Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:3942

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
01/879093-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 16 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en onder meer de voorwaarde van toezicht van de reclassering voor het bewerken en telen van hennep, diefstal van elektriciteit en witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Team Strafrecht

Parketnummer: 01/879093-15

Datum uitspraak: 21 juli 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

wonende te [adresgegevens 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 en 7 juli 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht

.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 juni 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij:

1. op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 22 september 2015 te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo, en/of Helmond en/of een of meerdere (andere) plaatsen in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; (zaaksdossier 1)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meer onbekend gebleven personen op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 22 september 2015 te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo en/of Helmond en/of een of meerdere (andere) plaatsen in Nederland, met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 22 september 2015 te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo en/of Helmond en/of een meerdere (andere) plaatsen in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door: - aan die onbekend gebleven persoon/personen (een) pand(en) voor het knippen van hennepplanten ter beschikking te stellen en/of - een of meerdere knipster(s)/knipper(s) van de hennep te regelen en/of afspraken te maken voor het knippen van hennep en/of - een of meerdere knipster(s)/knipper(s) van en/of naar de locatie waar de hennep is opgeslagen te vervoeren en/of - de (geknipte) hennep te vervoeren; (zaaksdossier 1)

Meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

op of omstreeks 1 mei 2015 te Helmond en/of Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 49,41 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II; (zaaksdossier 1)

2. in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 6 mei 2015 te Helmond tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, al dan niet in de uitoefening van beroep of bedrijf, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adresgegevens 2] te Helmond) een hoeveelheid van (in totaal) 226 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; (zaaksdossier 2)

3. in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 22 september 2015 te Helmond, opzettelijk, al dan niet in de uitoefening van beroep of bedrijf, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adresgegevens 3] te Helmond) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 228 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; (zaaksdossier 4)

4. op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 22 september 2015 te Helmond, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of de weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of door middel van een valse sleutel (door de zegel(s) van de elektriciteitsmeter(s) van de panden [adresgegevens 2] en/of [adresgegevens 3] te verbreken en/of vervolgens een elektriciteitsaansluiting buiten de/deze meter(s) om te maken); (zaakdossier 9 en 10)

5. op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 september 2015, te Helmond en/of een of meerdere (andere) plaats(en) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten:

een of meer hoeveelheid/hoeveelheden (contant) geld en/of

(een) hoeveelheid/hoeveelheden (contant) geld ten behoeve van de aanschaf van en/of de betaling van en/of de storting(en) van:

- een of meer geldbedrag(en) (van in totaal EUR 15.357,12) op [bankrekeningnummer 1] ten name van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of

- een of meer geldbedrag(en) (van in totaal EUR 84.052,44) op [bankrekeningnummer 2] ten name van [betrokkene 3] en/of

- de kosten van levensonderhoud en/of brandstofkosten en/of

- bouwmaterialen en/of bouwkosten en/of inventaris, al dan niet bestemd voor de (ver)bouw en/of aankleding en/of inrichting van een woning gelegen aan de [adresgegevens 1] te [gemeente] en/of

- een of meerdere personenauto's te weten:

een BMW M5 ( [kentekennummer 1] ) en/of

een BMW ( [kentekennummer 2] ) en/of

een Mercedes Benz C200 ( [kentekennummer 3] ) en/of

een Opel Vectra ( [kentekennummer 4] ) en/of

een Volkswagen Caddy ( [kentekennummer 5] ) en/of

een Audi A8 Quattro ( [kentekennummer 6] ) en/of

een Volkswagen Golf ( [kentekennummer 7] ) en/of

- een of meer vakantierei(s)/(zen) en/of uitstapje(s),

- althans enig(e) voorwerp(en),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/omgezet, althans van dat/die (een) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt en/of de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

