Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:389

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
01/845957-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben van:

- 59,53 gram cocaïne;

- 315,20 gram amfetamine

- 7989 stuks pillen met MDMA.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt toegewezen: ondergaan moet worden 729 dagen gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845957-15
V.I. zaaknummer: 99/000184-51

Datum uitspraak: 26 januari 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Colombia) op [geboortedatum] 1991,

wonende te [adresgegevens] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 februari 2016, 3 mei 2016, 13 juli 2016, 14 december 2016 en 12 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde (hierna: verdachte) naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 januari 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 13 juli 2016 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 november 2015 te Lith, gemeente Oss, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad - een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (bruto gewicht ongeveer 59,53 gram), en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (te weten ongeveer 315,20 gram) en/of - een aantal pillen (ongeveer 7989 stuks) bevattende MDMA,

zijnde cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

De zaak met v.i. zaaknummer 99/000184-51 is aangebracht bij vordering van 23 november 2015. Deze vordering heeft betrekking op de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van 729 dagen van de gevangenisstraf van 5 jaar en 6 maanden, opgelegd bij arrest van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 6 februari 2013.

De verdachte is op 29 juni 2015 voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Bewijsoverwegingen.

De raadsman heeft betoogd dat niet kan worden bewezen dat verdachte enige drugs aanwezig heeft gehad. Hij was slechts in het chalet om een vriend te bezoeken en heeft, toen deze er niet bleek te zijn, wat opgeruimd. Hij had geen beschikkingsmacht over de aangetroffen drugs.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

In een chalet gelegen aan ‘De Lithse Ham’ te Lith werd op 13 november 2015 verdachte aangetroffen. Verdachte opende de deur terwijl hij handschoenen droeg die waren voorzien van een wit residu gelijkend op cocaïne. Uit een indicatieve test bleek dat voornoemd residu positief reageerde op de aanwezigheid van cocaïne.

In het chalet is in ruimte 1 in de koelkast een kunststof bakje met een plastic zak met daarin wit poeder aangetroffen en in ruimte vier op de tafel een bord met daarop witte brokken, alsmede een glas frisdrank. Naast voornoemde tafel bevond zich een kastje waarvan één van de bovenste lades openstond. In die geopende lade bevond zich een plastic zak met zes bolletjes wit poeder. Voorts bevond zich in datzelfde kastje in een (gesloten) lade een ‘klei’doos met daarin zes zakken met gele pillen met de opdruk ‘Homer Simpson’ en één zak met oranje pillen met verschillende opdrukken.

Volgens eigen zeggen was verdachte in het bezit van een sleutel van voornoemd chalet en heeft hij in het chalet iets te drinken gepakt. Verdachte was alleen in het chalet aanwezig. In het chalet is één glas met frisdrank op de tafel in ruimte vier aangetroffen. Dit glas stond op een tafel waarop naar uiterlijke verschijningsvorm drugs verwerkt werd. Toen verdachte in het chalet werd aangetroffen, droeg hij handschoenen die indicatief positief werden getest op cocaïne. Voorts is er op een zichtbare plek, in de geopende lade in het kastje naast die tafel in ruimte vier, cocaïne aangetroffen. Alle omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien leiden tot de conclusie dat het verdachte was die in dat chalet bezig was om drugs te verwerken. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat verdachte weet had van hetgeen zich daar in het chalet bevond. Daarmee is bewezen dat verdachte alle in het chalet aanwezige drugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.

De rechtbank acht ten aanzien van alle aangetroffen pillen wettig en overtuigend bewezen dat zij MDMA bevatten. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm en de verpakking van de pillen volstaat het voor de rechtbank dat het NFI twee monsters heeft getest, te weten van de twee verschillende soorten pillen, met als conclusie dat zij MDMA bevatten.

De bewezenverklaring.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen – welke als bijlage aan dit vonnis zijn gehecht – en hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 13 november 2015 te Lith, gemeente Oss, opzettelijk aanwezig heeft gehad - een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (bruto gewicht ongeveer 59,53

gram), en

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (te weten ongeveer 315,20

gram) en - een aantal pillen (ongeveer 7989 stuks) bevattende MDMA,

zijnde cocaïne en amfetamine en MDMA middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

Gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is gelijk aan het voorarrest.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 13 november 2015 werd verdachte in een chalet gelegen aan ‘De Lithse Ham’ te Lith aangetroffen, terwijl zich in dat chalet forse hoeveelheden van diverse soorten verdovende middelen bevonden.

Het is algemeen bekend dat die verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de afnemers en de samenleving.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat uit het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 november 2016 volgt dat verdachte eerder werd veroordeeld tot een lange gevangenisstraf en verdachte nog geen half jaar op vrije voeten was. Verdachte liep sinds 29 juni 2015 in de proeftijd van een herroeping van voorwaardelijke invrijheidsstelling. Verdachte heeft zich daardoor niet laten weerhouden om zich wederom met criminele activiteiten bezig te houden.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs bestaan geen zelfstandige oriëntatiepunten. De rechtbank zoekt aansluiting bij de oriëntatiepunten voor de in- en uitvoer van harddrugs en past daarop een correctie toe vanwege het lagere wettelijk strafmaximum van het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. Uit het oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij acht de rechtbank een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats. De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De verdediging heeft verzocht om vrijlating van verdachte. De rechtbank begrijpt dat als een verzoek dat strekt tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte, nu de schorsing van de voorlopige hechtenis loopt tot het moment van de einduitspraak. De rechtbank acht daar echter geen termen voor aanwezig.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen in beslag genomen geldbedrag aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag.

Herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling 99/000184-51.

Het standpunt van de officier van justitie.

Toewijzing van de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling met nummer 99/000184-51.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging doet een beroep op de redelijkheid en billijkheid. Verdachte is nooit eerder voor vergelijkbare zaken veroordeeld en herroeping vormt een onevenredige belasting voor verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich binnen vijf maanden na zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling en gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. In hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen en in de persoon van de veroordeelde, ziet de rechtbank geen aanleiding om niet tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling over te gaan. De rechtbank ziet ook geen reden om slechts gedeeltelijk tot herroeping over te gaan.

Verdachte heeft weliswaar een andersoortig delict gepleegd, maar wel een ernstig delict. Dat herroeping belastend voor hem is komt voor zijn risico.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 57

Opiumwet art. 2, 10.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C, van de Opiumwetgegeven verbod, meermalen gepleegd.De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:

gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank gelast de teruggave van het in beslag genomen goed, aan [verdachte], geboren [geboortedatum] 1991, te weten een geldbedrag van € 430,-- met goednummer 903351.

De rechtbank wijst toe de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling met v.i. zaaknummer 99/000184-51 en gelast dat de vrijheidsstraf die als gevolg van de toepassing van de regeling voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog moet worden ondergaan, te weten gevangenisstraf voor de duur van 729 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. Y.N.M. Rijlaarsdam en mr. A.M.R. van Ginneken, leden,

in tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,

en is uitgesproken op 26 januari 2017.