander verblijf elders, zijn geen omstandigheden op grond waarvan de burgemeester van sluiting had moeten afzien. Het risico dat een verhuurder de huurovereenkomst zal ontbinden, is een voorzienbaar gevolg van het aantreffen van drugs in de woning die voor verkoop, verstrekking of aflevering bestemd zijn. De verhuurder neemt daarover zelf een beslissing die bovendien nog kan worden getoetst door de rechter en de burgemeester hoeft daarop – behoudens andere bijzondere omstandigheden – niet te anticiperen. De eventuele ontbinding hoeft daarom op zichzelf genomen geen rol te spelen bij de beantwoording van de vraag of de burgemeester de sluiting van de woning mocht handhaven. De rechtbank verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2464). De door verzoekers gestelde omstandigheid dat verzoeker 1 vanwege zijn drugsverslaafdheid niet in het Verdihuis zal worden toegelaten, kan niet leiden tot de conclusie dat de burgemeester de belangen van verzoekers onvoldoende heeft meegewogen. Daarbij heeft de burgemeester erop kunnen wijzen dat er met het Verdihuis en Novadic-Kentron afspraken te maken zijn over het afkicken van verzoeker 1, die een verblijf in het Verdihuis niet in de weg staan.

16. De stelling van verzoekers dat sprake is van een tijdsverloop van acht maanden, zodat het doel van de sluiting niet meer kan worden behaald, volgt de voorzieningenrechter niet. De burgemeester is terecht uitgegaan van een tijdsverloop van vijf maanden, vanaf de datum van het onderzoek tot aan de ontvangst van de bestuurlijke rapportage op 29 maart 2017. Met dit tijdsverloop heeft de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende rekening gehouden door de sluitingsduur van drie maanden te verkorten tot zes weken.

17. De pas op de zitting ingebrachte omstandigheid dat de 11-jarige dochter van verzoeker 1 vanaf 1 augustus 2017 gedurende de komende zomervakantie vier weken bij verzoekers zou verblijven, leidt niet tot een ander oordeel. Wel ziet de voorzieningenrechter hierin aanleiding om, zoals door verzoekers is verzocht, de sluiting pas in te laten gaan vier weken na deze uitspraak. De burgemeester is zonder berichtgeving niet naar de zitting gekomen en het feit dat zij de stelling van verzoekers op dit punt niet heeft kunnen weerspreken, brengt de voorzieningenrechter in dit geval voor haar rekening. Dat betekent dus dat de sluiting twee weken later ingaat dan het moment waarop de burgemeester de sluiting wenste in te laten gaan (zie daarvoor de derde alinea onder het kopje “Procesverloop” van deze uitspraak).

18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus toe, maar alleen voor wat betreft de ingangsdatum van de sluiting, die dan ingaat op 25 augustus 2017.

19. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de burgemeester het door verzoekers betaalde griffierecht vergoeden. Ook zal de burgemeester worden veroordeeld in de proceskosten van verzoekers, aan hun zijnde begroot op € 990,– (1 punt voor de zitting, 1 punt voor het verzoekschrift, zie de bijlage bij het Besluitproceskosten bestuursrecht).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat het bestreden besluit geschorst wordt, maar slechts tot en met 24 augustus 2017;

  • -

    draagt de burgemeester op het door verzoekers betaalde griffierecht van € 167,– aan hen te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de burgemeester in de proceskosten tot een bedrag van € 990,–, te betalen aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

B.V.H. Harperink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2017.

De griffier is verhinderd voorzieningenrechter

de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.