Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:390

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
SHE 16/3765
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo hangende bezwaar. Opnieuw gebiedsverbod voor slachtoffer van liquidatiepoging omdat volgens de politie (nog steeds) ernstige vrees bestaat voor de veiligheid van verzoeker, mogelijke andere personen die in zijn pand verblijven, omwonenden en voorbijgangers. De aangevoerde gronden leiden niet tot het oordeel dat het belang van verzoeker zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij het beschermen van de openbare orde. Verzoek afgewezen.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Gemeentewet 172
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2017/25 met annotatie van prof. mr. dr. M. Vols en mr. J.H.S. van Tongeren
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/3765

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 januari 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.P.J.C. Heuvelmans),

en

de burgemeester van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigden: mr. F. van Laanen, E. Frank en M.L.M. Lammerschop).

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder met toepassing van artikel 172, derde lid van de Gemeentewet aan verzoeker voor de periode van drie maanden een gebiedsverbod voor 24 uur per dag opgelegd, met ingang van
16 december 2016. Voor het geval dit bevel geen stand houdt, beveelt verweerder verzoeker hetzelfde, maar dan alleen gedurende de nachtelijke uren (namelijk van 23:00 uur in de avond tot 7:00 uur de volgende ochtend).

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 15 september 2016 heeft verweerder aan verzoeker voor de eerste keer een gebiedsverbod opgelegd voor de periode van 15 september 2016 tot en met 15 december 2016. Hieraan lag de bestuurlijke rapportage van de politie Oost-Brabant van13 september 2016 ten grondslag. Vanwege de aard van de informatie die in die rapportage is vermeld, zal de voorzieningenrechter slechts in beperkte mate weergeven wat hierin is vermeld. In de rapportage is vermeld dat er op 16 augustus 2016 een poging tot liquidatie van verzoeker heeft plaatsgevonden in de directe nabijheid van zijn woning, waarbij hij zwaargewond is geraakt. In die rapportage is ook vermeld dat verzoeker zich begeeft in een criminele wereld waarbij vuurwapens, drugs en geweld niet worden geschuwd. Ook is vermeld dat verzoeker veelvuldig voorkomt in de politiesystemen, onder meer in verband met een eerdere doodsbedreiging en een eerdere liquidatiepoging waarbij verzoeker ook gewond is geraakt. Ten slotte is in die rapportage vermeld dat het opsporingsonderzoek naar de liquidatiepoging van 16 augustus 2016 nog in volle gang is en nog geen verdachte(n) is / zijn aangehouden en dat de liquidatiepoging grote onrust heeft veroorzaakt onder de Eindhovense bevolking in zijn algemeenheid en bij buurtbewoners in het bijzonder. In de rapportage wordt geconcludeerd dat er ernstige vrees bestaat voor de veiligheid van verzoeker, mogelijke andere personen die in zijn pand verblijven, omwonenden en voorbijgangers, als verzoeker weer verblijft in zijn woning en dat door het opleggen van een gebiedsverbod bewoners in die omgeving effectief kunnen worden beschermd tegen inbreuken op de openbare orde.

Tegen het eerste gebiedsverbod heeft verzoeker geen bezwaar gemaakt.
Op 8 december 2016 heeft de politie Oost-Brabant opnieuw een bestuurlijke rapportage opgemaakt, waarin onder verwijzing naar de inhoud van de eerdere bestuurlijke rapportage onder meer is vermeld dat alle gronden die geleid hebben tot het opleggen van het eerste gebiedsverbod nog steeds aanwezig zijn. Ook is hierin vermeld dat verzoeker zich weer wil vestigen op zijn woonadres en dat het strafrechtelijk onderzoek naar de liquidatiepoging tot stilstand is gekomen vanwege het ontbreken van nieuwe aanknopingspunten die verzoeker ook zelf niet geeft. De rapportage vermeldt verder dat verzoeker een zogenoemd “zwacri subject” is, dat hij geen dan wel onvoldoende openheid van zaken geeft als het gaat om zijn positie en rol in het criminele circuit en dat aannemelijk is dat de eerdere liquidatiepogingen te maken hebben met de zware criminaliteit. In deze rapportage wordt geconcludeerd dat een ernstige vrees voor verzoekers veiligheid en de veiligheid van mogelijke andere personen die in zijn pand verblijven, omwonenden en voorbijgangers bestaat als verzoeker na beëindiging van het gebiedsverbod, weer verblijft in zijn woning, dan wel in de directe nabijheid daarvan.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar de hiervoor vermelde bestuurlijke rapportage van 8 december 2016, aan verzoeker een (nieuw) gebiedsverbod opgelegd voor het gebied rondom zijn woning. Volgens verweerder is terecht gebruikt gemaakt van de bevoegdheid van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet en is het opgelegde gebiedsverbod niet in strijd met het subsidiariteits- en het proportionaliteitsbeginsel. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er nog altijd ernstige vrees voor de veiligheid van verzoeker en die van andere (buurt)bewoners en voorbijgangers bestaat als verzoeker in de woning verblijft, terwijl de (dreigings)situatie onveranderd is. Dat geldt temeer nu er in de woning nog een andere persoon is ingeschreven. Verweerder heeft ook zwaar meegewogen dat verzoeker weigert deel te nemen aan het zogenaamde “Stelsel bewaken en beveiligen” van het Openbaar Ministerie.