In de tenlastelegging staat onder feit 2 als gevolg van een kennelijke schrijffout vermeld ‘226 hennepplanten’, dit moet zijn ‘262 hennepplanten’. De rechtbank zal de tenlastelegging ten aanzien van dit feit verbeterd lezen. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Ten aanzien van feit 1, primair, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich, overeenkomstig het op schrift gestelde requisitoir, op het standpunt gesteld dat de onder 1, primair, en 2 tot en met 5 ten laste gelegde feiten, met uitzondering van de vakantiereis in Turkije onder vakantierei(s)(zen) en/of uitstapje(s) onder feit 5, wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en heeft zich daarbij gebaseerd op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van feit 1, primair en van onderdelen van hetgeen onder 5 is ten laste gelegd heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Feit 1, subsidiair, acht de raadsman wel wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feiten 2, 3 en 4 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 1 primair

Met betrekking tot feit 1, het medeplegen van de hennep-gerelateerde activiteiten, stelt de rechtbank voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Zo er in de kern geen sprake zou zijn van een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan toch sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking wanneer de materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit van voldoende gewicht is.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Anders dan de verdediging, en met de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat feit 1 in de primaire variant wettig en overtuigend bewezen kan worden. Uit het behandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat verdachte meerdere malen knipsters heeft geregeld en deze op afgesproken tijden en locaties heeft opgehaald en naar de kniplocatie heeft gebracht. Daar komt bij dat verdachte de geknipte hennep in een auto heeft geladen, terwijl verder de huurovereenkomst met betrekking tot de loods aan de [adresgegevens 4] te Helmond op naam van verdachte stond. Verdachte heeft dus het door hem gehuurde pand ter beschikking gesteld voor het knippen van hennep. Verdachte heeft deze feiten en omstandigheden erkend.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien dat de bijdrage van verdachte aan de gezamenlijke hennep-gerelateerde activiteiten van voldoende gewicht is om van medeplegen met anderen te kunnen spreken.

Op grond van het relaas van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (ZD 1, p. 189-191), het relaas van [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (ZD 1, p. 172-174), het relaas van [verbalisant 6] (ZD 1, p. 330-332), de huurovereenkomst met betrekking tot de loods aan de [adresgegevens 4] te Helmond (ZD1, p. 373-390), de verklaringen van de knipsters (ZD1, p. 409-411, p. 432-438, p. 455-456), alsmede de bekennende verklaringen (Persoonsdossier p. 49, 52, 72/73, 78, 85, 102, 103, 105) die verdachte op 23 september, 30 september, 1 oktober en 27 oktober 2015 en ter terechtzitting van 6 juli 2017 (proces-verbaal ter terechtzitting) heeft afgelegd, acht de rechtbank hetgeen hierna onder “de bewezenverklaring” nader met betrekking tot dit feit is verwoord wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Op grond van het relaas van [verbalisant 7] (ZD 2, p. 35), het relaas van [verbalisant 8] en [verbalisant 9] (ZD 2, p. 17-19), alsmede de bekennende verklaringen die verdachte op 24 september 2015 (Persoonsdossier p. 56) en ter terechtzitting van 6 juli 2017 (proces-verbaal ter terechtzitting) heeft afgelegd, acht de rechtbank hetgeen hierna onder “de bewezenverklaring” nader met betrekking tot dit feit is verwoord wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3

Op grond van het relaas van [verbalisant 10] en [verbalisant 11] (ZD 4, p. 7-8), het relaas van [verbalisant 12] (ZD 4, p. 11-13), de verklaring van [getuige 1] (ZD 4, p. 38-39,) alsmede de bekennende verklaringen die verdachte op 24 september, 2015 (Persoonsdossier p. 52) en ter terechtzitting van 6 juli 2017 (proces-verbaal ter terechtzitting) heeft afgelegd, acht de rechtbank hetgeen hierna onder “de bewezenverklaring” nader met betrekking tot dit feit is verwoord wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 4

- [adresgegevens 2] te Helmond

Op grond van het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij] (ZD 10 p. 9-14), de verklaring van [betrokkene 4] van 30 september 2015 (Persoonsdossier p. 283-285) de verklaring van verdachte van 23 september 2015 (Persoonsdossier p. 56, 63)), alsmede de bekennende verklaringen die verdachte ter terechtzitting van 6 juli 2017 (proces-verbaal ter zitting) heeft afgelegd, acht de rechtbank hetgeen hierna onder “de bewezenverklaring” nader met betrekking tot dit feit is verwoord wettig en overtuigend bewezen.

