Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:4008

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
01/880230-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren voor een gewapende straatoverval in vereniging gepleegd. Daarnaast moet verdachte samen met zijn mededaders een schade van € 2.121,75 aan het slachtoffer betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/880230-16

Datum uitspraak: 28 juli 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

wonende te [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 juli 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht

.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 juni 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 april 2016 te 's-Hertogenbosch, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich

en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een

(zwarte) I-phone (mobiele telefoon)

en/of een pinpas, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat verdachte en/of (één van) zijn mededader(s):

* zich had/hadden vermomd met een bivakmuts en/of

* een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp hebben gericht

op/ getoond aan die [slachtoffer] , en/of

* een stroomstootwapen heeft/hebben getoond aan die [slachtoffer] en/of gebruikt

tegen/in de richting van die [slachtoffer] en/of

* (daarbij) dreigend en/of dwingend heeft/hebben geroepen/geschreeuwd/gezegd

"geld, pinpas, telefoon en pincode (door welke dreigingen [slachtoffer] zich

genoodzaakt voelde tot het geven daarvan)", althans woorden van een dergelijke

dreigende en/of dwingende aard of strekking en/of

* (vervolgens) dreigend en/of dwingend hebben geschreeuwd/geroepen "ren weg

en/of

ik schiet je kapot" althans woorden van een dergelijke dreigende en/of

dwingende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Verdachte wordt ervan verdacht op 10 april 2016 te ’s-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met anderen een overval te hebben gepleegd, waarbij een (vuur)wapen en een stroomstootwapen zijn getoond en het slachtoffer is gedwongen tot afgifte van zijn mobiele telefoon en een bankpas.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde afpersing in vereniging gepleegd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft primair vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.

Op grond van de bewijsmiddelen kan niet worden bewezen dat verdachte het oogmerk had zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen. Evenmin kan worden geconcludeerd dat sprake is van medeplegen. Verdachte is met de daders van de straatroof naar geldautomaten gereden, waar vervolgens is geprobeerd om te pinnen met de pinpas van het slachtoffer. Verdachte heeft geen enkele betrokkenheid gehad bij de straatroof zelf.

Voor zover door de medeverdachten belastende verklaringen zijn afgelegd zijn deze onderling tegenstrijdig en volgt daaruit niet welke rol verdachte bij de overval zou hebben gespeeld.

De verklaringen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn onbetrouwbaar en de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn daarnaast ook nog op essentiële onderdelen onjuist gerelateerd door de politie. Er is sprake van onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Voornoemde verklaringen mogen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt.

Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat vrijspraak dient te volgen voor de wapens en het geweld.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage (pag. 11 tot en met 14) bij dit vonnis.

Het verweer betreffende een onherstelbaar vormverzuim met betrekking tot de verklaring(en) van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] voornoemd hebben bij de politie een verklaring afgelegd, waarvan telkens op ambtseed een proces-verbaal is opgemaakt.

Op verzoek van de verdediging is van een deel van de verklaringen van respectievelijk [medeverdachte 3] (7 september 2016) en [medeverdachte 2] (17 augustus 2016) een woordelijk verslag gemaakt naar aanleiding van de audio-opnamen van deze verhoren.

De rechtbank constateert dat er nuances tussen de verbatim verslagen en de ambtsedig opgemaakte processen-verbaal verhoor zijn. Deze verschillen zijn echter niet zodanig dat in de strekking van de verklaringen verschillen zijn ontstaan, waardoor gezegd kan worden dat de processen-verbaal verhoor niet naar waarheid zijn opgemaakt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim.

De rechtbank zal de verklaringen van [medeverdachte 2] niet gebruiken voor het bewijs.

Voor zover de rechtbank de verklaring van [medeverdachte 3] voor het bewijs gebruikt, zal de rechtbank het verbatim verslag als bewijsmiddel gebruiken, voor zover de passages woordelijk zijn uitgewerkt.

Het betrouwbaarheidsverweer.

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat de verklaringen van de medeverdachten niet betrouwbaar zijn, voor zover zij verdachte belasten.

De rechtbank stelt voorop dat de waardering van het bewijs is overgelaten aan de rechtbank. Het is niet ongebruikelijk dat verdachten elkaar of anderen belasten en hun eigen rol ontkennen of kleiner maken en/of tegenstijdig verklaren. De rechtbank zal deze verklaringen als te doen gebruikelijk met extra behoedzaamheid bezien.