3. Het uitgangspunt van de wet is dat het maken van bezwaar de werking van een besluit niet opschort (artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid om zo'n voorlopige voorziening te treffen, is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. Daarin is verwoord dat wanneer tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter zal in dat kader bezien of het bestreden besluit naar voorlopig oordeel rechtmatig is en aan de hand daarvan zo nodig een belangenafweging maken, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

4. Het karakter van een voorlopige voorziening is, zoals de term al zegt, dat van een tussenmaatregel, in afwachting van de bodemzaak, in dit geval de beslissing op bezwaar. De rechtbank die in een later stadium in een eventuele bodemprocedure over de zaak beslist, wordt door dat voorlopige oordeel niet gebonden.

5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van de hiervoor genoemde en voor het verzoek vereiste onverwijlde spoed. Verweerder heeft in dit verband aangevoerd dat verzoeker tegen het eerste gebiedsverbod niet is opgekomen en dat zich geen omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat verzoeker nu een spoedeisend belang heeft om in zijn woning te kunnen verblijven. Kennelijk heeft verzoeker telkens nog onderdak gevonden. Van een financiële noodsituatie aan de zijde van verzoeker is evenmin sprake.

6. Verzoeker heeft betwist dat hij geen spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. Tegen het eerste gebiedsverbod heeft verzoeker geen bezwaar gemaakt, omdat hij de mening van verweerder deelde dat de openbare orde rondom zijn woning was verstoord. Inmiddels is dat volgens verzoeker niet meer het geval, heeft hij genoeg van zijn zwervend bestaan en wil hij graag weer in zijn eigen woning verblijven.

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. Het gebiedsverbod beperkt het woonrecht van verzoeker, waardoor hij tot en met 15 maart 2017 niet in zijn eigen woning kan verblijven. Dat verzoeker tegen het eerste gebiedsverbod geen rechtsmiddelen heeft ingesteld, dat hij kennelijk telkens onderdak vindt en dat geen sprake van een financiële noodsituatie, maakt daarom niet dat sprake is van een situatie waarin het verzoek ieder spoedeisend belang mist.

8. Verzoeker is het niet eens met het gebiedsverbod. Verzoeker heeft begrip kunnen opbrengen voor het eerste gebiedsverbod, in verband met het wederkeren van rust in de woonwijk rondom zijn woning, maar nu wil verzoeker zo snel mogelijk weer terug naar zijn woning. Verzoeker heeft geprobeerd om elders (min of meer heimelijk) onderdak te vinden, maar dat is niet gelukt. Hij leidt nu een zwervend bestaan en moet bij vrienden en kennissen vragen of zij een slaapplek hebben, terwijl hij daarmee een inbreuk maakt op hun privacy en gezinsleven. Door het gebiedsverbod wordt verzoeker beperkt in zijn bewegingsvrijheid en in het recht op gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM), terwijl verzoeker degene is die het slachtoffer is geworden van de aanslag. Hij heeft die aanslag niet uitgelokt. Vanuit verzoeker is geen agressie gekomen, zodat het aspect van de openbare orde niet aan hem kan worden tegengeworpen. Verweerder heeft volgens verzoeker ten onrechte tegengeworpen dat hij niet deelneemt aan het “Stelsel bewaken en beveiligen”. Verzoeker werkt niet mee aan dit stelsel, omdat hij daaraan geen enkele bescherming kan ontlenen en hij geen inzicht wenst te geven in zijn gestelde criminele activiteiten. In de visie van verweerder zou, indien het strafrechtelijke onderzoek niet tot een aanhouding van de dader of daders leidt, er een voortdurende vrees kunnen bestaan van een verstoring van de openbare orde nabij de woning van verzoeker. Deze motivering overtuigt volgens verzoeker niet en het opleggen van een gebiedsverbod is dan ook disproportioneel ten opzichte van het persoonlijk belang van verzoeker.

9. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

10. De omstandigheid dat verzoeker het slachtoffer is van de liquidatiepoging en dat hij niet degene is die de openbare orde heeft verstoord, maakt niet dat verweerder niet bevoegd is tot het opleggen van een gebiedsverbod. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van 5 augustus 2010 met nummer ECLI:NL:RBSHE:2010:BN3313. Hierin is overwogen dat het doel van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet is het voorkomen van verstoring van de openbare orde en rust. Van belang is dus dat het bevel moet zijn gericht op en kunnen leiden tot de verwezenlijking van dit doel. Onder omstandigheden kan dit doel worden bereikt met een bevel aan een ander, bijvoorbeeld aan diegene die de aanleiding is van de (dreigende) verstoring van de openbare orde. In dat geval zal daar wel rekening mee moeten worden gehouden bij de afweging van het algemeen belang en het belang van degene aan wie het bevel wordt gegeven. Het belang van verzoeker bij het respecteren van zijn rechten weegt in zo’n geval wel zwaarder dan wanneer de dreiging wel van hem zou uitgaan, zoals ook de voorzieningenrechter heeft overwogen in de uitspraak van 1 februari 2016 met nummer ECLI:NL:RBOBR:2016:370.

11. In het licht van de door verzoeker tegen het bestreden besluit aangevoerde gronden, heeft verweerder naar het (voorlopig) oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid het gebiedsverbod kunnen opleggen aan verzoeker en bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit disproportioneel of onevenredig is in verhouding met de belangen van verzoeker. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Verzoeker heeft een zwaarwegend belang om de door artikel 8 van het EVRM beschermde rechten te kunnen uitoefenen. Hierbij moet wel in acht worden genomen dat, zoals ter zitting is komen vast te staan, de uitoefening van zijn familie- en gezinsleven met zijn kinderen al beperkt is als gevolg van civiele kinderschermingsmaatregelen die zijn genomen vanwege de (tweede) liquidatiepoging van verzoeker. Verzoeker mag zijn kinderen nu zeer beperkt bezoeken en in een veilige omgeving. Tegenover het belang van verzoeker om in zijn woning te kunnen wonen, staat het belang van de openbare orde en de veiligheid van buurtbewoners en voorbijgangers. Vast staat dat verzoeker al tweemaal het slachtoffer is geworden van een aanslag met een vuurwapen in de openbare ruimte, waardoor de openbare orde ernstig verstoord is geweest. De tweede aanslag heeft plaatsgevonden in de straat waar verzoeker woont, middenin een woonwijk. Verzoeker is daarbij zwaargewond geraakt. Uit de eerdergenoemde bestuurlijke rapportage van 8 december 2016, die verweerder aan zijn bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, blijkt – kort gezegd – dat de (dreigings)situatie onveranderd is, terwijl het strafrechtelijk onderzoek tot stilstand is gekomen zonder resultaat. Naar het (voorlopig) oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich gelet op deze informatie op het standpunt kunnen stellen dat er nog altijd ernstige vrees voor een verstoring van de openbare orde bestaat. Bij dit standpunt heeft verweerder ook mogen laten meewegen dat verzoeker weigert mee te werken aan het “Stelsel bewaken en beveiligen” of – zoals verweerder ter zitting heeft toegevoegd – het langdurig verhuren of het verkopen van zijn woning. Als verzoeker zijn medewerking zou verlenen aan dit stelsel – welk stelsel voor verweerder een instrument is voor het (in dit soort gevallen) beschermen van de openbare orde – zou een gebiedsverbod volgens verweerder immers niet meer worden opgelegd.

12. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker ter ondersteuning van zijn eerder ingenomen standpunt dat het gebiedsverbod disproportioneel moet worden geacht, nog een aantal uitspraken overgelegd. Het gaat om drie uitspraken van deze rechtbank, namelijk van 25 maart 2011 (ECLI:NL:RBSHE:2010:BP9061), 5 augustus 2010 (ECLI:NL:RBSHE:2010:BN3313) en van 1 februari 2016 (ECLI:NL:RBOBR:2016:370), twee uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland, namelijk van 18 november 2013 (ECLI:NL:RBMNE:2013:5696) en van 13 oktober 2014 (ECLI:NL:RBMNE:2014:4861) en een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 juli 2016 (ECLI:NL:RBGEL:2016:3916). Anders dan verweerder ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het eerst ter zitting overleggen van deze lagere gepubliceerde rechtspraak in strijd is met de goede procesorde. De eerste drie genoemde uitspraken zijn door verweerder zelf genoemd in de stukken. De inhoud van de drie laatste uitspraken zijn niet van dien aard dat verweerder daar niet adequaat op zou kunnen reageren.

13. De voorzieningenrechter ziet in voornoemde jurisprudentie geen aanknopingspunten die in de onderhavige zaak tot het oordeel zouden moeten leiden dat het bestreden besluit onrechtmatig is, dan wel dat dat belangen van verzoeker zwaarder dienen te wegen dan het belang van verweerder.

14. Omdat verweerder, gelet op al het vorenstaande, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het opnieuw opleggen van een gebiedsverbod, zal de voorzieningenrechter de gronden die zijn gericht tegen het subsidiaire besluit van verweerder, waarbij het gebiedsverbod werd beperkt tot de nachtelijke uren, onbesproken laten.

15. Nu het bestreden besluit naar voorlopig oordeel stand zal houden in de beslissing op bezwaar, luidt de conclusie dat het verzoek wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C.J. Kohl, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
26 januari 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.