- [adresgegevens 3] te Helmond

Op grond van het proces verbaal van aangifte van [benadeelde partij] (ZD 9, p. 8-13), de verklaring van verdachte van 30 september 2015 en 28 oktober 2015 (Persoonsdossier p. 56, 63, 149), alsmede alsmede de bekennende verklaringen die verdachte ter terechtzitting van 6 juli 2017 (proces-verbaal ter zitting) heeft afgelegd, acht de rechtbank hetgeen hierna onder “de bewezenverklaring” nader met betrekking tot dit feit is verwoord wettig en overtuigend bewezen.

De hiervoor genoemde zaaksdossiers, persoonsdossier en pagina’s maken deel uit van het dossier van de Politie, Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Onderzoek 22DRO14004/ [naam] .

Gelet op het bepaalde in artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

Ten aanzien van feit 5

De bewijsmiddelen ten aanzien van dit feit zijn in verband met de leesbaarheid van het vonnis uitgewerkt in een aan dit vonnis gehechte bijlage.

De rechtbank stelt allereerst vast dat het onderzoek in de onderhavige strafzaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat alle gelden en goederen waarop de witwasgedragingen van verdachte betrekking zouden hebben van enig misdrijf afkomstig zijn.

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals het onderhavige, waarin geen direct bewijs voor de herkomst van geld of goederen uit brondelicten aanwezig is, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld of de goederen direct of indirect uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien van een dergelijk vermoeden sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de (legale) herkomst van het geld of de goederen. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Indien en voor zover een aan die eisen beantwoordende verklaring van de verdachte daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte af te leiden, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Ook de onderhavige verwijten zullen aan de hand van dit toetsingskader worden beoordeeld.

Vermoeden van witwassen

De rechtbank is van oordeel dat de hierna te noemen feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, zonder meer een vermoeden van witwassen in het leven roepen ten aanzien van verdachte.

Inkomsten

Uit de bankafschriften blijkt dat verdachte aan salaris heeft ontvangen: € 6.300,- in 2010, € 8.150, in 2011 en € 2.450,- in 2012. Vanaf 2013 zijn van verdachte geen inkomensgegevens bekend. Zijn partner, medeverdachte [betrokkene 3] , heeft vanaf 2011 als salaris ontvangen: € 20.466,60 (2011), € 20.552,89 (2012), € 20.941,41 (2013), € 12.727,48 (2014) en € 10.463,35 (2015).

Verder hebben verdachte en zijn partner in de tenlastegelegde periode nog aantoonbaar legale inkosten gehad uit onder meer kinderbijslag, giften van de ouders van zijn partner, verkoop van auto’s, schadeuitkeringen en dergelijke.

Opgeteld komt dit neer op een totaalbedrag aan legale inkomsten per jaar:

2010: € 8.658,23

2011: € 80.558,83

2012: € 34.294,44

2013: € 44.258,81

2014: € 25.371,03

2015: € 24.858,84.

Bij deze bedragen is na het jaar 2010 het inkomen van [betrokkene 3] meegerekend, aangezien zij in ieder geval vanaf 2011 een gezamenlijke huishouding met verdachte heeft gevoerd.

Vermogen en uitgaven

i. Contante stortingen

Uit het financieel onderzoek met betrekking tot de bankrekening op naam van verdachte blijkt dat in de periode van 1 januari 2010 tot 22 september 2015 een totaalbedrag van

€ 15.357,12 contant is gestort op deze bankrekening. In dezelfde periode is op de bankrekening op naam van de partner van verdachte een totaalbedrag van € 84.052,44 contant gestort.