Nadere bewijsoverwegingen en de bewijsbeoordeling.

De rechtbank acht het ten laste gelegde op grond van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen, voor zover hierna bewezen is verklaard.

Aangever heeft verklaard dat de overval is gepleegd door drie personen. Verdachte wijst [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en een hem onbekende jongen aan als daders en [medeverdachte 3] verklaart aanvankelijk dat de overval is gepleegd door hemzelf, [verdachte] of [medeverdachte 2] en een hem onbekende jongen. [medeverdachte 1] is later op de dag van de overval op verzoek van [medeverdachte 3] met de gestolen bankpas gaan pinnen en hij heeft verklaard dat verdachte en [medeverdachte 3] direct na het pinnen tegen hem vertelden dat zij de overval hadden gepleegd en dat [medeverdachte 2] erbij stond. De details die [medeverdachte 1] over de overval weet te vertellen, stemmen overeen met de verklaring van aangever.

De rechtbank vindt de verklaring van verdachte en de medeverdachten dat er een lange blonde onbekende jongen bij de overval betrokken is geweest ongeloofwaardig. Verdachte en de medeverdachten hebben geen enkele concrete eigenschap of toetsbare informatie over deze jongen kunnen geven en hun summiere verklaringen over deze jongen zijn tegenstrijdig. Volgens verdachte is de onbekende jongen een vriend van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 2] verklaart dat hij de onbekende jongen niet kent. [medeverdachte 3] ten slotte verklaart dat ze bij het tanken een lange blonde jongen tegen kwamen, dat verdachte deze jongen kende en dat zij toen daar een gesprek begonnen over iemand afpersen. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat deze onbekende jongen niet bestaat.

Uit de telefonische verkeersgegevens blijkt dat de telefoons van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en verdachte zich op 10 april 2016 tussen 00.30 uur en 00.54 uur op korte afstand van de plaats van de straatroof bevonden en dat de telefoons van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zich kort voor of na 02.00 uur in de nabijheid van de pinautomaat aan het Moleneindplein in Vught bevonden, waar omstreeks 02.05 uur met de buitgemaakte bankpas is geprobeerd te pinnen. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij na de straatroof met verdachte naar Vught is gereden om te pinnen en verdachte heeft dit erkend.

Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en verdachte de drie overvallers zijn die aangever heeft gezien.

Medeplegen

Vóór de overval moet door de daders onderling zijn gesproken over de overval en de wijze van uitvoering. De overvallers zijn met een bivakmuts op, gekleed in donkere kleding, met zijn drieën uit de bosjes gesprongen en hebben het slachtoffer gedwongen te stoppen. Een van de daders heeft een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gebruikt en de andere dader heeft een taser gebruikt. Onder dwang van deze personen heeft het slachtoffer zijn telefoon en zijn bankpas met bijbehorende pincode aan de verdachten afgegeven. Daarna zijn ze met zijn drieën naar een pinautomaat gereden, waarna is gepoogd met de buitgemaakte pas te pinnen.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, waarbij alle drie de verdachten een significante bijdrage hebben geleverd. De rechtbank acht het ten laste gelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

op 10 april 2016 te 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door met bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een zwarte iPhone (mobiele telefoon) en een pinpas, toebehorende aan [slachtoffer] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededaders:

* zich hadden vermomd met een bivakmuts en

* een op een vuurwapen gelijkend voorwerp hebben gericht op/getoond aan die [slachtoffer] , en

* een stroomstootwapen hebben getoond aan die [slachtoffer] en gebruikt in de richting van die [slachtoffer] en

* daarbij dreigend en/of dwingend hebben geschreeuwd "geld, pinpas, telefoon en pincode" door welke dreigingen [slachtoffer] zich genoodzaakt voelde tot het geven daarvan,

* vervolgens dreigend hebben geschreeuwd "ren weg” en “ik schiet je kapot" althans woorden van een dergelijke dreigende en/of dwingende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

