Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:3965

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
17_215
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling op grond van de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres ten tijde in geding beschikt over arbeidsvermogen, zodat vanaf 1 januari 2018 de hoogte van de Wajong-uitkering wordt aangepast naar 70% van het minimumloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/215

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juli 2017 inzake het beroep en het verzoek om schadevergoeding in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres(gemachtigde: mr. I.M.J.J. Dewarrimont)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. R.M.C. Bastings).

Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres arbeidsvermogen heeft en dat haar uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) met ingang van

1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

Bij besluit van 12 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) van 9 juni 2017 ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Per 18 november 2002 is aan eiseres een Wajong-uitkering toegekend naar de klasse 80 tot 100%. Het uitkeringspercentage bedraagt op dit moment 75% van het wettelijk minimumloon. In het kader van de Invoeringswet Participatiewet heeft een herindelingsonderzoek plaatsgevonden. Hierbij is beoordeeld of eiseres arbeidsvermogen heeft.

  2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd dat eiseres arbeidsvermogen heeft, zodat vanaf 1 januari 2018 de hoogte van de Wajong-uitkering wordt aangepast naar 70% van het minimumloon.

3. Eiseres heeft zich (kort gezegd) op het standpunt gesteld dat zij geen arbeidsvermogen heeft als bedoeld in artikel 8:10b in samenhang met artikel 3:8a van de Wajong.

4. Het in deze zaak toepasselijke wettelijke kader is als volgt.

Ingevolge artikel 8:10b, eerste lid, van de Wajong, zoals deze wet luidt met ingang van

1. januari 2015, stelt verweerder vast of de jonggehandicapte met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 3:8a, zoals dat artikel komt te luiden na inwerkingtreding van

artikel III, onderdeel O, van de Invoeringswet Participatiewet.

In artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong is bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer 75% van de grondslag bedraagt.

In artikel III, onderdeel N, van de Invoeringswet Participatiewet is bepaald dat in artikel 3:8, eerste lid, ‘75%’ wordt vervangen door: 70%. Artikel III, onder N, van de Invoeringswet Participatiewet treedt in werking met ingang van 1 januari 2018.

Ingevolge artikel 3:8a, eerste lid, van de Wajong bedraagt in afwijking van artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong, de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer 75% van de grondslag, indien de jonggehandicapte duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt onder duurzaam verstaan de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. In het derde lid is bepaald dat de jonggehandicapte die op 1 januari 2018 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, wordt geacht op die dag duurzaam geen mogelijkheden tot participatie te hebben.

In artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is bepaald dat betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong heeft indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

5. Voor de beoordeling van de vraag of eiseres aan de hierboven genoemde voorwaarden voldoet, maakt verweerder gebruik van de Sociaal Medische Beoordeling Arbeidsvermogen (SMBA)-systematiek. Bij deze beoordeling staat de ‘International Classification of Functioning, Disability and Health’ centraal. Voor het toepassen van de SMBA-systematiek heeft verweerder het ‘Compendium Participatiewet’ vastgesteld. Blijkens de toelichting betreft dit Compendium deels een werkinstructie/naslagwerk en deels een beschrijving van verweerders beleid. De rechtbank is niet gebleken van redenen om de SMBA-systematiek in beginsel niet rechtens aanvaardbaar te achten als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling of iemand mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong. De rechtbank overweegt in dit verband dat, gelet op de systematiek en inhoud van de Wajong-regelgeving, het Uwv bij de vaststelling van iemands mogelijkheden tot arbeidsparticipatie enige beoordelingsruimte niet kan worden ontzegd.

6. Verweerder heeft zich voor zijn standpunt dat eiseres arbeidsvermogen heeft, gebaseerd op een rapport van de primaire verzekeringsarts van 9 augustus 2016, een rapport van de primaire arbeidsdeskundige van 14 augustus 2016, een rapport van de verzekeringsarts B&B van 29 november 2016, een rapport van de arbeidsdeskundige B&B van 7 december 2016 en een aanvullend rapport van de hiervoor genoemde verzekeringsarts B&B van 9 juni 2017.