Kosten voor levensonderhoud (lees: voeding) en autokosten

Uitgaande van Nibud ervaringscijfers heeft verdachte in het jaar 2010 een bedrag van minimaal € 1.460,- aan uitgaven voor brandstof en reparatiekosten voor de in bezit zijnde auto’s betaald en een bedrag van € 2.365,20 aan levensonderhoud.

Voorts mag ervan uit worden gegaan dat verdachte en zijn partner in de periode van 1 januari 2013 tot 22 september 2015 een bedrag van minimaal € 9.344,- hebben betaald aan uitgaven voor brandstof en reparatiekosten voor de in bezit zijnde auto’s en een bedrag van ten minste € 12.008,60 aan levensonderhoud (lees: voedingskosten).

Uit de analyse van de mutaties op voornoemde bankrekening ten name van verdachte komt naar voren dat in 2010 en in de periode van 1 januari 2013 tot 22 september 2015 in de bankmutaties geen (pin)betalingen voorkomen voor garages en bedrijven die voertuigbrandstoffen verkopen terwijl verdachte wel auto’s op zijn naam geregistreerd had staan en dat hij alleen in 2010 bedragen via een betaalautomaat bij een supermarkt/slager/bakker heeft betaald en wel voor een totaalbedrag van € 53,14.

Uit de analyse van de mutaties op voornoemde bankrekening ten name van de partner van verdachte komt naar voren dat in de periode van 1 januari 2013 tot 22 september 2015 in de bankmutaties (pin)betalingen voorkomen voor garages en bedrijven die voertuigbrandstoffen verkopen voor een totaalbedrag van € 296,69 terwijl zij wel auto’s op haar naam geregistreerd had staan en aan autokosten een totaalbedrag van € 156,00 en dat zij over dezelfde periode voor een totaalbedrag van € 2.430,22 via betaalautomaten bij een supermarkt/slager/bakker/restaurants heeft betaald.

Uit deze gegevens kan worden opgemaakt dat verdachte in het jaar 2010 een bedrag van

€ 1.460,- aan autokosten en van € 2.312,06 aan levensonderhoud contant moet hebben betaald.

Voorts kan worden opgemaakt dat verdachte en zijn partner in de periode van 1 januari 2013 tot 22 september 2015 een bedrag van € 8.891,31 aan autokosten en een bedrag van

€ 9.578,38 aan levensonderhoud contant moeten hebben betaald.

In het jaar 2010 is aan contant geld geen enkel bedrag van de bankrekening van verdachte opgenomen en in de periode 1 januari 2013 tot en met 22 september 2015 is in totaal een bedrag van € 2.100,- van de bankrekening van verdachte en zijn partner opgenomen.

Deze contante opnames zijn volstrekt niet toereikend om de becijferde uitgaven aan autokosten en levensonderhoud te verklaren.

De jaren 2011 en 2012 zijn niet meegenomen in de vergelijking met betrekking tot de voertuigkosten en de kosten voor levensonderhoud.

Contant betaalde facturen betreffende bouwmaterialen en inventaris

Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte zijn een aantal facturen aangetroffen die kennelijk contant zijn betaald. Het betreft de volgende bedragen:

- € 4.559,60 (2010)

- € 11.714,- (2011)

- € 4.587,- (2012)

- € 8.658,95 (2013)

- € 18.464,91 (2014)

- € 16.288,80 (2015)

Contant betaalde auto’s

Uit de stukken kan worden vastgesteld dat verdachte of zijn partner:

  • -

    sinds 23 maart 2015 op naam heeft een BMW M5 met [kentekennummer 1] en dat bij de aankoop van deze auto een bedrag van € 8.000,- contant is bijbetaald;

  • -

    sinds 23 augustus 2013 op naam heeft een BMW met [kentekennummer 2] en dat het aankoopbedrag van € 4.250,- contant is betaald;

  • -

    sinds 16 april 2011 op naam heeft een Mercedes Benz C200 met [kentekennummer 3] en dat hiervoor een bedrag van € 3.500,- contant is betaald;

  • -

    sinds 3 juni 2014 op naam heeft een Opel Vectra met [kentekennummer 4] en dat hiervoor € 1.000,- contant is betaald;

  • -

    sinds 12 november 2014 op naam heeft een VW Caddy met [kentekennummer 8] en dat de aankoopprijs van € 3.900,- contant is betaald;

  • -

    sinds 14 november 2012 op naam heeft een Audi A8 Quattro met [kentekennummer 6] en dat hiervoor een bedrag van € 13.019,- contant is betaald;

  • -

    sinds 7 maart 2015 op naam heeft een VW Golf met [kentekennummer 7] en dat hiervoor een bedrag van € 5.400,- contant is betaald.