- een gevangenisstraf van 9 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsvrouw ten aanzien van de strafmaat aangevoerd dat verdachte first offender is. Voorts is verzocht rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte en het jeugdstrafrecht toe te passen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht aansluiting te zoeken bij de richtlijnen voor jeugdigen en te volstaan met een daarbij passende werkstraf met eventueel een voorwaardelijk deel.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank ziet noch in hetgeen aan de orde is gekomen tijdens het onderzoek ter terechtzitting, noch in de rapportage van de reclassering d.d. 7 juli 2017 aanknopingspunten het jeugdstrafrecht toe te passen en wijst het daartoe strekkende verzoek van de raadsvrouw dan ook af.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft tezamen en in vereniging met anderen op straat een volstrekt willekeurig slachtoffer overvallen, waarbij een stroomstootwapen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp zijn gebruikt. Verdachte en de mededaders droegen daarbij bivakmutsen, hetgeen extra bedreigend voor het slachtoffer moet zijn geweest.

Een overval, zeker wanneer daarbij wapens worden gebruikt, is voor een slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring waar een slachtoffer nog lang last van kan hebben.

Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij en de slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. Het slachtoffer was ten tijde van de overval zeer angstig en vreesde op dat moment voor zijn leven. Daarna heeft hij in zijn dagelijkse bestaan nog lange tijd last gehad van angstgevoelens.

Overvallen leiden ook tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving. Verdachte heeft met die gevoelens geen rekening gehouden toen hij besloot op deze manier snel aan geld te willen komen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat verdachte het laakbare van zijn handelen inziet. Verdachte neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn eigen handelen.

De rechtbank houdt rekening met de jonge leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van het feit.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor volwassenen. Deze oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Gelet op de ernst van het feit en de houding van verdachte vindt de rechtbank het opleggen van een taakstraf in deze niet op zijn plaats.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

Hoofdelijk toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij met betrekking tot de immateriële schade een schatting dient te worden gemaakt.

Het standpunt van de verdediging.

Gelet op de bepleite vrijspraak is de raadsvrouw primair van mening dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de materiële schade waar het gaat om vervanging van sloten, sleutels, rijbewijs en chipkaart moet worden afgewezen, aangezien deze goederen niet in de tenlastelegging staan vermeld.

Ten aanzien van de immateriële schade is verzocht deze te matigen.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 1200,-- en de gevorderde materiële schadevergoeding met betrekking tot de posten ‘vervanging huissloten, vervanging rijbewijs, vervanging OV-chipkaart, vervanging iPhone en verlies arbeidsvermogen’, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank is van oordeel dat de betwiste posten rijbewijs, OV-chipkaart en vervanging van de huissloten als rechtstreekse schade uit het bewezen verklaarde feit zijn aan te merken. Uit de aangifte blijkt dat zijn huissleutel na de beroving was verdwenen en de benadeelde partij heeft ter zitting toegelicht dat zijn rijbewijs en OV-chipkaart ook in de telefoonhoes zaten. Deze kosten zijn met stukken onderbouwd en de hoogte van de kosten acht de rechtbank redelijk.

De rechtbank zal de immateriële schade, een bedrag van € 1200,-- te boven gaande, afwijzen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 312, 317.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

 Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met

ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 22 augustus 2016 reeds

geschorst.

 Maatregel van schadevergoeding van € 2121,75 subsidiair 31 dagen hechtenis.

Legt derhalve verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van € 2.121,75 (zegge:

tweeduizend honderdeenentwintig euro en vijfenzeventig cent), bij gebreke van

betaling en verhaal te vervangen door 31 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat

uit een bedrag van € 1200,-- immateriële schadevergoeding en € 921,75

materiële schadevergoeding. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van

het delict, 10 april 2016, tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag

en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van

een bedrag van € 2.121,75 (zegge: tweeduizend honderdeenentwintig euro en

vijfenzeventig cent), te weten € 1200,-- immateriële schadevergoeding en

€ 921,75 materiële schadevergoeding (posten: vervanging van huissloten, vervanging

rijbewijs, ov-chipkaart, iPhone 5s en verlies arbeidsvermogen).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict, 10 april 2016, tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van)

zijn mededader(s) is betaald.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige (restant immateriële schade) af.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de

Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te

vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot

betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling

aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.W.A. Kap-Knippels, voorzitter,

mr. T. Dompeling en mr. S.J.W. Hermans, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 28 juli 2017.

Mr. Dompeling is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

(bewijsbijlage)