7. Het uitgangspunt is dat verweerder zijn besluitvorming mag baseren op rapportages van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, mits deze blijk geven van een zorgvuldig onderzoek en deugdelijk gemotiveerd, inzichtelijk en consistent zijn. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het onderzoek van verweerder aan deze eisen.
De primaire arbeidsdeskundige heeft dossierstudie verricht en een persoonlijk gesprek met eiseres gevoerd. Vervolgens heeft hij zijn bevindingen naar aanleiding van het gesprek met eiseres besproken met de primaire verzekeringsarts. De primaire verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht, waaronder de medische en verzekeringskundige rapportage van
15 november 2002 en 10 november 2005, de bijbehorende functionele mogelijkhedenlijsten en een door eiseres op 26 mei 2016 ingevulde vragenlijst. Daarnaast heeft zij de door eiseres ingebrachte informatie van een vervangend huisarts en een radioloog bestudeerd en deze bij haar beoordeling betrokken. De primaire arbeidsdeskundige en primaire verzekeringsarts zijn samen tot de conclusie gekomen dat eiseres arbeidsvermogen heeft.
In bezwaar hebben zowel de verzekeringsarts B&B als de arbeidsdeskundige B&B dossierstudie verricht. Beiden hebben eiseres tijdens de hoorzitting geobserveerd. De verzekeringsarts B&B heeft bovendien de in de bezwaarfase verkregen medische gegevens van diverse behandelaars van eiseres uit de behandelend sector bestudeerd en de diagnoses van deze behandelaars betrokken bij zijn conclusies.
Dit rechtbank acht dit onderzoek als geheel voldoende zorgvuldig. Bovendien hebben de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen hun bevindingen op deugdelijke en inzichtelijke wijze gemotiveerd en de rechtbank is niet gebleken dat de rapportages inconsistenties bevatten. De rapportages voldoen dus aan de daaraan te stellen eisen.

8. Vervolgens komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling.

9. De vraag of het voor eiseres mogelijk is om ten minste een uur per dag aaneengesloten te werken (sub c van artikel 1a, eerste lid van het Schattingsbesluit) en ten minste vier uur per dag belastbaar te zijn (sub d van artikel 1a, eerste lid van het Schattingsbesluit) beantwoordt de rechtbank bevestigend om de navolgende redenen.

10. Bij het criterium ‘ten minste één uur aaneengesloten kunnen werken’ gaat het er volgens het Compendium om dat niet vaker dan één keer per uur een substantiële onderbreking van het productieproces noodzakelijk is om de betrokkene bij te sturen. Het is daarbij niet relevant of de betrokkene het werk even onderbreekt, bijvoorbeeld om zich te vertreden, omdat dit geen relatie heeft met de noodzaak om betrokkene bij te sturen. Bij het criterium ‘vier uur per dag belastbaar’ gaat het volgens het Compendium om duurbelastbaarheid.

11. De verzekeringsartsen hebben geconcludeerd dat bij eiseres weliswaar sprake is van beperkingen, maar dat zij wel aan voornoemde vereisten voldoet. Bij hun oordeel hebben zij betrokken dat bij eiseres sprake is van zwakbegaafdheid, (status na) een wervelfractuur, constitutioneel eczeem, allergie met lichte astma en lage rugklachten, waaronder een recente hernia. De verzekeringsartsen hebben voldoende inzichtelijk in kaart gebracht welke (te objectiveren) beperkingen hieruit voortvloeien. De verzekeringsartsen hebben geconcludeerd dat eiseres is aangewezen op niet al te fysiek zware rugbelastende activiteiten en dat zij gebaat is bij afwisselende werkzaamheden met vertreden.

Ten aanzien van de door eiseres genoemde omstandigheid dat zij thuis in het huishouden nauwelijks iets kan betekenen, veel hulp heeft van haar schoonouders en dat zij ook veel moet rusten, heeft de verzekeringsarts B&B opgemerkt dat zij ondanks deze belemmeringen wel in staat is geweest een gezin te stichten en een huishouding te voeren. Volgens hem kan eiseres daar door gewenning anders tegenaan kijken, maar op grond van haar medische beperkingen kan zij wel in staat worden geacht om een uur aaneengesloten en ongeveer vier uur per dag te werken. De bevindingen van de verzekeringsartsen bieden naar het oordeel van de rechtbank voldoende grondslag voor verweerders conclusie dat eiseres ondanks haar beperkingen een uur aangesloten kan werken en vier uur per dag belastbaar is.