Tussenconclusie

De rechtbank overweegt dat de contante stortingen op de bankrekening van verdachte of zijn partner alsmede de uitgaven/betalingen niet in verhouding staan tot het bij de Belastingdienst bekende legale inkomen van verdachte over het jaar 2010 en van verdachte en zijn partner over de periode van 1 januari 2010 tot en 22 september 2015.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een vermoeden van witwassen en mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van de betreffende middelen.

Verklaring verdachte

Ter terechtzitting van 6 en 7 juli 2017 is namens verdachte het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft in totaal € 8.600,- verdiend aan hennep-gerelateerde activiteiten. Daarnaast heeft hij “zwart” verdiend met werken in de bouw, vervaardigen van (tuin)meubels uit steigerhout, handel in autobanden en -velgen en is hij hobbymatig ook zeer lucratief bezig geweest met het opknappen en verkopen van schadeauto’s. Het zou gaan om gemiddeld 1 à 2 auto’s per jaar in de genoemde periode die uit Duitsland werden ingevoerd, opgeknapt en met (flinke) winst werden doorverkocht. Namens verdachte is verklaard dat deze inkomsten, die niet in de boeken werden bijgehouden, gemiddeld € 300,- netto per week bedroegen. Met zijn werk in de bouw zou hij gemiddeld € 25,- tot € 30,- per uur hebben verdiend op basis van 8 tot 10-urige werkdagen, gemiddeld 3 tot 4 dagen per week. Het ontbreken van uitgaven ten behoeve van boodschappen en andere huishoudelijke uitgaven is door verdachte verklaard door het feit dat hij vaak ofwel bij zijn ouders, ofwel bij zijn partner at, dit laatste reeds lang voordat hij en zijn partner een gezamenlijke huishouding gingen voeren.

Daarnaast is door en namens verdachte gewezen op de aard van de door hem verrichte werkzaamheden en het feit dat het in die branche (bijvoorbeeld de autoreparatie en –handel) gebruikelijk is om in contanten te betalen.

Tot slot zou een deel van de inkomsten van verdachte en zijn partner kunnen worden verklaard door giften en schenkingen die zij regelmatig kregen van hun (schoon)ouders. Ter terechtzitting is door verdachte onder andere een verklaring overgelegd van zijn schoonvader waaruit zou blijken dat er door hem gemiddeld € 2.000,- per jaar zou zijn geschonken aan het gezin [betrokkene 1] en [betrokkene 3] . Verder zou uit deze verklaring moeten blijken dat de schoonvader van verdachte in 2008 de Volkswagen Golf met het [kentekennummer 7] voor het gezin [betrokkene 1] en [betrokkene 3] heeft gekocht.

Ter zitting is namens verdachte verder betoogd dat verdachte in 2015 een totaalbedrag van € 8.600,- heeft verdiend met de hennepactiviteiten.

Beoordeling van de verklaring van verdachte

Op grond van hetgeen in het dossier met betrekking tot witwassen is opgenomen, in samenhang bezien met het gegeven dat hetgeen wordt verklaard niet of nauwelijks met stukken is onderbouwd, komt de rechtbank tot het oordeel dat de door verdachte aangedragen verklaring, voor zover inhoudende dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen een legale herkomst hebben, onvoldoende concreet en in het geheel niet verifieerbaar zijn. De verklaringen van verdachte voldoen dan ook niet aan de daaraan te stellen eisen, zodat ze als ongeloofwaardig verworpen moeten worden. De verklaring van de schoonvader met betrekking tot de Volkswagen Golf ( [kentekennummer 7] ) wordt door de rechtbank terzijde geschoven nu uit een bij verdachte in beslag genomen factuur blijkt dat deze auto niet in 2008, maar op 7 maart 2015 is gekocht voor een bedrag van € 5.400, welk bedrag contant is voldaan. Ten slotte is bij het bedrag waarop de legale inkomsten zijn berekend rekening gehouden met een bedrag van € 6.760,- aan giften afkomstig van de ouders van [betrokkene 3] .

Conclusie

Gelet op de hiervoor als ondeugdelijk en ongeloofwaardig aangemerkte verklaring van verdachte omtrent de legale herkomst van de bedragen die contant op de bankrekening van verdachte en zijn partner zijn gestort (in totaal € 99.409,56), de bedragen die zijn uitgegeven aan de kosten van levensonderhoud en brandstofkosten (aan de hand van de Nibudnormen begroot op ongeveer € 20.161,75), aan bouwmaterialen en inventaris bestemd voor de verbouw, aankleding en inrichting van de woning aan de [adresgegevens 1] te [gemeente] (in totaal € 64.273,26) en aan de in de tenlastelegging genoemde auto’s (in totaal € 39.069) is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat deze geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte daarvan op de hoogte was. Het gaat hierbij om een totaalbedrag van afgerond € 214.000,-.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen die in de bijlage zijn opgenomen acht de rechtbank daarom witwassen, zoals omschreven onder de bewezenverklaring, wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen de in de tenlastelegging genoemde witwashandelingen ten aanzien van vakantierei(s)(en) en/of uitstapje(s) althans enige voorwerpen. Er is geen wettig bewijs ten aanzien van illegale herkomst van de betaling hiervan. Voorts bestaat onvoldoende duidelijkheid welke voorwerpen zijn bedoeld met “overige voorwerpen.”

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hiervoor genoemde (en de met betrekking tot feit 5 in de bijlage uitgewerkte) bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1. op tijdstippen in de periode van 1 mei 2015 tot en met 22 september 2015 te Helmond tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bewerkt een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2. in de periode van 1 april 2015 tot en met 6 mei 2015 te Helmond tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, in de uitoefening van beroep of bedrijf, heeft geteeld (in een pand aan [adresgegevens 2] te Helmond) in totaal 262 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3. in de periode van 1 juni 2015 tot en met 22 september 2015 te Helmond, opzettelijk, in de uitoefening van beroep of bedrijf, heeft geteeld (in een pand aan [adresgegevens 3] te Helmond) in totaal 228 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4. in de periode van 1 april 2015 tot en met 22 september 2015 te Helmond, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan [benadeelde partij] , waarbij verdachte telkens de weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking (door de zegels van de elektriciteitsmeters van de panden [adresgegevens 2] en [adresgegevens 3] te verbreken en vervolgens een elektriciteitsaansluiting buiten deze meters om te maken);

5. in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 september 2015, in Nederland, telkens voorwerpen, te weten: een of meer hoeveelheden contant geld en/of hoeveelheden contant geld ten behoeve van de aanschaf en/of de betaling van:

- geldbedragen (van in totaal 15.357,12) op [bankrekeningnummer 1] ten name van [betrokkene 1] en

- geldbedragen (van in totaal 84.052,44) op [bankrekeningnummer 2] ten name van [betrokkene 3] en

- de kosten van levensonderhoud en brandstofkosten en

- bouwmaterialen en inventaris, al dan niet bestemd voor de (ver)bouw en aankleding en inrichting van een woning gelegen aan de [adresgegevens 1] te [gemeente] en