12. De door eiseres in beroep overgelegde medische rapporten van neuroloog

dr. H. Lövenich van 1 maart 2017 en 10 maart 2017 leiden niet tot een ander oordeel. In de medische rapportage van 9 juni 2017 heeft de verzekeringsarts B&B gemotiveerd uiteengezet waarom deze gegevens niet tot een andere inschatting van het arbeidsvermogen van eiseres leiden. De verzekeringsarts B&B heeft in die rapportage geconcludeerd dat de in beroep overgelegde medische gegevens geen nieuwe informatie bevatten. Met de beperkte belastbaarheid van eiseres is bij het onderzoek door de verzekeringsartsen rekening gehouden, aldus de verzekeringsarts B&B.
Verder stelt de rechtbank vast dat dr. Lövenich zich niet uitlaat over de vraag of hij het reëel acht dat eiseres in verband met de klachten niet kan werken: ”gezien pijn een zeer subjectieve klacht is”. Ook in zoverre geeft zijn rapport geen steun aan de stellingen van eiseres.

13. De conclusie uit het voorgaande is dat eiseres voldoet aan de criteria onder c en d van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit.

13. De vraag of eiseres over basale werknemersvaardigheden als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onder b van het Schattingsbesluit beschikt, beantwoordt de rechtbank ook bevestigend. De primaire arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige B&B hebben immers in hun rapportages van 14 augustus 2016 en 7 december 2016 uiteengezet dat eiseres in staat is instructies van de werkgever te begrijpen, te onthouden en uit te voeren en ook in staat is afspraken met de werkgever na te komen. Verweerder leidt dit af uit het feit dat eiseres in het verleden ook al heeft gewerkt en dat zij, ook al was dit niet van lange duur, heeft aangetoond zich aan afspraken te kunnen houden. Verder leiden zij dit af uit het feit dat eiseres goed voor haar kinderen zorgt en ook in staat is gebleken een opleiding op MBO-1 niveau af te ronden. Eiseres heeft daartegenover gesteld dat haar stages en bijbaantjes juist niet goed zijn verlopen, omdat zij niet in staat was ‘bevelen’ op te volgen. De rechtbank gaat voorbij aan die stelling. Uit eerdere rapportages van 15 november 2002 en van
24 november 2005 kan weliswaar worden afgeleid dat deze stages – die in winkels plaatsvonden – niet goed verliepen, maar om een andere reden dan eiseres stelt, namelijk dat zij in contact met klanten en collega’s niet altijd de juiste toon wist te treffen. De rechtbank ziet daarom in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om verweerders conclusie, dat zij over basale werknemersvaardigheden beschikt, voor onjuist te houden.

13. De arbeidsdeskundige B&B acht eiseres met de bij haar bestaande beperkingen in staat de taak ‘Handmatig bestukken’ (taak 1701) te verrichten. Het gaat om lichamelijk niet zwaar werk, waarbij zij de mogelijkheid heeft om naar believen te vertreden. Verder is het schoon werk, zowel voor haar handen als qua werkomgeving (geklimatiseerd). Omdat eiseres precies van aard is, past dit werk ook bij haar. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd, geen reden eiseres voor deze taak niet geschikt te achten. De rechtbank ziet ten slotte geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiseres de vaardigheden mist om te kunnen functioneren in een arbeidsorganisatie.

16. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres ten tijde in geding beschikt over arbeidsvermogen, zodat vanaf 1 januari 2018 de hoogte van de Wajong-uitkering wordt aangepast naar 70% van het minimumloon.

17. Het beroep is ongegrond.

18. Voor zover eiseres met haar verwijzing naar hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht heeft bedoeld een verzoek tot schadevergoeding te doen, wijst de rechtbank dit af.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M.J. Korthuis-Becks, voorzitter, mr. Y.S. Klerk en

mr. E.J.J.M. Weyers, leden, in aanwezigheid van mr. P.M. de Kruif, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.