- personenauto's te weten:

een BMW M5 ( [kentekennummer 1] ) en

een BMW ( [kentekennummer 2] ) en

een Mercedes Benz C200 ( [kentekennummer 3] ) en

een Opel Vectra ( [kentekennummer 4] ) en

een Volkswagen Caddy ( [kentekennummer 5] ) en

een Audi A8 Quattro ( [kentekennummer 6] ) en

een Volkswagen Golf ( [kentekennummer 7] )

voorhanden heeft gehad en/of heeft omgezet, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Voorzover verdachte nog een beroep heeft willen doen op de kwalificatieuitsluitingsgrond - dat voornoemde middelen afkomstig zijn uit eigen misdrijf – volgt uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen dat dit beroep moet worden verworpen. Anders moet worden geoordeeld ten aanzien van de € 8.600, – die verdachte naar zijn verklaring heeft verdiend met de hennepactiviteiten in 2015.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren geëist. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft de rechtbank gevraagd, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en diens proceshouding, te volstaan met een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Voorts houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten.

Strafverzwarende omstandigheden

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bewerken en telen van hennep en diefstal van elektriciteit ten behoeve van de door hem opgebouwde hennepkwekerijen. Door zich in te laten met het telen van hennep heeft verdachte zich niets aangetrokken van het feit dat dit verdovende middel gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Daarnaast gaat het telen van hennep steeds meer gepaard met andere, ook zware vormen van criminaliteit, waaronder diefstal van elektriciteit.

Daarnaast heeft verdachte zich gedurende een aanzienlijke periode schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen tot een fors totaalbedrag van afgerond € 214.000,-. Verdachte heeft gedurende een periode van meer dan vijf jaar consequent grote geldbedragen voorhanden gehad en omgezet, terwijl hij wist dat deze geldbedragen – middellijk of onmiddellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf. Door zijn handelen heeft verdachte criminele opbrengsten aan het zicht van justitie willen onttrekken. De rechtbank vindt dit een ernstig strafbaar feit. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving. Daarbij lijkt verdachte uitsluitend en ongeremd gedreven te zijn geweest door zijn streven naar eigen materieel gewin, zonder zich te bekommeren om de effecten van zijn gedragingen voor de samenleving waar hij deel van uitmaakt.

Strafmatigende omstandigheden.

De rechtbank houdt bij de bepaling van de strafmaat er in het voordeel van verdachte rekening mee dat verdachte zijn medewerking aan het politie onderzoek heeft verleend en dat hij hulp heeft gezocht om zijn leven weer op orde te krijgen. Tevens wordt acht geslagen op de ouderdom van de bewezenverklaarde feiten.

De strafsoort, strafmaat en strafmodaliteit

De verdediging heeft verzocht aan verdachte een taakstraf op te leggen, zo nodig aangevuld met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, dan wel een gevangenisstraf welke de duur van de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd niet overschrijdt. De rechtbank is echter van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Louter een taakstraf zou geen recht doen aan de ernst van het bewezen verklaarde. Desalniettemin zal de rechtbank een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Beslag

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan

en die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd en voorts van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wetsartikelen.

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 63, 310, 311 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

Medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van dat middel.

T.a.v. feit 2:

Medeplegen van: in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van dat middel.

T.a.v. feit 3:

In de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van dat middel.

T.a.v. feit 4:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking meermalen gepleegd.

T.a.v. feit 5:

Witwassen.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5:

Gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich binnen 48 uur na het onherroepelijk worden van dit vonnis tussen 09:00 en 12:00 uur telefonisch zal melden bij Reclassering Nederland, via telefoonnummer 088-8041504. Hierna moet de veroordeelde zich blijven melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    zich zal laten behandelen bij een eerstelijnspsycholoog of, indien geïndiceerd, soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Beslissing over de voorlopige hechtenis.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. De voorlopige hechtenis is op 8 oktober 2015 reeds geschorst.

Beslag.

Onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen voorwerpen, te weten: nummers 9 tot en met 12 en 14 op de aan dit vonnis aangehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.G.J.M. van Ekert, voorzitter,

mr. B.A.J. Zijlstra en mr. A.W.A. Kap-Knippels, leden,

in tegenwoordigheid van mr. K. Sarghandoy, griffier,

en is uitgesproken op 21 juli 2017.